Boekpresentatie De Schommel

 
Twee keer was ik al gevraagd om iets te zeggen bij een begrafenis. Nooit, maar dan ook nooit gedacht dat ik dat zou kunnen. Nee zeggen was geen optie vond ik, en het lukte me.
Vervolgens door gekozen te zijn uit ingezonden verhalen om samen met negen anderen het eigen verhaal voor te lezen in de bibliotheek in Nijmegen, was ik weer een stap verder verwijderd van mijn koudwatervrees.

Enkele maanden geleden werd ik gevraagd of ik samen met twee andere plaatselijke schrijvers mijn boek wilde presenteren tijdens een zomerbijeenkomst voor 55plussers in de bibliotheek in Elst.
Oei, dat is wel wéér heel wat anders, maar tevens een uitdaging. Ja dus. Een extra Oei toen ik hoorde dat ik 35 minuten tijd kreeg. Zo lang? Het koude water steeg weer.
Wie A zegt, moet B zeggen en ik wilde ervoor gaan. Beide andere schrijvers hadden meer ervaring met presentaties. Dat deed mijn zelfvertrouwen geen goed. Hoe moest ik eenzelfde prestatie neerzetten als deze ervaren mannen? Naast koudwatervrees had ik nu ook zwembandjes nodig.

Mijn boek heb ik met veel overtuiging en toewijding geschreven, dus het is langzamerhand in mijn genen gaan zitten. Daar zou het niet aan liggen, maar hoe dan over te brengen?
Het boek gaat over een kind dat de crisis en oorlog in Nijmegen beleeft tot en met het bombardement in 1944. Voor mezelf ook bedoeld om enigszins een beeld te krijgen hoe de jeugd van mijn moeder geweest zou kúnnen zijn. Zoals ik meer om me heen hoor, komen vragen pas opborrelen als de persoon waar je het aan zou kunnen vragen er niet meer is. Dat betekende een zoektocht om een tijdsbeeld neer te kunnen zetten enerzijds, anderzijds had ik ook rekening te houden met historische feiten. Een zoektocht in archieven, boeken, lezingen, musea, interviews.
Dat het tijdsbeeld goed neergezet was, hoorde ik van proeflezers. De historische feiten heb ik laten checken door mensen die goed op de hoogte zijn van de hele geschiedenis in en rond Nijmegen. 

Om de koudwatervrees de baas te blijven, heb ik “op het droge” geoefend met de presentatie, thuis, met als enige toehoorders de honden en de muren. Geen commentaar gekregen. Het ging gebeuren. In de bieb waren verrijdbare kasten met alfabetisch gesorteerde boeken opzijgeschoven om plaats te maken voor stoelen. Ik was de tweede spreker. Wat een opluchting toen ik merkte dat ik bij de eerste spreker nogal eens een “uh” hoorde. Ik kreeg de microfoon in mijn hand en in mijn andere hand mijn spiekbriefjes, waar ik ook niet de enige bleek te zijn, die dat gebruikte. Het liep als een trein! Ik stond verbaasd over mezelf en enkele trillingen in mijn stem of bibberende  papiertjes in mijn hand brachten me niet van mijn stuk.

De herkenning van mijn publiek, zo’n 45 personen, merkte ik duidelijk toen ik vertelde over het eerste deel van het boek. Stukjes nostalgie. Het tweede deel riep wat anders op, het deel over de oorlogstijd en het bombardement. Op de gezichten tegenover me zag ik de emoties bovenkomen. De een keek strak naar haar handen en schudde lichtjes met haar hoofd, een ander veegde verstolen een traan weg. Ik weet nu ook hoe ademloos luisteren eruitziet.De ondersteuning van foto’s en pentekeningen (die in het boek verwerkt zijn) op mijn PowerPointpresentatie werkte heel goed.
Het applaus nam ik dankbaar in ontvangst. Tijdens de pauze hoorde ik meermaals de waardering over de presentatie en na afloop kwam er een man naar me toe. ‘Je verhaal heeft me enorm geraakt,’ zei hij. Hij vertelde me over zijn vader en wat hij van hem had gehoord over de oorlog.
Het water was op temperatuur en de zwembandjes heb ik lek geprikt. Niet meer nodig.

©Vera Oor, 2026

 

Hamsterverblijf


De poes en de hamster konden het goed met elkaar vinden. Er is nog een foto dat de kat zich in het kleine hamsterverblijf had en de hamster bovenop de kooi zat. Overigens geen groot verblijf, maar een armetierig vogelkooitje. De kat vulde de hele kooi.

De hamster is een nachtdier, maar kreeg bij ons niet veel kans om overdag zijn slaap in te halen. Zodra ik uit school kwam, haalde ik het diertje uit zijn verblijf, waar hij zich opgerold had in het zaagsel onder de omgekeerde bloempot, en nam hem op schoot. Ik vond het prachtig om te zien hoe hij zichzelf een wasbeurt gaf. De ieniemienie pootjes wreef hij over zijn koppie en wreef terug naar zijn roze neus. Hij dribbelde over de bank, in mijn nek en nam met zijn klauwtjes dankbaar de voertjes aan, die ik hem gaf.
Keer op keer verbaasde ik me over de hoeveelheid voer die hij in zijn wangzakken kon proppen. Op het moment dat ik dacht dat er echt niks meer bij kon, pakte hij toch weer een zonnepit en duwde die naar binnen, zo nodig met hulp van zijn pootjes die hij als een soort vijzel gebruikte om de inhoud van de wangzakken aan te duwen. Uiteindelijk leek het erop alsof zijn snuitje tussen twee opgeblazen airbags geperst was.

Maar ondanks onze goede zorgen, verkoos de hamster zijn vrijheid. Waarschijnlijk hadden we de kooi niet goed afgesloten en kon hij de spatten nemen. Nergens te bekennen. We zochten alles af maar helaas zonder resultaat. De lege kooi stond met open deurtje op een makkelijk bereikbare plek te wachten op zijn bewoner.
We begonnen met het klaarzetten van een schoteltje water en een bakje voer, elke avond voordat we gingen slapen. Als hij nog in huis was, zou hij daar misschien op af komen. En ja, dat was het geval. ’s Ochtends was het voer op. Ook de kleine stukjes kaas die we er als extraatje bij legden.
Volgens mij kwam het in niemands hoofd op dat er misschien weleens een muis in huis zou kunnen zijn, die dankbaar gebruik maakte van dit restaurantje.
Lange tijd hebben we het volgehouden en elke ochtend was het voer weg, totdat dat op een gegeven moment ophield. Onaangebroken lag het voer ’s ochtends nog in het bakje.
 
Zoals gebruikelijk werd de schoorsteen eens per jaar geveegd. De kolenkachel werd naar voren getrokken zodat de schoorsteenveger overal bij zou kunnen. Wat schetst mijn verbazing toen hij mij het restant van een leeggeplukte kleine knuffelbeer overhandigde die waarschijnlijk ooit achter de kachel gevallen was. In de hoek van de schoorsteenmantel die pas zichtbaar was als de kachel er niet stond, lag de inhoud van de beer. Dus daar had onze hamster destijds zijn nieuwe verblijf gemaakt. De hamster zelf was niet te vinden maar het verdriet om zijn verdwijning was al lang verdwenen en het vinden van zijn verblijf bood ons een verlate troost. 

©Vera Oor, 2026

Gedwongen capriolen

 

Ik lig stil en laat de rust van de avond op me inwerken. De frisse lucht die na deze warme dag binnenstroomt, is een verademing na al die plakkerige nachten van de afgelopen week.

Voor mijn gevoel bestaat mijn binnenste uit allemaal losse onderdelen, die samen een groter geheel vormen. Het zal niet lang duren, want zodra de nacht invalt, is het gedaan met de rust en word ik gedwongen weer allerhande capriolen uit te halen.

 12.15 uur. De nachtelijke geluiden dringen binnen. In de verte klinkt de holle roep van een uil, het geruis van bladeren in de boom voor het raam is rustgevend. Maar ik weet dat het een rust is als stilte voor de storm.

De kamerdeur gaat open en even later veer ik iets overeind omdat er iemand in bed gaat liggen. Een diepe zucht en een gedeelte van mij wordt bedolven onder haren en de warmte van een gezicht. Blijft het vanavond hierbij of wordt het een herhaling van eerdere nachten? Met een stevige por word ik omhooggeduwd en niet veel later weer teruggeduwd. Wordt er nu werkelijk van me verwacht dat ik zo soepel ben als een balletdanseres die zich op kan vouwen, in een spagaat gaat en weer omhoog komt? 

Het gaat gebeuren. Ik word omgedraaid en alles herhaalt zich. De ene keer bolt mijn linkerkant op, dan weer mijn rechterkant. Wanneer houdt het op? Het zuchten boven me wordt zwaarder. Ik voel de hartslag die sneller wordt en ik voel de uiteinden van wimpers kriebelen als een pesterige vlieg. Ogen die zich sluiten en weer openen.

Ik kijk opzij. De wekker geeft onbarmhartig de tijd weer: 01.30 uur. Duurt dit nu al ruim een uur? Pff, de kamerdeur gaat weer open en ik lig weer alleen. Tijd om bij te komen.

Het is soms een zwaar leven voor een hoofdkussen als ik. 


©Vera Oor, 2026


Het is soms een zwaar leven voor een hoofdkussen als ik.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer in. 
Dit is hét moment van de dag om buiten te zijn. 
De honden zijn dezelfde mening toegedaan en lopen voor me uit naar buiten voor hun ochtendplasjes. Hun routine laat zich niet doorbreken en ze wachten bij hun bakjes op de brokken.
Alsof ze nooit te eten krijgen, kijken zes bruine ogen me bedelend aan.
Intussen gooi ik alle ramen die open kunnen open en maak beschuit met zomerkoninkjes klaar. 
Hier zit ik nu prinsesheerlijk voor het huis. De honden liggen loom aan mijn voeten en spitsen zo nu en dan hun oren, net als ik. 

Vanuit een hoge positie roekoekoet een houtduif; een winterkoninkje fluit alsof het zijn laatste dag is; in het gras dat nog nat is van het besproeien gisteravond hippen een lijster en een mannetjesmerel rond, op zoek naar wormen; onder de beschutting van een dichte struik komt een roodborstje tevoorschijn en neemt ook een voetenbad in het gras.
Een tweede merel landt op het groene dek en doet aan rek- en strekoefeningen voor zijn nek. Met korte rukjes trekt hij de worm uit de grond en peuzelt die op. 
Op de achtergrond laat de haan met luide kukelekuus horen dat ook hij wakker is. 
Twee meeuwen vliegen over en zijn waarschijnlijk onderweg naar de zaterdagmarkt in de hoop een visje te kunnen bemachtigen. 
Dat is nou jammer, dat er een irritante vlieg bij me zit en kriebelend over mijn arm loopt. 
Ik sla hem weg en op hetzelfde moment valt mijn oog op de waterschotel voor vogels die in de border staat. Waterdruppeltjes spetteren flonkerend omhoog. Dat is zo mooi om te zien, die 
fladderende vleugels van vogels die een bad nemen. Vogels? Ik zie geen enkele vogel, maar wel opspattend water. Kleine rode bloemblaadjes liggen naast de schotel, op een rijtje alsof ze daar 
neergelegd zijn. Van welke struik komen die blaadjes? Er staat er geen met rode bloemetjes in de buurt. Ik wil er het mijne van weten en sluip op blote voeten door het natte gras ernaartoe.
Ineens houd ik stil. Naast het gespetter hoor ik zacht gezang, alsof het een achtergrondkoortje is voor de zang van de winterkoning en in het water zie ik meerdere geelroze bolletjes liggen, elk met een witte pluis eraan vast. 

Dan valt mijn mond open van verbazing, de geelroze bolletjes drijven naar elkaar en vanuit de schaal klinkt in koor: ‘Niet kijken, wij zijn nog niet aangekleed.’
Hè? Ben ik toch te vroeg uit bed gestapt en ben ik weer in slaap gevallen? Maar niets is minder waar. 
Ik bekijk de rode bloemblaadjes nog eens en zie dan wat het echt zijn: zes kaboutermutsen op een rijtje.
Ach natuurlijk. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, trek ik voor mezelf de conclusie dat zij niet gewend zijn dat ik zo vroeg op ben als ze hun ochtendbad nemen. Geef ze eens ongelijk. Ik merk 
dat ze zich bijzonder ongemakkelijk voelen onder mijn blikken en draai me van hen weg. Als ik iets voel aan mijn enkel, kijk ik naar beneden en zie daar een ventje staan met een blad van de 
vrouwenmantelplant beschermend om zich heen geslagen en een rode muts op zijn hoofd. Zijn drijfnatte witte baard drupt nog na. 

‘Je hebt ons gezien, dat was niet de bedoeling. Wij willen ongezien ons tuinwerk blijven doen, maar we moeten uiteraard wel alle stof, pluisjes en zaadjes van ons afwassen.’
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat ik in gesprek ben met een kabouter vraag ik: ‘Wat waren die bolletjes in het water? Als de kale kruinen van paters?’
Een hoogrode blos verschijnt op de wangen van de kleine man. ‘Het zijn inderdaad kale kruinen. Van ons! Die zijn nooit zichtbaar omdat ze bedekt zitten onder de muts. Maar vertel het alsjeblieft niet 
verder.’
In de tijd dat ik met hem in gesprek was, hebben de anderen zich blijkbaar razendsnel aangekleed en zijn verdwenen. Ik krijg geen kans nog een volgende vraag te stellen, want met een rotgang komt een 
van de honden op me afstormen en neemt ook de laatste kabouter de spatten.
Een sirene verder weg verstoort dit ochtendmoment en zelfs de krantenman is blijkbaar vroeg opgestaan en komt over het grind aanscheuren. Hij ziet me en steekt even zijn hand op. 
Met een tweede kop thee nestel ik me opnieuw in de tuinstoel en zie de zon tevoorschijn komen tussen de boomkruinen. De dag wordt wakker en de nacht is gaan slapen.

 ©Vera Oor, 2026

Dit nummer is niet in gebruik

 


Het adresboek lag naast de bekende grijze telefoon met kringelsnoer. Alle namen, adressen en telefoonnummers op alfabet. Af en toe moest ik het bijwerken, meestal omdat iemand verhuisde en een nieuw adres kreeg. Bij verhuizing naar een andere stad betekende dat automatisch ook een ander netnummer en daarmee een ander telefoonnummer. Dan zette ik resoluut een streep door de oude gegevens en veranderde die. Nu staan al mijn contacten digitaal.
Ook daar moet ik af en toe iets aanpassen, maar de meeste mobiele nummers blijven gelukkig hetzelfde.
Toch moet ik steeds vaker bijwerken vanwege een ándere reden: een definitieve laatste verhuizing. Hoe ouder ik word, hoe meer mensen om me heen wegvallen en lijnen worden verbroken.
Ik bel een nummer dat in mijn geheugen staat gegrift.  
“Het nummer dat u gebeld heeft is niet in gebruik”, zegt de onpersoonlijke stem.
Achter deze woorden schuilt een hele wereld.
Natuurlijk kan iemand het telefooncontract hebben opgezegd, maar vaak betekent het iets anders: dat het contract is beëindigd na een overlijden.
“Ja, logisch, dat een nummer dan wordt opgeheven”, zul je misschien zeggen.
“Hartstikke logisch”, antwoord ik dan. Maar toch.
Ik zocht op hoe lang het duurt voordat een telefoonnummer opnieuw wordt uitgegeven.
Dan kom ik termen tegen die in relatie tot overlijden kil en bijna cynisch klinken: “wettelijke afkoelingstermijn”, “van zeer kort tot eeuwig”, en zelfs “als de verouderingstijd voorbij is”.
Toch laat ik sommige namen in mijn Contacten staan. Ik weet dat er nooit meer een oproep van dat nummer zal komen of ik het nummer zelf zal bellen, maar het voelt alsof ik een verbinding vasthoud.
Inmiddels weet ik dat ik niet de enige ben die dat doet.
Wat zou ik graag op ‘Wijzig’ drukken en gewoon een extra telefoonnummer toevoegen.
Heeft iemand voor mij het telefoonnummer van de hemel?

 ©Vera Oor, 2026

Dag 1 Oostenrijk, 24 september

Het is 01.45 als ik bij een wildvreemde man in de auto stap om anderhalf uur later langs de autoweg in Duitsland gedropt te worden. De taxic...