Mooi van lelijkigheid

 ‘Kun jij het niet nemen? ‘Ze wil hem niet meer.’
Nu was ik helemaal niet van plan er nog een bij te nemen, maar ik maakte toch een afspraak om even te gaan kijken.
Ach, daar zat hij. Op een kleine binnenplaats van stoeptegels zat het scharminkeltje.
De eigenaresse vertelde me dat ze hem van haar kinderen had gekregen, maar dat ze helemaal geen hond meer wilde. En áls dat wel zo zou zijn, werd het een grote en niet zo’n klein beestje. 
Het diertje was overduidelijk niet welkom en ik voorzag een uiterst sombere toekomst voor hem.

‘Oké, ik neem hem mee. Maar ik moet wel proberen hoe het gaat met mijn twee andere honden. Dus hij komt even op proef.’
Het magere dier ging zonder problemen mee in de auto. De kennismaking met de andere twee liep verrassend goed en ik besloot na twee dagen dat hij mocht blijven. Max, dat was zijn naam, duwde ik eerst in bad. Hij stonk een uur in de wind naar sigarettenrook. Zijn mandje dat ik had meegekregen rook niet minder fris, dat heb ik weggeknikkerd.
Hij was pas een half jaar oud en nu al zo’n verleden achter zich. Was hij lief? Ja. Was hij mooi? Absoluut niet. Hij was mooi van lelijkigheid zeiden we altijd. Had hij vervelende eigenschappen? Ja, twee. De eerste die ik hem afgeleerd kreeg was dat hij niet mee naar buiten wilde als het regende. Ja, verscholen tegen mijn benen onder de paraplu.
De tweede was irritanter. Hij wilde denk ik zijn uiterlijk en afmeting compenseren door zich op een andere manier te laten gelden. Hij klemde zich met zijn poten stevig vast om benen en begon te rijen. Nou, daar was ik niet van gediend en het werd eerder erger dan minder. Ik kon geen andere oplossing bedenken dan castreren.
 
Getooid met een plastic kap om zijn kop ging hij van de dierenarts mee terug naar huis. De kap moest voorkomen dat hij aan de wond ging vreten. Het bleek niet nodig, hij kon prima uit de poten zonder kap en al al na enkele uren liep hij door de kamer alsof er niets gebeurd was.
 
Een vriendin van ons, die helemaal weg was van Max, kwam een dag later op bezoek. Max rende samen met de andere twee naar de deur om te kijken wie er aan de deur stond.
‘Och, Max, wat hebben ze met jou gedaan? Wat ben je zielig!’ zei de vriendin en ging op haar hurken zitten.
Max zag deze extra aandacht wel zitten en veranderde op slag in een zielig schepsel die haar aankeek alsof hij de hele dag in elkaar geslagen werd. Zijn ogen in standje droevig en de oren plat langs zijn kop. Hij presteerde het zelfs een licht kreuntje te produceren. Hij liet zich al haar aandacht lekker aanleunen en week niet van haar zijde. Zijn vacht werd statisch van alle aaien, die hij kreeg.
Einde bezoek. Max kreeg nog een knuffel en ze vertrokken.
Op slag veranderde het zielige exemplaar weer in een hond waar niets mee aan de hand was. Max heeft zijn veertien levensjaren bij ons gewoond.

©Vera Oor, 2026

‘Verkoopt u ze nog steeds?’ vraag ik.
Na een bevestigend antwoord stappen we in de auto.

‘Ik kom er zo aan,’ hoor ik als we opzij van het huis naar achteren lopen. Ik hoor de man wel, maar geen kip te zien. Dat is wel anders als ik het niet over mensen heb. Het gekakel van kippen is niet te missen. Een kleine vogeltuin strekt zich voor me uit. Rijen hokken, rennen en waterpartijtjes voor een groot aanbod van kippensoorten, maar ook pauwen, eenden, siervogels, kanaries. Op ons gemak bewonderen we het gevederde aanbod. Bij elke stap die we verderlopen voegt zich wel weer een geluid toe, kleine haantjes lopen kris-kras vrij rond tussen de met schors bedekte paden en zetten de vaart erin als we dichterbij komen.
De eigenaar komt eraan. Een buitenmens, dat is wel duidelijk met zijn verweerde, bruine gezicht. Een echte liefhebber weet ik nog van ons vorige bezoek.

‘We willen een groot soort kip en een haan.’
Al snel is duidelijk dat de vogel die we op het oog hadden, niet de soort is die mee naar huis gaat. ‘Nee, dat zijn echte legkippen, die leven hooguit een/twee jaar,’ haalt de man ons uit deze droom.
Hm, dat is niet de bedoeling. Dat we eieren kunnen rapen, is leuk, maar we zijn geen eierboerderijtje. Het is gewoon leuk om kippen te bekijken in hun dagelijks gedrag.
Alle andere rassen lopen we langs en over elk ras weet hij wel wat te vertellen. Oké, het worden twee zwarte en een witte kip. De man duikt de hokken in en pakt ze bij de kladden. Deurtje van de bench open, die we meegenomen hebben. Kippen erin, deurtje dicht. Nu nog een haan.
‘Dat is een mooie,’ zeg ik bij een van de hokken.
De man haalt me uit de droom: ‘Die is teruggebracht. Hij viel aan.’
Een andere haan gaat erbij in de bench. Dat ding weegt met inhoud nu toch zo’n 12-15 kilo.
 
Op huis aan en de kippenren in met het hele spul. Water en voer staat al klaar. De vier kleine kipjes die we hebben lopen vrij rond in de wei en komen nieuwsgierig kijken wat ze nu boven het hoofd hangt. Eentje trekt de stoute schoenen aan en besluit een van de nieuwkomers even te laten weten wie de baas is. Er passen er wel vier van zijn gewicht in de grote nieuwkomer, maar daar trekt hij zich geen moer van aan. Hij wint ook nog.
Niet veel later lopen ze gezamenlijk rond te scharrelen, houden nog wel wat afstand maar vallen niet meer aan.
Bedtijd.
De kleintjes weten de weg en zitten al lang en breed op stok, maar de nieuwen begrijpen niet dat ze een trappetje op moeten lopen om binnen op stok te kunnen gaan. Ze zitten op een kluitje bij elkaar in de ren. Gelukkig woon ik niet alleen en hoef ik niet rond te kruipen om de een na de ander op te pakken en op het trapje omhoog te duwen.
Ze kijken even onwennig rond, maar vinden waarschijnlijk dat ze vandaag wel genoeg beleefd hebben en gaan slapen, wel op afstand van de andere bewoners.
 
Vanochtend zijn de kleine kippen al buiten en ik maak het hek open om ze de wei in te laten. De nieuwkomers zitten nog binnen. Verrek, er ligt zelfs al een XL ei. Zo te zien, heeft er nog een een ei geproduceerd, maar was zo slim om dat boven de opening van het trapje uit te poepen.
Onderin ligt de flubberige inhoud.
De haan laat zich horen, nu het licht binnendringt.
Het hele spulletje helpen we met een duwtje om opnieuw de trap te nemen, nu naar buiten.
Dag twee gaat voor hen van start.

 

 

 

 

Moederdag

Voor het achtste jaar op rij, rijd ik in de richting van mijn ouderlijk huis. Weliswaar in de richting, maar niet als eindbestemming. Mijn moeder verwelkomt me met een zonnige blik. Een tevreden blik die altijd blijft op de foto die op haar graf staat. Een foto, jaren geleden genomen in mijn tuin waar ze zit en omzoomd wordt door bloeiende hortensia’s.
Het bloeiende plantje dat ik heb meegenomen om erbij te zetten in de plantenbak, kan weer mee terug naar huis. Alle planten die erin staan, doen het nog goed en staan volop in de bloei. De geraniums, begonia’s en een ander plantje met geeloranje bloemetjes. Het kan ook niet anders. Mijn moeder was gek van bloeiende planten en verzorgde die met liefde. De kaars die ik heb meegenomen, gaat niet mee terug. Die steek ik aan en zet hem in de lantaarn op het graf.

Mother, how are you today? Goh, wat zou ik dat graag weten, hoe het met haar is, maar het antwoord zal ik wel nooit krijgen.
Het lied van Maywood “Mother, how are you today. Here is a note from you daughter” kan ik niet horen zonder een paar keer flink te slikken en terug te denken aan het moment dat ze die plaat aanschafte. Het nummer was regelmatig te horen op de radio en keer op keer zei ze hoe mooi ze dat vond. Ik zei: ‘Dan koop je die plaat toch?'
Ze keek me aan alsof ik had verteld, dat Kerstmis dit jaar in mei gevierd zou worden. Iets voor zichzelf kopen? Zomaar, zonder reden? En dan nog wel een plaat. We hadden een pick-up in huis dus dat hoefde het probleem niet te zijn en in de wijk was zelfs een radiozaak die ook lp’s verkocht. Niet veel later stond ik met haar in de winkel en liepen we terug naar huis met de kleurrijke hoes met de gezichten van de twee zusjes Maywood erop. Bijna eerbiedig legde ze het zwarte vinyl op de draaitafel en ging op het puntje van de bank zitten. Zomaar, zonder dat het tijd was voor een kop koffie of thee. Zomaar om naar iets te luisteren dat echt van haar was. Zomaar. Met een grote glimlach op haar gezicht zette ze het nummer opnieuw op, en nog een keer.

Voordat ik weer in de auto naar huis stap, kijk ik nog een keer naar de foto. De tweede regel in het lied is: Here is a note from your daughter.
Mother, here is a wish from your daughter: I wish you a wonderful day. Whereever that me be.

©Vera Oor, 2026

 

De giraf staat paf

 

De giraf kijkt verbaasd om zich heen. Waar komt het geluid vandaan? De dierentuin is nog niet open en de verzorgers zijn bij de leeuwen bezig. Opnieuw hoort hij een stem zeggen: ‘Dag giraf.’
Hij kijkt eens goed rond en dan ziet hij een man staan, die hem met pretogen aankijkt. Een nieuwe verzorger? Deze kent hij in ieder geval niet. Maar dan nog. 
Het is veel te vroeg voor de ochtendronde. Het is pas kwart over zeven.
Dan spert de giraf zijn ogen wijd open als hij ziet wat de man in zijn hand heeft en dat omhooghoudt. Een suikerklontje! Dat is lang geleden. Ze zijn hier helemaal overgeschakeld op gezond eten voor de dieren en lekkernijen als een suikerklontje zijn er niet meer bij.
‘Dag giraf,’ zegt de man weer.
‘Dikkertje?’ fluistert de giraf. ‘Dikkertje Dap, ben jij het echt?’
Grinnikend antwoord de man: ‘Nou, laat dat tje maar achterwege. Zoals je ziet ben ik dikker en ouder, maar je hebt het goed. Ik ben jouw vroegere vriendje.’
De giraf buigt zijn nek naar beneden en geeft Dikker een lange lik met zijn paarse tong. En nog een keer.
‘Hoho, ik ben al gewassen,’ proest de man, veegt zijn gezicht droog en steekt een been omhoog terwijl hij zich vasthoudt aan de giraffennek. ‘Kijk eens, speciaal gekocht zodat je zeker weet dat ik het ben, rode laarzen.’
‘Dikkertje, ik bedoel Dikker, ik sta paf. Dat is zo lang geleden!’
Dikker klemt zijn armen om de giraffennek en geeft hem een lange knuffel.
Even blijven ze zo staan, genietend van dit weerzien.
‘Hoe gaat het met je?’ vraagt de giraf als Dikker zijn nek loslaat.
Dikker stapt op een steen en klimt het hek op. Nu hoeft de giraf zijn nek niet zo ver te buigen en hij hoeft zijn eigen nek niet in een krampachtige houding te wringen om de giraf in de ogen te kunnen kijken.
‘Ja, dat is een lang verhaal. Weet je nog dat ik begon met het leren van cijfers, van de letters van het alfabet en met tekenen? De cijfers vond ik maar niks, maar met letters heb ik leren spelen. Ik schrijf tegenwoordig en nu wil ik een kinderboek maken waarin ik vertel over giraffen en de tekeningen daarbij wil ik zelf maken. Wie kan mij natuurlijk het beste vertellen hoe het is om giraf te zijn? Jij, giraf.’
De giraf krijgt tranen in zijn grote, bruine ogen en een enkele traan drupt langs zijn lange wimpers naar beneden. Hij slikt een paar keer voordat hij antwoord kan geven. ‘Kerel, ik sta paf! Wat geweldig dat je daarvoor weer naar me toekomt. Ik heb veel te vertellen, dus dat zal niet allemaal in een keer lukken. Kom je dan vaker langs?’
Dikker knikt. ‘Natuurlijk, ik kom weer, zoals vroeger, elke dag om kwart over zeven hiernaartoe. Later kan niet want dan word je volledig in beslag genomen door bezoekers. En… elke dag neem ik…’
‘Een klontje voor me mee?’  Bij dat vooruitzicht begint de giraf spontaan een rondedans te maken.
‘Giraf, ik heb nog een vraag,’ zegt Dikker.
‘Die hoef je niet eens te stellen. Ik weet nu al wat je wilt vragen,’ knipoogt de giraf. ‘Jij wilt weer een keer langs mijn nek naar beneden glijden.’
Dikker zegt verder niks. Zijn ogen beginnen te stralen bij het vooruitzicht.
‘Maar,’ overpeinst de giraf hardop. ‘Je kunt niet meer vanaf mijn kop naar beneden glijden. Daar is mijn nek te dun en jij te dik voor. Sorry dat ik het zeg.’
Dikker buigt zijn hoofd en probeert zijn voeten te zien onder zijn overhangende buik. Dat lukt niet. De giraf heeft gelijk, denkt hij, dat is te gevaarlijk. Ik ben te zwaar. Stel je voor dat de giraf zijn nek breekt.
Die ziet de teleurstelling op het gezicht van Dikker en onderbreekt zijn gedachten: ‘Ik weet wel een oplossing hoor.’
Hoopvol kijkt Dikker hem aan en luistert naar het voorstel van de giraf.
‘Als jij nu op het hoogste punt van het hek gaat zitten, dan ga ik daarvoor op mijn knieën zodat het onderste deel van mijn nek dichtbij je is. Je kunt je handen om mijn nek slaan en op de overgang tussen nek en rug gaan zitten. Daarna strek ik mijn voorpoten een beetje zodat mijn buik en hoofd omhoogkomen en mijn kont naar beneden gaat. Dan glijd je toch een beetje naar beneden. Maar je moet wel opschieten hoor, Dikker, want anders zien de verzorgers je zometeen of, erger nog, de bezoekers. Stel je voor, dan willen alle kinderen van mijn nek naar beneden glijden. En dat mag er maar één: Dikker Dap!’

© Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...