Het verhaal Boekenwurm is opgenomen in de Juno-bundel 2023 als een van de 13 verhalen van verschillende schrijvers, voor kinderen van 4-8 jaar.
O nee hè. Dat gebeurt mij
natuurlijk weer.
Ik stap de bus uit en pats, daar
lig ik.
Geschrokken komt de buschauffeur
naar me toe lopen.
“Wat doe je nu”, vraagt hij.
“Ik gleed uit over een bananenschil
mijnheer.”
Mijn hand begint te bloeden en de
knie van mijn spijkerbroek is gelijk vies.
Ik zeg tegen de buschauffeur dat
het wel gaat en ik loop naar het huis van opa, iets verderop.
Als opa me ziet, schiet hij in de
lach en vraagt of ik misschien ben gevallen.
“Niet misschien opa, ik bén
gevallen. Uitgegleden over een bananenschil.”
Opa zegt dat ik nog wel vaker in
mijn leven zal vallen en dat ik eerst maar even mijn handen moet wassen.
Dat wassen doet wel even pijn, maar
ik laat niks merken aan opa.
Oma is niet thuis, die is een paar
dagen logeren bij haar zus.
Mijn logeerbed past nog net in de
werkkamer van opa.
Nou ja, werkkamer? Het is een echte
mannenkamer.
Stapels met papieren en pennen en
ergens tussenin staat een oude computer.
De boekenkast bedekt een hele wand
en puilt uit.
Altijd vind ik daar wel weer een
boek dat ik wil lezen.
Ik heb zomervakantie van school en
mag weer een paar dagen bij opa logeren.
We gaan een dagje naar de
dierentuin, we gaan fietsen en vissen.
Opa heeft een mooie auto, een cabriolet.
Als het zo’n mooi weer blijft, kan
de kap lekker naar beneden.
Vanmiddag heeft opa een afspraak in
het ziekenhuis en hij heeft gevraagd of ik dan even alleen kan blijven.
“Ja natuurlijk”, heb ik gezegd, “ik
ben groot genoeg hoor”.
Opa is nu vertrokken en ik ga naar
de werk-slaapkamer.
Op een plank in de boekenkast waar
ik net niet bij kan, zie ik volgens mij een boek van Wipneus en Pim staan.
Opa heeft daar wel eens over
verteld. Hij las dat toen hij zo oud was als ik.
Ik trek aan de leuning van de stoel
totdat die voor de boekenkast staat.
Ik ga op mijn tenen op de stoel
staan en… oeioei.
Ik sta helemaal te wiebelen en val
bijna van de stoel af.
Mijn moeder zegt altijd dat ik niet
op een stoel mag staan. Daar zijn ze niet voor, zegt ze.
In een keer word ik aan de muts van
mijn trui omhoog getrokken totdat ik weer rechtop sta.
Hè, hoe kan dit nu? Wie heeft mij
geholpen?
Ik kijk verbaasd om me heen, maar
zie niks bijzonders.
En dan hoor ik een zacht gegiechel.
“Hallo, wie lacht daar”, vraag ik.
Twee boeken worden een beetje uit
elkaar geschoven.
Ik zie een enorm lange neus en twee
handjes, verder nog niks.
Een van de handjes komt naar me toe
en knijpt me keihard in mijn neus. Au!
Ik buig naar de boeken toe om beter
te kunnen zien.
Dan val ik weer bijna van de stoel,
maar dit keer van schrik.
Plotseling staat tussen de boeken
een klein rood figuurtje met bolle oogjes en twee spitse oortjes. De lange neus
valt nu extra op.
In
de pluizige bos geel haar zie ik een spinnenwebje zitten.
Ik kan mijn ogen niet geloven, wat
is dit voor een wezentje?
Het figuurtje gaat op de rand van
de boekenplank zitten en laat zijn dunne beentjes bungelen.
“Ik ben Boekenwurm”, zegt hij met
een piepstemmetje.
“Maar je ziet er helemaal niet als
een wurm”, zeg ik.
Hij slaat zich op zijn knietjes van
plezier en roept:
“Nee ik bén geen wurm, maar ik héet
wurm, Boekenwurm dus.
Ze hebben me zo genoemd omdat ik
altijd met mijn neus in de boeken zit.
Vind je mijn neus niet mooi?”
“Nou eerlijk gezegd niet nee”,
antwoord ik.
“Jouw neus is zo enorm lang. Je
armpjes zijn zelfs te kort om je neus te kunnen snuiten volgens mij.”
Boekenwurm moet om mijn opmerking
lachen.
“Ik hoef nooit mijn neus te
snuiten, want die veeg ik af aan het papier in de boeken.
Mijn neus gebruik ik om de kaft om
te slaan.”
“Getverderrie, dat is niet netjes”,
zeg ik, “en waarom heb je van die lange wijsvingers.”
Hij laat zijn twee wijsvingers
zien, die bijna anderhalf keer zo lang zijn als de andere vingers.
De vingers gebruikt hij om de
pagina’s in het boek om te slaan, zegt hij en stelt gelijk de volgende vraag.
“Heb je mijn tong gezien?”
Er komt een lange paarse tong uit
zijn mond rollen, net zoals zo’n fluitje wat helemaal uitrolt.
Boekenwurm legt uit dat hij zijn
wijsvinger altijd even nat maakt met de tong.
Dan kan hij het papier beter
vastpakken.
Ach ja natuurlijk, dat doe ik
meestal ook, bedenk ik me.
Alleen heb ik gelukkig niet zo’n
lange paarse tong.
Ik steek mijn tong even uit om het
te controleren.
Als ik langs mijn neus naar beneden
kijk, kan ik nog net het puntje van mijn tong zien.
Nee hoor, die is niet paars.
“Boekenwurm, woon jij hier ook”,
wil ik weten.
“Ja hoor, ik woon tussen de boeken.
Ik heb ze allemaal gelezen en ik
weet de mooiste bladzijden te vinden.”
“O echt?” reageer ik nieuwsgierig.
“Kun je mij dan naar de mooiste
bladzijde van Wipneus en Pim brengen?”
“Natuurlijk, kom maar mee. Doe je
ogen even dicht”, zegt Boekenwurm.
Ik hoor wat gemompel en ploep, in
een keer zit ik op de plank naast Boekenwurm.
Ik kijk hem verbaasd aan.
“Hoe kan ik nu net zo klein zijn
als jij?”
Hij legt me uit dat er ook
toverboeken in de kast staan en dat hij daaruit spreuken heeft geleerd.
Daar heeft hij een toverspreuk
gevonden om iemand klein te maken.
“Maar kun je me straks ook weer
groot maken?”, wil ik weten.
Hij knikt enthousiast en zijn neus
wiebelt daarbij op en neer.
“Dat heb ik nog nooit geprobeerd,
maar ik weet wel de goede spreuk, hoor.”
Boekenwurm steekt zijn neus achter
de kaft van Wipneus en Pim en slaat het boek open.
Met zijn wijsvinger bladert hij wat
in het boekje.
Plotseling staan we midden in een
bos met twee kabouters die een rood mutsje dragen.
Ze zitten allebei op een wit konijntje,
alsof ze paardrijden.
“Ik ben Wipneus”, zegt een van de
twee en geeft me een handje.
Ook de andere kabouter stelt zich
voor en zegt dat hij Pim heet.
Ondertussen houden ze wel de
teugels van de konijntjes goed vast.
“Maar jullie hebben geen baard.
Kabouters hebben toch altijd een baard?”, vraag ik.
“Wij zijn nog maar jonge kabouters.
De baard moet nog groeien, maar die
komt echt nog. We worden wel 100 jaar.”
Ze vertellen me wat over de dieren
in het bos en nodigen me uit om nog een keer terug te komen.
Daar heb ik wel oren naar natuurlijk en ik kijk
Boekenwurm aan.
“Geen probleem, dan maak ik je weer
een keer klein en kun je een boswandeling maken met Wipneus en Pim.
Kom, ik neem je mee naar wat andere
boeken”, kwettert Boekenwurm in mijn oor.
Ik zwaai gedag naar Wipneus en Pim.
Die zwaaien terug en laten hun
konijntjes wegrennen.
De kaboutermutsjes wiebelen op en
neer.
Ik loop mee en ik kom bij een ander
boek: Het dierenbos.
Ik steek mijn hoofd in het boek om
naar binnen te stappen.
Bijna ben ik mijn hoofd kwijt als
er een aap langs komt slingeren en een kokosnoot gooit.
Hij mikt op een andere aap iets
verderop.
O help! Een slang komt mijn kant op
gekronkeld.
Ik zie zijn gespleten tong en hij
maakt een sissend geluid.
Ik ben nu toch wel heel erg bang
aan het worden.
Weer word ik gered door Boekenwurm,
die me net op tijd uit het boek trekt.
“Sorry, ik had geen rekening
gehouden met die slang”, bekent hij.
“Kom ik laat je een paar heel oude
boekjes zien.”
Hij gooit een touwladdertje omhoog
dat zich vastzet op de volgende plank.
Ik klim achter zijn dunne beentjes
aan omhoog.
Pff, volgens mij heeft Boekenwurm
een scheet gelaten.
Of zou hij zo ruiken omdat hij
altijd maar tussen die boeken zit?
Ik moet straks ook maar eens vragen
waar zijn badkamer is.
Eigenlijk vind ik Boekenwurm steeds
leuker.
Zijn lange neus valt al niet eens
meer op.
Een zelfde geel plukje als zijn
haren komt door zijn broekje bij de billen eruit.
Hihi, het lijkt wel een
leeuwenstaart.
We komen uit bij twee beduimelde
boekjes.
Ze hebben geen kleur en ook geen
titel.
“Nou, daar lijkt me niks aan”, zeg
ik.
“Dat kan je nog wel eens
tegenvallen.
Dit zijn twee dagboekjes van je
opa.
Toen hij nog jong was schreef hij
elke dag in zijn dagboek.”
Met zijn neus duwt Boekenwurm
voorzichtig de kaft opzij en veegt er zijn snotneus aan af.
Bah.
Zijn paarse tong likt zijn
wijsvinger en hij slaat een paar bladzijden van het dunne papier om.
“Kun je al lezen?”, vraagt
Boekenwurm.
Wat een stomme vraag. Natuurlijk
kan ik lezen.
Hij geeft me een brilletje zodat ik
de dunne letters nog beter kan zien.
Nou opa hoeft niet meer te zeggen,
dat ik slordig schrijf.
Hij kon er ook wat van, toen hij
jong was.
Ik lees voor wat opa geschreven
heeft.
“Vandaag had ik twee blikken mee
naar het schuurtje genomen en twee lange stukken touw.
Met de boor had ik aan twee kanten
van elk blik een gaatje geboord.
Het touw ging daardoor heen en dat
knoopte ik aan elkaar.
Het touw was zo lang tot het aan
mijn billen kwam.
Bij het andere blik deed ik precies
hetzelfde.”
“Hadden ze toen ook al
accuboormachines”, vraag ik aan Boekenwurm.
“Nee natuurlijk niet, dat gebeurde
met een handboor, die je zelf moest draaien.”
Ik kan me er niet veel bij
voorstellen maar lees verder wat opa schrijft.
“De touwtjes hield ik als een
handvat omhoog.
Mijn ene voet zette ik op een blik
en de andere voet op het andere blik.
Zo kon ik de door de tuin en over
de stoep lopen.
Met twee kleinere blikjes deed ik
weer iets heel anders.
In de bodem van de blikjes boorde
ik een gaatje.
Daarna maakte ik de blikjes aan
elkaar met een lang touw ertussen.
Mijn vriendje en ik gingen een eind
van elkaar staan, zo lang als het touw was.
Als ik dan in het blik praatte, kon
mijn vriendje mij precies horen in het andere blik.”
“Waarom belden ze elkaar niet
gewoon dat is toch veel makkelijker?”, vraag ik aan Boekenwurm.
Die legt me uit dat er nog helemaal
geen telefoon bestond toen opa jong was.
Kinderen speelden buiten in plaats
van de hele dag spelletjes op de computer.
Ik krijg een beetje rode wangen
omdat ik ook vaak spelletjes op de computer speel.
Ik kan nog een hoop leren uit opa’s
oude dagboeken heb ik wel in de gaten.
Als ik Boekenwurm vraag hoe laat
het is, zegt hij dat het al bijna vijf uur is.
Oei, dan moet ik snel terug want
opa komt zo thuis.
Ik ren over de boekenplank totdat
ik weer bij het kleine laddertje kom.
Dan klim ik een plank naar beneden.
Boekenwurm vraagt me om weer even
de ogen dicht te doen.
Hij spreekt een toverspreuk uit.
Ik doe mijn ogen open, maar…ik ben
niet groter geworden.
O jee, wat nu? Wat zal opa ongerust zijn als hij me niet kan
vinden.
Boekenwurm probeert het nog een keer.
Hij geeft me een duwtje in de rug
en ik kom op de grond terecht.
Ja, de toverspreuk heeft gewerkt.
Ik ben gelukkig weer groot geworden.
Daar hoor ik de sleutel in de
voordeur en ik roetsj van de trapleuning naar beneden.
Bij opa mag dat. Thuis krijg ik
ervoor op mijn kop.
“Zo jongen heb je je geamuseerd?
Je hebt zeker de hele tijd
spelletjes op de computer zitten doen.
Je moet ook af en toe buiten spelen
hoor. Dat is gezond voor je, die
buitenlucht.
Kom dan gaan we wat drinken en eens
bedenken wat we straks gaan eten.
Wil je frietjes of zo?”
“Nee”, geef ik opa antwoord, “ik
wil graag groentesoep uit blik en daarna bruine bonen uit blik.”.
“Wat is dat nou, geen frites?”,
reageert opa verbaasd.
Ik zeg dat ik echt geen frites wil,
maar bruine bonen.
Opa haalt zijn schouders op en
haalt de blikken uit de kelder, waarna hij begint te koken.
“De blikken niet weggooien opa, die
was ik eerst even af”, zeg ik.
Opa kijkt me wat raar aan als ik na
het eten naar de schuur verdwijn.
Hij loopt achter me aan.
Volgens mij vertrouwt hij het niet
helemaal.
“Opa heb je nog een ouderwetse
boor?”
Opa zoekt de boor en legt me uit
hoe die werkt.
“Kijk je zet het puntje op het blik
en dan draai je aan deze slinger.”
“Heb je ook touw opa?
“Dat heb ik ook nog. Wat ga je
eigenlijk maken?”, vraagt hij aan me.
Ik leg uit wat ik wil gaan doen.
Opa kijkt heel verbaasd en vraagt
aan me: “Blik lopen? Doen ze dat tegenwoordig nog?”
Hihi, hij moest eens weten.
“Ik zal mijn oude dagboekjes eens
opzoeken.
Volgens mij heb ik daar ooit iets
geschreven over bliklopen.
Misschien staan er nog leuke
ideetjes voor jou in”, zegt opa.
De volgende dag heeft hij zijn twee
dagboekjes uit de boekenkast gehaald.
Hij weet natuurlijk niet dat ik ze
al gezien heb.
Voorzichtig slaat opa de kaft om.
“Bah, wat is dat dan voor
viezigheid? Het plakt.”, roept opa.
Opa vraagt me of ik weet wat die
viezigheid is.
Ik moet gelijk denken aan het snot
van Boekenwurm. Jakkes.
Maar ik zeg het niet tegen opa.
“Misschien zit er wel een wurm in
die kast. Een boekenwurm of zo”, zeg ik.
“Hoe kom je nou op dat vreemde
idee?”, vraagt opa en kijkt me verwonderd aan.
“O, zomaar”, zeg ik.