Het geheimzinnige huis

In een ver verleden, een kleine nederzetting in het Rijk van Nijmegen tegen het bosrijke gebied met de naam De Duivelsberg. Bij schemer en in de nacht durfde geen van de bewoners het gebied in te gaan, het zou er spoken en er gebeurden vreemde dingen. Vooral eind juni zou het gebied behekst zijn. Het verhaal gaat rond dat er bij donker een huis zichtbaar is, omgeven door een mystiek groen licht. 


Het was slechts het verhaal, niemand had het met eigen ogen gezien, maar ook niemand durfde het op te gaan zoeken. Overdag gingen regelmatig groepen mensen het bos in, echter zonder resultaat.
De grote rode kater Teunis was voor de duivel nog niet bang, zei hij meermaals en hij wilde op zoek gaan naar het mystieke huis waar hij zijn baasje steeds over hoorde praten. Om zich heen had hij nog eens elf flinke katers verzameld die met hem mee wilden gaan: rode, zwarte, zwart-witte en grijze. Het moment om eropaf te gaan had zich rondgemiauwd en 30 juni, na middernacht zouden alle katten zich verzamelen bij de waterpomp in het midden van de nederzetting.
 
Wat niemand in het dorp weet is, dat ik de kracht bezit om me te transformeren. Vannacht, 30 juni, is dat tot een kat. Ik sluit me aan bij het gezelschap.
Om me heen voel ik de onderzoekende blikken. De katers kennen me niet en ik stel mezelf kort voor. ‘Meestal ben ik binnen, maar ik hoorde van jullie plannen, dus ik ben er tussen uit gepiept.'
Ik zie instemmend geknik. Teunis kijkt me aan en ik constateer dat hij me "weegt". Uiteindelijk heft hij zijn voorpoot en geeft me een klapje in mijn nek. De rest volgt het voorbeeld van Teunis en zonder verdere plichtplegingen gaan we op pad.
 
Ik loop met het bontgekleurde gezelschap richting Duivelsberg. Katten kunnen bijzonder goed zien in het donker, dus toortsen zijn niet nodig. Alle ogen knijpen we tot spleetjes, zodat we niet al te veel opvallen met onze groene ogen en geruisloos lopen we op onze voetkussentjes het dorp uit. Aangekomen bij de bosrand staat Teunis plotseling stil en de anderen botsen tegen hem aan. Als laatste kan ik nog net op tijd stoppen.
Stttt...’
In de verte is een geluid te horen, het lijkt op het geluid van klokken, kort en melodieus. Dertien paar oren spitsen zich. Dertien paar ogen kijken elkaar aan met op de achtergrond het spookachtige geluid.
‘Teunis wat doen we?’ vraagt de kater voor mij en ik hoor een kleine vibratie in zijn stem.
‘We gaan ernaartoe, kom op.’
‘Ja, maar als…’
‘Niet mauwen, als je niet mee durft te gaan, dan kies maar het hazenpad en keer om.’
Uiteindelijk wil geen van de katers zich laten kennen en sluipend vervolgen we onze weg, in de richting van het geluid.
 
Djzomp, in een keer zakt Teunis met zijn voorpoten weg in een modderpoel. Met vereende krachten trekken we hem er weer uit. En daar zien we de klokkenluiders: heel veel padden in en rond de poel. Het zijn vroedmeesterpadden die kort na zonsondergang hun geluid laten horen, dat doet denken aan het geluid van klokjes. Ze lijken totaal niet onder de indruk van de grote hoeveelheid katten en kijken ons vragend aan.
‘Hoe komen we bij het verlichte huis, weten jullie dat?’ doorbreekt Teunis het klokgelui.
Een van de padden neemt het woord. Hij weet wat Teunis bedoelt en vertelt dat de overlevering er melding van maakt dat ‘s avonds geesten neerdalen in het bos. Onder luid gezang en ondersteund door omhoogtrekkende gebaren halen ze een huis uit de grond naar boven. Op hetzelfde moment ontstaan dan ook de lichtjes.
‘Wij hebben het ook nog nooit van dichtbij gezien, we blijven bij onze poel, waar hooguit de heksen wel eens komen en deelnemen aan de Heksendans.’
‘Willen jullie niet weten hoe het zit?’ informeert Teunis verbaasd over zo weinig belangstelling voor het fenomeen.
‘Man, schei uit. We hebben nog maar net de paddentrek van het voorjaar achter de rug. We hebben het veel te druk met onze voortplanting. Kijk om je heen, allemaal vrouwtjes vol met eitjes en het kleinere mannetje dat erbovenop zit en de vrijkomende eitjes bevrucht.’
Teunis trekt zijn schouders op, ongeïnteresseerd in de voorplanting van padden en instrueert ons: ‘Houdt elkaar vast. Pak met je bek de staart van je voorganger vast, dan kunnen we elkaar niet kwijtraken.’
Met een zo groot mogelijk omtrekkende beweging om de poel vertrekken we in kattenoptocht het duistere bos in. Boven onze koppen geven contouren van overhangende takken ons het gevoel, dat we gegrepen kunnen worden door onzichtbare vijanden. De adrenaline stijgt en mijn hartslag stijgt evenredig mee naar een onverantwoorde hoogte. Ver boven de bomen verschijnt een maansikkel, die het idee van een spookslot compleet maakt.
Dan verschijnt tussen de bomen een groen licht en doemen de contouren van een huis op. Muisstil blijven we staan en aanschouwen het fenomeen. We zetten allemaal een hoge rug op, maar blazen laten we wel uit onze kop. Wie weet wat we dan over ons afroepen. We verspreiden ons en kijken veilig vanachter boomstammen naar het huis. Een groen verlichte weg loopt erheen. Over de grond kruipen groen uitstralende wormen, de vrouwtjes van glimwormen. Rondom het huis en boven de glimwormen zijn honderden kleine lichtjes zichtbaar: vuurvliegjes die het huis verlichten.
Poot voor poot lopen we in de richting van het huis, veilig achter Teunis aan. De wind trekt aan. Dan opeens lijkt het huis te bewegen, enigszins zwierend, een trage wals. Ademloos kijken we toe en maken ons zo klein mogelijk, plat op de grond en de oren in de nek. Een zurige geur uit de vochtige mos- en bosgrond drijft mijn neus in en met moeite onderdruk ik een opkomende niesbui.
Ik verstijf bij een lichte aanraking, die over mijn rug glijdt en om me heen zie ik aan de reacties van de anderen, dat zij hetzelfde ervaren. Onzichtbaar strelen, heel lichtjes dat na de aanraking meteen oplost. Het schorre geluid van een kraai, de begeleider van een van de heksen, onderweg naar de heksendans bij de paddenpoel? Een suizend geluid valt ons van boven aan, het donker wordt nog een slag donkerder en ik klauw mijn nagels in een boomstronk om niet meegezogen te worden in de trage, vrijwel geluidloze vleugelslag van een jagende uil, even later gevolgd door de mysterieuze roep van een van zijn soortgenoten.
 
De ochtendschemering zet in en we zien iets meer van de omgeving. We zitten tussen de varens, die wuiven in de wind en over onze rug heen wrijven met hun vederachtige bladeren.
De groene lichtjes van de glimwormen vervagen enigszins en het huis lijkt zich op te lossen in de lucht. Wat resteert zijn enkele statige, dicht bij elkaar staande bomen, waarvan de dikke takken in elkaar grijpen. Geen huis, geen heksen, geen spoken. Gewoon natuurverschijnselen, zinsbegoocheling. Ik neem me voor morgenavond rond dezelfde tijd deze route opnieuw te lopen, als mens en me te laten begeleiden door enkele dappere dorpsbewoners om hen deelgenoot te maken van mijn ontdekking.
  
©Vera Oor, 2024

Singing in blue rain

 

Ken je dat, dat je van die kleine, meestal zwarte, draadjes voor je ogen ziet bewegen? Wanneer je ogen naar links gaan, bewegen ze mee. Gaan je ogen naar rechts, gaan de draadjes ook die kant op. Het lukt een tijdlang gewoonweg niet om ze níet te zien. Daarna heb je er weer lange periode geen last van. 

Vorig jaar rond deze tijd was het me al opgevallen en gisteren gebeurde het weer: tegen zonsondergang zag ik een bewegende lange witte sliert met zo nu en dan een blauwe waas. De sliert ging niet afwisselend naar links en rechts, maar slechts naar één kant. Het lukte me net zomin als bij de zwarte draadjes om het stil te laten staan en eens beter te bekijken. Overigens leken het geen draadjes, maar kleine dingetjes, die onafhankelijk van elkaar bewogen.

De meeste avonden regende het de afgelopen tijd en dan ben ik later op de avond echt niet meer buiten. Gisteravond was het droog en was ik wel even in de tuin te vinden. Het donker had de schemer verdreven en het leek alsof de witte dingetjes zo nu en dan in de buurt van de vijver actief waren. Mini witte wieven? Ze bleven continue in beweging. Zodra ik iets dichter naar de vijver liep, bewoog er niks meer. Ik ging een eind verderop met een boek zitten in het licht van een tuinlamp. Ik had geen muziek aanstaan, bij de buren was ook geen geluid en toch hoorde ik heel zacht een diffuus gezang “I’m singing in blue rain”, het lied van Gene Kelly, meerstemmig zelfs. Blue rain? Nou, ik had het waarschijnlijk verkeerd gehoord.

Het moest niet veel gekker worden: witte dingetjes zien, stemmen horen. Ik focuste me volledig op het geluid. Het kwam toch echt uit de buurt van de vijver. Het lukte me niet om de bron van het geluid te achterhalen en op een gegeven moment heb ik het opgegeven en ben naar binnen gegaan.

Afgelopen nacht doemden er spoken, geesten en witte wieven in mijn dromen op. Het houdt me meer bezig dan ik toe wil geven.

Vanavond pak ik het anders aan. Ik installeer me bij de vijver, enigszins verscholen achter de varens en maak het me zo gemakkelijk mogelijk op de harde ondergrond. Mijn angst voor spinnen en ander kruipend ongedierte probeer ik te onderdrukken, want anders heeft mijn “wacht” geen zin. Het schemert en in de verte zie ik de sliert witte dingetjes met blauwe waas weer de kant van de vijver opkomen. Geen idee hoe stil muizen zijn, maar ik houd me muisstil en vergeet zelfs bijna te ademen.Tegen dat het echt donker wordt, komt de sliert dichterbij en verdwijnt achter het vijverfilter, buiten mijn gezichtsveld. In die hoek klinkt het gezang weer, vergezeld van een hoop gespetter. Langzaam kruip ik in de richting van het geluid, maar ineens is het stil. Geen gezang en gespetter meer. Ik kruip verder naar het vijverfilter en kijk daar eens goed rond, inmiddels zijn mijn ogen wel wat aan het donker gewend.

Ik raak verstrengeld in een tak en probeer me eruit te wurmen. Hè? Aan de tak hangen hangen kleine kleertjes, allemaal wit op één na, die is rood. Het zijn minibroeken en een jurkje. Maar die andere dingen, wat zijn dat dan? Mutsen? Ook allemaal wit en één rode. Langzamerhand begint me iets te dagen. Heb ik nu te maken met een smurfeninvasie? De kleren lijken verdomd veel op die van de smurfen. Even twijfel ik of ik zal roepen, maar realiseer me tegelijkertijd dat ik mijn aanwezigheid toch al verraden heb met mijn gekruip.

‘Grote smurf,’ roep ik in de wetenschap dat hij de aanvoerder is van het blauwe volkje.

‘Mm,’ krijg ik een brommend antwoord.

‘Zijn jullie het echt? Alle smurfen bij mijn vijver?’ Ik word hoe langer hoe nieuwsgieriger.

‘Ja, we zijn de smurfen.’

‘Laat je eens zien,’ zeg ik, ‘ik zie alleen maar vage blauwe vlekken en hier hangen jullie kleren.’

‘Nee, mensen mogen smurfen niet zonder kleding zien en al helemaal niet zonder muts.’

‘Waarom zitten jullie hier?’

‘Draai je om, dan kleed ik me aan en kom naar je toe.’

Ik doe mijn best om me te bedwingen niet terug te draaien, maar wil het vertrouwen van de smurfen niet beschamen, dus ik wacht braaf tot de grote smurf naar me toekomt. Niet veel later duikt het bekende rode mutsje voor me op en de pientere ogen kijken me aan. Ik geef hem mijn pink als begroeting. Een smurfenhand om je pink voelt vreemd aan, kan ik je verzekeren. Enigszins rubberachtig. Langzaamaan verzamelen zich meer smurfen om me heen, uiteraard aangekleed en met een muts op hun hoofd. Ik mis alleen smurfin.

‘Is smurfin er niet bij?’ vraag ik voorzichtig, waarbij ik denk aan het witte jurkje dat ik zag hangen.

‘Natuurlijk wel, maar je denkt toch zeker niet dat wij erbij zijn als zij zich omkleedt? Daar komt ze aan,’ wijst grote smurf.

Ik kijk zijn vinger na en daar komt smurfin in een hagelwit jurkje aan. Haar blauwe hoofd, armen en benen steken prachtig af tegen haar gele haren. Het valt me wel op, dat het blauw van alle smurfen enigszins vaal is en ik informeer naar de reden daarvan. De grote smurf geeft me de volgende verklaring, niet alleen voor de vale kleur maar ook voor hun aanwezigheid hier: 

‘In deze tijd van het jaar bezoeken we een aantal keren jouw tuin en vijver, waar we ons uitkleden. In onze blauwe naaktheid kunnen we volop bijkleuren onder de blauwe regen die nu in bloei staat en een afdak vormt boven je vijver. In de loop van het jaar vervaagt onze blauwe kleur door weersinvloeden en we moeten dat natuurlijk goed bijhouden om herkenbaar te blijven als smurfen.We houden van zingen en al helemaal tijdens het douchen, dus daarom hoor je ons douchelied "I'm singing in blue rain" dat we qua tekst iets veranderd hebben.

Dus ik heb het toch goed gehoord, inderdaad blue rain. Ik kijk naar boven. De stralen van de tuinlamp verlichten de vijver, waar de lange afhangende trossen bloemen van de blauwe regen een natuurlijk afdak vormen. In de dichtstbij hangende tros zijn de individuele bloemetjes, die enigszins lijken op een kleine orchidee, duidelijk te onderscheiden.

 

Terwijl ik nog bijkom van deze verrassende ontmoeting, verdwijnen de smurfen weer uit beeld, waarbij het me inderdaad opvalt dat het blauwe waas al veel sprekender is en de lijfjes een contrast vormen met hun witte kleding en muts.

Grote smurf sluit de rij en zijn rode muts verdwijnt als laatste uit beeld. Hoeveel dagen zouden ze nodig hebben om volledig bijgekleurd te zijn? Ik verheug me nu al op de voortzetting van hun blauweregendouches. Gelukkig blijft het blauwe bloemendak nog wel een periode in volle schoonheid boven de vijver hangen.

Zijn er nog meer blauwe wezens op aarde? Dan moet ik eens in de gaten gaan houden of die misschien ook naar dit openbare badhuis komen. Oei, de blauwe reiger is er natuurlijk een. Die wil ik toch liever geen abonnement geven op deze douchemogelijkheid. Dat vinden de koikarpers en goudvissen vast niet leuk.

Goudvissen?? Daar zeg ik zowat. Zal ik ook nog een gouden regen bij de vijver plaatsen? Wie weet wat daar op afkomt. Goudhaantjes bijvoorbeeld?

© Vera Oor, 2024

Nieuwe aanwas

 
Voor degenen die onbekend zijn met de term gesekste kippen: dat betekent niet dat ze in een kippenbordeel ingezet worden. Bij een gesekste kip wordt al vroeg vastgesteld van welk geslacht het kuiken is. Dat is niet zo eenvoudig aan de buitenkant vast te stellen en is werk voor kenners.


Voor mij is het wel belangrijk te weten dat een kuiken een kip zal worden en geen haantje. Ik heb al een haantje en twee levert het risico van vechtpartijen op. Dat heb ik een keer eerder gehad en is echt niet prettig om te zien, met half afgerukte lellen of kam, een bloederig geheel. In sommige landen worden hanengevechten georganiseerd waarbij de hanen inzet worden van gokkers, maar niet bij mij in de kippenwei.
 
Helaas. De kippen hebben wel gebroed, maar het resultaat was nul. Geen kuikentjes dit jaar. Het aantal kippen is echter in de loop van de tijd aardig teruggelopen, dus we willen nieuwe aanwinst. Een flink aantal jaren geleden hebben we gezocht naar een bedrijfje of hobbyist die gesekste kuikens verkoopt en gelukkig, degene waar we destijds geslaagd zijn, verkoopt ze nog steeds. Met de bench van de honden achter in de auto naar een dorp in de omgeving gereden om onze nieuwe wei-genoten op te halen.
‘Welke soort wil je hebben?’
Nou dat maakt me eerlijk gezegd niet veel uit. Ik kies kuikens op kleur of verentekening of gewoon omdat ik het een grappig dier vindt. Wel wil ik minimaal drie exemplaren hebben, die bij de verkoper ook al in een gezamenlijk verblijf hebben gezeten. Ze blijven dan in hun nieuwe omgeving bij elkaar in de buurt en kakelen elkaar moed in om op verkenning uit te gaan en kennis te maken met hun medebewoners.
 
Om ze te laten wennen zetten we ze eerst in een kleine ren, die aansluit op de kippenwei. Alles kakelt door elkaar.
‘Help, waar zijn we terechtgekomen?’
‘Heb je dat haantje gezien?’
‘Vreselijk, wat een opgeblazen opschepper.’
‘Dat groen waarop ze lopen, ziet er wel aantrekkelijk uit.’ Gras kennen deze nieuwkomers niet. ‘Volgens mij is het zachter dan het zaagsel waar wij in liepen en wat hier in de ren ligt.’
‘Die kippen pikken er van alles tussen uit. Zou daar eten verstopt liggen?’
Ik hoor de laatste opmerking en ben al onderweg met een bakje voer en een bakje water voor de dames. Ze moeten nog wennen aan mij en schieten als een kakelende kippenbol de hoek van de ren  in. Pas als ik op veilige afstand ben, piept er af en toe een klein snaveltje tussen de veren uit en stappen ze voorzichtig richting bakjes.
‘Kom op, meiden. Etenstijd,’ moedigen ze elkaar aan en springen in de bak voer.
 
Ze zijn zo druk bezig met voer pikken, dat ze niet in de gaten hebben, dat er iets groots dichtbij komt tot ze zich rot schrikken van het kabaal en ze weer de hoek in stuiteren.
‘We zijn in een reuzenwereld terechtgekomen. Wat een enorm beest.’
Ze hebben niet in de gaten dat het gegak van een heel andere orde is dan gekakel en gekukel. Je kunt het ze niet kwalijk nemen, ze hebben nog nooit een gans gezien.
En dan loopt er ook nog een herrieschoppend blond harig beest rond.
‘Wat is dat dan weer?’
 
Ik roep de hond terug. Alles wat anders is dan anders, is een reden tot een hoop opwinding en moet eerst besnuffeld worden, zodat die de volgende keer weet dat de bollen in de ren voortaan ook bij het territorium horen en dus met rust gelaten moeten worden.
Tegen de avond gaat er een poortje open en lopen de zes kippen en een haan die al lang hier zijn, langs de nieuwelingen, zonder ze ook maar een blik waardig te keuren. Ze zijn onderweg naar hun binnenhok en naar hun slaapplaats. Stoïcijns lopen ze door.
‘Wat moeten wij nu?’vraagt de grijze nieuweling aan haar vriendinnen.
Ja vriendschap ontstaat snel, als je zo op elkaar bent aangewezen in een vreemde en misschien ook vijandige omgeving. Ze overleggen even en besluiten niet naar binnen te gaan en de oude garde te volgen. Wie weet wat daar weer op hen wacht.
Daar denk ik echter anders over en gewapend met een zaklamp kruip ik ’s avonds bij de nieuwkomers in de ren. Een voor een  pak ik ze op en schuif ze het binnenhok in. Kippen kun je in het donker makkelijk pakken, want ze zitten gewoon doodstil en gaan ook echt niet op de loop. Eenmaal alles binnen, laat ik het poortje zakken.
 
‘Hm, voelt wel lekker warm hier binnen en het is rustig.’
‘Waar zijn die anderen nu allemaal gebleven?’
Vermoeid van hun verhuizing vallen ze al snel in slaap. Zodra het de volgende dag lichter wordt is het clubje op de bodem al vroeg wakker en kijkt nieuwsgierig om zich heen. Kijk daar boven nou, de hele groep “oude” kippen zit op stok.
De eerste tijd slapen kuikens nog op de grond of in een nestkast, maar zodra ze ouder worden, verwerven ze zich een plekje tussen de anderen op de stok. Wel bijzonder om te zien, alle soorten en variëteiten worden gewoon geaccepteerd alsof het de normaalste zaak van de wereld is en hoeven niet te vechten om zich een plekje te verwerven. Vele malen vanzelfsprekender dan in de mensenwereld.  

© Vera Oor, 2024

 

Een week of twee geleden is ons enige schaap afgereisd naar de schapenhemel en resteren er nu nog twee geitjes en een je-weet-wel-bok. Niet dat die geiten het schaap missen. De dierenwereld zit denk ik toch wat anders in elkaar. Geiten vinden vooral zichzelf belangrijk. Ze duwen elkaar aan de kant om het eerst bij het eten te zijn, ieder heeft zo zijn eigen plekje in het hok en zodra er maar een druppel regen valt, rennen ze om het hardst naar het hok.

Vandaag weet ik wel wat ze gaan doen: warmte opzuigen! Zodra er een streep zon te zien is, en de wei niet al te blubberig, stappen ze naar een stukje van de wei dat afgescheiden is met een laag muurtje. Daar liggen de drie dan te knipogen naar de zon.  Zo nu en dan doen ze zich te goed aan het gras.
Echter, deze dag wordt anders: ze zullen uit hun routine gehaald worden, dan zal de nieuwsgierigheid overwinnen en komen ze gegarandeerd van hun zonnebed. Het beestenspul wordt uitgebreid met een schaap met twee lammetjes. 

Eind van de ochtend meldden zich nieuwe bewoners aan het hek: een ooi met twee lammeren. Ik heb het gesprek eens gevolgd tussen de nieuwkomers en de oude garde.
Waarom worden mijn oren nu gecontroleerd, vraagt mama schaap zich af. “Oornummer noteren”, hoort ze de chauffeur zeggen en de laadklep gaat open. Totaal niet gehinderd door enige vorm van angst stapt ze de trailer uit en loopt langs twee mensen op richting de lokkende groene wei. ‘Kom jongens,’ spoort ze haar kids aan, een jongetje en een meisje. 
Afgezien van enkele witte vlekjes is het drietal intens zwart. De vacht is nog kort en lijkt op goed geborsteld suède. Moeder schaap kijkt eens nieuwsgierig in het rond en begint al rap te knabbelen aan het gras.
‘Hallo, hallo,’ hoort ze van twee kanten en bij haar uier wordt ze omhoog geduwd door de tweeling, ‘wij willen drinken.’
Moeder heeft nog niet de rust om te blijven staan en stapt verder, haar achterpoten wat opzij schoppend om het tweetal te verhinderen weer te gaan tanken. De tweeling  blijft angstvallig in de buurt van hun moeder, maar laat geleidelijk aan hun zwaan-kleef-aan-gedrag varen en snuffelt zelf rond.

‘Help, kijk mama wat zijn dat?’ staat het kleine mannetje ineens stokstijf en kijkt tussen de fruitbomen door richting bruin-witte dingen. Moeder kijkt een keer op en graast verder. ‘Niet op letten, jongens, dat zijn geiten. Domme beesten, ik heb ze al eerder meegemaakt. Blijf maar bij mij in de buurt.’
De twee geiten vertrouwen de nieuwkomers maar niks en zetten hun rugharen overeind. Hun ogen puilen zowat uit de kassen wanneer ze, half verstopt achter boomstammen de nieuwkomers observeren.
Geleidelijk aan durven ze iets dichterbij te komen en met een omtrekkende beweging naderen ze moeder schaap en kids. Moeder heft de kop en kijkt de geit schaapachtig aan. ‘Waag het niet aan mijn kinderen te komen. Je bent gewaarschuwd,’ en ze steekt haar kop uit naar de geit, die op haar beurt de nek oprekt om wel met de neus dichter bij het schaap te komen, maar de rest van haar lijf op veilige afstand te houden. Er volgt wat neus-snuffelen en daarmee is de kennismaking beslecht en gaat ieder weer zijn eigen gang.

Zelfverzekerd lopen moeder schaap en kids naar het hek dat de wei scheidt van de tuin van de buren. Mensen. O, die ken ik wel, meestal zorgen ze voor mijn eten, weet het schaap en ze loopt onbevreesd naar het hek: naar de mensen en naar een fikse herdershond.
‘Oké,  wil jij ook ff neuzen?’ vraagt ze en ze biedt haar neus aan aan de hond, die vrolijk kwispelt.
‘Kijk jongens. Dit zijn mensen, over het algemeen wel te vertrouwen. Deze hond is ook oké, maar mocht er ooit zo’n dergelijk model, in grijze uitvoering, in de buurt van de wei komen, dan moet je maken dat je wegkomt,’ instrueert moeder de kinderen.
‘Waarom?’ wil een van de twee weten.
‘Dan is de kans groot dat je met een wolf te maken hebt, die zijn niet te vertrouwen,’ zegt ze terloops en loopt naar het andere eind van de wei. De tweeling huppelt om hun moeder heen en maken zo nu en dan een gekke bokkensprong.

Ho, remmen, wat zijn dat nu weer,’ roept het jongetje naar zijn zus en zijn moeder.
Moeder schaap staart van een afstandje naar het hek bij een ander deel van de wei en bekijkt het drietal aan de andere kant van het hek eens goed. Dit ras kent ze nog niet, maar ze besluit dat er weinig van te duchten valt. Drie kleine hondjes, die kan ze wel aan. Bovendien zit het hek ertussen.
Dan spitst ze haar oren: een bekend geluid. Ze draait haar kop en zet een sprintje in, vergezeld van de tweeling, naar de man die iets in zijn handen houdt.
‘Schapenbrokken jongens, die moet ik hebben. Jullie zijn er nog wat te klein voor, maar later vinden jullie dat vast ook lekker.’
Een kort moment beoordeelt ze of de kust echt veilig is en hapt dan tevreden de brokjes uit de haar aangeboden hand.

© Vera Oor, 2024

Krasje

 

De kamer van de hoofdonderwijzer was eens per jaar het domein van de schoolarts. Een statige vrouw in witte doktersjas. Daar ging ik als kind niet alleen naar toe, ik kan me herinneren dat mijn moeder daarbij aanwezig was. Misschien was dat ook wel voorschrift.


Een riedeltje aan standaardvragen en -metingen werd gedaan, vaag kan ik het me herinneren. De meeste antwoorden gaf mijn moeder waarschijnlijk. Een van de rituelen was het krasje op de arm. Het deed geen zeer, maar was wel belangrijk en het ging gepaard met een typische geur. Gespannen volgde ik de volgende dagen of de huid rond het krasje niet rood en dik werd, want al wat ik weet, was dat het dan niet goed was. Dat betekende dat je misschien wel tbc had. Geen idee wat dat dan weer inhield. In de volksmond heette het ook wel pleuritis of pleuris.
 
Pas veel later hoorde ik dat mijn vader tbc kreeg, enkele jaren nadat hij terug was gekeerd uit Nederlands-Indië. Ergens in de periode rond 1953 heeft hij lange tijd in het sanatorium Dekkerswald, tussen Nijmegen en Groesbeek, gelegen.
Hij vertelde weleens over de vriend die hij aan die periode overgehouden had: een boer uit Salland, die ver van huis en familie in dit sanatorium lag. Meer heeft hij eigenlijk nooit gedeeld. Het was overigens niet zo, dat hij de omgeving vermeed of niet over de locatie sprak, want hij heeft ons regelmatig meegenomen om in de bossen rond Dekkerswald bosbessen te zoeken. Dat heeft mij in ieder geval het idee gegeven dat het voor hem geen traumatische tijd geweest is.
Het hoofdgebouw van Dekkerswald bestaat nog steeds en, net als in mijn jeugd, is het terrein rondom voorzien van hekwerken. Die stonden er om de wilde zwijnen binnen te houden en te voorkomen dat ze de weg op zouden lopen.
 
Inmiddels ligt Dekkerswald midden in de bossen, maar een documentaire laat zien dat het in de tijd dat het een sanatorium was, weinig bos liet zien. Wel een gebouw met strakke paden eromheen en, omdat het op een heuvel lag, met wijds uitzicht richting Nijmegen, Groesbeek en Noord-Limburg.
Het gebouw was zodanig gebouwd dat de patiënten optimaal hun voordeel konden doen met frisse lucht en zonlicht, wat hun genezing ten goede zou komen. Op de op het zuiden liggende terrassen en balkons stonden lange rijen bedden.
Dekkerswald werd ‘geregeerd’ door nonnen, die strikte regels hadden waar patiënten zich aan dienden te houden. Streng! Voor velen is de periode op Dekkerswald een traumatische periode geweest, zowel door de ziekte, de afzondering als door de behandeling. In de huidige tijd is een bronchoscopie een angstbeeld of -ervaring voor velen, maar hoe moet het toen wel niet geweest zijn?
Mannen, vrouwen en kinderen brachten hun maanden- of zelfs jarenlange sanatoriumperiode door in aparte gebouwen. Getrouwde stellen werden gescheiden en mochten zo nu en dan bij elkaar op bezoek, maar onder toezicht. Ze zaten aan elkaars bed, maar kregen geen moment van privacy.
Op gezette tijden mochten patiënten die daartoe in staat waren een wandelingetje maken in het aangrenzende bos, mannen en vrouwen nooit tegelijkertijd. Zodra de klok luidde was het uurtje voorbij en moest de groep terug, waar gecontroleerd werd of iedereen weer ‘binnen’ was.
 
Het verhaal dat de hekken rond Dekkerswald er zijn om de wilde zwijnen op het terrein te houden, is misschien nu actueel, maar oorspronkelijk had het een andere reden: de hekken waren bedoeld om prostituees buiten het terrein te houden, die het uurtje ‘luchten’ van de mannen een andere invulling konden geven.

© Vera Oor, 2024

 

Verkeerde afslag

 

De lange weg is in de loop van de tijd ‘veiliger’ gemaakt met rotondes. Of dat daadwerkelijk invloed heeft op cijfers van (bijna) ongevallen waag ik te betwijfelen, want zowel automobilisten als fietsers  hebben ogen voor, achter en opzij nodig.

Ik ben geen held in het rijden in het donker, maar wanneer ik vaker de route rijd, durf ik het aan, alhoewel veranderingen in het wegennet binnen no time doorgevoerd kunnen zijn, zoals ik ondervond.
Afkomstig van een afspraak reed ik enigszins op de automatische piloot de bekende weg en nam telkens de juiste afslag op de rotondes, totdat…

Wát? Het asfalt ging over in zand en links en rechts doemden er rijen in aanbouw zijnde huizen voor mijn koplampen op. Dit kan niet, waar ben ik in godsnaam terecht gekomen? Het voelde erg onwerkelijk en ik twijfelde aan mijn verstandelijke vermogens.
Met geen mogelijkheid kon ik een oriëntatiepunt ontdekken.
Mijn navigatiesysteem moest uitkomst bieden en ik stelde mijn huisadres in. “Rijdt rechtdoor”, maar dát was nu net iets wat helemaal niet mogelijk was. Het systeem herkende de weg niet en pakte een willekeurige hemelsbrede, niet bestaande verbinding.
Pikdonker, geen straatverlichting, geen hond te bekennen en daar stond ik dan. Lichtelijke paniek voelde ik omhoog kruipen en ik kon die met moeite terugduwen.
De auto keren was de enige oplossing en ik hoopte maar dat ik tussen al dat zand weer weg zou komen.
Het lukte. De navigatie was zich nog steeds aan het resetten en ik reed willekeurig de eerste de beste geasfalteerde straat in. Eindelijk pakte de navigatie de route op en begeleidde me naar een rotonde. In een keer zag ik waar ik de fout in was gegaan. De rotonde had recentelijk een extra afslag gekregen, rechtstreeks de nieuwbouwwijk in en juist die afslag had ik genomen.
 
© Vera Oor, 2024
Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...