Met een donderend geraas breken
enorme takken af. Het is vroeg in de herfst en er hangen nog aardig wat
bladeren aan de bomen. Toch kan dat niet de reden zijn dat een gezonde boom dit
overkomt.
In de overtuiging dat er een enorme
ramp heeft plaatsgevonden die dit lawaai heeft veroorzaakt komen de bosdieren
na enige tijd uit hun schuilplaats, waarheen ze gevlucht waren bij de eerste verontrustende
geluiden, om te kijken wat er nu eigenlijk gebeurd is.
Op enige afstand zien ze een enorme
ravage. Het lijkt alsof reuzen hier mikado komen spelen, takken hangen over
elkaar en wanneer de ene weggetrokken zal worden, heeft dat consequenties voor
een volgende en is de ramp helemaal niet te overzien.
Bovenop de takkenbos ligt een groot
grijs gevaarte, een rotsblok lijkt het wel.
De dappere eekhoorntjes springen
van boom tot boom en van tak naar tak om enigszins dichterbij deze rampplek te
komen. Je hoort het geruis van de blaadjes waar ze langs schieten.
Natuurlijke vijanden lopen zij aan
zij dezelfde richting uit, in afwachting van wat ze aan zullen treffen. De muis
vergeet de angst voor de vos en de vos vergeet dat de muis zijn middagmaal kan
zijn.
Mijnheer de uil is wakker geworden
en laat ook zijn wijsneussnavel zien.
'Er is ons iets vreselijks
overkomen,' oreert hij.
Niemand durft tegen hem in te gaan
en te zeggen, dat ze dat zonder zijn bemoeienis ook al hadden geconstateerd.
Boomkikkers springen op om een
glimp op te kunnen vangen. Boomklevertjes kruipen hoge bomen in naar een
uitkijkpost.
Iedereen heeft zijn mening klaar
over de oorzaak en ze roepen door elkaar.
'De mol heeft de wortels kapot
gegraven.'
'De termieten zijn hier schuld aan,
ze hebben gangen gemaakt in en onder de bomen.'
'De mens heeft dit gedaan. Die wil
ons wegjagen.'
Bij deze laatste opmerking knikt
iedereen venijnig mee om vooral maar niet na te hoeven denken over hun eigen
mogelijke aandeel hierin.
De boommarter ziet zijn kans schoon
om, met goedkeuring van iedereen, zijn prooi te bemachtigen en roept: 'Mijnheer
Roffel heeft veel te veel gaten gemaakt.'
Mijnheer Roffel, de specht, is goed
zichtbaar dankzij zijn rode broek. Hij krabt zich vertwijfeld aan zijn kop,
waarbij enkele rode veertjes uit zijn kruin naar beneden dwarrelen.
Hij vraagt zich af of hij inderdaad
de veroorzaker kan zijn van dit alles, door zijn gehamer en geroffel op de
bomen. Schichtig kijkt hij naar beneden waar hij enkele verwijtende blikken
ziet. Hij besluit op zoek te gaan om zijn onschuld te kunnen bewijzen en vliegt
naar de plek des onheils.
Vrijwel op hetzelfde moment als
Knabbel en Babbel komt hij er aan. Het grote grijze rotsblok beweegt en ze
houden hun adem in.
'Dombo?' roept Knabbel.
Dankzij het geflapper van zijn
enorme oren, beweegt het ‘rotsblok’ en worden geleidelijk aan de ogen en slurf
van Dombo zichtbaar.
'Duizendmaal excuses. Ik heb een
enorme val gemaakt tijdens mijn vlucht en kon mijn landingsplek niet goed
zien.'
'Dit is je nog nooit gebeurd,' zegt
mijnheer Roffel, 'je wordt te oud om alleen te vliegen. Hoho, niet gaan huilen
want dan hebben we zometeen ook nog een vloedgolf te overwinnen!'
Dombo slikt zijn tranen weg en
vertelt wat er aan de hand is.
'Ik heb sinds kort lenzen en dat
beviel me heel goed. Ik zag stukken beter, maar ik kwam in een donderwolk
terecht en mijn lenzen zijn uit mijn ogen geblazen en naar beneden gevallen.
Die vind ik natuurlijk nooit meer terug.'
Inmiddels zijn de andere
bosbewoners aangekomen en hebben te doen met Dombo. Ze kennen hem allemaal als
een vriendelijk vliegend olifantje die nooit iemand kwaad doet en met iedereen
bevriend raakt.
Een van de salamanders wurmt zich
naar voren en spreekt iedereen toe:
'Ik denk dat ik de lenzen gezien
heb, onderweg hierheen, maar ik heb er eigenlijk geen aandacht aan besteed. Het
leek alsof een spinnenweb volhing met dauwdruppels maar nu ik erover nadenk,
weet ik vrijwel zeker dat het Dombo’s lenzen moeten zijn geweest.'
De koningin van de bosmieren roept
haar volk op om in actie te komen en stuurt ze met de salamander mee om de
lenzen te zoeken en mee terug te nemen.
Dombo houdt zich in de tussentijd
bezig met het veiliger maken van de omgeving door het verplaatsen van de
gevallen takken naar één hoop, zodat niemand nog gevaar loopt dat er een tak op
de kop valt. Op deze manier wordt het een geweldige schuilplaats voor kleine
dieren.
De salamander leidt de mieren naar
de plek waar hij de lenzen heeft zien hangen. Zonder twijfel peuteren ze
voorzichtig de lenzen los tussen takjes en blaadjes. Ze lijken onbeschadigd en
heel voorzichtig nemen de mieren dankzij hun gezamenlijk inspanning de lenzen
op hun rug mee terug naar Dombo, die hen eeuwig dankbaar is, zoals hij laat
weten.
Dombo maakt de aanzet naar een
vreugdetrompetter.
'Niet doen! Een orkaan hebben we
niet nodig!'
Voorzichtig zet Dombo zich in de
startblokken en vliegt langzaam en geruisloos weg. Zijn fladderende oren
zwaaien nog een keer als afscheid en bedankje.