Een troosteloos beeld

 

Ik ben verdwaald in een troosteloos gebied waar kleuren en geuren ver te zoeken zijn. Heel soms zie ik een lichtpuntje waaraan ik me probeer vast te grijpen, maar het is (nog) niet genoeg om staande te blijven.

Een massief, grijs rotsblok lijkt op het schild van een schildpad, met twee uitstekende voorpoten. Echter, de kop is eraf gehakt alsof het blok door brute kracht gespleten is. Als ik naar boven kijk, zie ik een fletsblauwe lucht en een in de rotsen uitgehouwen trap waarlangs misschien ooit, lang geleden, een waterstroom als een waterval naar beneden is gekletterd. Wanneer ik me afdraai van de lucht, zie ik niks dan grijs en een trap die naar een diepte loopt, een diepte zonder eind in zicht. De trap oplopen durf ik niet omdat ik bang ben dat aan de andere zijde van de grijze heuvel een nog groter, uitgestrekt onherbergzaam landschap zal opdoemen.

Ik heb het idee dat ik hier al dagen ronddwaal, zonder dat het uitzicht veranderd en er hoop op ontsnapping is. Er is zelfs geen sprietje gras te vinden waar ik een druppel vocht uit zou kunnen persen. Mijn lippen zijn gebarsten en mijn tong en gehemelte voelen aan als schuurpapier. Geen zuchtje wind brengt verkoeling. De omgeving is doodstil.
De hoop op troost van mijn medepassagiers is vervlogen. Verderop ligt het geraamte van het neergestorte vliegtuig. De vleugels zijn geknakt, de ramen in de cockpit gebarsten en rondom liggen brokstukken die inmiddels bedekt zijn met een dikke laag, grijs gruis. Nog enkele dagen en het wrak zal niet meer zichtbaar zijn, volledig geïntegreerd in de omgeving.Ik voel het laatste beetje hoop en moed uit me wegvloeien en laat me neervallen op de harde bodem. Mijn armen wijd uitgestrekt en mijn benen langgerekt, zodat het vanuit de lucht zal lijken of er een levensgroot kruis op de aarde ligt. Mijn rode jas en gele reddingsvest steken nog enigszins af en zijn op deze manier misschien zichtbaar vanuit de lucht?

Ik verdwijn in een illusie van een groene, frisse omgeving waarin de dauw nog op het gras ligt. Dauwdruppels die ik oplik en die mijn gehavende tong strelen. De heldere fluittonen van vogels bereiken mijn oren en naast me loopt een hond, waarvan ik de vacht langs mijn been voel strijken. Zijn gehijg volgt mijn stappen. Zijn ruwe tong likt mijn hand. Een schaduw valt over me heen en ik kijk omhoog naar de lucht, waar het blauw is verdreven door oranje en waar de witte schapenwolkjes plaats hebben gemaakt voor een afgeronde, gladde bol. De vogels zijn stil en langzaam dringt een stem tot me door.
‘Mevrouw, mevrouw, hoort u mij?’
Langzaam open ik mijn ogen en zie de bezorgde blik boven mijn hoofd. De hijgende hond die zojuist nog naast me liep, staat naast mijn gezicht.
Ik voel dat mijn hoofd aan de achterkant iets opgetild en ondersteund wordt en ik proef…water!
Gulzig lik ik de druppel van mijn lip en open mijn mond voor meer. Ik wil iets zeggen, maar ik breng slechts een schrapend geluid voort.
Ik probeer te ontdekken waar de wind en het geluid vandaan komen. Geleidelijk aan word ik me meer bewust van mijn omgeving en zie ik de draaiende wieken van een helikopter. Om me heen lopen mensen in oranje pakken met een helm op. Langzaam dringt het door: ik ben gered!

©Vera Oor, 2025

Is alles naar wens?

‘Heeft u een keuze kunnen maken?’ vraagt het meisje van de bediening ons om 18.00 uur.
Wij geven onze menuwensen door. Mij kijkt ze vragend aan en herhaalt: ‘Tournedos?’

Overduidelijk dat ze er nooit van gehoord heeft, maar ze ziet het staan op de menukaart en neemt het over. De man van mijn vriendin geeft aan dat hij hetzelfde voorgerecht en hoofdgerecht wil als zijn vrouw. De zalmfilet als hoofdgerecht wordt genoteerd. ‘Wilt u ook een voorgerecht?’
‘Ja, hetzelfde als mijn vrouw.’
Ons bestelde drankje wordt gebracht door een ander meisje. ‘Het kan wel even duren, de kok is alleen en het is druk in het restaurant.’
Ginnegappend vraag ik nog: ‘We krijgen het denk ik wel vóór 22.00 uur?’
‘Dat denk ik wel.’ Een lach kan er niet af.
Wel vragen we ons af waarom ze nieuw binnenkomende gasten nog steeds plaats laten nemen aan een tafeltje, terwijl al duidelijk is, dat dit echt niet handig is. 

Rond 19.30 uur zijn we aan ons tweede drankje bezig, maar eten hebben we nog niet gezien.
‘Is alles naar wens?’ vraagt meisje nummer 3. Overduidelijk geïnstrueerd om dat regelmatig te vragen bij de tafels. Er is echter vergeten om haar te leren dat ze daarbij de gasten aan moet kijken en moet luisteren naar hun antwoord en eventueel een vervolgactie in gang moet zetten.
‘Nou nee,’ antwoorden wij. ‘We zouden toch graag wat willen eten.’
Hé, ze kijkt ons aan, maar begrijpt de hint niet. We geven aan dat het wel erg lang duurt nu.
‘Ik vraag het voor u na.’

Hèhè, even later krijgen we ons voorgerecht van het eerste meisje. Nou ja, wé? Alleen mijn vriendin en ik. Haar man zit even later nog steeds te wachten en wij wachten met hem mee totdat we elkaar ‘smakelijk eten’ kunnen wensen.
Meisje 1 komt langs en vraagt of alles naar wens is.
‘Nee, we wachten nog op een voorgerecht voor mijnheer.’
‘Wat heeft u dan besteld?’
‘Hetzelfde als mijn vrouw,’ herhaalt hij met onderdrukt ongeduld zijn eerdere bestelling.
Gelukkig, dit meisje begrijpt het en komt al snel met het ontbrekende voorgerecht aangelopen. Ze biedt netjes haar excuses aan.

Voorgerecht op, bestek op de lege borden. Meisje nummer 3 komt weer bij ons langs en vraagt met dezelfde ongeïnteresseerde uitdrukking op haar gezicht: ‘Kan ik de dessertkaart voor u halen?’
Wij kijken elkaar stomverbaasd aan en beginnen wat te lachen. Dit zal toch niet waar wezen, wat zal er nog meer misgaan?
‘Nou, nee,’ antwoorden we. ‘We willen eerst het hoofdgerecht.’
Ik kan me nog net beheersen om niet bij het afrekenen te zeggen, dat de fooi alleen voor de kok is, die het toch maar mooi voor elkaar heeft gekregen om in zijn eentje alle gasten van hun bestelling te voorzien. 

©Vera Oor, 2025

Lang vervlogen tijden


Gelukkig is het rustig op straat als ik de bioscoop uitloop en is het contrast íets minder groot tussen het Nijmegen van nu en van begin vorige eeuw, zoals in de film “Nijmegen zo mooi als het was”. 


De omschrijving gaf me een voorproefje: “Een weemoedige en intense weergave”.

Als bezoeker krijg ik het idee deel uit te maken van een ander, levensgroot Nijmegen dat deels niet meer bestaat, maar “tot leven” komt door de bewerkte en ingekleurde foto’s.
Het imposante kasteel Bat-Ouwe-Zate aan de Lindenberg is er niet meer. De nonnen die er hun goede werk verrichtten en zich staande hielden in het aan verval onderhevige klooster Hallo evenmin. (Bij deze nonnen is mijn oma ooit geschoold in het katholicisme voordat ze met mijn opa kon trouwen). Oude gevels zijn getuige geweest van diligences, getrokken door trappelende paarden. De stoomtram doorkruiste het centrum. Beelden van mensen, voorvaderen van de huidige Nijmegenaren? Hoe zou het de kinderen vergaan zijn, die ergens in de benedenstad poseerden voor de vervallen huizen met scheefhangende luiken?
Ik waande me zo nu en dan zelfs even in een Efteling-omgeving, zoals bij het sprookjesachtig aandoende station. Het blootvoetse, arme “Meisje met de zwavelstokjes” zou zomaar door Anton Pieck getekend kunnen zijn in een van de oude Nijmeegse straten. Zelfs “Holle Bolle Gijs” ontbrak niet. Meerdere keren in de film komt Emile Selbach voorbij. Een man van enorme omvang, rond 1900 de dikste man van Nederland. Niet in de laatste plaats poserend voor zijn eigendom: hotel-café-restaurant t Valkhof, hoek Valkhofplein-Voerweg. Hij was een ware attractie en wist dat te gelde te maken, door zich te laten zien in zijn restaurant, grote hoeveelheden eten verorberend. Emile wachtte dan wel totdat het café vol zat en hij naast de kijkinkomsten verzekerd was van inkomsten uit drank. Lang vervlogen tijden. 

©Vera Oor, 2025

Hij heeft een propvolle mand bij zich

 

Door het geopende raam kruipt de vroege, koele ochtendlucht mijn slaapkamer binnen. Een natuurlijke wekker van vogelgeluiden heeft me wakker gemaakt. Ik rek me uit en blijf met gesloten ogen en mijn armen gevouwen achter mijn hoofd liggen soezen. Vier uur, het begint al een beetje licht te worden. In de zomer het mooiste moment om de omgeving op me in te laten werken en geleidelijk aan opnieuw in slaap te vallen.
Pats! Mis! Pats! Mis! Nu ben ik het zat. Ik wil opstaan om achter die irritante mug aan te gaan. Voordat ik een been het bed uit kan zetten, is hij er weer. Op mijn wang. Yes, nu heb ik je. Pats!
‘Au,’ hoor ik heel zacht.
Wat is dit nu weer? Pratende muggen bestaan niet, dus heb ik ook nog een insluiper in mijn slaapkamer? Ik zal hem!
 
Ik wrijf het slaapzand uit mijn ogen omdat ik die ogen op dit moment niet vertrouw. Zit er notabene een of ander figuur op mijn nachtkastje. Hij heeft een lange, witte baard en een enorme puntmuts.
Meteen weet ik wie hij is. Ik heb hem vaak op plaatjes gezien: Klaas Vaak.
‘Wat doe jij hier?’ vraag ik verbaasd.
Uit zijn antwoord maak ik op, dat hij in een niet al te best humeur is. ‘Wat denk je zelf, slimmerik?’
‘Slaapzand strooien?’ stel ik mijn snuggere tegenvraag.
‘Ja, natuurlijk. Ik moet zorgen, dat je in slaap blijft, maar jij vond het zo nodig om mij een optater te verkopen.’
‘Sorry daarvoor,’ zeg ik. Ik dacht dat ik een mug wegsloeg. ‘Maar even iets anders. Jij zorgt ervoor dat iemand in slaap valt, maar toch niet dat hij in slaap blíjft?’
Klaas kijkt me aan en wrijft over zijn baard, die hij in een lange punt trekt. Hij springt van het nachtkastje af en gaat naast me op bed zitten.
‘Toch een slimmerik dus. Er zit niets anders op, dan dat ik je in vertrouwen neem.’
Er is net voldoende licht om Klaas in de ogen te kunnen kijken. Nieuwsgierig kijk ik hem aan: ‘Nou, vertel op. Waarom moest je me in slaap houden?’
‘Eerst beloven, dat je niet laat merken, dat ik het je heb verteld.’
Ik twijfel een moment. Ach, Klaas Vaak zal wel niet verwikkeld zijn in allerhande duistere zaken, met uitzondering van de nacht dan. ‘Ik beloof het.’
‘Je raam staat op een kier open, dus we kunnen kijken en luisteren. Wij gaan samen op de rand van het bed zitten en kijken rustig naar je tuin. Ik zal je uitleggen wat er gebeurt.’ Waarschuwend steekt hij zijn vinger omhoog: ‘En geen geluid maken!’
‘Klopt het dat je altijd leuke dromen meegeeft met het slaapzand?’ vraag ik.
Klaas knikt. Oké, denk ik, dan hoef ik dus niet te vrezen dat ik in een of andere nachtmerrie beland. Ik begin toch wel nieuwsgierig te worden.
 
Het piepen van de poort verstoort de vroege ochtendrust en dan zie ik een man de tuin inlopen met op zijn schouder een bos hout. Achter hem aan loopt een ventje met een pet op. Als die zich omdraait zie ik zijn silhouet. Een lange neus. ‘Pinokkio?’ vraag ik zachtjes.
Klaas knikt weer. ‘En die man is Gepetto, Pinokkio’s vader,’ verduidelijkt hij.
Weer piept het hek en nieuwsgierig kijk ik naar de volgende die de tuin inloopt. Een jonge man leidt een ezel met een tafel op zijn rug. ‘Iaa-iaa,’ balkt die.
Klaas Vaak wrijft in zijn handen. Zijn hersens draaien op volle toeren. Zijn opdracht loopt helemaal volgens plan, behalve dan dat hij dit alles nu aan me laat zien, eerder dan de bedoeling is. ‘Ken je het sprookje van die ezel?’
Eerlijk gezegd ben ik de details van dat verhaal kwijt en ik vraag Klaas om het toe te lichten.
‘Dat vraagt nu te veel tijd. Je moet het maar eens opzoeken. Hoe dan ook, de spreuk “Tafeltje dekje, ezeltje strek je” moet je kennen. In het sprookje is een man in het bezit gekomen van een betoverde tafel en hij laat die door de ezel dragen. De ezel kan goudstukken poepen, maar dat doet hij vandaag niet, hij werkt gewoon als pakezel.’
Ik wil hem onderbreken, door te zeggen, dat die ezel best wel de nodige goudstukken mag poepen, maar iets in mij zegt, dat dat niet op zijn plaats is. Ik kijk weer naar de activiteiten in de tuin.
 
Gepetto pakt de tafel van de rug van de ezel, zet hem op het gras en zegt de spreuk die Klaas daarnet al gebruikte: ‘Tafeltje dekje, ezeltje strek je.’ In no time ligt er over de tafel een kraakhelder, wit kleed en staan er borden, glazen en bestek. Zo, dat belooft wat. Het is overduidelijk niet bedoeld voor één persoon. Wie komen er dan nog meer?
Een klein jochie met een grote mand over zijn arm, trippelt het gras op. Hij zet de mand op tafel en nu kan ik zien, dat die vol ligt met brood. Dit jochie moet Klein Duimpje zijn, dat kan ook niet anders.
Inmiddels zijn Gepetto en Pinokkio druk bezig om houtjes in de vorm van een houtvuur te leggen. Gepetto timmert een stellage erboven met een ketting erin. Terwijl hij Pinokkio de laatste aanwijzingen geeft, meldt zich weer een figuur. Kromgebogen met een stok in de hand, sleept de heks, want dat is ze, een ketel met zich mee. Gepetto neemt de ketel van haar over en hangt die aan de ketting boven het vuur.
Ach, kijk nou wat lief: zeven geitjes trippelen het gras op en mekkeren tegen een meisje dat voor hen uit loopt: ‘Bèh, bèh, Roodkapje, waar moeten de geitenkaasjes naartoe?’
Roodkapje ploft neer op het gras en doet haar rode jasje uit. ‘Even wachten, ik zal zo navragen waar de kaasjes heen moeten. Ik wil eerst bijkomen van de lange wandeling. Jullie huppelden dan wel leuk rond, maar ik moest die mand met koekjes meezeulen.’
‘Waar is je grootmoeder trouwens?’ vraagt een van de geitjes.
‘Die komt dadelijk mee met Hans en Grietje.’
‘Moet ze dat hele stuk lopen? Dat is toch veel te ver?’
‘Vergis je niet in mijn oma hoor, dat is een kranige tante. Bovendien had Hans nog een idee, dat het voor haar makkelijker zou maken. Ik weet eerlijk gezegd ook niet wat dat idee is, maar dat zullen we nog wel zien. Stil eens: ik hoor hoefgetrappel.’
 
Evenals het gezelschap beneden kijk ik naar de poort, die geopend wordt door zeven dwergen, die hem openhouden zodat de paarden de tuin in kunnen trappelen. Ze trekken een glimmend gepoetste koets voort. De prins voorop de bok springt ervan af en houdt de koetsdeuren open. Galant als hij is, reikt hij eerst de hand aan Roodkapjes grootmoeder en daarna aan Assepoester en Sneeuwwitje.
‘Kom verder, kom verder,’ roept Gepetto.
In korte tijd heeft hij samen met Pinokkio een stoel in elkaar getimmerd, bedoeld voor grootmoeder. Tevreden trekt ze een plaid over haar benen. Sneeuwwitje loopt langs mijn huis op en verdwijnt uit beeld. Kort daarop hoor ik hanengekraai en gekakel van de kippen. Er zal toch geen vos in het kippenhok zijn binnengedrongen? Ik moet me inhouden om niet naar buiten te rennen en te kijken wat er aan de hand is, maar de dwingende hand en indringende ogen van Klaas Vaak weerhouden me aan die impuls toe te geven.  
Gelukkig is mijn schrikbeeld van veren in een bloedbad snel verdwenen als Sneeuwwitje terug komt lopen met achter zich aan: mijn kippen. Elke kip houdt behoedzaam een ei tussen haar vleugels geklemd. Ze reiken om beurten hun ei aan Klein Duimpje aan, die ze in een schaal naast de vuurplaats legt.
 
‘Gaan ze het vuur ook nog aansteken?’ vraag ik aan Klaas. Als ik geen antwoord krijg, zie ik dat hij niet meer naast me zit. Ik kijk om en zie hem staan met de deurklink in de hand. ‘Waar ga jij heen?’ wil ik weten. Hij laat me nu toch niet alleen, hoop ik.  
Klaas legt zijn vinger voor zijn mond om me te waarschuwen niet te hard te praten. ‘Ik ga naar beneden. Mijn sprookjescollega’s zullen vast wantrouwend worden als ik er zometeen niet bij ben.’
‘Hoezo zometeen?’
‘Niet te veel vragen stellen nu. Onthoud dat ik je gezegd heb, dat je niet laat merken, wat je allemaal gezien hebt. Je merkt wel wat er nu gaat gebeuren. O ja, niet alleen zien, ook horen.’
Zachtjes trekt hij de deur achter zich dicht en ik kijk weer uit het raam. Even later zie ik Klaas Vaak naar het gezelschap lopen. Iedereen kijkt hem verwachtingsvol aan. Hij steekt zijn duim omhoog en legt zijn hoofd zijdelings in zijn opgeheven handen. Volgens mij maakt hij hiermee duidelijk dat het hem gelukt is mij in slaap te houden.
Hé, in de tijd dat ik even niet oplette, zijn er zeven dwergen aangesloten bij het gezelschap, evenals een armoedig gekleed meisje. Ach, dat is het meisje met de zwavelstokjes. Wat fijn, dat ze zich ook eens midden in de zomer kan laten zien en niet eenzaam in de koude sneeuw hoeft te overleven door zich met aangestoken lucifers een  beetje warm te houden. Ik ben blij dat ze deel uit kan maken van het gezelschap in mijn tuin. Ik heb inmiddels het idee gekregen dat er hier een feestje voorbereid wordt. Maar waarom?  
Grietje loopt naar het meisje toe en haalt haar over om eerst iets te pakken van de schaal met peperkoek en andere zoete lekkernijen. Zou ze die samen met Hans van het huisje afgepulkt hebben? Het huisje waar de heks Hans wilde opsluiten? Even later veegt het zwavelstokjesmeisje de koekkruimels van haar mond en loopt naar de houtstapel. Gespannen kijken de omstanders toe. Een voor een strijkt ze de lucifers aan en gooit die tussen het hout, dat langzaamaan vlam vat. De rook drijft mijn open raam binnen en met moeite demp ik een hoestprikkel door snel het kussen naar me toe te trekken en voor mijn mond te houden.
Hier moet toverkunst in het spel zijn, want binnen no time kookt het water in de heksenketel. De kippen geven om beurten hun ei aan Gepetto, die ze voorzichtig in het water laat glijden.
Ineens een herrie! De kippen kakelen op volle sterkte en fladderen weg bij het houtvuur. De heks heeft kans gezien er een bij de kladden te grijpen en wil die op het vuur gooien.
Gepetto, de prins en Assepoester storten zich op de heks en knijpen net zo lang in haar arm totdat ze de kip loslaat, die in sneltreinvaart wegfladdert. Zo te zien wordt de heks ernstig toegesproken en zelfs op deze afstand is me duidelijk, dat ze eieren voor haar geld kiest.
Alle sprookjesfiguren zijn nog aan het bijkomen van de opwinding als een loepzuiver vogelgeluid klinkt. Ongetwijfeld de Chinese nachtegaal die aankondigt dat de ochtendschemer plaats gaat maken voor de opkomende zon.
 
Doodse stilte! Ineens kijkt iedereen naar mijn slaapkamerraam en ik kan nog net op tijd wegduiken.
Dan klinkt er een hels kabaal. Dit moet Klaas bedoeld hebben toen hij zei dat ik nog wel zou zien of horen wat er aan de hand is. Deze herrie zou zelfs Doornroosje nog uit haar slaap halen na haar jarenlange slaap.
Iedereen kakelt, zingt, schreeuwt en krijst door elkaar en met enige moeite kan ik horen wat ze zingen: ‘Kom nu gauw, vandaag is een speciale dag voor jou. Het ontbijt staat klaar, aanvallen maar.’
Mijn slaapkamerdeur gaat open en daar staan Klaas Vaak met de zeven dwergen en Klein Duimpje, allemaal breeduit lachend, in de deuropening.
‘Kom je met ons mee? Vandaag mogen wij allemaal niet ontbreken in jouw wereld, dus we hebben een feest voorbereid in jouw tuin.’
Klaas Vaak had me echt niet hoeven te vragen om het te doen lijken dat ik compleet verrast ben. Ineens weet ik wat de reden voor deze uitnodiging is! Ik sla mezelf opnieuw voor mijn kop. Nu niet om een mug te doden, maar om mezelf te straffen dat ik bijna vergeten ben, dat het vandaag 7 juli is.
En 7 juli is…De Dag Van Het Sprookje!

©Vera Oor, 2025

Meegaan met je tijd

 






Meegaan met je tijd is een schilderij van Marius van Dokkum. Dit schilderij inspireerde me tot het volgende verhaal.




Geert bladert door de vergeelde pagina’s van het fotoboek, dat hij bij het uitmesten van de zolder tegenkwam.
De foto van zijn ouders bij de computer die hij in de jaren tachtig bij hun had geïntroduceerd. Als de dag van gisteren herbeleeft hij deze dag, waarop hij uitleg zou geven over het apparaat.
 
 ‘Ja, jongen, dat is goed. We zien je vanavond.’
Geert sluit het telefoongesprek met zijn moeder af en concentreert zich op de weg.
Grinnikend probeert hij zich voor te stellen hoe zijn ouders verwonderd staan te kijken naar het nieuwe ding in de kamer. Hen kennende zullen ze het van alle kanten enigszins argwanend bekijken en op veilige afstand blijven. Pa met de eeuwige sigaar in zijn mond en ma met blosjes van opwinding over de aanwinst die de buitenwereld hun kamer in zal brengen.
Het had hem niet verbaasd, dat ze akkoord gingen met zijn voorstel om een computer aan te schaffen. Ze staan open voor nieuwe wetenswaardigheden. Eergisteren heeft hij computer, beeldscherm, instructieboekjes en cd-roms alvast neergelegd en aangesloten, zodat hij vanavond alles aan hen kan uitleggen.
Die avond rijdt hij naar het huis van zijn ouders. Hij loopt achterom de keuken in en loopt door naar de kamer waar hij plotseling stilstaat als hij zijn ouders bezig ziet. Hij hoeft geen moment na te denken en grijpt meteen zijn camera. Als journalist heeft hij die gelukkig altijd bij zich en dit is een moment dat vastgelegd móet worden. Ze hebben niet eens in de gaten dat hij binnengekomen is en inderdaad: pa met de sigaar en ma met blosjes. Maar voor het overige klopt de situatie niet met het beeld dat Geert in gedachten had. Hier staan twee oudjes die zelf op zoek zijn gegaan naar de mogelijkheden.
Voorovergebogen staan ze achter de tafel, beiden met hun gezicht bijna tegen het beeldscherm aan. Pa ondersteunt ma in haar zoektocht op het scherm door zijn hand op haar schouder te leggen en ma duwt haar rechterwijsvinger stevig op een van de toetsen. In haar linkerhand heeft ze het opengeslagen instructieboekje. Geert durft hen bijna niet te storen. Als ma schrikt stoot ze misschien haar kop koffie om en hij ziet de inhoud van het kopje al uitvloeien over de muis die aan de zijkant van de tafel bungelt.
‘Mm,’ praat zijn moeder binnensmonds. ‘Dit doen we niet goed. Laten we eens opnieuw beginnen.’
Geert kucht zacht en zijn moeder kijkt op.
‘Hoi, jongen. Je komt net op tijd. We zijn nu op pagina 21, maar we komen niet verder. De instructie zegt dat we de muis moeten gebruiken, maar dat ding dat zij muis noemen, werkt niet.’
‘Laat me eens kijken,’ zegt Geert. ‘Waarom heb je de muis opzij van de tafel hangen?’
‘Nou, het snoer is te kort volgens mij,’ antwoordt zijn moeder. Ik wilde hem op de grond leggen, net zoals het voetpedaal van mijn naaimachine, maar dat haalt hij niet. Een naaimachine kun je ook bedienen zonder het pedaal, dus ik dacht dat dat bij dit ding ook zou kunnen.’
Geert draait zich om en veinst een hoestbui, waarmee hij probeert zijn onbedaarlijke lach te camoufleren. Hij wil zijn ouders niet uitlachen, maar dit werkt zó op zijn verbeelding. Een muis gebruiken als voetpedaal!
‘Ik zal er eens naar kijken, maar zullen we eerst een bakkie koffie drinken? Ik zie dat jouw kop koffie inmiddels koud is geworden.’
 
Geert sluit het fotoboek en neemt het mee naar beneden, naar de huiskamer. Op zijn gemak wil hij het helemaal doorbladeren. Good old memories herleven.

©Vera Oor, 2025

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...