DE ERFENIS

 
Een formeel uitziende envelop valt in de brievenbus. Ik heb werkelijk geen idee wat die kan bevatten.
Dit is geen envelop die je even open rukt, nee deze vraagt om een briefopener om een gedeeltelijk verscheurde inhoud te voorkomen.
Vrijwel alles gaat digitaal maar ergens heb ik nog de briefopener liggen, die mijn moeder altijd gebruikte. Ik rommel wat door de spullen op een schap in de muurkast, de schap met allerhande rommeltjes die ik bewaard heb en daar vind ik het ivoren voorwerp.
Zorgvuldig open ik de envelop. Gespannen, alsof ik aanvoel dat er iets bijzonder in zit, haal ik de inhoud eruit.  Het logo met tekst verklapt me waar de brief vandaan komt: een notariskantoor in Groningen. Een uitnodiging om naar het kantoor te komen inzake een erfenis van mevrouw Hagen.
Mevrouw Hagen? Het zegt me helemaal niets. De brief is toch echt aan mij gericht, zelfs aangeschreven met mijn doopnamen.
Dit is toch eigenlijk waarvan iedereen droomt: een grote erfenis krijgen. Een grote som geld, een huis, kostbare sieraden?
Maar hoezo groot, wat een idiote gedachte. Het zal wel niks zijn.
 
Enkele dagen later pak ik de trein naar Groningen en meld me bij de receptie van het imposante notariskantoor.
De notaris stelt zich voor en vraagt me plaats te nemen aan een tafel, zoals ik me die bij een notaris voorstel: glanzend hout met een ingelegd blad, een grote groene viltachtige bureaulegger met een vulpen.
Hij bekijkt mijn paspoort om te controleren of de juiste persoon tegenover hem zit, pakt een stapel papieren erbij en vraagt mij of ik bekend ben met mevrouw Hagen.
Ik moet hem het antwoord schuldig blijven. Vanachter zijn ronde notarisbrilletjes halverwege zijn neus kijkt hij me indringend aan.
“De meisjesnaam van mevrouw Hagen was van Dorp.”
Er gaat geen belletje bij me rinkelen en de notaris geeft verdere uitleg.
 
“Mevrouw Katrien Hagen was een halfzus van uw moeder, voortgekomen uit een buitenechtelijke relatie van uw grootvader. Zij is geboren in 1930. Uw grootvader heeft haar nooit erkend.”
In 1930? Ik realiseer me dat het destijds wel een schande moet zijn geweest om ongehuwd moeder te worden. Mijn gedachte blijkt de waarheid.
“De moeder van mevrouw Hagen is die schande nooit te boven gekomen en werd min of meer verstoten door de bevolking van het kleine dorp waar ze woonde. Ze is verhuisd naar Groningen en daar heeft zij zich voorgedaan als weduwe en haar dochter Katrien alleen opgevoed.”
De overtuiging een doodzonde te hebben begaan en hiervoor altijd te moeten boeten, heeft ze overgedragen op Katrien. Katrien was zeer godsdienstig en ging regelmatig biechten.”
“Hoe weet u dit allemaal?”
“Katrien is getrouwd geweest met een rijk man, zij zijn kinderloos gebleven en hij is op relatief jonge leeftijd overleden, waarna zij alleen achterbleef in het enorme huis. De zonde van haar moeder is haar blijven achtervolgen. Gaandeweg de jaren is Katrien vreemd gedrag gaan vertonen, zij raakte ervan overtuigd dat de duivel haar zou komen halen.  Zij speurde stad en land af naar bijzondere kruisbeelden en elk kamertje van haar grote huis kreeg een kruisbeeld bij de deur en bij het raam om de duivel buiten te houden. Ze leefde een teruggetrokken leven.
Enkele jaren geleden heeft ze mij benaderd en dit allemaal verteld. Ze was weliswaar vreemd, maar niet dom en wilde haar erfenis veilig stellen.”
 
Ik neem een slok uit het glas water dat ik aangeboden heb gekregen en laat dit verhaal op me inwerken. Mijn grootvader heeft dit dus ook altijd geheim gehouden. Mijn moeder was enig kind en zou dolblij geweest zijn met een zus, ook al was dat een halfzus. Ik vraag me zelfs af of zijn vrouw, mijn oma, dit heeft geweten.
 
“Mevrouw Hagen heeft mij verzocht op zoek te gaan naar nazaten van haar biologische vader, uw grootvader. Ook u bent enig kind en aangezien uw opa, oma en moeder niet meer leven, bent u de rechtmatige erfgenaam.”
“Waar bestaat de erfenis uit”, vraag ik, toch wel heel nieuwsgierig aan het worden.
“Een enorm groot huis met grond, een landgoed eigenlijk, vorstelijk ingericht zoals de man van mevrouw Hagen dat wilde.”
Ik laat deze mededeling op me inwerken.
“Waar staat dit huis, hoe gaat het verder, wat moet ik doen?”
“De wens van mevrouw Hagen is dat het landgoed gebruikt zal gaan worden als herstellingsoord voor kinderen die trauma’s hebben overgehouden aan hun jeugd, vanuit wat voor oorzaak dan ook.”
Hoe is het mogelijk, mijn werk bestaat uit het werken met deze doelgroep. Hoe mooi is het om werk te combineren met deze ideologie.
“Er is één voorwaarde.”
“En dat is?”
“De kruisbeelden, gezang- en gebedenboeken die op veel plekken in het huis hangen of liggen, mogen onder geen beding vernietigd worden. Mevrouw Hagen heeft aangegeven dat die bewaard moeten worden in manden naast de zwarte piano in de tuinkamer.”

Noot: bovenstaand verhaal is puur fictie
 

KYRKOGåRDEN

Moeders wil is wet, dus ik liep snel naar binnen als ik geroepen werd.

Deur dicht! Ben je in de kerk geboren? Nee in het ziekenhuis. 

En ik ben eruit gekomen: Waar een wil is, is een weg!

Als kind vroeg ook ik vaak, waarom? Waarom? omdat ik het zeg! En daar moest ik het mee doen.

En zin of geen zin: Dan maak je maar zin! Dan ging ik weer op pad om bij de slager in de rij te staan.

Eten wat de pot schaft, lekker of niet. Zelfs spruiten.

Na het eten op de bank hangen? Verveel je je? Ga de afwas maar doen. Ach, best gezellig. Zingen onder de afwas.

Weer of geen weer, ook in de regen op de fiets naar school. Je bent toch niet van suiker! Nee, dat niet, maar leuk is anders.

De deur of het raam open laten staan wanneer de kachel brandde. We stoken niet voor de mussen! Oh, daarom is het zo druk met vogeltjes.

In de winter lekker warm binnen, in de zomer hup naar buiten. Het is geen weer om binnen te blijven!

Maar ik wil liever tv kijken. Als je zo dicht voor de tv gaat zitten, krijg je vierkante ogen!

Mag ik dan een ijsje gaan halen?  Vraag het maar aan je vader. Ja, en die zegt natuurlijk weer: Wat zei je moeder?

Ik had een eigen kamer maar moest die zelf opruimen, dat deed moeder niet. Het is hier geen hotel! Dat weet ik niet, ik ben nog nooit in een hotel geweest.

Niks mopperen omdat ik mijn zin niet krijg. Wanneer zelfs bezoek er iets van zei: Zo, hoor je het ook eens van een ander!

Andere kinderen mogen later naar bed dan ik. Als iedereen in de sloot springt, spring jij dan ook? Nee, hier in de buurt zijn geen sloten.

Waarom kopen jullie dit niet? Wacht maar tot jij de rekeningen moet betalen! Ik ga gewoon heel veel verdienen.

Nee hoor dat kan ik niet. Kan ik niet ligt op het kerkhof en wil ik niet ligt ernaast! Dus opa is ‘kan ik niet’, en oma is ‘wil ik niet’?

Zou de vader van Pippi dat ook gezegd hebben? Ja, die zei het in het Zweeds: Kan inte är på kyrkogården, kommer inte är!

Ach ja, ik neem maar een voorbeeld aan Pippi. Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk wel dat ik het kan:

Jag har aldrig gjort det, så jag tror att jag 

BOEKENWURM

Het verhaal Boekenwurm is opgenomen in de Juno-bundel 2023 als een van de 13 verhalen van verschillende schrijvers, voor kinderen van 4-8 jaar.


O nee hè. Dat gebeurt mij natuurlijk weer.
Ik stap de bus uit en pats, daar lig ik.
Geschrokken komt de buschauffeur naar me toe lopen.
“Wat doe je nu”, vraagt hij.
“Ik gleed uit over een bananenschil mijnheer.”
Mijn hand begint te bloeden en de knie van mijn spijkerbroek is gelijk vies.
Ik zeg tegen de buschauffeur dat het wel gaat en ik loop naar het huis van opa, iets verderop.
Als opa me ziet, schiet hij in de lach en vraagt of ik misschien ben gevallen.
“Niet misschien opa, ik bén gevallen. Uitgegleden over een bananenschil.”
Opa zegt dat ik nog wel vaker in mijn leven zal vallen en dat ik eerst maar even mijn handen moet wassen.
Dat wassen doet wel even pijn, maar ik laat niks merken aan opa.
Oma is niet thuis, die is een paar dagen logeren bij haar zus.
 
Mijn logeerbed past nog net in de werkkamer van opa.
Nou ja, werkkamer? Het is een echte mannenkamer.
Stapels met papieren en pennen en ergens tussenin staat een oude computer.
De boekenkast bedekt een hele wand en puilt uit.
Altijd vind ik daar wel weer een boek dat ik wil lezen.
Ik heb zomervakantie van school en mag weer een paar dagen bij opa logeren.
We gaan een dagje naar de dierentuin, we gaan fietsen en vissen.
Opa heeft een mooie auto, een cabriolet.
Als het zo’n mooi weer blijft, kan de kap lekker naar beneden.  
Vanmiddag heeft opa een afspraak in het ziekenhuis en hij heeft gevraagd of ik dan even alleen kan blijven.
“Ja natuurlijk”, heb ik gezegd, “ik ben groot genoeg hoor”.
Opa is nu vertrokken en ik ga naar de werk-slaapkamer.
Op een plank in de boekenkast waar ik net niet bij kan, zie ik volgens mij een boek van Wipneus en Pim staan.
Opa heeft daar wel eens over verteld. Hij las dat toen hij zo oud was als ik.
Ik trek aan de leuning van de stoel totdat die voor de boekenkast staat. 
Ik ga op mijn tenen op de stoel staan en… oeioei.
Ik sta helemaal te wiebelen en val bijna van de stoel af.
Mijn moeder zegt altijd dat ik niet op een stoel mag staan. Daar zijn ze niet voor, zegt ze.
 
In een keer word ik aan de muts van mijn trui omhoog getrokken totdat ik weer rechtop sta.
Hè, hoe kan dit nu? Wie heeft mij geholpen?
Ik kijk verbaasd om me heen, maar zie niks bijzonders.
En dan hoor ik een zacht gegiechel.
“Hallo, wie lacht daar”, vraag ik.
Twee boeken worden een beetje uit elkaar geschoven.
Ik zie een enorm lange neus en twee handjes, verder nog niks.
Een van de handjes komt naar me toe en knijpt me keihard in mijn neus. Au!
Ik buig naar de boeken toe om beter te kunnen zien.
Dan val ik weer bijna van de stoel, maar dit keer van schrik.
Plotseling staat tussen de boeken een klein rood figuurtje met bolle oogjes en twee spitse oortjes. De lange neus valt nu extra op.
In  de pluizige bos geel haar zie ik een spinnenwebje zitten.
Ik kan mijn ogen niet geloven, wat is dit voor een wezentje?
 
Het figuurtje gaat op de rand van de boekenplank zitten en laat zijn dunne beentjes bungelen.
“Ik ben Boekenwurm”, zegt hij met een piepstemmetje.
“Maar je ziet er helemaal niet als een wurm”, zeg ik.
Hij slaat zich op zijn knietjes van plezier en roept:
“Nee ik bén geen wurm, maar ik héet wurm, Boekenwurm dus.
Ze hebben me zo genoemd omdat ik altijd met mijn neus in de boeken zit.
Vind je mijn neus niet mooi?”
“Nou eerlijk gezegd niet nee”, antwoord ik.
“Jouw neus is zo enorm lang. Je armpjes zijn zelfs te kort om je neus te kunnen snuiten volgens mij.”
Boekenwurm moet om mijn opmerking lachen.
“Ik hoef nooit mijn neus te snuiten, want die veeg ik af aan het papier in de boeken.
Mijn neus gebruik ik om de kaft om te slaan.”
“Getverderrie, dat is niet netjes”, zeg ik, “en waarom heb je van die lange wijsvingers.”
Hij laat zijn twee wijsvingers zien, die bijna anderhalf keer zo lang zijn als de andere vingers.
De vingers gebruikt hij om de pagina’s in het boek om te slaan, zegt hij en stelt gelijk de volgende vraag.
“Heb je mijn tong gezien?”
Er komt een lange paarse tong uit zijn mond rollen, net zoals zo’n fluitje wat helemaal uitrolt.
Boekenwurm legt uit dat hij zijn wijsvinger altijd even nat maakt met de tong.
Dan kan hij het papier beter vastpakken.
Ach ja natuurlijk, dat doe ik meestal ook, bedenk ik me.
Alleen heb ik gelukkig niet zo’n lange paarse tong.
Ik steek mijn tong even uit om het te controleren.
Als ik langs mijn neus naar beneden kijk, kan ik nog net het puntje van mijn tong zien.
Nee hoor, die is niet paars.
 
“Boekenwurm, woon jij hier ook”, wil ik weten.
“Ja hoor, ik woon tussen de boeken.
Ik heb ze allemaal gelezen en ik weet de mooiste bladzijden te vinden.”
“O echt?” reageer ik nieuwsgierig.
“Kun je mij dan naar de mooiste bladzijde van Wipneus en Pim brengen?”
“Natuurlijk, kom maar mee. Doe je ogen even dicht”, zegt Boekenwurm.
Ik hoor wat gemompel en ploep, in een keer zit ik op de plank naast Boekenwurm.
Ik kijk hem verbaasd aan.
“Hoe kan ik nu net zo klein zijn als jij?”
Hij legt me uit dat er ook toverboeken in de kast staan en dat hij daaruit spreuken heeft geleerd.
Daar heeft hij een toverspreuk gevonden om iemand klein te maken.
“Maar kun je me straks ook weer groot maken?”, wil ik weten.
Hij knikt enthousiast en zijn neus wiebelt daarbij op en neer.
“Dat heb ik nog nooit geprobeerd, maar ik weet wel de goede spreuk, hoor.”
 
Boekenwurm steekt zijn neus achter de kaft van Wipneus en Pim en slaat het boek open.
Met zijn wijsvinger bladert hij wat in het boekje.
Plotseling staan we midden in een bos met twee kabouters die een rood mutsje dragen.
Ze zitten allebei op een wit konijntje, alsof ze paardrijden.
“Ik ben Wipneus”, zegt een van de twee en geeft me een handje.
Ook de andere kabouter stelt zich voor en zegt dat hij Pim heet.
Ondertussen houden ze wel de teugels van de konijntjes goed vast.
“Maar jullie hebben geen baard. Kabouters hebben toch altijd een baard?”, vraag ik.
“Wij zijn nog maar jonge kabouters.
De baard moet nog groeien, maar die komt echt nog. We worden wel 100 jaar.”
Ze vertellen me wat over de dieren in het bos en nodigen me uit om nog een keer terug te komen.
Daar  heb ik wel oren naar natuurlijk en ik kijk Boekenwurm aan.
“Geen probleem, dan maak ik je weer een keer klein en kun je een boswandeling maken met Wipneus en Pim.
Kom, ik neem je mee naar wat andere boeken”, kwettert Boekenwurm in mijn oor.
Ik zwaai gedag naar Wipneus en Pim.
Die zwaaien terug en laten hun konijntjes wegrennen.
De kaboutermutsjes wiebelen op en neer.
 
Ik loop mee en ik kom bij een ander boek: Het dierenbos.
Ik steek mijn hoofd in het boek om naar binnen te stappen.
Bijna ben ik mijn hoofd kwijt als er een aap langs komt slingeren en een kokosnoot gooit.
Hij mikt op een andere aap iets verderop.
O help! Een slang komt mijn kant op gekronkeld.
Ik zie zijn gespleten tong en hij maakt een sissend geluid.
Ik ben nu toch wel heel erg bang aan het worden.
Weer word ik gered door Boekenwurm, die me net op tijd uit het boek trekt.
“Sorry, ik had geen rekening gehouden met die slang”, bekent hij.
“Kom ik laat je een paar heel oude boekjes zien.”
Hij gooit een touwladdertje omhoog dat zich vastzet op de volgende plank.
Ik klim achter zijn dunne beentjes aan omhoog.
Pff, volgens mij heeft Boekenwurm een scheet gelaten.
Of zou hij zo ruiken omdat hij altijd maar tussen die boeken zit?
Ik moet straks ook maar eens vragen waar zijn badkamer is.
 
Eigenlijk vind ik Boekenwurm steeds leuker.
Zijn lange neus valt al niet eens meer op.
Een zelfde geel plukje als zijn haren komt door zijn broekje bij de billen eruit.
Hihi, het lijkt wel een leeuwenstaart.
 
We komen uit bij twee beduimelde boekjes.
Ze hebben geen kleur en ook geen titel.
“Nou, daar lijkt me niks aan”, zeg ik.
“Dat kan je nog wel eens tegenvallen.
Dit zijn twee dagboekjes van je opa.
Toen hij nog jong was schreef hij elke dag in zijn dagboek.”
Met zijn neus duwt Boekenwurm voorzichtig de kaft opzij en veegt er zijn snotneus aan af.
Bah.
Zijn paarse tong likt zijn wijsvinger en hij slaat een paar bladzijden van het dunne papier om.
“Kun je al lezen?”, vraagt Boekenwurm.
Wat een stomme vraag. Natuurlijk kan ik lezen.
Hij geeft me een brilletje zodat ik de dunne letters nog beter kan zien.
Nou opa hoeft niet meer te zeggen, dat ik slordig schrijf.
Hij kon er ook wat van, toen hij jong was.
Ik lees voor wat opa geschreven heeft.
“Vandaag had ik twee blikken mee naar het schuurtje genomen en twee lange stukken touw.
Met de boor had ik aan twee kanten van elk blik een gaatje geboord.
Het touw ging daardoor heen en dat knoopte ik aan elkaar.
Het touw was zo lang tot het aan mijn billen kwam.
Bij het andere blik deed ik precies hetzelfde.”
 
“Hadden ze toen ook al accuboormachines”, vraag ik aan Boekenwurm.
“Nee natuurlijk niet, dat gebeurde met een handboor, die je zelf moest draaien.”
Ik kan me er niet veel bij voorstellen maar lees verder wat opa schrijft.
 
“De touwtjes hield ik als een handvat omhoog.
Mijn ene voet zette ik op een blik en de andere voet op het andere blik.
Zo kon ik de door de tuin en over de stoep lopen.
Met twee kleinere blikjes deed ik weer iets heel anders.
In de bodem van de blikjes boorde ik een gaatje.
Daarna maakte ik de blikjes aan elkaar met een lang touw ertussen.
Mijn vriendje en ik gingen een eind van elkaar staan, zo lang als het touw was.
Als ik dan in het blik praatte, kon mijn vriendje mij precies horen in het andere blik.”
 
“Waarom belden ze elkaar niet gewoon dat is toch veel makkelijker?”, vraag ik aan Boekenwurm.
Die legt me uit dat er nog helemaal geen telefoon bestond toen opa jong was.
Kinderen speelden buiten in plaats van de hele dag spelletjes op de computer.
Ik krijg een beetje rode wangen omdat ik ook vaak spelletjes op de computer speel.
Ik kan nog een hoop leren uit opa’s oude dagboeken heb ik wel in de gaten.
 
Als ik Boekenwurm vraag hoe laat het is, zegt hij dat het al bijna vijf uur is.
Oei, dan moet ik snel terug want opa komt zo thuis.
Ik ren over de boekenplank totdat ik weer bij het kleine laddertje kom.
Dan klim ik een plank naar beneden.
Boekenwurm vraagt me om weer even de ogen dicht te doen.
Hij spreekt een toverspreuk uit.
Ik doe mijn ogen open, maar…ik ben niet groter geworden.
O jee, wat nu?  Wat zal opa ongerust zijn als hij me niet kan vinden.
Boekenwurm probeert het nog een keer.
Hij geeft me een duwtje in de rug en ik kom op de grond terecht.
Ja, de toverspreuk heeft gewerkt. Ik ben gelukkig weer groot geworden.
 
Daar hoor ik de sleutel in de voordeur en ik roetsj van de trapleuning naar beneden.
Bij opa mag dat. Thuis krijg ik ervoor op mijn kop.
“Zo jongen heb je je geamuseerd?
Je hebt zeker de hele tijd spelletjes op de computer zitten doen.
Je moet ook af en toe buiten spelen hoor.  Dat is gezond voor je, die buitenlucht.
Kom dan gaan we wat drinken en eens bedenken wat we straks gaan eten.
Wil je frietjes of zo?”
“Nee”, geef ik opa antwoord, “ik wil graag groentesoep uit blik en daarna bruine bonen uit blik.”.
“Wat is dat nou, geen frites?”, reageert opa verbaasd.
Ik zeg dat ik echt geen frites wil, maar bruine bonen.
Opa haalt zijn schouders op en haalt de blikken uit de kelder, waarna hij begint te koken.
“De blikken niet weggooien opa, die was ik eerst even af”, zeg ik.
 
Opa kijkt me wat raar aan als ik na het eten naar de schuur verdwijn.
Hij loopt achter me aan.
Volgens mij vertrouwt hij het niet helemaal.
“Opa heb je nog een ouderwetse boor?”
Opa zoekt de boor en legt me uit hoe die werkt.
“Kijk je zet het puntje op het blik en dan draai je aan deze slinger.”
“Heb je ook touw opa?
“Dat heb ik ook nog. Wat ga je eigenlijk maken?”, vraagt hij aan me.
Ik leg uit wat ik wil gaan doen.
Opa kijkt heel verbaasd en vraagt aan me: “Blik lopen? Doen ze dat tegenwoordig nog?”
Hihi, hij moest eens weten.
“Ik zal mijn oude dagboekjes eens opzoeken.
Volgens mij heb ik daar ooit iets geschreven over bliklopen.
Misschien staan er nog leuke ideetjes voor jou in”, zegt opa.
 
De volgende dag heeft hij zijn twee dagboekjes uit de boekenkast gehaald.
Hij weet natuurlijk niet dat ik ze al gezien heb.
Voorzichtig slaat opa de kaft om.
“Bah, wat is dat dan voor viezigheid? Het plakt.”, roept opa.
Opa vraagt me of ik weet wat die viezigheid is.
Ik moet gelijk denken aan het snot van Boekenwurm. Jakkes.
Maar ik zeg het niet tegen opa.
“Misschien zit er wel een wurm in die kast. Een boekenwurm of zo”, zeg ik.
“Hoe kom je nou op dat vreemde idee?”, vraagt opa en kijkt me verwonderd aan.
“O, zomaar”, zeg ik.

TANDARTSBEZOEK

Met al mijn bij elkaar verzamelde moed en met bibberende knieën ben ik onderweg naar de tandarts, waarvoor ik als de dood ben. Ik weet niet beter, dan dat het spreekuur altijd uitloopt en stel me in op de volgende 20 minuten zitten in de wachtkamer, tussen andere helden en helden op sokken.
Eén persoon heeft het duidelijk moeilijk. Hij heeft al twee keer de gang naar het toilet gemaakt, gaat weer zitten, zucht hoorbaar, houdt zijn handpalm tegen zijn wang en kijkt naar zijn schoenneuzen.
En daar verschijnt de tandartsassistente in de deuropening. Hoe heeft in godsnaam iemand ooit een lied kunnen verzinnen met een zin ‘het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente’. Ik zie alleen haar witte jas en haar mond. Gaat zij mijn naam zeggen?
Pfff, een andere naam. De ongelukkige jongeman loopt als een mak schaap achter haar aan naar de slachtbank. Semi-nonchalant blader ik weer in een tijdschrift om de tijd te doden.
De deur van de behandelkamer!
“Bedankt”, hoor ik een mannenstem mompelen.
En ja hoor, ik kan er niet omheen, ze noemt mijn naam. Mijn tas en jas grabbel ik bij elkaar, loop de martelkamer binnen en neem plaats op de behandelstoel.
“Zo, we gaan eens even kijken”. De tandarts buigt zich voorover en als de hond in het experiment van Pavlov open ik vanzelf mijn mond. Waarom praat die man ook nog de hele tijd en stelt vragen waarop ik geen ander antwoord kan geven dan onverstaanbaar gebrabbel?
Tijdens de behandeling focus ik me zo goed als mogelijk op het beeldscherm boven me waarop een documentaire te zien is. Dat zien beperkt zich tot bewegende beelden, want zonder bril, die naast het bekertje spoelwater ligt, is de ondertiteling een vage witte streep.
“Dan zien we u over een halfjaar weer”, hoor ik hem duidelijk zeggen terwijl hij de stoel weer uit de ligstand laat komen. Ik zet mijn bril op, schiet de stoel uit en mijn jas in.
“Ja bedankt, fijne dag”, geef ik als antwoord en verdwijn door de deur die de assistente al voor me open houdt. Ze kijkt me vriendelijk aan en zegt me goedendag. Toch een beetje lente in die ogen?  
 
Mijn auto staat pal voor de deur van de praktijk. Opgelucht stap ik in, trek de riem aan, start en rijd weg. Ben ik iets vergeten? Ja, kijken!
Bats, een enorme knal en ik sta weer stil. Eruit, ik moet maken dat ik de auto uitkom, maar het portier gaat niet open. Ik kruip zo snel als ik kan over de versnellingspook heen en verlaat de auto aan de bijrijderskant waar zich inmiddels enkele getuigen verzameld hebben. Ik denk dat een van hen de politie heeft gebeld, die al snel ter plaatse is. De agent neemt mijn verklaring af. Echt aanwezig ben ik nog niet merk ik en alles loopt door elkaar heen. Met hulp van de politie vul ik een schadeformulier in en waarschijnlijk heeft de andere partij dat ook gedaan. Geen idee eerlijk gezegd, er gebeurt zoveel, dat ik meer dan de helft niet eens meekrijg.
Het bergingsbedrijf is door de politie gevraagd om mijn auto op te halen. Oh, gelukkig, die ken ik. Het bedrijf zit bij mij vrijwel aan de overkant van de straat.
Paul, zo heet de berger, loopt eens om de auto heen en komt naar me toe.
“Waar zijn de wielen?”, vraagt hij.
“De wielen?”, is mijn tegenvraag en ik kijk verwonderd naar de auto die inderdaad wielen mist. “Geen idee”, is mijn onnozele reactie.
Paul loopt wat rond en komt even later terug met een wiel. Hij heeft hem een aantal tuintjes verderop gevonden. Nog een ander wiel vindt hij op een onlogische plek. Dan is de botsing toch wel flink geweest, trek ik als voorlopige conclusie.
Paul gaat aan de slag met zijn werk en takelt het wrak op de oplader van het bergingsbedrijf. Ik mag plaatsnemen op de bijrijdersstoel en rijd mee. De tegenovergestelde richting op dan de richting naar mijn werk, waar ik naar toe zou zijn gereden na mijn tandartsbezoek. 


Verkorte versie geplaatst op Gelderlander Gastschrijvers 24-6-2023

SLAPEN IN DE EFTELING

 
Ik heb gesolliciteerd. Bij het groenonderhoud van de Efteling. Na afloop van het sollicitatiegesprek kreeg ik een rondleiding door het park, waardoor ik het eens van de andere kant kon bekijken.
Mijn eerste werkdag: het is vroeg opstaan. Ik hijs me in mijn overall met Efteling-logo en rubberen laarzen. Ik neem een voorbeeld aan de geroutineerde tuinman die mij in zal werken, pak ook een kruiwagen en tuingereedschap en loop achter hem aan. Hij heeft al snel in de gaten dat ik wel wat tuinervaring heb en na een paar dagen krijg ik mijn ‘eigen route’.
Vanochtend ga ik in het Sprookjesbos aan de slag. Langnek slaapt nog, de grote reus van Klein Duimpje ook, evenals de wolf in het bed van de grootmoeder van Roodkapje. Die komen pas in beweging als de toegangspoorten open gaan. Al het groen staat er prima bij en vraagt vandaag niet veel onderhoud.
 
Met moeite open ik een oog een beetje, wanneer ik op en neer geschud wordt.
“Ben jij helemaal gek geworden?”, briest een van de parkwachters boven me en geeft me hardhandig een duw.
“Als jij er niet tegen kunt om zo vroeg op te staan, moet je dit werk niet doen. Ik ga dit melden bij je leidinggevende.”
Het dringt maar half tot me door, ik draai me om en zie nog net dat ik op een houten bankje lig. En weer word ik wakker geschud. Laat me toch met rust, laat me slapen.
Ik open mijn ogen een beetje en daar staat die parkwachter van net ook weer, nu naast mijn leidinggevende, die me hardhandig overeind trekt.
“Vera, je bent ontslagen”, dring zijn stem een beetje tot mijn suffe hoofd door en ik kijk hem slaperig aan.
“Ont-slá-gen!”, zegt hij nog een keer nadrukkelijk en gooit op hetzelfde moment een klots water in mijn gezicht.
Dat helpt. Ik ben klaarwakker. In zoverre dan, dat ik mijn ogen open heb, maar voor de rest snap ik nog niet veel van wat er nu aan de hand is.
“Ik weet niet hoe ik hier ben gekomen”, zeg ik en kijk ondertussen bevreemd naar het bankje waar ik op zit. Het is het bankje dat dicht bij Holle Bolle Gijs staat.
 
“Het interesseert me niet hoe het gebeurd is, we hebben al genoeg aan ons hoofd om er ook nog een slapende tuinvrouw bij te hebben.”
“Wat is er nog meer dan”, vraag ik hem.
“Ik weet niet wat er aan de hand is, maar de Trollenkoning wordt niet wakker en hier, die bolle kop”, wijst hij naar Holle Bolle Gijs, “die komt niet verder dan “papi…” en dan valt hij stil. Dus dit gedoe met jou kunnen we er echt niet bij gebruiken. Ga naar huis.”
“Wacht even, toen ik als laatste bezigheid bij de Trollenkoning takken opraapte, was hij net aan het wakker worden en aan het gapen”, antwoord ik.
“En daarna heb ik nog wat papiertjes bij Gijs in de mond gegooid, en die vroeg om nog meer “papier hier”.
 
Heel langzaam aan begint zich een idee in mijn hoofd te vormen en ik roep de mannen, die al bij me vandaan lopen, achterna: “ik weet denk ik wat er aan de hand is.”
Ze lopen stoïcijns door.
“Luister even naar me, ik weet de oorzaak.”
Ze draaien zich langzaam om.
“O ja, nou daar zijn we wel benieuwd naar, naar jouw smoesje. Kom maar op.”
Ik vertel ze over de laatste werkzaamheden die ik me kan herinneren.
*Alle dode bloempjes en dode takjes had ik links en rechts opgeraapt. Nog één perkje moest ik doen waar een bonte verzameling aan bloemen staat. Ook onder de papaver haalde ik de uitgebloeide en afgevallen bloemen weg en knipte hier en daar de zaaddozen er tussenuit, die teveel ingedroogd waren. Toen nog even rond de boom van de Trollenkoning wat dode takken weghalen. Plotseling viel ik achterover over een boomwortel in de grond die ik over het hoofd had gezien en viel tegen de kruiwagen aan, die omviel en de hele inhoud werd door een windvlaag nog eens weggeblazen.”
 
“Ja, wat wil je nu eigenlijk zeggen. Schiet eens op, we hebben meer te doen dan te luisteren naar jouw smoesjes.”
“Ik heb alles nog een keer opgeraapt, weer in de kruiwagen gegooid en ben toen weggelopen naar Holle Bolle Gijs om enkele papiertjes die tussen het groen terecht waren gekomen in zijn mond te gooien.
 
“Kom Jan, we gaan, dit duurt me te lang”, zegt mijn leidinggevende tegen zijn collega en wil weer weglopen.
“Ho stop, nog heel even! Kennen jullie slaapbollen?”
“Ja, er zit er een hier ”, krijg ik als adrem antwoord.
“Nee dat bedoel ik niet. De grote papavers worden ook wel slaapbollen genoemd. Van hun ingedroogde sap wordt opium gemaakt.”
Heel langzaam aan begint het door te dringen: “en van opium word je slaperig”, weet Jan.
“Precies, en omdat de losse blaadjes ronddwarrelden door de wind heeft de Trollenkoning het ingeademd. De papiertjes die ik hier in de mond van Gijs heb gedaan, hadden natuurlijk ook wat van dat melksap op zich.
En ik heb alles ingeademd. Nu weet ik waarom ik op dit bankje lig, ik heb wat opium binnengekregen.”
 
“Verrek, je hebt gelijk, dat zou allemaal goed kunnen zoals jij het vertelt. Schiet op, help ons met bordjes plaatsen. Jij bent nu wakker, dus zullen die andere twee langzamerhand ook wel bijkomen.”
Ze halen razendsnel enkele bordjes uit het magazijn die ze neerzetten bij Holle Bolle Gijs en de Trollenkoning met de tekst ‘Tijdelijk buiten gebruik’.
 
Ik mocht naar huis om goed uit te rusten en de volgende dag heb ik samen met een collega heel voorzichtig alle papavers in het perkje verwijderd. Stel je voor dat alle bezoek in het Sprookjesbos in slaap valt. Zo wil de Efteling de krant niet halen.

SOMS HEB JE ZO’N DAG

Oké, half zeven wakker. Nou ja, dan sta ik maar op ook al was het vannacht pas half een voordat ik in bed lag. Na een half uur was ik weer klaar wakker, doordat een of andere idioot aan de overkant van straat rondjes begon te racen. Uiteindelijk dus een redelijk korte nachtrust. Dat is niet de eerste van deze week en dat gaat me gegarandeerd opbreken. Ik heb toch echt wel de geadviseerde zeven tot acht uur slaap nodig.

De start van de dag gaat nog wel goed met beschuitjes met aardbeien in de frisse ochtendlucht. Op het grasveld zijn twee merels, een lijster en een roodborstje wormen aan het zoeken in het gras, dat nog nat is van het sproeien gisteravond. Vogels op het gras betekent overigens wel de honden in bedwang houden om er niet op af te stormen en hun dag te starten met een vogelontbijt.
De kippen naar buiten laten en voeren. Het restje brood dat ik nog voor ze had bewaard is inmiddels beschimmeld. Pech voor de kippen, die moeten vandaag verder zelf maar hun kostje bij elkaar scharrelen in de wei en vanavond terugkomen voor hun bak kippenvoer.
Het koffiezetapparaat geeft aan dat het gereinigd moet worden, dus ik haal alle onderdelen eruit en maak ze schoon, maar het in elkaar zetten vraagt meer tijd. Waarom vergeet ik toch elke keer weer in welke volgorde en hóe ik alle onderdelen op de juiste manier terug moet plaatsen? Uiteindelijk, met behulp van de plaatjes in de gebruiksaanwijzing, lukt het en ik besluit nog even de was op te hangen voordat ik mijn eerste bakje koffie pak. 
Was ophangen aan de droogmolen. Deze molen is er een die aan de wand hangt, uitgetrokken moet worden tot je een klik hoort en dan is hij klaar voor gebruik. Als bijna alle was hangt, flats! De molen vouwt zich terug met alle was eraan. De molen weer open vouwen met het wasgoed er nog aan, vraagt iets meer spierkracht dan waarover ik op dat moment beschik. Dus de wasknijpers los, wasgoed van de lijnen af, molen opnieuw uittrekken totdat ik een duidelijke klik hoor, en de was weer opnieuw ophangen.

Hèhè, mijn verdiende kopje koffie.
Voordat het echt warm gaat worden, besluit ik nog even wat in de tuin te gaan werken en trek mijn oude kloffie aan. Accu’s leeg van de heggenschaar, die moeten eerst aan de lader. Dan ga ik maar aan de slag met onkruid weg te steken tussen de bestrating. Na zo’n drieëndertig keer door de knieën en weer overeind komen, loop ik zo langzamerhand met mijn gezicht op mijn bovenbenen en kom met pijn en moeite recht overeind. Dat was weer voldoende tuinwerk voor een aantal uurtjes.
Inmiddels is het ook zo benauwd geworden, dat ik het überhaupt niet meer in mijn hoofd haal om verder te tuinieren, dus ik spring even lekker onder de douche en hou me voor de rest van de dag redelijk rustig.

In de loop van de middag besluit ik nog even naar het graf van mijn ouders te rijden, om een kaarsje aan te steken voor Vaderdag en de planten daar te voorzien van water. Grafkaarsjes liggen nog in de auto. Ja, daar liggen ze nog steeds, helaas zijn ze door de hitte van de afgelopen dagen niet meer te gebruiken. Het kaarsvet is eruit gelopen. Nog een gelukje dat de kaarsen in een kratje stonden en schade aan de binnenkant van de kofferbak is voorkomen. Dat scheelt weer heel wat handelingen met strijkbout en wc-papier om het kaarsvet te verwijderen. Dan maar zonder kaarsje naar het kerkhof. Tegen mijn verwachting in, staan de plantjes er nog prima bij en bloeien rijkelijk.
Dicht bij het kerkhof, in de wijk waarin ik ben opgegroeid, is de supermarkt geopend na een fikse verbouwing, dus ik besluit om daar maar enkele benodigdheden voor het eten te halen. Ik ben er lang niet meer geweest, maar het voelt nog wel steeds als de supermarkt in mijn wijk ook al woon ik 10 kilometer verderop.

Het laatste gangpad loop ik door en o heerlijk, daar liggen rumbonen. Ik zie het aan de vorm van het chocolaatje op de verpakking. Ik drink niet, maar rumbonen vind ik wel zó verschrikkelijk lekker. Ik kan ze echt niet laten liggen, dus ik leg een pakje in mijn winkelwagentje. Naar de kassa en dan de boodschappen overhevelen in de auto. De rumbonen houd ik apart, daar wil ik onderweg vast aan beginnen. Ik trek de verpakking open en stop er een in mijn mond waarbij ik me al verheug om het besuikerde laagje aan de binnenkant van de chocola en het kleine beetje rum dat zich daarmee vermengt. Dat valt flink tegen, het snoepgoed heeft weliswaar de vorm van een rumboon maar is gevuld met een zoetige vulling van sinaasappelsnippers.
De rest van de verpakking blijft onaangebroken.

Wanneer ik thuis de boodschappen heb opgeborgen heb ik de terugslag te pakken van weinig slaap, warmte, wasgoed dat een andere kant op gaat, rumbonen die geen rumbonen blijken te zijn, kaarsjes die onbruikbaar zijn. Ik heb geen zin meer om nog aandacht aan het eten te besteden. Waarschijnlijk wordt dat ook niks bijzonders, want het vlees zal gegarandeerd aanbranden op zo’n dag als vandaag.
Weer in de auto en pizza halen. Altijd lekker.
En nu: benen omhoog op de bank, wat te drinken erbij en Formule 1 kijken. 

COLA MEVROUW?

Long time ago nam ik deel aan een tweedaagse vanuit enkele organisaties, waarbij met name aandacht werd besteed aan items rondom voeding. De eerste dag werd afgesloten met een diner op een vorstelijke locatie met vorstelijke prijzen op het menu van het exclusieve restaurant.
Het gezelschap waarin ik me bevond bestond grotendeels uit mensen die dit soort eetgelegenheden  waarschijnlijk vaker bezochten en bijzonder konden waarderen.Wanneer ik in een minder exclusief restaurant ben, weet ik al niet hoe te beginnen met het bestek te gebruiken, dus ik kijk het even aan en aap dan mijn tafelgenoten na met het juiste bestek.
Geef mij maar een eetcafé of gezellig klein restaurant waar ik niet het gevoel heb dat ik iets gemist heb in de dresscode.

Terug naar de vorstelijke locatie. Daar was de tafel uiteraard ook gedekt met een rijk assortiment aan bestek en glaswerk. De ober schoof de stoel voor je naar achter en schoof de stoel weer aan nadat je bij het ‘neerdalen’ op de juiste plek op de stoel beland was.
Hij gaf uitleg over de wijn, die geschonken zou worden en ik kon mijn lachen bijna niet inhouden toen enkelen aan tafel vóór mochten proeven: de wijn ‘walsend’ in het glas en beoordeeld op ‘de dronk’.
Daarbij moest ik al denken aan het spoelen na tanden poetsen, maar ja dit hoort nu eenmaal bij wijn proeven. En dan de gezichten erbij: bloedserieus.
Natuurlijk kreeg ik ook de vraag wat ik wilde drinken. Ik lust geen alcohol, dus ik vroeg uit goed fatsoen maar om een glaasje water.

Enige tijd later waren al de nodige glazen wijn ingeschonken. Ik kon werkelijk geen water meer zíen en vroeg aan mijn leidinggevende , die naast me zat: “zou ik om cola kunnen vragen?”.
“Ja hoor”, antwoordde hij mij.
Ook aan mij werd weer gevraagd wat ik wilde drinken en ik bestelde een cola.
“Een cóla mevrouw?”, vroeg de ober en viel duidelijk uit zijn rol.
Binnen no time herstelde hij zich en gaf als antwoord: “ja natuurlijk”.
Die man pakte het ontzettend leuk op en kwam even later naar me toe met het gevraagde drankje.
Met de nodige égards presenteerde hij mij het flesje, zoals ook de wijnflessen getoond werden.
“Is dit het goede jaar mevrouw?”.

Tussen de gangen door kregen we een rondleiding achter de schermen, de keuken. Inmiddels had ik wel wat grootkeukens gezien, dus niet alles was me vreemd. Er was een flinke bedrijvigheid in de keuken en in een grote braadslee lagen stukjes te pruttelen in het braadvet.
Ik wees mijn leidinggevende erop en vroeg aan hem of dat kibbeling was, want daar leek het erg veel op.
Hij keek me aan alsof hij dacht dat ik misschien tóch de nodige alcohol had gedronken, maar schoot daarna van het lachen bijna onder het aanrecht en kwam werkelijk niet meer bij.
Kibbeling in een dergelijk restaurant was natuurlijk niet denkbaar, dat weet ik nu ook wel, maar toen nog niet.
“Hoe kom je erbij, kibbeling! Dat is gebakken zwezerik.”
Ook daar had ik nog nooit van gehoord, dus ik deed maar alsof ik wist wat hij bedoelde. Later kwam ik te weten dat zwezerik behoorlijk kostbaar is.
Eerlijk gezegd proefde ik het er niet aan af.
Ik ben toch meer van de gewone frites met of een bakje kibbeling, dat geen zwezerik is.

HAMMIE DE HAMSTER


“Het wordt verboden om dwerghamsters te houden.”
Wat?, denkt Hammie als hij de journaallezer hoort.
Van schrik spuugt hij de verzamelde nootjes in zijn wangzak uit.
Gelukkig herinnert hij zich het bordje op zijn kooi in de dierenwinkel waar op stond: Goudhamster.
Pfff, gelukkig, hij hoeft niet weg.  
Hij klimt over Tommie’s trui en gaat in de nek zitten, dat is een heerlijk warm zacht plekje.
“Tommie, kinderbedtijd”, roept de moeder. Hammie krijgt nog een aaitje en een kusje en wordt door Tommie teruggebracht naar zijn kooitje.
Eerst nog even zonnepitten knabbelen en wat slapen.
Hij heeft een bed van zaagsel onder een omgekeerde bloempot.

Als eindelijk ook de grote mensen gaan slapen en de lichten uit maken, wordt Hammie wakker.
Hij eet wat en gaat dan sporten.
Elke avond rent hij twintig rondjes in het radje in de kooi en loopt vijf keer het trapje op en af.
Na vier rondjes stopt hij met lopen. Het zit hem niet lekker.
Nee, niet de zonnepitten, maar het nieuwsbericht.
Stel je voor dat straks een goudhamster ook niet mag.
Hij zit met de handjes in zijn hamsterhaar en denkt diep na.
Hammie besluit te vluchten!
Hij probeert het deurtje open te maken en ja hoor, het gaat open. Tommie vergeet vaak de kooi goed te sluiten.
“Ik ga àchter de kachel zitten, dat is een mooie schuilplaats.”
Zijn wangzakken maakt hij leeg met voer wat hij er in gestopt heeft voordat hij ontsnapte.
Er is voldoende ruimte en hij kan nu de hele kamer rondlopen om te sporten.
Hij maakt een koprol, rent een stukje heen en weer en komt duikelend weer terug bij de plek achter de kachel.
Nu water. Ja hoor, gevonden, er ligt water op de schotel onder een plant.
Doodmoe van de verhuizing rolt hij zich op in zijn nieuwe nestje en gaat slapen.

Hij schrikt wakker als hij Tommie hoort schreeuwen: “mama, Hammie is weg, hij is ontsnapt”.
Het jochie huilt tranen met tuiten.
Hammie wil hem troosten, maar dat is niet slim want dan ontdekken ze zijn schuilplek.
Na schooltijd wordt er verder gezocht, maar geen Hammie.
Voordat hij gaat slapen, besluit Tommie om voer klaar te zetten bij de tafelpoot.
Misschien is de hamster nog ergens in de buurt en vindt hij dat.
Zodra het donker wordt komt Hammie uit zijn schuilplaats en ontdekt het bakje met voer.
Wat een verrassing: kaas, wat nootjes en hamstervoer staan klaar.
Op zijn dooie akkertje stopt hij zijn wangzakken vol en brengt het naar de voorraadkast achter de kachel.

“Mama, alles is weg. Hammie is nog ergens in de buurt en heeft het opgegeten”, roept Tommie de volgende morgen.
Elke ochtend is het bakje voer leeg en dat maakt Tommie blij.
Hammie leeft dus nog ook al ziet hij hem niet.
De schoorsteenveger komt eens per jaar en de kachel moet verzet worden.
“Kijk nou allemaal keuteltjes, die zijn vast van Hammie geweest". 
Hij zie ook het nestje.
Zie je wel dat Hammie in de buurt was. 
Ik denk dat hij nu wel dood is. Een hamster wordt maar twee of drie jaar oud.
Maar hij heeft een heel mooi leven gehad en is lekker verwend.

WAAR IS DE GROND?

 
Bloedhete dag, maar prima weer om te fietsen. Tenminste, zolang je blijft fietsen is er niets aan de hand. Pas wanneer je afstapt, merk je hoe heet het is. Gelukkig transpireer ik niet heel snel, en ik kan redelijk fris aan een tafeltje gaan zitten om wat te eten. Maar mijn voeten! Die branden bijna de schoenen uit en transpireren wel degelijk.

Aha, naast de ijssalon zit het Kruidvat en ooit heb ik eens een spuitbus gehad van deze winkel die heel goed werkte tegen zweetvoeten. Het is een grote vestiging en ik heb alle paden al bekeken, maar kom geen producten tegen die iets te maken hebben met voeten.

Daar loopt een medewerker, die zal het wel weten. Ik vraag haar “hebben jullie ook iets tegen zweetvoeten”. Ze kijkt me aan alsof ze zweetvoeten ruikt en pakt dan het kleine microfoontje wat in de buurt van haar mond hangt. Ik ken die dingen wel. Ze kunnen dan snel een collega erbij roepen als het te druk wordt of als ze, zoals in dit geval, een vraag hebben. Nou, dat microfoontje had ze niet nodig, de hele winkel kon het horen: “hebben wij ook iets tegen zweetvoeten?”

Gelukkig is het niet druk en ik voel geen verbaasde blikken om me heen, maar dat ik me er nu prettig bij voel: nee. Even vraag ik mezelf af of ik hier iets van ga zeggen: ach, laat ook maar. Later denk ik, had ik het maar wel gedaan, want dat voorkomt misschien voor andere klanten een soortgelijke situatie.

Stel je voor dat er morgen een oudere dame de winkel in komt, die eindelijk weer zelf boodschappen durft te doen, nadat ze door haar incontinentie afhankelijk is geworden van Tena lady’s. Een behoorlijke stap weet ik, omdat die mensen vaak denken dat  de hele omgeving ze kan ruiken, ook al is dat echt niet het geval. En als nu die mevrouw de jongedame van vanmiddag tegenkomt en haar zachtjes toefluistert: “waar kan ik de incontinentiematerialen vinden?”.
Hoe erg zal ze niet verlangen naar een sinkhole in de winkel, waar ze in de grond weg kan zakken als de jongedame naar haar collega roept: “waar liggen de incontinentiematerialen?”

Ik ben uiteindelijk wel met mijn busje naar huis gegaan en heb heerlijk, op blote voeten, de planten in de tuin gesproeid.

VERBODEN WOORDEN


 Honden zijn echte gewoontedieren en leren vooral héél snel datgene wat zij belangrijk vinden.

“Kom hier”. Er komt geen hond.

“Blijf”. De hond blijft niet.

“Zit”. De hond gaat liggen.

Maar o wee, zodra ze er fijne associaties mee hebben. Ik zet het koffiezetapparaat aan. Het drietal rent al naar de zitkamer en houdt alle bewegingen in de gaten. Koffie betekent iets lekkers. Hypnotiserend  kijken drie paar ogen me aan, totdat ze het felbegeerde koekie krijgen. Ze zijn zélfs bereid daar wat voor te doen op dat moment.

“Kom hier”. De honden zijn er al.

“Zit”. Ze bewegen hun achterlijf iets naar beneden.

“Beter zit”. Plof, kont op de grond, staart naar achteren.

Zijn ze buiten aan het graven, spelen of rennen, dan hebben ze last van Oost-Indische doofheid als ik ze roep. Behalve…als ik het woord erbij gebruik. Als een speer komen ze af op de woorden ‘koekie’ of ‘eten’.

“Och wat luisteren ze goed”, zegt een bezoeker. Mmm, ja soms!

 Als ik iets wil weten pak ik al snel de iPhone of iPad erbij en typ mijn zoekopdracht in. Nu vraag ik het volgende: wanneer is de eerstvolgende race in de Formule 1, in welke plaats en hoe laat?

“Nee, niet weer die stomme cookies!”, roep ik hardop.

Daar heb ik zo’n bloedhekel aan. Ik kies voor ‘weigeren’ of voor ‘voorkeuren aanpassen’.In een keer word ik me bewust van wat er rondom mij gebeurt: drie paar starende oogjes.Twee paar gespitste oortjes en een paar oortjes die wel naar mij gericht staan, maar niet de bouw hebben om recht overeind te blijven staan. Waar hebben zij nou ineens last van, vraag ik me af.Ach ja, de uitspraak van koekie of cookie maakt voor hun geen verschil, behalve dan dat ze ervoor willen luisteren.


Geplaatst Gelderlander Gastschrijvers 10-6-2023

 

BLOESEMKINDEREN

Nog één rotonde rijden en ik ben bijna thuis. Het waait behoorlijk maar in de auto heb ik daar uiteraard weinig last van. Een van mijn Spotifylijsten speelt en ik neurie wat mee op de muziek.

Midden op de rotonde staan twee bomen volop in de roze bloesem en de hele kruin beweegt op en neer door de wind. Er rijdt niemand voor me dus ik heb alle tijd om om me heen te kijken. En ineens valt het me op dat de beweging van de roze kruin volledig synchroon loopt met de muziek. Alsof de boom aan het dansen is. Ik ga wat langzamer rijden om van dit schouwspel te genieten. Een gratis dansvoorstelling midden op de dag en ik ben de enige toeschouwer.

De kruin lijkt een geheel van roze bloesem, maar dat het totaal anders is, blijkt al snel wanneer er bloesemblaadjes door het open raam naar binnen waaien. Ze komen terecht op het dasboard pal voor mijn stuur en door wat ik dan hoor en zie, besluit ik de auto langs de kant maar even stil te zetten en mezelf eens flink te knijpen om te testen of ik niet in slaap ben gevallen.

Inmiddels hoor ik ook heel zacht gezang bij de oorspronkelijk instrumentale muziek.

De roze bloesemblaadjes op mijn dashboard veranderen geleidelijk aan in minidanseresjes in roze tutu’s. Ik durf bijna niet te ademen omdat de luchtstroom die dat met zich meebrengt wel eens te veel kan zijn en de bloesemblaadjes weg zal blazen.

Het zijn miniwezentjes die gracieuze bewegingen maken waarbij tere lichtroze, als tule, vleugeltjes de kwetsbaarheid benadrukken. Hun hoofdjes zijn bedekt met kleine pluisjes, als van een paardenbloem. Op de maat van de muziek dansen ze over het dashboard, onderwijl zingend en neuriënd, heel zacht en breekbaar, maar onwaarschijnlijk mooi.

Betoverd blijf ik kijken naar deze privé-voorstelling.

Een klein winterkoninkje landt in de sponning van mijn openstaande raampje, zijn staartje parmantig omhoog. Het snaveltje opent zich en ik verwacht een waterval van gezang van dit kleine vogeltje.

Maar nee, hij begint te kwetteren en ik kan verstaan wat hij zegt.

“Mooi hè, deze bloesemkinderen? Ik kan er zo van genieten.

Mijn nestje heb ik gemaakt in het dichte struikgewas onder de bomen en ik heb ze zien opgroeien.”

Het is maar goed dat ik mijn eigen gezicht niet kan zien, want dat zal ongetwijfeld een erg onnozele en verbaasde uitdrukking hebben.

Het winterkoninkje vertelt me hoe de bloesemkinderen ontstaan nadat de boompjes in de lente met lichtgroene blaadjes beginnen uit te lopen. Bijen verzamelen in de weilanden bij de vroegste paardenbloemen de paardenbloempluisjes en brengen die naar de bomen waar ze ze verspreiden over de takken. De pluisjes vormen kleine beschermende laagjes over de prille bloemknopjes totdat deze zich openen. De opgevouwen bloemblaadjes in de knop ontvouwen zich bij hogere temperatuur en wanneer de wind uit het zuiden waait, klemmen de bloesemblaadje zich vast aan het paardenbloempluisje en komen tot leven. Ze dansen in de wind totdat ze allemaal uitgevlogen zijn waarna de vruchten aan de boom zich gaan vormen.

Bloesemkinderen leven maar kort maar genieten volop van het zingen en dansen.

Aandachtig heb ik naar het winterkoninkje geluisterd en me niet eens gerealiseerd dat ik hem kon verstaan.

In een keer fladdert hij snel het raam uit en ik val bijna uit de auto als het portier wordt opengetrokken en een man naar binnen kijkt.

“Alles in orde mevrouw?”

Nog enigszins verdwaasd zie ik de bloesemkinderen het raam weer uitdwarrelen op de ontstane luchtstroom van het geopende portier.

De man kijkt me vorsend aan en langzaamaan herstel ik me.

“Uh, ja hoor. Alles is goed met mij. Ik kreeg een telefoontje en kan niet handsfree bellen. Ik moest even stoppen.”

Even later start ik de auto en rijd nog een keer langzaam een extra rondje over de rotonde en als ik heel goed luister hoor ik in de verte nog zachte stemmetjes en vliegen bloesemblaadjes over de auto heen. 

WINTER- EN ZOMERKONINKJES

Terwijl de winterkoninkjes af- en aanvliegen naar hun nestjes, haal ik de zomerkoninkjes naar binnen.
Aardbeien, heerlijk, maar niet van die geïmporteerde, die echt nergens naar smaken, behalve naar water. De aardbeien van de volle grond zijn de échte. Ze smaken zoals aardbeien horen te zijn: zoet en sappig. Ze hebben een mooie donkerrode kleur. Ze ruiken naar…ja, naar aardbei.
Zolang ze verkrijgbaar zijn, ga ik ze halen en het liefst bij de aardbeienkweker in de buurt en niet uit het schap van de supermarkt.
Rollen beschuit heb ik klaar liggen om besmeerd te worden met een laagje boter en bedekt met de rode vruchten. En voor de zoetekauw die ik ben, een dun laagje suiker erover.
Bij het eten is het, in ieder geval voor mij, opletten dat de aardbeien in mijn mond belanden en niet halverwege van de beschuit afglijden en op mijn, natuurlijk op dat moment lichtgekleurde, shirt vallen.
Waar ze nu overal te koop zijn, was dat niet altijd zo. Wij kregen thuis slechts af en toe aardbeien op een witte boterham.
 
Tijdens een fietstocht met het gezin op een zomerse dag kwamen we uit bij een afgelegen vervallen boerderijtje. De ooit witte verf bladderde van de muren, het dak hing op een aantal punten nog aan de spanten. Op verschillende plaatsen waren de dakpannen al aan gruzelementen gevallen en lagen opzij van het huis op de steentjes, waartussen het onkruid welig tierde en op sommige plaatsen kniehoog was. Toch had dat zijn charme, kleine bloemetjes aan de scheuten die zich tussen de voegen omhoog wurmden. De deur was afgesloten en voor de ramen hing nog een restant van ooit witte vitrage die het inkijken belemmerde. Dit soort locaties intrigeert me altijd, en toen ook al.
 
Wie zouden hier gewoond hebben, hoe zag hun leven eruit, waar zijn die mensen nu? Bij dit boerderijtje stelde ik me een bejaard boerenechtpaar voor, waarvan de boer in zijn blauwe overall, gele klompen en steunend op zijn stok nog wat rondscharrelde over het erf. De boerin had nog een bezigheid in de verzorging van haar kippetjes. Samen hadden ze gezeten op het bankje en genoten van het weidse landschap, mijmerend over hun leven. Ze hadden een klein moestuintje opzij van het huis, afgezet met paaltjes en gaas om de konijnen zoveel mogelijk buiten te houden. De witte bloemetjes van de aardbeienplant zouden binnenkort weer overgaan in kleine groene vruchtjes om geleidelijk aan te transformeren tot een heerlijk rode aardbei, rustend in het stro dat verspreid lag om de planten. Enkele groentes voor eigen gebruik had het echtpaar gepoot en de grond tussen de planten werd zorgvuldig geschoffeld door het oude boertje.
 
Op het moment dat wij bij dit boerderijtje uitkwamen, stonden daar nog de restanten van het bankje, de paaltjes om de moestuin zijn scheef gaan hangen en vanuit mijn ooghoek zag ik een poes wegvluchten voor dit onverwachte bezoek. Het hekje dat toegang gaf tot dit kleine moestuintje stond half open. Mijn vader was er al doorheen gelopen en wij volgden nieuwsgierig.
Ondanks dat de bewoners waarschijnlijk al lange tijd weg waren, stonden er nog steeds enkele aardbeienstruikjes met zo nu en dan een aanlokkelijk rode vrucht die de vogels nog niet gevonden hadden. Dát waren toch een lekkere aardbeien! 

VERKOOPANALYSE

 

Marius, van de supermarkt met dezelfde naam in een grote stad ergens in Nederland, verwacht vandaag bezoek van de leverancier van disposables. Voor de deur parkeert dit bezoek hun opvallend grote auto op een invalidenparkeerplek. Marius overweegt even om naar buiten te lopen en er wat van te zeggen, maar hij bedenkt zich. Hij weet niet waar ze precies voor komen, en deze heren kent hij ook nog niet.
De accountmanager Aren en adjunctdirecteur Ambt stappen uit, pakken hun colbertje van de haak en hun koffertje van de achterbank. Marius ontvangt de heren in de deuropening en nodigt ze uit voor een kop koffie in zijn kantoor op de tweede etage. Na de eerste kennismaking komen zij tot de reden van hun bezoek.

“Wij zijn erg benieuwd naar de explosief toegenomen omzet van disposables en verbandmiddelen. Uw winkel valt hierin op ten opzichte van uw collega’s.”
“Dat klopt, een bijzondere ontwikkeling, die mij al enige tijd bezighoudt en ik heb de vinger er nog niet op kunnen leggen.”
“Heeft u zicht op de doelgroep?”
“Ook dat is niet eenduidig te benoemen. Wel heb ik geconstateerd dat de dagpiek van de verkoop ligt tussen de middag en rond een uur of vijf. Vrijdags en in het weekend is die piek niet te zien.”
“Zijn er veel personen die allemaal een kleine hoeveelheid kopen, of zijn er enkele personen die grote hoeveelheden komen halen. Is dat te duiden?”
“Veel personen die een kleine hoeveelheid kopen, maar dit wegmoffelen onder andere boodschappen zodat het niet gelijk opvalt dat het op de band ligt. Ik zie dat ook wel bij de aankoop van condooms.”

Marius licht nog een en ander toe aan de heren en vertelt hen dat maandverband en Tena ladies het hardst lopen, evenals tissues en papieren zakdoekjes. Opvallend veel mannen hebben een pak maandverband tussen hun boodschappen liggen. Dat is minder voor de Tena ladies, die worden met name gekocht door de vrouwen, ook door jongere vrouwen.
“Overigens is het niet het publiek, dat hier in de buurt woont, maar laat ik zeggen wat chiquer publiek: mannen in maatwerkpakken, vrouwen in mantelpakjes.”
“Zoals wij er ook uitzien, bedoelt u?”,  vraagt mijnheer Ambt.
Marius verslikt zich bijna in de koffie, en knikt. Hij realiseert zich dat dit wel eens verkeerd over kan komen, en stamelt: “ik bedoel er verder niks mee hoor”.
“U heeft gelijk, veel ambtenaren kleden zich zo”, is de onverstoorbare reactie.

In het hoofd van Marius beginnen allerhande alarmbelletjes te rinkelen en ontwikkelen zich in razend tempo associaties en conclusies, die hij nu wijselijk voor zich houdt. Hij realiseert zich dat hij de reden van de verkoop wel eens gevonden kan hebben.

“We willen nogmaals onze waardering uitspreken over de verkoopcijfers en adviseren u de schappen van deze producten altijd goed gevuld te hebben. U krijgt kwantumkorting op uw volgende bestellingen. De reden voor de gestegen omzet hoeft wat ons betreft niet verder onderzocht te worden.”
Marius bedankt de heren voor hun komst en doet ze uitgeleide. De heren Ambt-en-Aren stappen in, negeren de boze vuist van een bestuurder van een passerende invalidenauto en rijden naar de grote panden aan het eind van de hoofdstraat. Van maandag tot en met donderdag zijn daar de meeste ambtenaren aan het werk waar over een flink aantal van hen bekend is, dat zij ‘lekkende ambtenaren’ zijn.  

Gebaseeerd op de berichtgeving over lekkende ambtenaren in april 2023.


Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...