Notenkraker

 

De bel? Is Tuti er nu al? Ze heeft met haar vriendin afgesproken naar de schouwburg te gaan, maar het duurt nog uren voordat het zover is.  

Vol verbazing kijkt ze naar het gekleurde blok hout dat voor haar deur ligt. Ze pakt het op en bekijkt het eens goed. Dan ziet ze onmiddellijk wat het voor moet stellen: een notenkraker.


‘Nou, die heeft zijn beste tijd gehad,’ zegt Clara hardop en raapt hem op.  

De armetierige notenkraker zet ze op het bankje in de hal, misschien is het een grapje van Tuti, waarmee ze naar het ballet “de Notenkraker” gaat. Met een kop koffie nestelt Clara zich nog even lekker op de bank. Niet veel later hoort ze een dof geluid. Ze loopt naar de gang, waar het vandaan lijkt te komen en ze ziet de notenkraker op de grond liggen, met een omgeknikt hoofd.

 

‘Au, au.’

De notenkraker praat? Clara begint bijna aan haar verstandelijke vermogens te twijfelen, maar knielt naast hem neer en duwt zijn hoofd weer omhoog. Jakkes, hij is helemaal nat. De reden is al snel duidelijk: een aanhoudende stroom tranen loopt uit zijn geschilderde ogen naar beneden.

‘Ik wou dat ik wist wat hier nu aan de hand is,’ praat Clara in zichzelf.

‘U bent toch Clara?’ De notenkraker praat!

‘Ja,’ maar verwar me niet met de Clara uit het ballet. Ik zou willen dat het zo was, dat ik zo kon dansen.’

‘Iedereen die Clara heet, moet een goed mens zijn. Ik heb hulp nodig,’ kan ze uit zijn woorden opmaken.

De notenkraker vervolgt zijn verhaal, terwijl hij naast haar op de bank wordt gezet.

‘Ik ben afgedankt. Generaties lang kende men mij alleen uit het ballet en uit het muziekstuk. Nu staan alle winkels vol met de meeste idiote versies van een notenkraker, tot beertjes aan toe.’

Clara weet de oorspronkelijke betekenis van notenkraker. Het is een geluksbrenger die met zijn scherpe tanden, waar hij ook de noot mee kraakt, kwade geesten op afstand moet houden. Een notenkraker is altijd gekleed in een militaire uitrusting. Ja, ze snapt wel wat deze notenkraker bedoelt: ze is zelf ook gezwicht voor de verleiding om een notenkraker in de vorm van een kerstbal te kopen.

 

‘Ik begrijp wat je bedoelt, lieve notenkraker, de wereld is zo nu en dan op hol geslagen, maar troost je: in het ballet is er nog altijd een notenkraker die er uit ziet zoals jij.’

Voordat Clara er zelf erg in heeft, heeft ze ook de volgende zin gezegd: ‘Nou ja, in betere dagen dan. Je ziet er nu nogal, hoe zal ik het zeggen, verlept uit.’

De notenkraker laat zijn hoofd weer hangen.

‘Hoho, maar daar ga ik wat aan doen. Wacht, ik pak mijn schilderspullen erbij,’ zegt Clara terwijl ze hem op tafel zet.

Met uiterste precisie brengt Clara de vervaagde kleuren op het stuk hout weer tot leven en lijmt de verbinding tussen hoofd en lijfje vast.

‘Zo, nu nog even drogen en dan mag je vanavond mee naar het ballet. Ik stop je in mijn tas en als de zaal verduisterd is, haal ik je eruit. Je zult zien, dat de regisseur nog steeds de oorspronkelijke versie van de notenkraker laat zien in het ballet. Niet voor niks, is dit een ballet dat al jaren en jaren rond Kerstmis wordt uitgevoerd. Een beertje als notenkraker zou als een vlag op een modderschuit staan.’

Clara pakt haar föhn en zorgt dat de laatste restjes verf en lijm op tijd opgedroogd zijn, zodat ze haar belofte waar kan maken en hem vanavond mee kan nemen.

Daar hang ik

Mijn hoogtevrees speelt op en zweetdruppels parelen langs mijn gezicht. Hoe heb ik in godsnaam zo dom kunnen zijn om te denken dat ik hiermee mijn naam kon vestigen?
 
De eerste opdracht was geweldig en was me op het lijf geschreven: als living statue in een setting die de Japanse brug van Monet moest voorstellen. De achtergrond in de terrastuin van het kasteel was net zo sfeervol en kleurrijk als op het schilderij. De geelgroene treurwilgen contrasteerden met de uiteenlopende kleuren groen van overige begroeiing. De donkergekleurde, blauwgroene overgangen tussen de bomen leken op een ingang naar een achterliggend bos. Gefilterde zon legde een romantisch waas over deze achtergrond en weerkaatste in het water van de vijver. Drijvende leliebladeren ondersteunden de vele tinten wit en roze van de waterlelies. Ik stond op de boogbrug boven deze vijver.
Slechts gestoord door een enkele bezoeker die probeerde mij af te leiden van mijn opdracht: “Blijven staan als een vrouw, die gevangen lijkt in haar overpeinzingen, haar hand lichtjes rustend op de leuning van de brug.”
Het nauw aansluitende lijf van mijn jurk waaierde uit in een overvloed aan stof van de enkellange rok. Het satijn streelde mijn benen. Onder de schaduw van de parasol bleef mijn gezicht mysterieus verscholen.
 
De regisseur was enthousiast en, zoals Ricky me beloofd had, mocht ik de volgende opdracht uitvoeren om mijn geschiktheid voor het reclamebureau te bewijzen.
Maar nu kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan. Zelfs dát zal niet lukken, want mijn handen zijn vastgebonden aan de stoel en ik bungel aan een touw.
Was ik maar niet zo overtuigd geweest van mijn gedachte, dat Ricky kost wat kost míj wilde hebben. Nog zie ik me staan voor het reclamebord met de advertentie waarin ene Ricky aangeeft op zoek te zijn naar de vrouw in rode jas, die hij had gezien op een terras, terwijl ze een boek in de hand hield. Ricky, de man achter de reclames! Hij moest mij hebben, dat wist ik meteen, want ineens realiseerde ik me dat de starende ogen die ik op dat terras ontmoette, de zijne moeten zijn geweest. Ik rukte de advertentie van het bord en belde hem. De volgende dag ondertekende ik het contract.
 
De kramp in mijn handen wordt bijna onhoudbaar, mijn benen voelen loodzwaar aan en de hitte van de lampen boven me prikt venijnig door de knalrode kleding. Ik tel de tijd af op de grote klok tegenover me. Nog 10 seconden!
Een applaus valt me ten deel als ik met beide voeten op de grond sta en mijn handen weer vrij kan bewegen. Met mijn naar de grond gebogen gezicht, zo mogelijk nog roder dan mijn kleding, baan ik me een weg door de mensenmassa.
‘Succes,’ fluister ik het volgende slachtoffer toe, die nu aan de beurt is om omhoog gehesen te worden en te fungeren als een bungelende kerstvrouw.
In de stoel van de arrenslee, die hoog boven de mensenmassa in de nok van het tuincentrum zweeft, zit zij nu vastgebonden. Het tuincentrum neemt geen enkel risico dat ze eruit kan vallen. Haar jurk van rood vilt is afgezet met een witte bontrand en de kerstmuts van dezelfde stof met witte pompon hangt over haar blonde lokken. De fonkelende lichtbollen geven het geheel een sprookjesachtige aanblik, maar ik weet als geen ander dat dit vijftien eeuwigdurende minuten zullen worden, waarin ook zij doodsangsten uit zal staan en geen enkele mogelijkheid heeft van houding te veranderen. 

©Vera Oor, 2024

Dorpsplein bij nacht

 

Waar overdag het dorpsplein volgeplempt is met geparkeerde auto’s, is het ’s avonds leeg. Geen voertuig meer te bekennen op het grind onder de cirkel van oude, dikke platanen. Bij een van de bomen valt een klein paaltje ernaast in het niet. Het is vergroeid in de stam en ergens hangt een restant van het brede, zwarte band wat dit paaltje ooit verbond met de boom. Zijn functie van ondersteuning voor een piepjonge plataan is niet meer nodig. 
Een man loopt met zijn hond de avondronde en bij de laatste boom die het dier tegenkomt, tilt hij nog even zijn poot op. Zo, dat heb ik toch maar mooi geflikt, hoor je hem bijna denken. De heldere maan hangt als een kroonluchter boven het plein. De kruinen van de bomen raken elkaar aan en vormen een grillig gevormd takkennetwerk. Bruine vruchtbolletjes hangen slingerend onder de takken. Je oog moet er net op vallen, anders zou je het niet zien, maar op ca 15 centimeter boven de grond gaan kleine rood-zwarte luikjes open van het middeleeuwse pand, dat dienst doet als gemeentehuis.

Ik druk me tegen de muur en blijf roerloos staan. Ik ben benieuwd of ik vanavond een bevestiging krijg van mijn vermoeden van nachtelijke bezoekers die elkaar op het plein ontmoeten. Uit een van de luikjes piept een spits snuitje naar buiten. De snorharen verkennen trillend de omgeving en de donkere kraaloogjes observeren de omgeving. Er klinkt een hoge piep en binnen een mum van tijd zitten er wel twintig veldmuisjes op het grind. Snuffelend tussen al de steentjes gaan ze op zoek naar restanten van eten, die wandelaars daar hebben laten vallen. Dan valt mijn blik op de bolletjes onder de takken: ze worden verlicht door manestralen en bungelen heen en weer op een enkel zuchtje wind als te vroeg opgehangen kerstballetjes.Tussen de schors in camouflagekleuren kruipen insecten naar buiten die ’s nachts actief zijn.

Zonder dat ik er erg in heb, tikt de tijd voort en wordt de maan naar het westen verdrongen door de ochtendschemering. Alle pleinbezoekertjes verdwijnen weer naar hun verblijven. De man en zijn hond zijn uitgeslapen en beginnen aan hun ochtendwandeling. Hun adem vormt in de frisse ochtend nog kleine wolkjes uit de mond en bek. De hond trekt aan de riem om zijn baasje mee te slepen naar de boom die hij gisteren als laatste bewaterde. Hij snuffelt of er de afgelopen uren geen concurrent op deze plek is geweest en bekroont zijn onderzoek met opgetilde poot. Daarna krabbelt hij het losse grind eromheen weg, om te bevestigen dat dit toch écht zijn boom is. De eerste auto’s komen het grind oprijden en de bestuurders ervan hebben geen weet wat hier ’s nachts allemaal gebeurt. De eerste broodkruimels vallen alweer op de grond.

© Vera Oor, 2024

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...