Een enigszins aangepaste versie van dit verhaal is geplaatst in Wijkblad Brakkenstein, juni 2024.
Het kamp van de scouting, de kabouters, in de zomer van 1968 of ’69: Op de deel van een
boerderij ergens in Brabant, waar in de winter de koeien stonden. In de zomer gingen
de koeien naar buiten waardoor de deel
prima gebruikt kon worden voor dit soort kampdoeleinden. Onze slaapzakken lagen
uitgespreid op luchtbedjes op de betonnen stalvloer.
Nog weet ik de geur terug te halen van het hooi, stro en alles wat ik boerderijlucht noem. Sommigen vinden het stinken maar ik vond, en vind, het heerlijk.
Op een van die mooie zomerdagen wandelden we onder begeleiding van de kabouterleidsters langs de korenvelden in ons uniform: een jurkje met epauletten op de schouders, een mutsje, een das/sjaal, hoge kniekousen en een leren riem, allemaal bruin. We waren onderweg naar het dichtstbijzijnde dorp.
Onderweg plukten we een goudgele korenaar en peuterden de kleine korreltjes eruit om op te eten. Veel smaak zat er niet aan, het had soms een hard velletje en voor je het wist was het korreltje al weer op. Het hoorde gewoonweg bij de hele beleving.
In het dorp aangekomen kwam de stoet van de Nijmeegse
vierdaagse voorbij. We stonden daar met zijn allen te kijken naar de wandelaars
en naar alle festiviteiten tot op een gegeven moment een gil: PAPA!!!!
Een van de kaboutertjes schoot uit de groep, greep de mouw vast van de man die inderdaad haar vader was die de vierdaagse liep. Huilen, huilen. “Ik wil mee naar huis”, en ze bleef maar aan zijn mouw hangen. Ze was ontroostbaar, haar papa was verlegen met de hele situatie, lachte wat en probeerde het minimensje tot bedaren te brengen. Na korte tijd werd ze met zachte hand weggeleid en getroost door de kabouterleidsters waarna haar vader, waarschijnlijk met een bezwaard hart, verder kon lopen.
Achteraf hoop ik dat het de vierde dag van de vierdaagse was, want dan zouden we de dag erop toch weer naar huis gaan.
Een van de kaboutertjes schoot uit de groep, greep de mouw vast van de man die inderdaad haar vader was die de vierdaagse liep. Huilen, huilen. “Ik wil mee naar huis”, en ze bleef maar aan zijn mouw hangen. Ze was ontroostbaar, haar papa was verlegen met de hele situatie, lachte wat en probeerde het minimensje tot bedaren te brengen. Na korte tijd werd ze met zachte hand weggeleid en getroost door de kabouterleidsters waarna haar vader, waarschijnlijk met een bezwaard hart, verder kon lopen.
Achteraf hoop ik dat het de vierde dag van de vierdaagse was, want dan zouden we de dag erop toch weer naar huis gaan.
©Vera Oor, 2024