De grote rode kater Teunis was voor de duivel nog niet bang, zei hij meermaals en hij wilde op zoek gaan naar het mystieke huis waar hij zijn baasje steeds over hoorde praten. Om zich heen had hij nog eens elf flinke katers verzameld die met hem mee wilden gaan: rode, zwarte, zwart-witte en grijze. Het moment om eropaf te gaan had zich rondgemiauwd en 30 juni, na middernacht zouden alle katten zich verzamelen bij de waterpomp in het midden van de nederzetting.
Wat niemand in het dorp weet is, dat ik de kracht bezit om me te transformeren. Vannacht, 30 juni, is dat tot een kat. Ik sluit me aan bij het gezelschap.
Om me heen voel ik de onderzoekende blikken. De katers kennen me niet en ik stel mezelf kort voor. ‘Meestal ben ik binnen, maar ik hoorde van jullie plannen, dus ik ben er tussen uit gepiept.'
Ik zie instemmend geknik. Teunis kijkt me aan en ik constateer dat hij me "weegt". Uiteindelijk heft hij zijn voorpoot en geeft me een klapje in mijn nek. De rest volgt het voorbeeld van Teunis en zonder verdere plichtplegingen gaan we op pad.
Ik loop met het bontgekleurde gezelschap richting Duivelsberg. Katten kunnen bijzonder goed zien in het donker, dus toortsen zijn niet nodig. Alle ogen knijpen we tot spleetjes, zodat we niet al te veel opvallen met onze groene ogen en geruisloos lopen we op onze voetkussentjes het dorp uit. Aangekomen bij de bosrand staat Teunis plotseling stil en de anderen botsen tegen hem aan. Als laatste kan ik nog net op tijd stoppen.
‘Stttt...’
In de verte is een geluid te horen, het lijkt op het geluid van klokken, kort en melodieus. Dertien paar oren spitsen zich. Dertien paar ogen kijken elkaar aan met op de achtergrond het spookachtige geluid.
‘Teunis wat doen we?’ vraagt de kater voor mij en ik hoor een kleine vibratie in zijn stem.
‘We gaan ernaartoe, kom op.’
‘Ja, maar als…’
‘Niet mauwen, als je niet mee durft te gaan, dan kies maar het hazenpad en keer om.’
Uiteindelijk wil geen van de katers zich laten kennen en sluipend vervolgen we onze weg, in de richting van het geluid.
Djzomp, in een keer zakt Teunis met zijn voorpoten weg in een modderpoel. Met vereende krachten trekken we hem er weer uit. En daar zien we de klokkenluiders: heel veel padden in en rond de poel. Het zijn vroedmeesterpadden die kort na zonsondergang hun geluid laten horen, dat doet denken aan het geluid van klokjes. Ze lijken totaal niet onder de indruk van de grote hoeveelheid katten en kijken ons vragend aan.
‘Hoe komen we bij het verlichte huis, weten jullie dat?’ doorbreekt Teunis het klokgelui.
Een van de padden neemt het woord. Hij weet wat Teunis bedoelt en vertelt dat de overlevering er melding van maakt dat ‘s avonds geesten neerdalen in het bos. Onder luid gezang en ondersteund door omhoogtrekkende gebaren halen ze een huis uit de grond naar boven. Op hetzelfde moment ontstaan dan ook de lichtjes.
‘Wij hebben het ook nog nooit van dichtbij gezien, we blijven bij onze poel, waar hooguit de heksen wel eens komen en deelnemen aan de Heksendans.’
‘Willen jullie niet weten hoe het zit?’ informeert Teunis verbaasd over zo weinig belangstelling voor het fenomeen.
‘Man, schei uit. We hebben nog maar net de paddentrek van het voorjaar achter de rug. We hebben het veel te druk met onze voortplanting. Kijk om je heen, allemaal vrouwtjes vol met eitjes en het kleinere mannetje dat erbovenop zit en de vrijkomende eitjes bevrucht.’
Teunis trekt zijn schouders op, ongeïnteresseerd in de voorplanting van padden en instrueert ons: ‘Houdt elkaar vast. Pak met je bek de staart van je voorganger vast, dan kunnen we elkaar niet kwijtraken.’
Met een zo groot mogelijk omtrekkende beweging om de poel vertrekken we in kattenoptocht het duistere bos in. Boven onze koppen geven contouren van overhangende takken ons het gevoel, dat we gegrepen kunnen worden door onzichtbare vijanden. De adrenaline stijgt en mijn hartslag stijgt evenredig mee naar een onverantwoorde hoogte. Ver boven de bomen verschijnt een maansikkel, die het idee van een spookslot compleet maakt.
Dan verschijnt tussen de bomen een groen licht en doemen de contouren van een huis op. Muisstil blijven we staan en aanschouwen het fenomeen. We zetten allemaal een hoge rug op, maar blazen laten we wel uit onze kop. Wie weet wat we dan over ons afroepen. We verspreiden ons en kijken veilig vanachter boomstammen naar het huis. Een groen verlichte weg loopt erheen. Over de grond kruipen groen uitstralende wormen, de vrouwtjes van glimwormen. Rondom het huis en boven de glimwormen zijn honderden kleine lichtjes zichtbaar: vuurvliegjes die het huis verlichten.
Poot voor poot lopen we in de richting van het huis, veilig achter Teunis aan. De wind trekt aan. Dan opeens lijkt het huis te bewegen, enigszins zwierend, een trage wals. Ademloos kijken we toe en maken ons zo klein mogelijk, plat op de grond en de oren in de nek. Een zurige geur uit de vochtige mos- en bosgrond drijft mijn neus in en met moeite onderdruk ik een opkomende niesbui.
Ik verstijf bij een lichte aanraking, die over mijn rug glijdt en om me heen zie ik aan de reacties van de anderen, dat zij hetzelfde ervaren. Onzichtbaar strelen, heel lichtjes dat na de aanraking meteen oplost. Het schorre geluid van een kraai, de begeleider van een van de heksen, onderweg naar de heksendans bij de paddenpoel? Een suizend geluid valt ons van boven aan, het donker wordt nog een slag donkerder en ik klauw mijn nagels in een boomstronk om niet meegezogen te worden in de trage, vrijwel geluidloze vleugelslag van een jagende uil, even later gevolgd door de mysterieuze roep van een van zijn soortgenoten.
De ochtendschemering zet in en we zien iets meer van de omgeving. We zitten tussen de varens, die wuiven in de wind en over onze rug heen wrijven met hun vederachtige bladeren.
De groene lichtjes van de glimwormen vervagen enigszins en het huis lijkt zich op te lossen in de lucht. Wat resteert zijn enkele statige, dicht bij elkaar staande bomen, waarvan de dikke takken in elkaar grijpen. Geen huis, geen heksen, geen spoken. Gewoon natuurverschijnselen, zinsbegoocheling. Ik neem me voor morgenavond rond dezelfde tijd deze route opnieuw te lopen, als mens en me te laten begeleiden door enkele dappere dorpsbewoners om hen deelgenoot te maken van mijn ontdekking.