De stoomtrein stopt



Na een laatste ferme stoomtoeter glijdt de trein het station binnen.

Cindy blijft op enige afstand staan. De eerste wagons houden hun deuren gesloten: die verbergen de cadeauvoorraad van de kerstman.

De laatste deur gaat piepend open en een wolk van tekstballonnen verspreid zich door de lucht.

Cindy doet haar best om ‘haar ballon’ te vinden. Ze loopt tussen allerhande woorden door: ik wens, voor allen, liefde, vrede, vrienden, veiligheid. Zo nu en dan veegt ze een ballonnetje uit haar gezicht. Nog meer woorden passeren haar ogen en dan ziet ze eindelijk ‘Puntje’. Ze grijpt het tekstballonnetje vast aan de punt en zweeft onder de ballon een eindje weg om iets verderop te landen in de sneeuw.

 

Vorige week is Puntje overleden. Het hondje was ziekelijk en oud, hij was er al voordat Cindy geboren werd. Cindy was totaal verbijsterd toen het ’s ochtends vredig in zijn mandje lag en koud en stijf aanvoelde.

Ze had haar hondje toegedekt met een pluizige kerstdeken.  Haar vader had die ochtend een mooi kistje getimmerd en samen hadden ze Puntje begraven in de tuin.

’s Avonds huilde Cindy zich in slaap, maar ze werd wakker van klingelende belletjes. De kerstman vloog in zijn arrenslee voor haar raam heen en weer.

De kerstman? Die is een week te vroeg, het is pas volgende week Kerstmis.

Ze opende het raam en de kerstman boog zich iets naar haar toe.

‘Ik vlieg deze week rondjes om wensen op te halen. Dat mogen geen wensen voor speelgoed of spulletjes zijn, maar wensen die niet te koop zijn. Heb jij nog een wens? Je mag hem hier opschrijven.’

De kerstman gaf haar een tekstballonnetje en zei dat ze gewoon met haar vinger kon schrijven.

Cindy hoefde niet lang na te denken en schreef haar wens op: Nog één keer Puntje zien.

Het ballonnetje gaf ze terug aan de kerstman die, voordat hij verder gleed, tegen haar zei:

‘Let volgende week goed op. De dag voor Kerst komt de Kersttrein voorbij.’

 

Cindy is op een boomstronk gaan zitten en ze heeft het tekstballonnetje naast zich neergelegd. Het is háár tekstballon, ze herkent natuurlijk haar eigen handschrift en de wens om Puntje nog één keer te zien.

Maar nu? De kerstman heeft niet gezegd wat ze verder moet doen.

Dan ziet ze het begin van een ritssluiting aan de onderkant van de tekstballon. Ze ritst hem langzaam open en daar ziet ze…Puntje!

Ze probeert hem vast te pakken, maar haar handen gaan dwars door het hondje heen. Ze laat haar handen naar beneden vallen en hij zweeft pal voor haar ogen en kwispelt met zijn zwarte staartje met een witte punt eraan.

Cindy verbaast zich erover dat Puntje er niet ziek of dood uitziet, maar hetzelfde als een tijd geleden, toen hij nog gezond was.

Dan begint hij zachtjes te blaffen en Cindy kan verstaan wat hij zegt: ‘Ik kom je gedag zeggen voordat ik naar het hondenparadijs ga, waar enorm veel hondjes op me wachten. Ik heb geen pijn meer, ik kan weer rennen. Wees niet verdrietig maar denk aan de fijne tijd die we samen gehad hebben.’

Cindy kan een opwellende snik niet onderdrukken en vraagt zachtjes: ‘Maar hoe moet ik nu verder zonder jou?’

‘Ik mag je iets verklappen van de kerstman,’ zegt Milou. ‘Zoek goed naar een kleine doos in het schuurtje. Daar heeft de kerstman iets voor je neer gezet.’

Het lijkt alsof Cindy een lik over haar wang krijgt en dan loopt het tekstballonnetje leeg en Puntje zweeft kwispelend weg.

 

Enigszins opgelucht dat ze weet dat Puntje nu nooit meer pijn heeft, maar nog steeds erg verdrietig dat hij niet meer bij haar is, loopt ze naar huis, naar het schuurtje.

Onder de werkbank ziet Cindy een kleine doos staan, die ze voorzichtig openvouwt. Enthousiast springt een puppy in haar armen en begint haar gezicht te likken. Zijn zwarte staartje met een witte punt kwispelt heen en weer.



© Vera Oor, 2023

Dinner for one


Geen verrassing, elk jaar in de kerstperiode werd het filmpje “Dinner for one” uitgezonden en mijn ouders gingen er ‘voor zitten’
Een rijke Engelse dame die 90 wordt en, zoals elk jaar, vier van haar vrienden uitnodigt. De traditie gaat voort ook al zijn haar vrienden overleden. Een vorstelijk gedekte tafel staat klaar. De butler in pinguïnkostuum introduceert de “gasten” bij miss Sophie. Hij serveert de eerste gang en schenkt de glazen vol.

Bij elke gang vult de butler het glas van de “gasten” met het drankje dat miss Sophie wil. Hij heft het glas én drinkt het leeg, als plaatsvervanger van de overleden vriend, op de gezondheid van de jarige en doet dat ook met de andere drie glazen. Bij elke gang vraagt hij: “Same procedure as last year miss Sophie? 
‘Same procedure as every year James,’ antwoordt zij.
I’ll do my best.’

Gaandeweg het filmpje verliest de butler niet alleen zijn benul van etiquette, zijn waardigheid, maar ook zijn evenwicht. Hij is aardig in de olie en op een gegeven moment valt er niks meer van zijn woorden te maken ‘Sass cee durast ur ass?’ Nog een rondje drank waarbij zelfs de bloemenvaas aan de beurt komt. Hij haalt halsbrekende toeren uit om niet te struikelen over de kop van een tijger waarvan de rest van het lijf dienst doet als vloerkleed: ‘I’ll kill that cat!’

De reacties uit het publiek op het acteertalent van de ober zijn hilarisch en dat werkte aanstekelijk. Voor mij als kind was het zien van het filmpje ook lachwekkend, maar meer nog de synchroonfilm die in kleur en live naast me plaatsvond. Mijn vader kronkelde van het lachen met gierende uithalen en mijn moeder probeerde zo nu en dan de zin mee te lallen: ‘Same procedure as last year, miss Sophie?’


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

© Vera Oor, 2023

Het schaap met één pootje


Column in Wijkblad Brakkenstein, december 2023

Wanneer iemand mij vraagt wat Brakkenstein is, omschrijf ik het als “een wijk in de stad Nijmegen, maar het voelt als een dorp”. Het kan korter: stadsdorp! Stadsdorp Brakkenstein! Dat dekt volledig de lading ben ik van mening (dank Tino Adolfs voor het bedenken van deze naam!).
 
In de jaren ’60 was er, ten opzichte van nu, een veelvoud aan bedrijven, een enorm lange lijst. Verkoop vanachter een schuifraam in een huiskamer tot thuisbezorging, van ‘op de pof’ tot contant betalen.
Waar werkelijk iedereen kwam, en wat velen nog betreuren dat die er niet meer is: Drogisterij Jacobs. Achteraf gezien had het beter ‘Vroom & Dreesman stadsdorp Brakkenstein’ kunnen heten. Ze verkochten werkelijk alles, van speelgoed tot pannen, van papier tot make-up, van snoep tot postzegels, van paaseieren tot kerstversiering.
 
Mijn vader was enkele dagen voor Kerstmis jarig en we mochten met mijn moeder een cadeautje voor hem uitzoeken bij Jacobs.
En wat doen kinderen als ze een cadeautje mogen kopen? Precies: ze kopen wat ze zelf leuk of mooi vinden. Meerdere verjaardagen kreeg mijn vader een ‘fantastisch’ zilverkleurig knijpvogeltje met een zijdeachtige lange witte staart voor in de kerstboom, of een kunstig versierd winterhuisje dat aan de kerstbalverzameling toegevoegd kon worden.
“Oh, wat hebben jullie een mooi cadeau uitgezocht. Dat heb ik altijd willen hebben.”
 
De weken vóór Kerst, magisch!
Koud, soms sneeuw, maar thuis brandde de kolenkachel met roodgloeiende kooltjes achter de micaruitjes.  De gordijnen ’s avonds dicht, de schuifdeuren naar de achterkamer gesloten en in de voorkamer stond: de kerstboom!
De geur van dennengroen en hars kwam ons tegemoet. Gezamenlijk hadden we de boom versierd en voorzien van de gekleurde lampjes, waarvan er een onder de boom zorgde voor een sprookjesachtige sfeer in het stalletje, dat mijn vader van grotpapier gecreëerd had.
Een voor een rolden we de beeldjes met zorg uit het papiertje waarin ze, soms vergezeld van ingedroogde dennennaalden, bijna een jaar lang hadden gewacht op de volgende Kerst.
Alle beeldjes die in het kerstverhaal thuishoren kregen een plaatsje in de stal of eromheen.
Het sprak tot mijn verbeelding: ik waande mezelf tussen de warme lijven van ezel en os, achter het kribje, met een lammetje in mijn armen.
Verderop stonden de drie koningen met hun kameel. De herders met hun schapen rond de grot.
Eén schaapje kreeg speciale aandacht: het had drie pootjes verloren in het verleden. Toch kreeg het elk jaar een plekje, leunend tegen zijn soortgenoten of tegen de herder.
Er kwam geen nieuwe voor in de plaats.
 
Zelfs drogisterij Jacobs kon niet voorzien in een nieuw compleet schaapje met vier poten, dat paste bij de rest.
 
Inmiddels, tientallen jaren later, pak ik de schoenendoos met daarop nog het handschrift van mijn moeder ‘Kerststal’ . Ik rol dezelfde oude beeldjes uit het papier en zet ze in mijn verlichte kerstomgeving, geen grot maar op een robuust stuk hout.
Het eenpotige schaapje ligt dicht bij de herder en haar soortgenoten in het groene mos.
En ik? Ik ben weer even betoverd en ruim 55 jaar terug in de tijd.
 
 ©Vera Oor, 2023

Een restje vis?

De stortregen van de afgelopen tijd haalde een herinnering in me boven bij wat ik na afloop van een kletsnatte marktdag ooit zag, vanachter een raam waar ik mijn koffie dronk.

Vanuit de beschutting van een steegje sjokte een man de straat over naar het inmiddels verlaten marktplein. Zijn grijze regenjas kwam tot net boven de knie en was scheef dichtgeknoopt. De marktkooplui waren weer vertrokken. Wat resteerde op de natte keitjes waren de stille getuigen van de markt die wachtten op de veegmachine: platgetrapt fruit, natte peuken, papiertjes, plastic zakken.

De man schuifelde verder. Zijn rechterschoen miste de veter, het water kon vanaf zijn broekspijp zo de schoen in druppen. Hij liep enigszins voorovergebogen en trok een boodschappentrolley met zich mee. Een wieltje ontbrak waardoor hij het stuiterende wagentje meer meesleepte dan dat het achter hem aanrolde. Moeizaam liep hij door.

Op de plek waar de viskraam had gestaan, puilde de prullenbak uit met witte plastic bakjes en papieren servetjes, die visliefhebbers daar achter hadden gelaten na het eten van hun gebakken visje of haring. Eromheen hadden zich al wat vogels verzameld om restjes op te pikken.

De man liet de trolley los, veegde enkele natte plukken haar uit zijn gezicht naar achteren en viste iets uit de prullenmand. Hij haalde zijn vinger door een plastic bakje en likte die af. Voorzichtig doorzocht hij het andere afval en at zo nu en dan iets op, een restje vis? Hij boog zijn hoofd achterover om de laatste druppels uit een opgediept blikje te kunnen opvangen. Nog even zocht hij door, maar vond denk ik verder niks meer van zijn gading. Hij veegde zijn handen af aan zijn jas, pakte zijn trolley en sjokte verder. Naar de prullenmand naast de plek waar de snackwagen even daarvoor had gestaan. 


Gepubliceerd op pagina Gastschrijvers Gelderlander

De sneeuwbol

 
Even ontsnappen aan deze wereld. Ik wil het even niet meer horen, ik wil het even niet meer zien.
Ik heb soms het gevoel dat ik overspoeld word door woeste golven van berichten over schietpartijen, explosies, agressie, oorlog, natuurrampen. Leed, dat niet voor te stellen is omdat ik het zelf gelukkig niet meegemaakt heb maar waarvan de beelden mijn netvlies vullen.
Is het struisvogelgedrag als ik me er voor af wil sluiten en heel even een tijdreis wil maken: onbezorgd, veilig in een kinderwereld waar het mogelijk is om te verdwijnen in een fantasiewereld. 

‘Nou kom op dan, stap achterop,’ hoor ik ineens een piepklein stemmetje.
Ik kijk verdwaasd om me heen en mijn oog blijft rusten op de sneeuwbol, die ik even geleden heb omgedraaid en waar nu de laatste witte vlokjes neerdwarrelen.
Zie ik het goed? Beweegt er nu iets in die sneeuwbol?
Ik hoor getik tegen glas. Nou moe, het is dat kerstmannetje die op de wand van de glazen bol tikt.
‘Kom maar, pak mijn hand,’ en er komt een wit gehandschoende hand door het glas naar buiten.
Nee dit kan niet, maar o wat zou het fijn zijn als dit werkelijkheid was. Ik geloof zo nu en dan echt in sprookjes.
Ik wijs naar het kerstmannetje.
‘Praat u nou tegen mij?’
‘Ja hoor, kom op,’ en hij pakt mijn vinger.
 
Plof, daar zit ik tussen een enorme stapel pakjes achter op de arreslee en ik voel dat we vliegen.
De bellen aan de slee en aan de teugels van de rendieren klingelen op de beweging van de wind. Onder me trekt een sneeuwlandschap voorbij en zo nu en dan zie ik een nieuwsgierig hondje naar boven kijken. Het valt me op dat er bijna geen auto’s rijden. De huizen staan verspreid door het landschap en uit de schoorstenen kringelt rook omhoog.
We naderen een dorp. Meerdere huizen staan rondom een kerk met een groot plein ervoor. De kerkklokken luiden en, ondanks dat het donker is, zie ik haarscherp de mensen lopen. Dik ingepakt met handschoenen en mutsen. Een enkeling draagt zelfs een bontjas.
Ze lopen de kerk binnen, die haar deuren uitnodigend open heeft staan en sfeervol verlicht is. De orgelmuziek verwelkomt de binnenkomers.

De nachtmis gaat beginnen en de kerkdeuren sluiten. Een diffuus gezang komt door de muren en glas-in-lood-ramen nog naar buiten: oude kerstliederen die door iedereen in de overvolle kerk worden meegezongen.
De arreslee glijdt verder door de sterrennacht boven de antennes van de huizen. De meeste huizen hebben de gordijnen stevig gesloten, maar zo nu en dan zijn de bewegende beelden van een kleine zwart-wit televisie te zien.
 
De kerk is uit en de kerkgangers lopen naar huis. We zweven nu boven mijn ouderlijk huis.
Er komt me een heerlijke geur van saucijzenbroodjes tegemoet. Saucijzenbroodjes om weer lekker warm te worden na de nachtmis in een onverwarmde kerk. Het lukt me niet om in de keuken te kijken, de ramen zijn helemaal beslagen.
Iets erboven kan ik nog net door een van de slaapkamerramen naar binnen kijken. Het eerste begin van ijsbloemen op de ruiten begint zichtbaar te worden.
Goh, mijn slaapkamer. Wat is hij klein, in mijn herinnering was hij groter. Wel herken ik het bed met daarover de AaBe-deken in een vierkant patroon. Op de rieten mat naast het bed, staat de stoel met mijn kerstkleren klaar voor de volgende dag.
Ademwolkjes stijgen op vanaf het kussen. Daar lig ik, tussen de stijve lakens en de bijna krakende deken van de kou. Ik kijk achterom of de arreslee nog steeds zichtbaar is. Ja, hij staat te wachten op het balkon.
 
Het sprookje duurt nog even voort en de arreslee glijdt tot voor het huis. Door een spleetje tussen de gordijnen in de erker kijk ik de huiskamer in.
Een mooie kerstboom met gekleurde lichtjes en rode en zilveren ballen. Onder de boom een gecreëerde grot, met figuurtjes uit het kerstverhaal. Een van de kerstlichtjes geeft de grot een sprookjesachtig aanzien. Mijn vader speelt kerstliedjes op de piano en mijn moeder neuriet mee.
Ik neem het tafereel in me op, adem de sfeer en geniet.

Na wat een eeuwigheid lijkt wenkt de witte handschoen me. Het kerstmannetje maakt me duidelijk dat het tijd is om te gaan en om weer achterop de slee te stappen. Hij trekt me de sneeuwbol in.
Plof, daar zit ik op mijn bank. De hondjes lijken niet eens gemerkt te hebben, dat ik weg ben geweest. Die liggen nog net zo te slapen als toen ik vertrok. De kaarsen zijn nog aan.
Op tafel staat de sneeuwbol met het kerstmannetje in zijn arreslee.
Volgens mij liggen in de koelkast nog saucijzenbroodjes.
 
 

Piani

Gejaagd loop ik de stationshal binnen, ik klap mijn paraplu in en baan me een weg tussen de mensenmassa door. De aansluiting met de trein is haalbaar, maar dan moet ik wel flink door kunnen stappen en dat is nogal eens een uitdaging op dit drukke station.
Zo snel als wel mogelijk is, loop ik naar de roltrap die me naar perron 4 op -1 brengt. Ja, gehaald. Ik ben op tijd zie ik op mijn horloge dat 12.51 aangeeft. Het helder verlichte blauwe bord met reisinformatie geeft aan: 12.52 Sprinter Nijmegen Centraal + 20 minuten. Gatverdarrie, dit betekent dat ik te laat zal zijn voor mijn afspraak. Een andere verbinding is er niet, in ieder geval niet zodanig dat ik de tijd in kan halen.

Ergens onder uit de tas vis ik mijn telefoon op en app degene met wie ik een lunchafspraak heb om te laten weten dat ik later zal zijn. Bah, dit past zó niet bij mij. Ik ben altijd op tijd en als dat een keer niet zo is, is het buiten mijn eigen invloedssfeer om, zoals nu.
Zoals altijd onder enige stress, dringt zich een behoefte aan zoetigheid aan me op. Boven ben ik wel langs een broodjeszaak gelopen, maar een broodje met dikke hagelslag hoef ik hier niet te verwachten. Nee, geen bezoek aan de broodjeszaak dus.
Verlekkerd loop ik langs de uitstalling met zoetigheid in de supermarkt to go.
KitKat: ‘Have a break, have a KitKat’ dient ergens vanuit mijn geheugen een reclameslogan zich aan. ‘Milky Way is favoriet, het bederft je eetlust niet’.
Voor de verplicht ingelaste break en om te voorkomen dat ik straks bij de lunch minder trek heb, wat me onwaarschijnlijk lijkt, koop ik van beide soorten een reep.
 
Ik voel er weinig voor om op het tochtige perron te wachten. Op een van de bankjes in de stationshal zit slechts een persoon, dus ik hoef niet stijf rechtop en ingeklemd te zitten tussen onbekenden in kletsnatte kleding. Ik ontdoe de KitKat voor de helft van zijn verpakking en neem de eerste hap. Het scheelt maar weinig of ik verslik me als ik in een keer een oorverdovend lawaai hoor.
Och ja, die stationspiano. Zeker weer zo iemand die denkt dat hij Wibi Soerjadi is, maar alleen de vlooienmars kan spelen. Ik zucht eens diep en kijk verstoord die kant op. Wat een vreemd figuur zit er achter die piano. Een houten klaas die hoekige bewegingen maakt tijdens het spelen van: de vlooienmars! Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn ergernis en ik loop ernaartoe om die snuiter eens wat beter te bekijken.
Is Pinoccio tot leven gekomen en zit hij hier nu aan de piano? Houten onderdelen, verbonden door scharnieren ter hoogte van enkel en knie, vormen de benen. Die hangen bungelend en slungelig boven de pedalen die hij met de voeten niet aan kan raken, laat staan intrappen. De handen en vingers zijn ook al van die scharnierende klosjes en daarmee timmert hij driftig op de toetsen. Ik dénk wel hij, of is het een zij? Gekleed in een knalrood jasje, een mutsje met een groene veer en een rokje.
Ik geloof in sprookjes en wil hier toch echt meer van weten.
 
‘Hallo, ben jij Pinoccio?’ roep ik, wanneer ik naast de pianokruk sta en probeer boven het geluid uit te komen.
‘Nee hoor dat ben ik niet,’ krijg ik als antwoord zonder oogcontact te krijgen.
 De neus wordt niet langer. Dat betekent dat hij, of zij, niet liegt. Bij Pinoccio groeit de neus immers als hij liegt.
‘Je lijkt anders wel heel veel op hem zeg,’ begin ik mijn volgende gespreksopening.
‘Kan kloppen. Ik ben zijn nichtje Piani, ook uit Italië. Gepetto heeft mij gemaakt.’
De neus groeit niet.
Dus toch een zij! Ze praat verder, nog steeds zonder mij aan te kijken en met haar ogen gefixeerd op de toetsen: ‘Ik geef les in pianospelen op de muziekschool.’ De neus groeit.
‘Ik treed ook regelmatig op.’ De neus groeit niet.
‘En ik… hier, ik zal je krijgen zwarte pestkop! Dit keer ontsnap je de vlooiendans niet!’
Dan zie ik waarom de klosjeshanden zo ongecontroleerd heen en weer vliegen. Een vlooitje springt van toets naar toets, maakt een lange neus naar Piani en steekt een roze minitongetje uit dat afsteekt tegen zijn zwarte lijfje.
‘Pak me dan, ik ben lekker toch sneller,’ klinkt een irritant scherp stemmetje, afkomstig van de vlo, die een volgende hink-stap-sprong maakt van witte naar zwarte toets.
Piani timmert gefrustreerd nog harder op de toetsen en begint te huilen. Lange strepen beits lopen uit over haar rode jasje. Met haar houten schoentjes schopt ze boos tegen de pianokast aan.
‘Kan ik je ergens mee helpen?’ vraag ik benepen. Inmiddels begin ik me aardig ongemakkelijk te voelen met de situatie. Andere reizigers vormen een kleine kring om ons heen.
Piani maakt zich klaar om een volgende rammelbeurt weg te geven, terwijl het irritante zwarte gevalletje op en neer springt.
‘Sst, kan het wat zachter, pianissimo, alsjeblieft? ’ vraag ik met enige stemverheffing om boven de herrie uit te komen.
 
‘Wil jij het circus hieronder uit de doos pakken?’ krijg ik een tegenvraag, terwijl onderwijl een aantal toetsen weer mishandeld worden.
‘De watte?’ vraag ik.
Ik kijk in de doos onder de pianokruk en zie een fraai gekleurde blikken mini circustent staan. Voorzichtig til ik het speelgoed, want dat is het volgens mij, uit de doos. Ik laat het van schrik zowat weer uit mijn handen als ik geluidjes hoor, hoorbaar boven de punt van de tent. Ik loer naar binnen door een van de doorzichtige stukken in het dak. Het lijkt wel een kijkdoos, maar dan een die leeft!
Inmiddels kijk ik nergens meer van op en mijn ergernis over de vertraagde trein is weggevaagd. Mijn blik is gevangen door het blikken circus waarin ik nu een trampoline zie met daarop springende vlooitjes. Een zwarte kat dirigeert de acrobaatjes met een lange zweep in de hand en een toeter aan zijn bek.
‘Dames en heren, de voorstelling is afgelopen. Graag uw applaus.’
Alle vlooitjes buigen diep voor het publiek en springen uit beeld.
‘Aan de kant. Ik heb hem,’ tettert Piani in mijn oor, terwijl ze me een stomp in mijn zij geeft.
Mijn rode knisperende KitKatpapiertje dat ik op de piano had laten vallen, heeft zij gebruikt om de ontsnapte vlo te vangen. Voorzichtig opent ze de luifel van de tent en schuift de vlo naar binnen en geeft hem onderwijl een fikse tik op zijn billen. De vlo springt weg en krijgt de schijnwerpers op zich gericht. Hij staat notabene midden op de trampoline, in zijn eentje. Een groot applaus van het publiek valt hem ten deel, die denken dat het een toegift is.
Piani springt van de kruk en kijkt me kort aan. ‘Dank u mevrouw voor de hulp. Nu moet ik rennen naar perron 4 want daar vertrekt mijn trein naar Nijmegen over enkele minuten. Ik heb daar vanavond een optreden.’
Met slingerende benen en onder de arm de doos met het vlooiencircus maakt zij zich uit de voeten. Het klip-klap-geluid van de houten voetjes verdwijnt geleidelijk aan.
De lunchafspraak zal nog iets later worden, want deze trein ga ik echt niet meer halen.
Gelukkig heb ik nog een Milky Way.

©2023 Vera Oor

Het paard van Sinterklaas is ziek

 


Op het dorpsplein, dicht bij de kerk en bij de kinderopvang staat een prachtig, levensecht beeld van Sinterklaas. De kinderen van de opvang lopen deze dagen met open monden rond de sokkel en bekijken Sint eens goed. Ze voelen zo nu en dan aan zijn staf en aan zijn rode mantel. 
Sinterklaas zit met zijn handen in zijn haar onder de mijter. Zijn schimmel is verkouden geworden. Die staat nu in de stal bij de paarden van een grote manege, zodat hij droog en warm staat, maar het ziet er niet naar uit dat hij vanavond op pad kan gaan. 
De Sint zelf voelt zich ook niet helemaal topfit en ziet er tegenop om op zijn sokkel op het dorpsplein te staan. Het liefst zou hij af en toe even in een bed kruipen.
O, o, wat een toestand. Net nu ze ‘s avonds over de daken moeten lopen om samen met de pieten allemaal lekkers in de schoenen te stoppen.
 
De pieten hebben het maar goed. Ze hebben een prachtig warme slaapplek gevonden in een hooimijt bij een afgelegen boerderij waar ze overdag kunnen slapen, zodat ze ’s avonds uitgerust op pad kunnen. Niemand die ze daar zal storen tijdens hun slaap overdag. Ze worden in slaap gezongen door de kakelende kippen en tegen de avond worden ze wakker gemaakt door de kriebelende snorharen van de muizen die volop aanwezig zijn in de stal.
Van die muizen krijgen ze een stevige maaltijd van paddenstoelen die ze geplukt hebben en van graankorrels die ze tussen het kippenvoer uitgezocht hebben.
 
Sinterklaas heeft de hulp ingeroepen van de pastoor.
‘Pastoor, wilt u eens gaan vragen bij herberg De Drie Koningen of er daar misschien een bed voor mij is, waar ik af en toe een beetje warm kan worden en kan uitzieken?’
‘Natuurlijk Sint,’ en weg is de pastoor, naar de herberg.
Even later komt hij terug en laat een opgeluchte Sinterklaas weten dat hij altijd welkom is in de herberg en dat er een bed voor hem klaar staat. Als hij drie keer met de staf op de deur klopt, zal de eigenaresse de deur openen en hem zijn bed laten zien. Sinterklaas verheugt zich al op een warm bed en zodra de kinderen van de kinderopvang naar binnen zijn, vertrekt hij naar de herberg.
Daarmee is één probleem opgelost. Maar hoe moet het nu verder zonder het paard?
 
Het nieuws verspreid zich al snel in het klooster en alle paters denken mee over een oplossing. De paarden van de manege kunnen niet ingezet worden. Die moeten zich voorbereiden op een belangrijk concours en moeten volledig uitgerust zijn. Bovendien hebben ze geen ervaring in het lopen over de daken. Daarvoor moet een paard echt eerst een cursus volgen, maar de tijd is veel te kort om dat nog te leren.
Zodra de avond begint te vallen, klinkt er een zacht geruis in het dorp en dat geluid gaat naar het slaapkamerraam van de Sint. Hij wordt wakker van getik tegen de ramen en komt zijn bed uit. Hij voelt zich gelukkig een heel stuk beter. Heel langzaam schuifelt hij in zijn nachthemd naar het raam en opent het.
 
En daar…pal voor het raam, zweeft een fakir. Hé, die ken ik, denkt Sinterklaas, die heb ik wel eens gezien in de Efteling. De fakir neemt zijn tulband af en buigt voor Sinterklaas.
‘Sint, een van de paters heeft mij benaderd. Hij gelooft in de magie van het zwevende tapijt omdat hij lange tijd in het Oosten gewerkt heeft. We hebben een oplossing voor uw probleem gevonden.’
Nieuwsgierig informeert Sinterklaas naar wat die oplossing dan wel is.
‘U mag ’s nachts mijn tapijt lenen,  u kunt daar op zitten en zelfs nog wat cadeautjes en snoepgoed op zetten. Zo kunt u toch boven de daken komen.’
‘Oh, mijnheer de fakir, dat zou een prachtige oplossing zijn, maar ik heb geen vliegbewijs voor een tapijt.’
‘Dat is niet zo moeilijk. Ik zal het u leren. Stap maar achterop.’
Sinterklaas slaat zijn mantel goed om zich heen, trekt zijn handschoenen aan en stapt uit het raam, bij de fakir achter op het tapijt. Hij klemt zijn armen goed om de fakir heen wanneer ze langzaam opstijgen voor de vliegles. Natuurlijk weet alleen Sinterklaas hoe die vliegles in zijn werk is gegaan, want anders zouden anderen het vliegend tapijt ook wel eens willen gebruiken.
Ondanks zijn hoge leeftijd leert hij snel en enthousiast vliegt hij naar de boerderij waar hij de Pieten bij de hooimijt wakker trommelt. Die denken dat ze verkeerde paddestoelen hebben gegeten en dingen zien die er niet zijn. Een zwevende Sinterklaas?
‘Pieten,’ zegt hij, ‘we gaan er een mooie avond van maken en gaan de schoentjes vullen. Ik verwacht dat het paard wel snel op zal knappen, maar tot die tijd kan ik in ieder geval met jullie mee op pad.’
En daar vliegt hij weg, statig zittend op het tapijt met zijn staf naast zich neergelegd. Hij houdt zijn mijter vast, zodat die niet afwaait. De pieten rennen achter hem aan met hun zakken vol pakjes.
 
De wortels en tekeningen die in de schoenen klaargelegd zijn, nemen de pieten mee. De wortels brengen ze naar de manege waar de schimmel ze deelt met de andere paarden en Sinterklaas deelt de tekeningen die hij gekregen heeft met de fakir. Dankzij alle goede zorgen, zijn Sinterklaas, de Pieten en de schimmel op pakjesavond weer helemaal topfit.

©2023, Vera Oor

Bevoorrading

In de winter open ik mijn restaurants: vogelrestaurants.

Tot een paar jaar terug zag ik nooit een mus aan een vetbolletje hangen. Tegenwoordig zijn het waarachtige acrobaten. Ze zetten hun nageltjes in de bol. Vergezeld van veel gekwetter en gefladder zorgen ze ervoor dat een soortgenoot niet aan hetzelfde bolletje gaat hangen. Bij dit soort mussengevechten houden andere vogeltjes zich op veilige afstand om te voorkomen dat ze een klap van een mussenwiek meekrijgen.

Ze komen later wel terug om hun slag te slaan.

Vanuit de dennenappelsilo vallen veel zaadjes in de aarde eronder. Het buffet is geopend en ook hier valt een bruine mussenkolonie aan. Ze hippen van links naar rechts, fladderen even weg en komen weer terug voor de volgende gang. Nu geen gevecht want er is genoeg plaats aan tafel.

Totdat ik toch echt met mijn boodschappentas de deur uit moet. Een wolk van bruine bolletjes stijgt op en verspreidt zich in de tuin. Alsof er een compressor wordt aangezet ontstaat er een soort windvlaag en gesuis in de lucht door de wegtrekkende, fladderende wolk.

Geen mus meer te zien, maar vanuit de heg voel ik de tientallen mussenoogjes in mijn rug prikken. Ze houden me in de gaten houden en wachten tot de kust veilig is. Aanvallen maar weer om hun maagjes te bevoorraden. Ze kunnen nog wegvliegen met hun dikke buikjes en langzamerhand komen de anderen aan de beurt: vinkjes, pimpel- en koolmeesjes, winterkoninkjes en een roodborst. Zelfs een specht waagt zich af en toe dichterbij wanneer een snoer pinda’s in de aanbieding is.


©2023 Vera Oor

En alle vet is weg

 

Bij mijn eerste werkgever ben ik ruim 19 jaar in dienst geweest. Een geweldige tijd met veel goede herinneringen en fijne collega’s. Niet voor niks heb ik met een aantal van hen nog steeds contact, nu ruim 40 jaar verder.

Toen ik begon was de mechanische typemachine nog maar net vervangen door een elektrische. Een machine die de mogelijkheid had om met behulp van een correctielint fout getypte letters te corrigeren in plaats van met witsel weg te lakken, te laten drogen en opnieuw te typen. Tot twee, hooguit drie exemplaren van eenzelfde werk krijgen was mogelijk door het werken met carbonpapier. De derde doorslag had wel aan kwaliteit ingeboet, maar was acceptabel. Op het moment dat meerdere exemplaren nodig doken we een aparte ruimte in: de stencilkamer, met enkele redelijk imposante machines. 

Het getypte A-viertje moest allereerst ingebrand worden op een sjabloonvel. Vervolgens werd dit weer aangebracht op de stencilmachine waarna gestencild kon worden en de afdrukken van het origineel eruit rolden. Al deze elkaar opvolgende werkzaamheden kostten veel tijd.

Wat een vooruitgang toen de kopieermachine zijn intrede deed. Inbranden en stencilen was niet meer nodig. Nee, simpelweg het getypte vel met de tekst naar beneden op het kopieerapparaat leggen, het benodigde aantal kopieën instellen en de machine deed zijn werk.

De elektrische typemachine werd vervangen door een nieuwe uitvinding: de computer. Een oerlelijke sta-in-de-weg op het bureau. Daarboven op een klein scherm met aan de achterkant een enorme toeter om alle techniek in op te bergen. De floppydisk, een klein vierkant plaatje kon ingevoerd worden en de gemaakte werken werden hierop opgeslagen. We moesten wel enkele computerprogramma’s gaan leren om überhaupt met dat ding te kunnen werken. Een van die programma’s was het tekstverwerkingsprogramma Word Perfect.

Als behoorlijke digibeten volgden we met een aantal collega’s alle instructies op en probeerden de trucjes te onthouden.

Zuchtend en steunend probeerden we alle informatie op te nemen. Totdat de docent een oplossing bood waar mijn collega helemaal blij van werd: "woorden kun je in hoofdletters invoeren, in schuinschrift/cursief, je kunt een deel van een tekst vetgedrukt maken. En het handige is: wil je iets terugdraaien, dan kun je corrigeren. Wil je b.v. vetgedrukte tekst weer omzetten in ‘normale’ tekst, dan selecteer je het gebied, je drukt op F6 en alle vet is weg!”

Mijn collega slaakte een kreet en sprak de historische woorden waar ze nog vaak mee geplaagd is: “o mijnheer, als dát toch eens zou kunnen!”.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

 

Dombo's lenzen

 

Met een donderend geraas breken enorme takken af. Het is vroeg in de herfst en er hangen nog aardig wat bladeren aan de bomen. Toch kan dat niet de reden zijn dat een gezonde boom dit overkomt.
In de overtuiging dat er een enorme ramp heeft plaatsgevonden die dit lawaai heeft veroorzaakt komen de bosdieren na enige tijd uit hun schuilplaats, waarheen ze gevlucht waren bij de eerste verontrustende geluiden, om te kijken wat er nu eigenlijk gebeurd is.

Op enige afstand zien ze een enorme ravage. Het lijkt alsof reuzen hier mikado komen spelen, takken hangen over elkaar en wanneer de ene weggetrokken zal worden, heeft dat consequenties voor een volgende en is de ramp helemaal niet te overzien.
Bovenop de takkenbos ligt een groot grijs gevaarte, een rotsblok lijkt het wel.
De dappere eekhoorntjes springen van boom tot boom en van tak naar tak om enigszins dichterbij deze rampplek te komen. Je hoort het geruis van de blaadjes waar ze langs schieten.
Natuurlijke vijanden lopen zij aan zij dezelfde richting uit, in afwachting van wat ze aan zullen treffen. De muis vergeet de angst voor de vos en de vos vergeet dat de muis zijn middagmaal kan zijn.
Mijnheer de uil is wakker geworden en laat ook zijn wijsneussnavel zien.
'Er is ons iets vreselijks overkomen,' oreert hij.
Niemand durft tegen hem in te gaan en te zeggen, dat ze dat zonder zijn bemoeienis ook al hadden geconstateerd.
Boomkikkers springen op om een glimp op te kunnen vangen. Boomklevertjes kruipen hoge bomen in naar een uitkijkpost.
 
Iedereen heeft zijn mening klaar over de oorzaak en ze roepen door elkaar.
'De mol heeft de wortels kapot gegraven.'
'De termieten zijn hier schuld aan, ze hebben gangen gemaakt in en onder de bomen.'
'De mens heeft dit gedaan. Die wil ons wegjagen.'
Bij deze laatste opmerking knikt iedereen venijnig mee om vooral maar niet na te hoeven denken over hun eigen mogelijke aandeel hierin.
De boommarter ziet zijn kans schoon om, met goedkeuring van iedereen, zijn prooi te bemachtigen en roept: 'Mijnheer Roffel heeft veel te veel gaten gemaakt.'
Mijnheer Roffel, de specht, is goed zichtbaar dankzij zijn rode broek. Hij krabt zich vertwijfeld aan zijn kop, waarbij enkele rode veertjes uit zijn kruin naar beneden dwarrelen.
Hij vraagt zich af of hij inderdaad de veroorzaker kan zijn van dit alles, door zijn gehamer en geroffel op de bomen. Schichtig kijkt hij naar beneden waar hij enkele verwijtende blikken ziet. Hij besluit op zoek te gaan om zijn onschuld te kunnen bewijzen en vliegt naar de plek des onheils.
 
Vrijwel op hetzelfde moment als Knabbel en Babbel komt hij er aan. Het grote grijze rotsblok beweegt en ze houden hun adem in.
'Dombo?' roept Knabbel.
Dankzij het geflapper van zijn enorme oren, beweegt het ‘rotsblok’ en worden geleidelijk aan de ogen en slurf van Dombo zichtbaar.
'Duizendmaal excuses. Ik heb een enorme val gemaakt tijdens mijn vlucht en kon mijn landingsplek niet goed zien.'
'Dit is je nog nooit gebeurd,' zegt mijnheer Roffel, 'je wordt te oud om alleen te vliegen. Hoho, niet gaan huilen want dan hebben we zometeen ook nog een vloedgolf te overwinnen!'
Dombo slikt zijn tranen weg en vertelt wat er aan de hand is.
'Ik heb sinds kort lenzen en dat beviel me heel goed. Ik zag stukken beter, maar ik kwam in een donderwolk terecht en mijn lenzen zijn uit mijn ogen geblazen en naar beneden gevallen. Die vind ik natuurlijk nooit meer terug.'
 
Inmiddels zijn de andere bosbewoners aangekomen en hebben te doen met Dombo. Ze kennen hem allemaal als een vriendelijk vliegend olifantje die nooit iemand kwaad doet en met iedereen bevriend raakt.

Een van de salamanders wurmt zich naar voren en spreekt iedereen toe:
'Ik denk dat ik de lenzen gezien heb, onderweg hierheen, maar ik heb er eigenlijk geen aandacht aan besteed. Het leek alsof een spinnenweb volhing met dauwdruppels maar nu ik erover nadenk, weet ik vrijwel zeker dat het Dombo’s lenzen moeten zijn geweest.'
De koningin van de bosmieren roept haar volk op om in actie te komen en stuurt ze met de salamander mee om de lenzen te zoeken en mee terug te nemen.
Dombo houdt zich in de tussentijd bezig met het veiliger maken van de omgeving door het verplaatsen van de gevallen takken naar één hoop, zodat niemand nog gevaar loopt dat er een tak op de kop valt. Op deze manier wordt het een geweldige schuilplaats voor kleine dieren.
De salamander leidt de mieren naar de plek waar hij de lenzen heeft zien hangen. Zonder twijfel peuteren ze voorzichtig de lenzen los tussen takjes en blaadjes. Ze lijken onbeschadigd en heel voorzichtig nemen de mieren dankzij hun gezamenlijk inspanning de lenzen op hun rug mee terug naar Dombo, die hen eeuwig dankbaar is, zoals hij laat weten.

Dombo maakt de aanzet naar een vreugdetrompetter.
'Niet doen! Een orkaan hebben we niet nodig!'
Voorzichtig zet Dombo zich in de startblokken en vliegt langzaam en geruisloos weg. Zijn fladderende oren zwaaien nog een keer als afscheid en bedankje
.

Hulp in de tuin

 

Genoeg te doen in mijn tuin op het moment. Voor vandaag vind ik het genoeg geweest. 


Op het moment dat ik dit aan het schrijven ben, zie ik linksboven in het scherm iets gebeuren en komt er een kleine rode muts tevoorschijn. Het scherm vouwt zich verder open en in een keer wordt mijn hele beeldscherm in beslag genomen door een kabouter, de eigenaar van de rode muts.
Alsof een tekening van Rien Poortvliet uit zijn boek 'De kabouter' tot leven komt.
Het kereltje kijkt me niet bepaald vriendelijk aan, zijn mond is een strak streepje en hij fronst zijn witte wenkbrauwen. Het blauwe jasje is enigszins vaal en verkreukeld en zijn groene broek heeft ook de beste tijd gehad. Met een klap zet hij een emmertje voor zich neer, pal voor zijn voeten in de gele klompjes. In het emmertje ligt tuingereedschap voor zover ik kan zien. 
Wat is dit dan, vraag ik me af?

Hij kan blijkbaar gedachten lezen en roept me afgebeten toe: 'Wie ik bén? Ik ben jouw tuinkabouter die je ergens in een hoekje in de kas weggestopt hebt.'
In een keer herken ik hem. Inderdaad, ooit heb ik een tuinkaboutertje gekregen maar heb hem nooit een plaats in de tuin gegeven. Hij staat ergens in het kasje. Weggooien kan ik hem niet, want dat doe ik niet zomaar met iets wat aan mij gegeven is.
'Ja, zeg het maar, ik zie aan je gezicht dat je me herkent,' snauwt hij.
'Klopt, jij staat in mijn kasje te verpieteren in een hoekje.'
'Verpieteren? Ik werk me een slag in de rondte.'
'O? is mijn verbaasde reactie.
 
En hij begint te vertellen.
Nadat hij in de hoek was neergezet, voelde hij zich afgedankt. Hij was nog maar net begonnen als tuinkabouter en gelijk buiten functie gesteld. Hij had weg willen lopen. Zijn tuingereedschap en emmer had hij al in een kruiwagentje gelegd, totdat zijn opvoeding hem parten ging spelen.
Een tuinkabouter wordt, net als een politieman, ergens gestationeerd en daar moet hij zijn werk uitvoeren. Of hij het nu leuk vindt of niet. De plicht roept hem, hij gaat aan de slag en maakt de tuin tot zijn levenswerk. Dus ook hij had dat gedaan, toen hij mee verhuisd was naar de grotere tuin. Dag in, dag uit, werkte hij in het kasje en in de tuin. Hij timmerde trapjes om overal bij te kunnen komen, plantjes die op het punt van verdrogen stonden, gaf hij wat water. Uitgebloeide bloemetjes knipte hij uit de planten en wanneer dat nodig was, hield hij een peptalk voor een plantje dat bijna de moed op wilde geven om nog te overleven.
 
'Denk je nu echt, dat de tuin er zo bij ligt, omdat jíj er in bezig bent?'
Ik kijk hem verbaasd aan.
'Ja, want ik doe daar heel veel. ’s Avonds en in het weekend vooral.'
'Ik zal je uit de droom helpen. Zodra jij thuiskomt, zorg ik dat ik weer op mijn plekje in het kasje sta, met mijn emmertje naast me. Kabouters laten zich niet zien.'
Zijn stemmetje klinkt steeds zachter en ik hoor een onderdrukte snik. Hij stampt machteloos met zijn klompje op mijn bureau, de punt van zijn muts hangt voor zijn gezicht als hij naar de grond kijkt.

Ik voel me schuldig. Heb ik dan al die tijd echt nooit gezien wat de tuinkabouter altijd gedaan heeft? Ik moet mezelf bekennen dat dat inderdaad het geval is en dat ik alle eer op heb gestreken. Dat gaat veranderen, neem ik me voor en ik vraag hem om even naar me te luisteren.
'Het spijt me. Ik ga vanavond aan de slag en zal mijn schilderspullen tevoorschijn toveren en jouw jasje en broek weer een frisse kleur geven.'
Het manneke kijkt me aan, maar houdt duidelijk nog wat afstand en in zijn oogjes lees ik de twijfel: hij moet het eerst nog eens zien.
'Ik zorg ervoor dat je een beter plekje krijgt en straks, als het beter weer begint te worden, krijg je ook een mooi plekje in de tuin. Dat heb je wel verdiend.'
Zijn gezichtje verandert op slag en voor me zie ik de tuinkabouter zoals die er uit hoort te zien: een enthousiaste vrolijke kabouter die zijn emmertje energiek oppakt en ermee wegloopt. Hij stapt in mijn beeldscherm en verdwijnt op de plek waar hij erin gekomen is: links boven in de hoek. Als laatste zie ik een geel klompje uit het scherm stappen.
 

Dreigend gevaar


Het rustige koffiemoment van mijn zwager wordt verstoord door ijselijk gegil. In een flits schieten allerhande scenario’s door zijn hoofd. Hij vliegt zijn stoel uit en loopt snel naar de voorkamer waar hij probeert boven ons gegil uit te komen. Mijn schoonzus en ik, die kort daarvoor ieder nog op een stoel zaten, staan daar nu boven op. 


Wat ging eraan vooraf:

Geconcentreerd op een bordspel, proberen we allebei toe te werken naar de overwinning. Spannend! 

Op hetzelfde moment kijken we op. Geen idee wat onze aandacht heeft getrokken maar tegelijkertijd zien we het gevaar: groot, zwart en harige poten. 

Onze volumeknoppen gaan op hetzelfde moment naar het bijna maximaal haalbare. De equalizer kent geen lage tonen, maar laat alleen de hoge scherpe tonen horen.

Met wijd opengesperde ogen kijken we mijn zwager aan en wijzen dezelfde kant op. Dat wijzen was niet nodig, want hij heeft genoeg aan onze blikken naar ‘hét gevaar’ dat zich poot voor poot langs de muur omlaag beweegt. Doodsbang dat het beest onze kant op zal komen, trekken we onder aanhoudend gegil de benen van de vloer, drukken ons aan de armleuningen  omhoog en staan boven op de stoel. We ontvangen nog even zijn geringschattende blik voordat mijn zwager op ‘dat beest’ afloopt en het aan een poot  vastpakt. Even zien we hem twijfelen, met een satanische grijns op zijn gezicht.

Wij gaan nog een octaaf hoger en roepen hem toe: “Nee, je laat het hè!”


Tergend langzaam loopt hij met het beest langs ons op en…loopt door, richting achterdeur om de spin in de tuin los te laten.

Ons gegil verstomt, de stenen van het spel liggen door de voorkamer en mijn schoonzus en ik komen weer tot zitstand in de stoel. 

Geen winnaar bij het spelletje, maar wel een held in de kamer.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

Alice

 

Vandaag is de ontmoeting met Rob, de schaapsherder. Aan de rand van de Veluwe graast op dit moment zijn kudde, bestaande uit 45 schapen. Haar ouders hebben Alice afgezet bij het houten gebouwtje aan de rand van het bos. Het is prachtig weer maar ze heeft toch de groene rubberen laarzen aangetrokken. Ze gaat een heel eind mee de hei op en onderweg kan het best drassig zijn. Alice stapt op de man af, die het gebouwtje uit komt lopen.
“Bent u Rob?”
“Jazeker, is het antwoord. Jij bent vast Alice.”
Ze kijkt omhoog naar de boom van een vent, en legt haar kleine handje in de zijne. De border collie van Rob maakt ook even kennis met het meisje, besnuffelt haar kort en loopt dan naar de kudde. Rob pakt een grote stok en geeft een iets kleiner exemplaar aan het meisje.
Ze voelt zich nu een echte herders-assistent en stapt dapper achter hem aan. Elke stap van Rob zijn er drie van haar, maar ze kan hem nog bijhouden. Als hij wat gehijg naast hem hoort, realiseert Rob zich het verschil in beenlengte tussen hen: Klein Duimpje en de Reus, en hij past gelijk zijn stappen aan. Het kind geniet met volle teugen van de schapen, de hond, de natuur en kletst honderduit. Ze vertelt over haar eigen hondje, en haar konijntje Bunny dat net zo wit is als de schapen.
Het is maar een klein konijntje, vertelt ze. Hij is heel lief en mag af en toe ook in de huiskamer rondhuppelen. Ze moet dan wel goed opletten, anders knabbelt hij misschien aan de elektriciteitsdraden.
“Nu moet je even goed opletten, Alice. De schapen lopen te ver uit elkaar.”
De collie rent van links naar rechts om de schapen heen, tot ze weer bij elkaar gedreven zijn en lekker tussen de heide gaan grazen. De hond doet zijn werk goed en Rob hoeft amper mee te werken. 

De man en het meisje gaan op een boomstam zitten en pakken hun lunchpakketjes uit.
“Wil je ook wat warme thee?”, vraagt Rob.
“Nee dank u”, zegt ze beleefd. “Ik heb een pakje melk bij me.”
Als ze hun boterhammen hebben gegeten, ziet Rob het witte snuutje van Alice en vraagt haar of ze ziek is. Alice antwoordt dat ze alleen maar een beetje moe is. Normaal gesproken loopt ze niet van die lange stukken.
“Ga maar even lekker slapen. Ik let wel op”, zegt Rob.
Alice trekt haar laarzen uit, zet ze onder een boom neer en gaat liggen in het gras. Ze vecht nog even tegen de slaap maar dommelt langzaam weg.
 
Een geluid dringt bij haar binnen en door haar wimpers kijkt ze de kant op waar het geluid vandaan lijkt te komen. Staat Bunny daar nu? Er staat toch echt een wit konijn. Ze bedenkt zich nog net op tijd en roept hem niet, want dan zou hij kunnen schrikken en weglopen. Maar nee, het is Bunny niet. Dit is een groot wit konijn met een geruit jasje aan. Hij staat tussen de klaprozen haar kant op te kijken en houdt de poot vast van een klein muisje. Alice spitst haar oren om het gesprek tussen muis en konijn op te vangen.
“Volgens mij is ze het, dezelfde haren en ogen”, zegt het muisje, “je hoorde toch dat die man haar Alice noemde.”
“Maar ze is al zo lang weg, dan zou ze toch groter moeten zijn?”, antwoordt het konijn vertwijfeld.
“Ben je vergeten dat ze het flesje ‘drink mij’ heeft meegenomen. Bij elke slok wordt ze weer klein.”
Alice wil wat zeggen, maar bedenkt zich en houdt haar lippen stijf op elkaar om het gesprek verder te volgen. Het konijn kijkt op zijn zakhorloge en zegt tegen het muisje dat het veel te laat is.
“Hoezo te laat? Je horloge begint elke 12 uur weer van voren af aan dus weet je nooit of het te laat is.”
Het konijn lijkt de muis niet te begrijpen.
“We hebben al zo vaak gekeken en ze is nog nooit terug geweest. We zijn gewoon te laat”, zegt hij.
“Bovendien liep ze altijd op roze laarzen en hier staan groene. Dus het moet een ander kind zijn.”
Het konijn laat zijn oren hangen, kijkt nog een keer op zijn horloge en zucht diep.
“Dan hebben we weer voor niks die roze laarsjes voor haar meegenomen. We vinden haar nooit terug. Die laarsjes moeten we mee naar huis nemen en weggooien.”
“”Nee,” besluit het muisje.
“We laten de laarsjes hier gewoon staan en we geven het op. Ze komt niet meer terug in Wonderland. Ik denk dat wij het gedroomd hebben, dat er ooit een Alice bij ons is geweest. Het was wel een mooie droom. We hebben leuke avonturen met haar beleefd.”
Mmmmaaar, mijn oma heeft wel eens over jullie verteld”, zegt Alice heel zachtjes.
De muis en het konijn horen het niet meer, ze zijn het konijnenhol iets verderop ingelopen en naar beneden gegleden.
 
“Alice, wakker worden”, hoort ze roepen terwijl iets nats over haar wang glijdt.
Ze komt snel overeind, duwt de neus van de hond aan de kant en begint opgewonden te praten.
“Heeft u het konijn en de muis ook gezien”, vraagt ze aan Rob
“Konijn en muis? Nee! Ik heb alleen maar schapen gezien. Ik denk dat je gedroomd hebt”.
Alice kijkt nog eens rond of ze hun nog ziet en komt uiteindelijk tot de conclusie dat Rob wel gelijk zal hebben en dat ze het inderdaad gedroomd heeft. Het konijn leek trouwens wel heel veel op het konijn in het verhaal dat haar oma vaak verteld heeft. Haar oma, die ook Alice heette, vertelde dat ze ooit een keer in een Wonderland was geweest en daar allerlei vreemde dieren had ontmoet. Dat had oma goed verzonnen want het leek net echt als ze het vertelde.
Oke, gaan we verder lopen?”, vraagt Alice aan Rob.
Op zijn bevestigend antwoord loopt ze weg om haar laarzen onder de boom te pakken.
Naast haar groene laarsjes staat een paar roze laarsjes.

Veel te zien langs de weg

 

Een eind rijden: 100 kilometer heen en ook weer terug. Ik had de luxe om niet te hoeven rijden dus kon ik heerlijk om me heen kijken. Dat vind ik altijd hartstikke leuk, want onderweg zie je zo veel als je goed oplet.
Uiteraard ben ik als dierenliefhebber superscherp op dieren en ik zie menig konijn, koe of schaap. Vandaag liepen er bij een boerderij waar we langs reden zelfs 2 kamelen buiten. Waarschijnlijk van een verhuurbedrijf in attracties of zoiets. Ik heb daar wel eens iets over gelezen, wat overigens niet de instemming heeft van de Partij voor de dieren.
Maar vandaag overtrof het wat betreft bezienswaardigheden wel het een en ander. Het grootste deel van de rit reden we zonder regen, alhoewel wolken nogal eens wat anders leken te voorspellen.
 
Opeens zie ik rechts van me een schildpad. Zijn kop steekt wat onder het schild uit alsof hij eerst het weer wil verkennen voordat hij verder kruipt.
Kort daarop ligt er een schaap op de rug. Zo’n grappig schaap met allemaal krulletjes, die als een toef bovenop de kop staan. Vier pootjes steken als bonenstaken omhoog. Het heeft geen zin om de eigenaar te zoeken want inmiddels zijn we er al een flink eind voorbijgereden.
O jee, dit wordt waarschijnlijk filerijden: een eind verderop aan de linkerkant zie ik een zwarte wolk, is het rook? Hopelijk is de brand niet op onze route, want dat kan wel eens wat vertraging betekenen. Gelukkig dirigeert de navigatie ons naar rechts en vermijden we de mogelijke brand.
Bijna bij de bestemming aangekomen zie ik het kasteel al staan. Het torent hoog boven alles uit. Ik kan nog net een tip opvangen van het meer dat naast het kasteel ligt en omgeven is door bergen. Nou ja bergen? Die zijn er niet in Nederland, maar in ieder geval zijn het dan behoorlijke heuvels die ik zie. Langs een van die heuvels weerkaatst een enkele zonnestraal in de kleine waterval die naar beneden klettert.
Als laatste zie ik nog een vrouw liggen. Relaxed op haar rug, neus omhoog gericht naar de enkele zonnestraal en onderwijl een wolkje rook uitblazend. Toppunt van genieten.
 
Ik ben op een gegeven moment maar opgehouden met kijken, want ik kreeg ietwat pijn in mijn nek van het naar boven kijken. Kijkend naar de wolkenpartijen waarin je heel veel kunt zien als je je fantasie loslaat. De wolken die gedragen worden door de wind.
De schildpad loste op in zijn schild.
Het schaap bleef nog even liggen, evenals de rokende vrouw.
Het kasteel verdwijnt achter wolken en ook het meer is niet meer zichtbaar. De waterval gaat over in een groot lichtgrijs meer tussen de witte wolken. Als er al een brand zou zijn geweest, was die waarschijnlijk geblust door de hoeveelheid regen in de donkere wolk.

Herfstwandeling

 

Hoor je het? De herfst roept. Ritselend blad, een stap in een plas regen.
Zie je het? De herfst toont zich. Een kleurenpalet van rood, groen, bruin, oranje en geel.
Ruik je het? De herfst presenteert zich. Zurige, rottende bladeren, vochtige grond, een opengebarsten kastanje.
Voel je het? De herfst is tastbaar zonder er moeite voor te hoeven doen. 
Heb je niet de mogelijkheid om de herfst in te stappen, dan probeer ik je mee te nemen in een denkbeeldige wandeling.

Je bent vandaag vroeg uit de veren, de dag duwt de schemer langzaam voor zich uit. Bij een kop warme herfstthee, genesteld in je lievelingsstoel, word je geleidelijk aan wakker, een stukje verlengde nachtrust. Het is vrijwel windstil en slechts enkele droge blaadjes huppelen over het tuinpad.
Op enkele tientallen meters verwijderd van je huis, loop je het bos in.
Even hap je naar de adem, die je bijna wordt benomen bij het zicht op de voor je uitgerolde loper tussen twee rijen majestueuze bomen door, die zich al deels uitgekleed hebben maar genoeg over hebben om met hun imposante bladerkroon te pronken. Het geluid van je voetstappen wordt gedempt door de dikke gekleurde deken van bladeren. Lichte vochtigheid stijgt eruit op en dauwdruppeltjes vernevelen zich.
Een voorzichtig fluitje in de verte wekt de andere vogels, die geleidelijk aan aansluiten. Het vogelorkest start de dag met heel heldere zang.

Links van je nodigt een bemoste open plek je uit om erheen te lopen. De aarde is zich aan het opwarmen, je jas kan zo langzaamaan wel uit. Die spreid je uit op het mos en gaat erop zitten. De kin laat je rusten op je opgetrokken knieën waar je je armen omheen hebt geslagen en je staart wat voor je uit, gedachtenflarden fladderen als vanzelf weg. Je hoofd blijft leeg.
Enkele kastanjes onthullen een deel van hun bruine, glanzende bol door tussen de lichtgroene stekels uit te piepen. Miniscule bosdiertjes krioelen tussen de gevallen bladeren en een iets grotere kever zorgt ervoor dat een blad licht ritselend opzij schuift. De opgekomen zon tovert het tot nu toe zichtbare bruin, donkerrood, donkeroranje om in een vurig spektakel. Het oranje knalt, donkerrood wordt helrood, bruin verandert in tinten geel, van oker tot helgeel. Een overbekende vliegenzwam vangt een zonnestraal en laat zijn helderwitte behuizing zien onder de rood met witte-stippen hoed. Een klein plofje uit de richting van die zwam laat je bijna geloven dat Spillebeen van zijn zitplaats afgesprongen is.
De wind is iets aangetrokken en blaast je haren luchtig naar achteren en de smaak van herfst je mond in. 

Aan de overkant van deze open plek, op slechts enkele meters afstand, beweegt iets. Je stopt even met ademen als je je realiseert welke bijzondere ontmoeting jou te wachten staat. Twee puntige lichtbruine blaadjes steken boven de andere bladeren uit, gevolgd door twee geelbruine lampjes en een zwarte punt.
Echt? De blaadjes zijn oren, het zwarte puntje is een neus en de lampjes zijn ogen, die jouw kant opkijken, beducht op iets wat ze niet willen zien. Als vastgenageld blijf je doodstil zitten. Je knippert niet eens met je ogen en ademt zo oppervlakkig dat er geen ademwolkje aan je mond kan ontsnappen.
De lampjes kijken weg van jou.
Je hebt een vos tegenover je zitten! Hij richt zich iets verder omhoog en verkent de omgeving. Als je niet zou weten dat hij er zit, zie je hem niet.
Hij kijkt een keer achterom en uit het vossenhol onder de brandnetelstruiken, duiken er nog twee nieuwsgierige vossenkoppies omhoog.
Ergens verderop valt een tak naar beneden en de vosjes schieten hun hol weer in.
Je hoopt op een vervolg, maar ze laten zich niet meer zien en je besluit met al je geopende zintuigen het bos weer uit te lopen, nog een keer achterom kijkend.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...