Bevoorrading

In de winter open ik mijn restaurants: vogelrestaurants.

Tot een paar jaar terug zag ik nooit een mus aan een vetbolletje hangen. Tegenwoordig zijn het waarachtige acrobaten. Ze zetten hun nageltjes in de bol. Vergezeld van veel gekwetter en gefladder zorgen ze ervoor dat een soortgenoot niet aan hetzelfde bolletje gaat hangen. Bij dit soort mussengevechten houden andere vogeltjes zich op veilige afstand om te voorkomen dat ze een klap van een mussenwiek meekrijgen.

Ze komen later wel terug om hun slag te slaan.

Vanuit de dennenappelsilo vallen veel zaadjes in de aarde eronder. Het buffet is geopend en ook hier valt een bruine mussenkolonie aan. Ze hippen van links naar rechts, fladderen even weg en komen weer terug voor de volgende gang. Nu geen gevecht want er is genoeg plaats aan tafel.

Totdat ik toch echt met mijn boodschappentas de deur uit moet. Een wolk van bruine bolletjes stijgt op en verspreidt zich in de tuin. Alsof er een compressor wordt aangezet ontstaat er een soort windvlaag en gesuis in de lucht door de wegtrekkende, fladderende wolk.

Geen mus meer te zien, maar vanuit de heg voel ik de tientallen mussenoogjes in mijn rug prikken. Ze houden me in de gaten houden en wachten tot de kust veilig is. Aanvallen maar weer om hun maagjes te bevoorraden. Ze kunnen nog wegvliegen met hun dikke buikjes en langzamerhand komen de anderen aan de beurt: vinkjes, pimpel- en koolmeesjes, winterkoninkjes en een roodborst. Zelfs een specht waagt zich af en toe dichterbij wanneer een snoer pinda’s in de aanbieding is.


©2023 Vera Oor

En alle vet is weg

 

Bij mijn eerste werkgever ben ik ruim 19 jaar in dienst geweest. Een geweldige tijd met veel goede herinneringen en fijne collega’s. Niet voor niks heb ik met een aantal van hen nog steeds contact, nu ruim 40 jaar verder.

Toen ik begon was de mechanische typemachine nog maar net vervangen door een elektrische. Een machine die de mogelijkheid had om met behulp van een correctielint fout getypte letters te corrigeren in plaats van met witsel weg te lakken, te laten drogen en opnieuw te typen. Tot twee, hooguit drie exemplaren van eenzelfde werk krijgen was mogelijk door het werken met carbonpapier. De derde doorslag had wel aan kwaliteit ingeboet, maar was acceptabel. Op het moment dat meerdere exemplaren nodig doken we een aparte ruimte in: de stencilkamer, met enkele redelijk imposante machines. 

Het getypte A-viertje moest allereerst ingebrand worden op een sjabloonvel. Vervolgens werd dit weer aangebracht op de stencilmachine waarna gestencild kon worden en de afdrukken van het origineel eruit rolden. Al deze elkaar opvolgende werkzaamheden kostten veel tijd.

Wat een vooruitgang toen de kopieermachine zijn intrede deed. Inbranden en stencilen was niet meer nodig. Nee, simpelweg het getypte vel met de tekst naar beneden op het kopieerapparaat leggen, het benodigde aantal kopieën instellen en de machine deed zijn werk.

De elektrische typemachine werd vervangen door een nieuwe uitvinding: de computer. Een oerlelijke sta-in-de-weg op het bureau. Daarboven op een klein scherm met aan de achterkant een enorme toeter om alle techniek in op te bergen. De floppydisk, een klein vierkant plaatje kon ingevoerd worden en de gemaakte werken werden hierop opgeslagen. We moesten wel enkele computerprogramma’s gaan leren om überhaupt met dat ding te kunnen werken. Een van die programma’s was het tekstverwerkingsprogramma Word Perfect.

Als behoorlijke digibeten volgden we met een aantal collega’s alle instructies op en probeerden de trucjes te onthouden.

Zuchtend en steunend probeerden we alle informatie op te nemen. Totdat de docent een oplossing bood waar mijn collega helemaal blij van werd: "woorden kun je in hoofdletters invoeren, in schuinschrift/cursief, je kunt een deel van een tekst vetgedrukt maken. En het handige is: wil je iets terugdraaien, dan kun je corrigeren. Wil je b.v. vetgedrukte tekst weer omzetten in ‘normale’ tekst, dan selecteer je het gebied, je drukt op F6 en alle vet is weg!”

Mijn collega slaakte een kreet en sprak de historische woorden waar ze nog vaak mee geplaagd is: “o mijnheer, als dát toch eens zou kunnen!”.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

 

Dombo's lenzen

 

Met een donderend geraas breken enorme takken af. Het is vroeg in de herfst en er hangen nog aardig wat bladeren aan de bomen. Toch kan dat niet de reden zijn dat een gezonde boom dit overkomt.
In de overtuiging dat er een enorme ramp heeft plaatsgevonden die dit lawaai heeft veroorzaakt komen de bosdieren na enige tijd uit hun schuilplaats, waarheen ze gevlucht waren bij de eerste verontrustende geluiden, om te kijken wat er nu eigenlijk gebeurd is.

Op enige afstand zien ze een enorme ravage. Het lijkt alsof reuzen hier mikado komen spelen, takken hangen over elkaar en wanneer de ene weggetrokken zal worden, heeft dat consequenties voor een volgende en is de ramp helemaal niet te overzien.
Bovenop de takkenbos ligt een groot grijs gevaarte, een rotsblok lijkt het wel.
De dappere eekhoorntjes springen van boom tot boom en van tak naar tak om enigszins dichterbij deze rampplek te komen. Je hoort het geruis van de blaadjes waar ze langs schieten.
Natuurlijke vijanden lopen zij aan zij dezelfde richting uit, in afwachting van wat ze aan zullen treffen. De muis vergeet de angst voor de vos en de vos vergeet dat de muis zijn middagmaal kan zijn.
Mijnheer de uil is wakker geworden en laat ook zijn wijsneussnavel zien.
'Er is ons iets vreselijks overkomen,' oreert hij.
Niemand durft tegen hem in te gaan en te zeggen, dat ze dat zonder zijn bemoeienis ook al hadden geconstateerd.
Boomkikkers springen op om een glimp op te kunnen vangen. Boomklevertjes kruipen hoge bomen in naar een uitkijkpost.
 
Iedereen heeft zijn mening klaar over de oorzaak en ze roepen door elkaar.
'De mol heeft de wortels kapot gegraven.'
'De termieten zijn hier schuld aan, ze hebben gangen gemaakt in en onder de bomen.'
'De mens heeft dit gedaan. Die wil ons wegjagen.'
Bij deze laatste opmerking knikt iedereen venijnig mee om vooral maar niet na te hoeven denken over hun eigen mogelijke aandeel hierin.
De boommarter ziet zijn kans schoon om, met goedkeuring van iedereen, zijn prooi te bemachtigen en roept: 'Mijnheer Roffel heeft veel te veel gaten gemaakt.'
Mijnheer Roffel, de specht, is goed zichtbaar dankzij zijn rode broek. Hij krabt zich vertwijfeld aan zijn kop, waarbij enkele rode veertjes uit zijn kruin naar beneden dwarrelen.
Hij vraagt zich af of hij inderdaad de veroorzaker kan zijn van dit alles, door zijn gehamer en geroffel op de bomen. Schichtig kijkt hij naar beneden waar hij enkele verwijtende blikken ziet. Hij besluit op zoek te gaan om zijn onschuld te kunnen bewijzen en vliegt naar de plek des onheils.
 
Vrijwel op hetzelfde moment als Knabbel en Babbel komt hij er aan. Het grote grijze rotsblok beweegt en ze houden hun adem in.
'Dombo?' roept Knabbel.
Dankzij het geflapper van zijn enorme oren, beweegt het ‘rotsblok’ en worden geleidelijk aan de ogen en slurf van Dombo zichtbaar.
'Duizendmaal excuses. Ik heb een enorme val gemaakt tijdens mijn vlucht en kon mijn landingsplek niet goed zien.'
'Dit is je nog nooit gebeurd,' zegt mijnheer Roffel, 'je wordt te oud om alleen te vliegen. Hoho, niet gaan huilen want dan hebben we zometeen ook nog een vloedgolf te overwinnen!'
Dombo slikt zijn tranen weg en vertelt wat er aan de hand is.
'Ik heb sinds kort lenzen en dat beviel me heel goed. Ik zag stukken beter, maar ik kwam in een donderwolk terecht en mijn lenzen zijn uit mijn ogen geblazen en naar beneden gevallen. Die vind ik natuurlijk nooit meer terug.'
 
Inmiddels zijn de andere bosbewoners aangekomen en hebben te doen met Dombo. Ze kennen hem allemaal als een vriendelijk vliegend olifantje die nooit iemand kwaad doet en met iedereen bevriend raakt.

Een van de salamanders wurmt zich naar voren en spreekt iedereen toe:
'Ik denk dat ik de lenzen gezien heb, onderweg hierheen, maar ik heb er eigenlijk geen aandacht aan besteed. Het leek alsof een spinnenweb volhing met dauwdruppels maar nu ik erover nadenk, weet ik vrijwel zeker dat het Dombo’s lenzen moeten zijn geweest.'
De koningin van de bosmieren roept haar volk op om in actie te komen en stuurt ze met de salamander mee om de lenzen te zoeken en mee terug te nemen.
Dombo houdt zich in de tussentijd bezig met het veiliger maken van de omgeving door het verplaatsen van de gevallen takken naar één hoop, zodat niemand nog gevaar loopt dat er een tak op de kop valt. Op deze manier wordt het een geweldige schuilplaats voor kleine dieren.
De salamander leidt de mieren naar de plek waar hij de lenzen heeft zien hangen. Zonder twijfel peuteren ze voorzichtig de lenzen los tussen takjes en blaadjes. Ze lijken onbeschadigd en heel voorzichtig nemen de mieren dankzij hun gezamenlijk inspanning de lenzen op hun rug mee terug naar Dombo, die hen eeuwig dankbaar is, zoals hij laat weten.

Dombo maakt de aanzet naar een vreugdetrompetter.
'Niet doen! Een orkaan hebben we niet nodig!'
Voorzichtig zet Dombo zich in de startblokken en vliegt langzaam en geruisloos weg. Zijn fladderende oren zwaaien nog een keer als afscheid en bedankje
.

Hulp in de tuin

 

Genoeg te doen in mijn tuin op het moment. Voor vandaag vind ik het genoeg geweest. 


Op het moment dat ik dit aan het schrijven ben, zie ik linksboven in het scherm iets gebeuren en komt er een kleine rode muts tevoorschijn. Het scherm vouwt zich verder open en in een keer wordt mijn hele beeldscherm in beslag genomen door een kabouter, de eigenaar van de rode muts.
Alsof een tekening van Rien Poortvliet uit zijn boek 'De kabouter' tot leven komt.
Het kereltje kijkt me niet bepaald vriendelijk aan, zijn mond is een strak streepje en hij fronst zijn witte wenkbrauwen. Het blauwe jasje is enigszins vaal en verkreukeld en zijn groene broek heeft ook de beste tijd gehad. Met een klap zet hij een emmertje voor zich neer, pal voor zijn voeten in de gele klompjes. In het emmertje ligt tuingereedschap voor zover ik kan zien. 
Wat is dit dan, vraag ik me af?

Hij kan blijkbaar gedachten lezen en roept me afgebeten toe: 'Wie ik bén? Ik ben jouw tuinkabouter die je ergens in een hoekje in de kas weggestopt hebt.'
In een keer herken ik hem. Inderdaad, ooit heb ik een tuinkaboutertje gekregen maar heb hem nooit een plaats in de tuin gegeven. Hij staat ergens in het kasje. Weggooien kan ik hem niet, want dat doe ik niet zomaar met iets wat aan mij gegeven is.
'Ja, zeg het maar, ik zie aan je gezicht dat je me herkent,' snauwt hij.
'Klopt, jij staat in mijn kasje te verpieteren in een hoekje.'
'Verpieteren? Ik werk me een slag in de rondte.'
'O? is mijn verbaasde reactie.
 
En hij begint te vertellen.
Nadat hij in de hoek was neergezet, voelde hij zich afgedankt. Hij was nog maar net begonnen als tuinkabouter en gelijk buiten functie gesteld. Hij had weg willen lopen. Zijn tuingereedschap en emmer had hij al in een kruiwagentje gelegd, totdat zijn opvoeding hem parten ging spelen.
Een tuinkabouter wordt, net als een politieman, ergens gestationeerd en daar moet hij zijn werk uitvoeren. Of hij het nu leuk vindt of niet. De plicht roept hem, hij gaat aan de slag en maakt de tuin tot zijn levenswerk. Dus ook hij had dat gedaan, toen hij mee verhuisd was naar de grotere tuin. Dag in, dag uit, werkte hij in het kasje en in de tuin. Hij timmerde trapjes om overal bij te kunnen komen, plantjes die op het punt van verdrogen stonden, gaf hij wat water. Uitgebloeide bloemetjes knipte hij uit de planten en wanneer dat nodig was, hield hij een peptalk voor een plantje dat bijna de moed op wilde geven om nog te overleven.
 
'Denk je nu echt, dat de tuin er zo bij ligt, omdat jíj er in bezig bent?'
Ik kijk hem verbaasd aan.
'Ja, want ik doe daar heel veel. ’s Avonds en in het weekend vooral.'
'Ik zal je uit de droom helpen. Zodra jij thuiskomt, zorg ik dat ik weer op mijn plekje in het kasje sta, met mijn emmertje naast me. Kabouters laten zich niet zien.'
Zijn stemmetje klinkt steeds zachter en ik hoor een onderdrukte snik. Hij stampt machteloos met zijn klompje op mijn bureau, de punt van zijn muts hangt voor zijn gezicht als hij naar de grond kijkt.

Ik voel me schuldig. Heb ik dan al die tijd echt nooit gezien wat de tuinkabouter altijd gedaan heeft? Ik moet mezelf bekennen dat dat inderdaad het geval is en dat ik alle eer op heb gestreken. Dat gaat veranderen, neem ik me voor en ik vraag hem om even naar me te luisteren.
'Het spijt me. Ik ga vanavond aan de slag en zal mijn schilderspullen tevoorschijn toveren en jouw jasje en broek weer een frisse kleur geven.'
Het manneke kijkt me aan, maar houdt duidelijk nog wat afstand en in zijn oogjes lees ik de twijfel: hij moet het eerst nog eens zien.
'Ik zorg ervoor dat je een beter plekje krijgt en straks, als het beter weer begint te worden, krijg je ook een mooi plekje in de tuin. Dat heb je wel verdiend.'
Zijn gezichtje verandert op slag en voor me zie ik de tuinkabouter zoals die er uit hoort te zien: een enthousiaste vrolijke kabouter die zijn emmertje energiek oppakt en ermee wegloopt. Hij stapt in mijn beeldscherm en verdwijnt op de plek waar hij erin gekomen is: links boven in de hoek. Als laatste zie ik een geel klompje uit het scherm stappen.
 

Dreigend gevaar


Het rustige koffiemoment van mijn zwager wordt verstoord door ijselijk gegil. In een flits schieten allerhande scenario’s door zijn hoofd. Hij vliegt zijn stoel uit en loopt snel naar de voorkamer waar hij probeert boven ons gegil uit te komen. Mijn schoonzus en ik, die kort daarvoor ieder nog op een stoel zaten, staan daar nu boven op. 


Wat ging eraan vooraf:

Geconcentreerd op een bordspel, proberen we allebei toe te werken naar de overwinning. Spannend! 

Op hetzelfde moment kijken we op. Geen idee wat onze aandacht heeft getrokken maar tegelijkertijd zien we het gevaar: groot, zwart en harige poten. 

Onze volumeknoppen gaan op hetzelfde moment naar het bijna maximaal haalbare. De equalizer kent geen lage tonen, maar laat alleen de hoge scherpe tonen horen.

Met wijd opengesperde ogen kijken we mijn zwager aan en wijzen dezelfde kant op. Dat wijzen was niet nodig, want hij heeft genoeg aan onze blikken naar ‘hét gevaar’ dat zich poot voor poot langs de muur omlaag beweegt. Doodsbang dat het beest onze kant op zal komen, trekken we onder aanhoudend gegil de benen van de vloer, drukken ons aan de armleuningen  omhoog en staan boven op de stoel. We ontvangen nog even zijn geringschattende blik voordat mijn zwager op ‘dat beest’ afloopt en het aan een poot  vastpakt. Even zien we hem twijfelen, met een satanische grijns op zijn gezicht.

Wij gaan nog een octaaf hoger en roepen hem toe: “Nee, je laat het hè!”


Tergend langzaam loopt hij met het beest langs ons op en…loopt door, richting achterdeur om de spin in de tuin los te laten.

Ons gegil verstomt, de stenen van het spel liggen door de voorkamer en mijn schoonzus en ik komen weer tot zitstand in de stoel. 

Geen winnaar bij het spelletje, maar wel een held in de kamer.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...