Geruisloos koeltransport

De tweeling is weg! Het hele terrein wordt afgezocht door de eigenaar, Frits, en zijn vrouw Aaltje. Al het personeel is opgetrommeld om mee te zoeken. Nergens.
‘Je raakt toch geen kinderwagen met twee baby’s kwijt,’ verwijt de kippenhouder zijn vrouw, waarvan de ogen nauwelijks zichtbaar zijn achter een tranengordijn.
‘De wagen stond zoals altijd onder de overkapping terwijl ik voor jullie koffie ging zetten in de kantine.’
‘Die wagen kan toch niet vliegen.’
‘Nee, maar hij is wel weg,’ en Aaltje rent alweer rond over het terrein ondertussen de namen van de twee roepend.
‘Dat zal nogal helpen, ze kunnen niet eens praten en hun naam kennen ze ook niet,’ bromt manlief die niet minder in paniek is, maar probeert dit niet te laten blijken.
 
Inmiddels is de politie ingeschakeld. Twee agenten nemen de voorafgaande uren door met Frits en Aaltje. Zoals elke dag, haalden Frits en zijn medewerkers ‘s  ochtends als eerste de eieren uit de loods waar de kippen lopen. Die eieren werden in grote kratten klaargezet om op transport te gaan naar de fabriek waar ze op grootte gesorteerd worden en de verkoop in gaan.
Nadat de vrachtwagen geladen was, kwam de chauffeur zijn lijst af laten tekenen en vertrok, op weg naar het volgende adres.
‘En toen ik de kinderwagen mee wilde nemen, was hij weg,’ zegt Aaltje.
‘Hoe lang bent u bij de kantine bezig geweest,’ wil een van de agenten weten.
‘Hooguit een kwartier,’ brengt ze stamelend uit.
 
‘Die vrachtwagenchauffeur, mag ik zijn telefoonnummer. Ik wil vragen of hij iets verdachts gezien heeft.’
De agent verdwijnt met zijn telefoon buiten gehoorsafstand en neemt contact op met de chauffeur. Hij doet uit de doeken waarom hij belt en vraagt of de chauffeur iets vreemds gezien heeft.
‘Nee, toen ik aankwam, stond de kinderwagen bij de ingang, zoals wel vaker. Mijn vrachtwagen kan daar makkelijk naast staan.  Nu dat u het zegt: toen ik vertrok stond de kinderwagen er niet meer. Maar ja, dat lijkt me logisch, die zal Aaltje meegenomen hebben. Ik heb er eerlijk gezegd geen aandacht aan geschonken.’
‘Waar bent u nu?’
‘Ik ben ongeveer 10 kilometer verder op weg naar de volgende locatie om eieren op te halen. Inmiddels ben ik wel gestopt omdat bestuurders in auto’s naast mij naar mijn vrachtwagen wezen en gebaren maakten. Geen idee wat ze bedoelen, maar ik ga maar even checken of er iets aan de hand is. Misschien heeft een van de wielen een zachte band. Overigens had ik dat dan wel gemerkt.’
‘Mijn collega komt even naar u toe om uw verklaring op te nemen.’
 
Wanneer de agent arriveert bij de vrachtwagen die op de parkeerplaats staat, ziet hij dat de chauffeur in gesprek is met enkele anderen en hij loopt ernaar toe.
‘….maar ik hoorde echt geluid uit uw vrachtwagen komen, toen we bij het verkeerslicht stonden,’  zegt een man.
De agent bekijkt de vrachtwagen en registreert een opmerkelijke tekst: Geruisloos koeltransport en iets verderop een enorme foto van een babyhoofd dat op een kussen ligt te slapen.
‘Wat heeft geruisloos transport met vervoer van eieren te maken?’vraagt hij aan de chauffeur.
De chauffeur legt uit dat eieren vervoeren slechts een van de vrachten is die hij vervoert en koelen is natuurlijk belangrijk. Het geruisloze is bij deze vracht niet aan de orde, maar kan bijvoorbeeld van belang zijn bij het transport van trillingsgevoelige apparatuur.
‘Heeft u de baby’s al gevonden?’
‘Nee. Wilt u mij vertellen wat u deed toen u de kantine uit liep?’
‘Ik ging naar de vrachtwagen, controleerde de sloten en de kooiaap. Dat hoort bij de standaardhandelingen voordat we mogen vertrekken.’
‘Een kooiaap?’
‘Ik kan als chauffeur alléén laden, zonder hulp van anderen. Dit dankzij de kooiaap die achter aan de wagen hangt, een kleine wendbare heftruck.’
‘Nooit van gehoord,’ antwoordt de agent. ‘Toen ik zojuist bij uw wagen stopte, maakten omstanders u duidelijk dat ze geluid uit de vrachtwagen hoorden. Wat bedoelen ze daarmee?’
‘Ik hoor zelf niks,’ zegt de chauffeur, ‘maar voor de zekerheid kan ik even in het laadruim kijken.’
De chauffeur opent de deur en met een enorm kabaal stuitert er…een aap naar buiten.  Op hetzelfde moment horen ze gehuil van een baby. De agent grijpt zijn zaklamp erbij en schijnt in de vrachtwagen. Daar staat de  kinderwagen!
‘Dat is de wagen van Aaltje,’ roept de chauffeur uit en springt naar binnen, terwijl de tweede agent de aap nog net op tijd kan pakken en hem gelijk in de handboeien slaat. Dat maakt het voor het dier in ieder geval moeilijker om weg te komen.
‘Maak me los, idioot!’
Dit wordt geroepen door de aap en nu kijkt iedereen in, bij en buiten de vrachtwagen in stomme verbazing naar de aap. De baby’s zijn even vergeten.
‘Denken jullie nou werkelijk dat een kooiaap zijn werk kan doen, zonder dat daar echte apenwijsheid en -handigheid aan te pas komt? Natuurlijk niet, het is een machine.’
De agenten en de chauffeur zien er niet bepaald intelligent uit als ze  naar de aap staan luisteren en zich afvragen of ze gek geworden zijn.
‘En die baby’s dan?’
‘Ik wilde ook wel eens gezelschap daar achter in die wagen en die kinderwagen stond er grijpklaar bij toen jij daarboven in de kantine was,’ grauwt de aap de chauffeur toe.
 
Nadat iedereen van de verbazing bekomen is, gaat de tocht terug naar de kippenfarm waar Aaltje en Frits handenwringend en wanhopig wachten op het antwoord van de agent die uitstapt. De achterklep gaat open en daar komt agent nummer 2 naar buiten met de kinderwagen, die hem uit handen wordt getrokken door een Aaltje die volkomen door het dolle heen is en haar kinderen in de armen sluit. Frits hoort intussen de rest van het verhaal aan en kijkt naar de drie mannen, de vraagtekens in zijn ogen zijn bijna zichtbaar.
‘Een aap? Ik zie helemaal geen aap.’
‘Waar is dat kreng gebleven, ik had hem met de boeien vastgemaakt aan een van de stangen binnenin.’
Geen aap te zien. Frits kijkt nog steeds ongelovig en de drie kijken elkaar weer stomverbaasd aan. Ze besluiten uiteindelijk het er op dit moment even bij te laten, de waarheid gelooft toch niemand. De vrachtwagen gaat stevig op slot. Ze zullen straks nog wel een keer de vrachtwagen uitkammen. De chauffeur start de vrachtwagen, de agenten stappen in en rijden achter hem aan, Frits en Aaltje gaan naar binnen.
Hoog in de bomen klinkt geklap en een kreet als in een oerwoud.

©Vera Oor, 2024

Jimmie bij de Wallaby's


Hondje Jimmie woont dichtbij de dierentuin en heeft een manier ontdekkt om thuis te ontsnappen als het vrouwtje werken is. Hij gaat door het kattenluik naar buiten en bezoekt de dieren in de dierentuin. Het hoofdstuk de Wallaby's is een van de hoofdstukken uit mijn boek "Jimmie gaat naar de dierentuin, ga je mee?" 
Dit verhaal heb ik voorgelezen bij vier kleuterklassen in het kader van de kinderboekenweek (ter plekke wel enigszins ingekort omdat het verhaal eigenlijk bedoeld is voor 7-9 jarigen). 
Naast de grappige illustraties in het boek, mocht ik met toestemming van fotografe Johanna Kok de foto van wallaby met jong, gebruiken op scherm, wat de kinderen zeer interessant vonden.  

Jimmie heeft even getwijfeld of hij vandaag wel op pad wilde gaan.
Hij vindt het buiten maar koud.
Uiteindelijk heeft hij zijn das gepakt en om zijn nek gedraaid.
Hij heeft ook een muts, waar gaatjes in gemaakt zijn, zodat zijn oren naar buiten kunnen steken.
Nee, besluit hij, die muts zet ik niet op, die kriebelt.
 
Boe, de wind fluit om zijn snoet wanneer hij zijn kop door het kattenluik naar buiten steekt.
Een, twee, drie! Hup, lopen!
Jimmie loopt hard om warm te blijven en is al snel in de dierentuin.
De moeraswallaby’s gaat hij zoeken.
Ze komen uit Australië, dat bijna aan het andere eind van de wereld ligt.
Ze heten moeraswallaby omdat ze net zo stinken als een moeras.
De wallaby’s wonen in bossen en ook wel in moerasgebieden of in grasgebieden met veel struiken.
Ze eten er gras, boomschors en bladeren.
Daar gaat Jimmie vandaag eens kijken.
Nee, natuurlijk niet in Australië, maar bij de wallaby’s in de dierentuin!
Hij heeft gehoord dat wallaby’s eigenlijk kangoeroes zijn, maar dan iets kleiner.
Na wat rondgelopen te hebben, heeft Jimmie ze gevonden.
Dat ziet er mooi uit, de wallaby’s hebben alle ruimte om te lopen en zelfs een eigen plas met wat water.
Jimmie gaat voor het hek staan en bekijkt alles eens goed.
 
Wat een prachtige vacht hebben ze, bijna net zo mooi als die van Jimmie.
Mooier kan natuurlijk niet, want Jimmie vindt zelf dat hij de mooiste vacht heeft van alle dieren.
De vacht van de wallaby’s is donkerbruin en lichtbruin, maar er zit ook grijs bij.
Hun grote, puntige oren staan recht overeind.
Jimmie denkt dat ze wel een dikkere vacht hebben dan hij, ze lijken het niet koud te hebben.
Dat is wel anders met Jimmie: hij heeft het koud! Hij bibbert zelfs van de kou.
Had hij nu toch maar die muts meegenomen, die hij over zijn koppie had kunnen trekken.
Hij kijkt eens naar de kop van de wallaby’s.
 
Eigenlijk hebben ze maar een kleine kop, hun lijf is heel veel groter.
Dat is natuurlijk altijd zo, dat een kop kleiner is, dan het lijf, maar de wallaby heeft wel een erg kleine kop in verhouding tot zijn lijf.
En die staart, moet je die eens zien! Heel stevig en gespierd.
De staart is net zo lang als het lijf, ongeveer vijfenzeventig centimeter.
Die is bijna even lang als Jimmie van de kop tot het puntje van zijn staart.
Wallaby’s hebben kleine voorpoten die voor hun buik hangen als ze zitten.
De achterpoten zijn veel en veel groter.
Hun voeten zijn trouwens ook behoorlijk groot.
Welke schoenmaat zouden ze hebben?
Kijk maar eens goed hoe ze lopen.
Wanneer ze langzaam lopen, zetten ze de voorpootjes op de grond.
Ze steunen op hun staart en huppen vooruit met hun achterpoten.
Als een wallaby hardloopt, houdt hij de voorpootjes weer voor zijn buik en maakt hij heel grote sprongen.
Daarvoor gebruikt hij zijn grote achterpoten, waarmee hij zich afzet.
 
Jimmie krijgt het steeds kouder, hij begint zelfs te klappertanden.
Hij blaast een paar keer in zijn pootjes, zodat die ook wat warmer worden.
Een beetje jaloers kijkt hij naar een kleine wallaby, waarvan hij het kopje uit de buidel van de moederwallaby ziet komen.
Aan de onderkant van de buik hebben de vrouwtjes een opening waar babywallaby’s in kunnen zitten.
Dat is de buidel. Wallaby’s zijn, net als kangoeroes, buideldieren.
O, die buidel is vast even warm als mijn mandje, denkt Jimmie en hij trilt weer van de kou.
Een van de andere wallaby’s ziet Jimmie beven en roept iets naar hem: ‘Hondje, heb je het koud?
‘Jjjaa-aa,’ antwoordt Jimmie met een bibberende stem.
Ze zwaait met haar kleine voorpoot en roept naar hem: ‘Kom maar even opwarmen bij mij in de buidel, hoor.’
Jimmie kijkt haar verbaasd aan en vraagt of ze hem bedoelt.
‘Ja hoor, kom maar.’
Nou dat laat hij zich geen twee keer zeggen.
Hij klimt over het hek en loopt voorzichtig naar de wallaby toe.
Hij geeft haar beleefd een pootje en zegt dat hij Jimmie heet.
De wallaby buigt iets voorover.
Jimmie kan de opening van de buidel zien en de wallaby geeft hem een zetje, zodat hij de buidel inschuift.
Oh, wat is het hier lekker warm, denkt Jimmie en al snel rilt hij niet meer van de kou.
Het is binnenin wel erg donker en hij kan niks zien.
Uit zijn rugzak haalt hij zijn zaklamp.
Zo kan hij mooi eens kijken in die buidel en hij schijnt in het rond.
Hij ziet vier tepels zitten.
De jonge wallaby kan daar drinken.
Meestal is er één baby, maar heel af en toe is er een tweeling wallaby.
Dan kunnen ze kiezen uit welke tepel ze willen drinken.
Een mens heeft twee tepels.
Een hond heeft wel tien tepels, maar een hond krijgt meestal ook veel puppy’s.
Al die kleine hondjes moeten de tepels met elkaar delen.
 
Jimmie duwt de buidel een beetje open.
Hij steekt zijn kopje naar buiten en kijkt omhoog, naar de kop van de wallaby.
‘Mag ik u iets vragen?’ roept hij naar boven. ‘Hoe komt de baby in de buidel?’
De wallaby buigt haar kop naar Jimmie toe en vertelt: ‘Als mijn baby geboren wordt, heeft die nog geen vacht en hij is ook blind. Na de geboorte kruipt hij door mijn vacht naar de buidel. Daar blijft hij dan acht of negen maanden zitten. Lekker warm en veilig.’
Jimmie kruipt nog even terug de buidel in en als hij helemaal opgewarmd is, gooit hij zijn rugzakje naar buiten.
Daarna klimt hij zelf uit de buidel en springt op de grond.
Hij bedankt de wallaby dat hij de warme plek heeft mogen gebruiken.

‘Graag gedaan, hoor,’ zegt de wallaby. ‘Als je het weer eens koud hebt, dan vraag maar gerust of een van ons nog een plekje vrij heeft in de buidel, zodat je weer op kunt warmen.’

Jimmie bindt zijn rugzakje om en kijkt nog een laatste keer rond. Het enige wat hij nu niet weet, is wat wallaby’s eten en hij vraagt het nog even.

‘We worden hier goed verzorgd,’ antwoordt de wallaby. We krijgen één keer per dag eten van de verzorgers: speciale takken, hooi en kangoeroebrokken.

Ach ja, eigenlijk net zoals Jimmie, die krijgt ook brokjes in zijn bak. Alleen al door het denken aan zijn brokjes, krijgt Jimmie honger.

Hij kwispelt nog een keer naar de wallaby en loopt vlug naar huis.


 





Dit bedoelde hij niet

Berend sluit zich aan bij een groep tuinliefhebbers die een wandeling maken onder leiding van een plaatselijke gids. Het idyllische dorp met gepleisterde huizen staat bekend om zijn voortuinen die de zintuigen prikkelen. Bloeiende, geurende, en eetbare planten en bloemen lijken vrij spel te hebben, maar niets is minder waar. De dorpsbewoners zijn vrijwel dagelijks in hun tuin te vinden om uitgebloeide bloemen uit te knippen, om zo nu en dan een pluk onkruid weg te trekken of om bloemzaadjes te verzamelen. Berend valt volledig uit de toon in deze groep met zijn broek strak in de vouw, zijn colbert, zijn stropdas en zijn glimmend gepoetste schoenen die vast niet in de opruiming zijn gekocht. De overige deelnemers lopen er zomers bij, zo nu en dan met een strohoedje en over het algemeen schoenen die al aardig wat modder hebben gezien. Hij voelt de taxerende blikken en hoort het gesmiespel over zijn uiterlijk, maar al snel heeft iedereen alleen nog maar belangstelling voor de tuinen.

Waar liggen ze nou, vraagt Berend zich af. Hij heeft maar één doel, samen in het groen liggen. Zijn collega’s kennen zijn voorkeur voor vrouwelijk schoon en hebben hem deze excursie geadviseerd.
‘Je komt volledig aan je trekken Berend, een veelheid aan vrouwen.’

'Hier ziet u de verschillende stadia van de plant: de zaaddoos, die bij openbarsten veel kleine zwarte zaadjes laat vallen, maar het mooist is natuurlijk de bloeitijd,’ legt de gids uit bij een rij van bloemetjes. ‘Het lijken danseressen, met hun wijduitstaande tere bloemblaadjes in hemelsblauw, wit of roze-rood, als een tutu.'
Berend kijkt ongeïnteresseerd naar de bloemen, maar kan er niks in ontdekken. Een dunne, groene tak, zo’n 40 centimeter hoog, met vederachtige groene blaadjes die rondom uitsteken onder de bloem.
‘U ziet het niet hè?’ De gids heeft wel in de gaten dat Berends ogen meer gericht zijn op een jongedame die in haar tuin tussen het gras en de korenbloemen ligt te slapen.‘Kijk, de meeldraden buigen zich in de richting van de tutu, maar de stampers in het midden staan fier overeind als een lijfje dat zich opricht met de armen omhoog.’

‘Waar kan ik meer van die dames zoals zij daar ligt, vinden?’ informeert Berend, die de uitleg over bloemen wel helemaal zat is. ‘Mijn collega’s hadden het over Juffertjes-in-het-groen in de tuinen.’
Een aantal deelnemers in de groep heeft zijn laatste woorden gehoord en verbijten hun schaterlach, totdat een het echt niet meer kan houden en het uitproest. Ze wrijft de lachtranen uit haar ogen en nog nahikkend richt ze zich tot Berend: ‘U staat er middenin mijnheer, kijk goed om u heen.’
‘Ik zie alleen die vrouw daar.’
‘In de tussentijd heb je al een paar juffertjes vertrapt onder je gladde schoenzolen. Je staat tussen de Juffertjes-in-het-groen.’
De kleur van Berends gezicht verandert in dat van een rode pioenroos en hij maakt zich uit de voeten, daarbij nog enkele juffertjes vertrappend. Hij moet opletten dat hij tijdens het lopen niet uitglijdt over de smeerwortel
.

© Vera Oor, 2024


Geborgenheid

 
‘Oh, kijk. Wat zit er achter die deurtjes?’
Kim trekt de deurtjes open en kijkt naar binnen. Geen schappen in de kast, alleen een kleine, donkere ruimte waar een deken in ligt. Aan het plafond van de kast hangt een stuk touw met een flos eraan. Dat is eigenlijk alles.
‘Kijk nog eens goed,’ zegt haar moeder, ‘wat zie je nog meer?’
‘Een kussen of zoiets. Speelden kinderen hier vroeger vadertje en moedertje?’
Haar moeder legt uit dat dit een bedstee is en dat mensen heel vroeger daarin sliepen.
Voordat moeder het in de gaten heeft, is Kim al in de bedstee geklommen.
‘Slapen? Is in dit huis geen slaapkamer dan? Met bedden? Doe de deurtjes eens dicht.’
Haar moeder duwt langzaam de deurtjes van de bedstee dicht.
Het is inderdaad pikdonker binnen in de bedstee, een piepklein streepje licht komt door een spleet in het houten deurtje naar binnen zonder dat dit de donkerte verjaagt.
Kim vindt het maar niks, dit is veel te donker en het stinkt er ook naar zweetvoeten.
Snel geeft ze een duw tegen een van de deuren.
‘Ik vind het eng daar. Daar zou ik niet willen slapen. Het is veel te klein om te slapen, ik pas er net in. Grote mensen passen hier toch niet in? Of waren grote mensen vroeger heel klein?’
Kim kijkt nog eens naar binnen en haar moeder vertelt hoe dat heel vroeger ging, nog voordat oma geboren werd, dus echt heel lang geleden.
 
‘De huizen waar mensen in woonden, waren klein en er stond één kachel in de kamer, die alles moest verwarmen. Om ook  ’s nachts enigszins warm te blijven, sliepen ze in de geborgenheid van een bedstee, waar de warmte van de kachel in kon komen. In de bedstee tochtte het ook niet.’
‘Rolden ze zich dan op als een poes of zo om toch te kunnen slapen in die kleine ruimte?’ probeert Kim zich de slaaphouding voor te stellen.
‘Nee, de bewoners sliepen half zittend.’
‘Waarom?’
Kim vindt het maar moeilijk voor te stellen allemaal en kijkt nog eens naar de afmetingen terwijl haar moeder verdere uitleg geeft.
‘Vroeger waren ze van mening dat het niet goed was om languit te liggen. Dan stroomde al het bloed naar het hoofd en zouden ze doodgaan. Daarom ligt er aan het hoofdeind een heel dik kussen waar ze tegenaan konden leunen.’
‘En als er dan een baby kwam? Stond er dan ook een wiegje bij in de bedstee? Dat past toch niet?’
‘Een baby sliep vaak in een houten bak, een kribbe noemden ze dat, aan de muur bij het voeteneinde. Het kindje lag ook wel in de la onder de bedstee.’ legt Kim’s moeder verder uit en laat de la onder de bedstee zien. Daar komt de uitdrukking ‘ondergeschoven kindje’ vandaan.
Kim vindt het steeds moeilijker worden om zich een voorstelling te maken. Een baby in een la stoppen?
‘En waar is dat touw hierbinnen voor.’
Op een briefje aan de buitenkant van de bedstee heeft het museum een uitleg geschreven over de bedstee en er staat ook iets in over het touw. Dat heette geen touw, maar troetel.
Een troetel hing aan het plafond en dat maakte het mogelijk om je omhoog te trekken wanneer je nog meer rechtop wilde gaan zitten.
‘O, dit is leuk om te weten,’ maakt moeder Kim nieuwsgierig.
‘Wat?’
‘Als de baby in de kribbe onrustig was, gooiden ze de onderkant van die troetel, met de flos eraan, in de kribbe en kon die daar op sabbelen om rustig te worden. Daar komt de naam troetelkindje vandaan.’

©Vera Oor, 2024

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...