Ontspullen




Een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd. Ik kan me wel vinden in deze uitdrukking maar het lijkt momenteel of iederéén aan het opruimen is geslagen. Is het in al die hoofden dan zo’n chaos? Het heeft er weleens wat van weg, als ik zie en hoor hoe mensen aan de slag gaan met opruimen. Ongetwijfeld zal het iets te maken hebben met de leeftijd van mij en de mensen om mij heen, maar het valt me op.

Opmerkingen als: “Ik moet echt gaan opruimen”; “Eindelijk die zolder aanpakken”; “Er staan nog ongeopende dozen van de verhuizing”; “Alles weg”.

Een schrikbeeld dat voor hun geestesoog opdoemt: De kinderen die tussen alle spullen zitten. “Dat wil ik ze niet aandoen”. En vragen die ze zichzelf stellen, zoals: “Voor mij heeft het waarde, maar wie wil dit hebben als ik dood ben?”

Opruimen kost tijd, energie en emotie. Herinneringen glijden door je vingers, laten je een deel van je leven opnieuw beleven. Voor je het weet, zit je dagen later tussen dezelfde dozen en herinneringen, alleen anders gesorteerd. Afscheid nemen blijft lastig. Spullen waarvan je niet eens meer wist dat je ze had, maar die nu opeens bruikbaar lijken. Bewaren of wegdoen?

De rit met het overtollige spul naar de kringloop of de stort. Hoe grondig je ook opruimt, vroeg of laat zul je jezelf betrappen op die ene gedachte: O ja… dat had ik ook. Nu zou het van pas komen. Maar helaas, het is weg.

Ontspullen wordt het ook wel genoemd. Weg met zoveel mogelijk spullen die je niet of nauwelijks gebruikt. Soms lijkt het bijna obsessief. Heb je eindelijk die zolder opgeruimd, komt de kelder aan de beurt, of de schuur. Het doel was toch een opgeruimd hoofd? Het kost nog aardig wat hoofdbrekens voordat je eindelijk zover bent.

Geplaatst in de rubriek Gastschrijvers van de Gelderlander
© Vera Oor, 2025

Showroom

 
Johan parkeert zijn auto en stapt uit. Hij pakt zijn rugzak met daarin de camera en het schrijfblok van de achterbank. Zelfverzekerd stapt hij af op een vrouw die op haar fiets wil stappen.
‘Mag ik je iets vragen?’ Zonder haar antwoord af te wachten, stelt hij de vraag: ‘Waar kan ik hier iemand vinden die apart zou moeten zijn?’
‘Goedemorgen,’ zegt ze en kijkt hem taxerend aan. Dat dat niet in zijn voordeel uitvalt, is snel duidelijk als ze haar mondhoeken iets optrekt, haar hoofd schudt en met de nadruk op het woord u antwoordt: ‘U bedoelt Andreas, vermoed ik. Die woont in het laatste huis van deze rij. Goedendag.’
Johan neemt niet de moeite om haar te bedanken en loopt de rij huizen langs, die hij nog geen blik waardig keurt. ‘Eenheidsworst,’ mompelt hij binnensmonds zijn conclusie. Bij het laatste huis is een man op leeftijd voorovergebogen zijn tuin aan het schoffelen. Hij richt zich op als Johan hem aanspreekt: ‘Ben ik hier bij Andreas?’
‘Ik ben Andreas,’ bevestigt de man terwijl hij op de steel van schoffel leunt.

‘Ik ben voor de column “Showroom” van de regionale krant op zoek naar aparte mensen. Jij zou zo iemand zijn. Wil je me wat vertellen over jezelf?’
‘Loopt ú maar met me mee,’ nodigt Andreas hem uit en loopt naar de deur. Op het rooster bij de voordeur trekt hij zijn schoenen uit en loopt op zijn sokken voor Johan uit. Johan volgt hem. Afdrukken van zijn natte schoen blijven achter op de lichte vloerbedekking. Andreas wijst Johan een stoel aan de eettafel en neemt tegenover hem plaats. ‘Wat wilt u weten?’
‘Wat maakt je apart, anders dan anderen?’
‘Nou ja, ik woon hier al vijftig jaar. Ik haal boodschappen voor mensen uit deze straat, die slecht ter been zijn. Zo nu en dan houd ik hun tuintjes bij en zorg ik ervoor dat de stoep sneeuwvrij wordt gemaakt. Kinderen uit de buurt komen met hun vondsten uit het bos naar me toe om te horen wat voor bijzonders ze gevonden hebben.’
‘Wat voor bijzonders is dat dan?’ buigt Johan zich enigszins naar Andreas toe. Dit is waar ik voor kom, denkt hij. Hij zal ze op de redactie eens verrassen met wat hij boven water krijgt tijdens dit gesprek. Dit werk is me op het lijf geschreven. En ooit zullen ze me vragen om het programma Showroom op televisie opnieuw op te starten.

Hij denkt terug aan het sollicitatiegesprek enige tijd geleden. De personeelsfunctionaris had hem na afloop van het gesprek gezegd, dat ze het met hem wilden proberen. ‘Je kunt hier nog veel leren,’ zei ze. Hij had zich ingehouden en verder niet meer geantwoord. Veel leren, echt niet. Hij wist alles wel, vond hij zelf, en kon de ervaren journalisten nog wel wat leren.

Andreas is een mensenkenner en schat hem in. ‘Nou, met dat bijzondere ding dat ze hadden gevonden in het bos. De kinderen hadden het in een tas gedaan en brachten het naar mij omdat ik hier in mijn tuin schatten verzamel.’
‘Die wil ik weleens zien,’ nodigt Johan zichzelf uit voor een bezoekje aan de tuin.
Nieuwsgierig kijkt hij rond in de tuin die Johan met een wijds armgebaar aanprijst als zijn schat. Johan kijkt hem vragend aan.
‘Kijk,’ zegt Andreas, en wijst hem op een kleine vogel, die zijn snavel al openspert. ‘Dit is toch geweldig? De schatten van de natuur en ik mag voor dit uit het nest gevallen uiltje zorgen.’
‘Is dat alles?’ wil Johan weten.
‘Ja jongen, kijk om je heen. Kijk naar al die diertjes die hier rondlopen tot ze groot genoeg zijn om er zelf op uit te trekken.’
Johan probeert zijn teleurstelling niet eens te verbergen. ‘Ik denk dat ik iemand anders moet hebben voor mijn interview. Iemand die apart is.’
Andreas gniffelt en begeleidt hem naar de voordeur. ‘Jong, in alle huizen hier wonen aparte mensen. Ieder heeft zijn of haar eigen aardigheden.’
‘Eigenaardigheden, bedoel je zeker,’ verbetert Johan hem.
Andreas kijkt hem indringend aan. ‘Nee, zoals ik al zei: eigen aardigheden. We weten van elkaar waar iemand goed in is of waar die juist hulp nodig heeft. We kennen elkaar en dat kan lang niet van alle steden of wijken gezegd worden. Misschien werd dat bedoeld toen jij hiernaartoe gestuurd werd om een apart mens te zoeken.’
Andreas opent de voordeur en laat Johan uit. ‘O ja, weet je waarom je juist bij mij terecht bent gekomen?’
Hij wijst op het naamplaatje aan de voorgevel met de naam: A.Part.

©Vera Oor, 2025

Peruaanse theebladeren

 
Wat ik nog niet wist: Beertje Paddington komt oorspronkelijk uit Peru. Zijn rode hoed en het koffertje met een geheime ruimte waren hem nagelaten door zijn oom. Toen zijn tante naar een bejaardenhuis moest, zette ze hem als verstekeling op een boot. Uiteindelijk belandde hij op station London Paddington, waar hij gevonden werd. Inmiddels is hij een wereldster en heeft die faam nog eens versterkt door zijn aandoenlijke theemoment met queen Elizabeth, korte tijd voordat zij overleed.

Sindsdien is hij niet meer gezien op Buckingham Palace. Hij heeft lange tijd getreurd na het overlijden van de Queen. Om zichzelf te troosten verslond hij de nodige potten marmelade, die hij in zijn koffertje stopte en meesleepte naar Hyde Park, waar Paddington zijn tijd doorbracht. Zijn rode hoedje hing slap om zijn koppie en hij sjokte met zijn kop naar beneden van bank naar bank. Hij zag voorheen altijd wit om zijn neus, maar dat was niet meer zichtbaar. Hij verwaarloosde zichzelf en begon er smoezelig en rafelig uit te zien. Eerder werd hij nog weleens begroet door kinderen die naar hem zwaaiden: ‘Hoi Paddington,’ maar dat werd almaar minder nu hij er zo slonzig bij zat en de kinderen het park niet meer bezochten vanwege de ingetreden kou.
Om zichzelf te beschermen tegen de weersinvloeden, knoopte hij de houwtjes-touwtjes van zijn blauwe jas stevig dicht en trok de hoed ver over zijn ogen. Hij voelde de stramheid optrekken in zijn poten en liep steeds moeizamer. Uiteindelijk vond hij een plekje onder de struiken aan de rand van Buckingham Palace, van waaruit hij weemoedig naar het raam keek van de ruimte waar hij de laatste keer binnen was geweest en thee had gedronken.

De kleine beer wrong zich door de mensenmassa’s heen om een glimp op te vangen van de wisselingen van de wacht. Hij voelde zich op die momenten weer verbonden met het paleis. Voor deze gelegenheden had hij uit een prullenbak in Hyde Park een weggegooide regenjas gevist, die hij aantrok om niet op te vallen. Niemand zag dan wel beertje Paddington, maar des temeer rook men hem. Zijn poten verloren geleidelijk aan kracht en de deksels van de potten marmelade kon hij niet goed meer dichtdraaien, waardoor de sinaasappelgeur kon ontsnappen.

Tot op heden is hij niet herkend, maar vandaag is anders. Het terrein is nog meer afgezet want er komt hoog bezoek: King Charles en zijn vrouw Camilla komen de vorderingen in de verbouwing van het paleis bekijken. Deze verbouwing duurt tot 2027 en tot die tijd wonen ze ergens anders. 
Niemand heeft erg gehad in Paddington, die in zijn schuilplaats is blijven zitten, maar op het moment dat de koninklijke auto voorrijdt, waagt hij zich wat dichterbij. De koning en zijn vrouw stappen uit, op de voet gevolgd door hun twee trouwe viervoeters: Beth en Bell. Die hebben het nog eens ver geschopt, denkt Paddington. Van asielhonden tot koninklijk gezelschap en een steek van jaloezie trekt door hem heen.
Voordat Paddington de kans krijgt om weg te lopen, komen de twee hondjes op hem afstormen. Ze hebben hem geroken. Natuurlijk kennen zij hem aan zijn geur, ze hebben hem ooit ontmoet bij de queen. Paddington strompelt weg, maar de honden halen hem in. ‘Paddington, stop,’ keffen ze als ze aan weerskanten van hem opduiken. ‘We doen je niks.’
Charles en Camilla staan op afstand toe te kijken waar hun honden naar toe zijn gerend en, ondanks zijn erbarmelijke toestand, herkennen ze Paddington.
‘Och Paddington, hoe gaat het met je?’ vraagt Charles. ‘Ik heb je nooit meer hier gezien.’
Paddington buigt zo diep mogelijk, maar hij verliest zijn evenwicht en valt plat op zijn snuit voor Camilla op de grond. Zij raapt hem onmiddellijk op en kijkt bezorgd in zijn ogen. ‘Charles, het gaat niet goed met hem. We nemen hem mee naar binnen.’

Ondanks de verbouwing is er nog stroom en water aanwezig in het paleis en met veel liefde verzorgt Camilla Paddington, die het zich allemaal aan laat leunen. Geleidelijk aan begint hij te genieten van de aandacht en ontspant zijn lichaampje zich. Uit een van de kastjes in de badkamer tovert Camilla een föhn tevoorschijn, waarmee ze zijn vacht droogt. Hij glanst en het wit om zijn neus is weer zichtbaar. Charles heeft inmiddels het rode hoedje en de blauwe jas gewassen en gedroogd en overhandigt de kledingstukken aan Paddington. Nu lukt het buigen wel en Paddington buigt diep voor het echtpaar. ‘Dank u wel, dank u wel.’
‘Kom Paddington, loop maar mee naar de salon. We zullen vast nog wel thee kunnen krijgen.’
Paddington springt van de stoel bij de salontafel, wanneer de lakei binnenkomt met heet water en kopjes. ‘Mag ik het alstublieft verder verzorgen?’ vraagt hij met een benepen stem. 
De lakei kijkt vragend naar Camilla, maar op haar handgebaar zet hij alles voor Paddington op een tafel neer. Die sleept zijn koffertje erbij en zorgvuldig opent hij het slot daarvan. De potten marmelade zet hij even opzij en dan…opent hij het geheime vak. Een dienblad met Peruaanse afbeeldingen diept hij eruit op en zet het op de tafel. Dan duikt hij met zijn snuit nog dieper in het geheime vak. Ja, gevonden! De Peruaanse theebladeren. Voorzichtig schuifelt hij met het dienblad tussen zijn pootjes naar het koninklijk paar en kijkt hen verwachtingsvol aan.
‘Ja, graag Paddington.’
Hij begint van top tot teen te glunderen en schenkt met trillende pootjes voorzichtig de thee in de klaargezette kopjes.

©Vera Oor, 2024

Date met een 91-jarige

 

Vandaag heb ik een date met een 91-jarige man. Hij staat me al op te wachten bij de voordeur van zijn appartement. Ik weet dat hij een fanatiek NEC fan is, dus het verbaast me niet dat de vlag van dit cluppie op zijn balkon hangt.
‘Je lijkt op je vader,’ begroet hij me met een stevige handdruk. 

Enkele jaren geleden begon onze eerste kennismaking: na een bericht op facebook waarin ik trots een blauw-wit bord laat zien, dat door mijn opa geschilderd is toen hij werkte op plateelbakkerij Oud Delft in Nijmegen.
Korte tijd later een telefoontje: ‘Hallo, met Ap. Ik heb nog met je vader gewerkt en je opa heeft mij leren plateelschilderen.’
Dit speelde in 1921, midden in coronatijd en we spraken af dat ik een keer naar hem toe zou komen als dat weer verantwoord was. Dan zou Ap me meer vertellen over zijn Oud Delfttijd tussen 1953 en 1963. 

En nu, eindelijk, zit ik tegenover Appie. Trots laat hij me zijn collectie Delfts blauw aardewerk zien, dat hij zelf geschilderd heeft, nadat hij eerst drie maanden door mijn opa ingewerkt was. ‘Een heel aardige, rustige man, die alle tijd voor me nam,’ zegt Ap. ‘Hier hangt zelfs nog mijn diploma uit 1953. Dat moet door je opa ondertekend zijn, want hij was mijn leermeester.’
‘Hoe ging dat eraan toe op Oud Delft, aan de Molenweg?’ vraag ik. Natuurlijk ben ik nieuwsgierig naar meer informatie over de tijd dat hij met de ‘Oren’ werkte op Oud Delft.
‘Beneden in het pand werden de borden, vazen handmatig gedraaid op draaischijven. Het biscuitkleurig aardewerk kreeg daarna de eerste glazuurlaag in een bad, werd gebakken en daarna ging het aardewerk naar boven, naar het atelier. Ca 30-40 personen werkten daar. Links de mannen, rechts de vrouwen. De vrouwen brachten de randen aan en de mannen schilderden de patronen in. Ieder had zijn eigen specialiteit.’
 
In die tijd werden de afbeeldingen met een ponsief overgebracht op het aardewerk: een soort overtrekpapier waarin het motief met een naald was doorgeprikt. Daar wreef de schilder met een zakje houtskoolpoeder overheen en stond het motief op het aardewerk. Daarna werd het handmatig ingeschilderd.
En dat was een precies werkje, wat om een vaste hand vroeg, zodat de penseelstreken met blauwe verf zorgvuldig aangebracht konden worden op het witte bord. De schilderingen varieerden van afbeeldingen van “Oude Meesters” tot fantasiefiguren. Maar ook bijvoorbeeld de gevel van een gebouw, op bestelling ter gelegenheid van een jubileum. Overigens niet alleen blauw, eveneens gekleurde motieven.
Ap: ‘Je kon echt wel zien of dat door een ervaren plateelschilder was gedaan.’
Tot slot kreeg het aardewerk nog een glazuurlaag en werd gebakken.

Mijn opa heeft daar tot aan zijn pensionering gewerkt. Dat was anders voor Ap en zijn verhaal herken ik van mijn vader, die het na enige tijd ook voor gezien hield. De uitspraak van Ap is tekenend voor die beslissingen: ‘De beloning was belabberd. Het loonzakje was gemaakt van uienschillen,’ zegt Ap bloedserieus. Op mijn vragende blik, verklaart hij lachend: ‘De tranen sprongen je in de ogen.’
Kijk, en zo hoorde ik ook nog eens iets van de escapades van mijn vader in die tijd. 'Kom, Ap, we fietsen naar Grave.Net over de brug zit aan de linkerkant een frietzaak. En daar…werkt een leuke vrouw. '
Nee hoor, zij is niet mijn moeder geworden.

©Vera Oor, 2025

Een betoverend optreden

 

De concerten op de locatie midden in het park zijn altijd goed bezocht. Als het nog licht is, vinden de toehoorders, onder leiding van een ervaren gids, hun weg naar de verscholen en beschutte plek. De bladerkronen vormen een natuurlijk afdak boven de rijen eenvoudige banken van met mos begroeide planken, laag en zonder leuning. Ze gaan naadloos op in de gehele entourage, zoals je in deze sprookjesachtige omgeving mag verwachten.
De duisternis valt in. De bosvogels zingen hun laatste lied van vandaag, ondersteund door een orkest van licht ruisende bladeren.
De schemer gaat over in nacht en het publiek is onzichtbaar. Het podium in de vorm van een uitgehold tv-scherm is gehuld in een mystiek, diffuus licht.

Ieder houdt de adem in bij de eerste, glasheldere klanken van de harp. Degenen die geloven in sprookjes sluiten hun ogen en dromen weg in de armen van bosfeeën en elfjes. Een bosfiguur zit in de kast op een grillige boomstronk. Zijn groene, vilten hoed zakt gedeeltelijk voor zijn ogen, zijn ene been trekt hij omhoog en laat het rusten op een uitsteeksel van de stronk. Zijn schoeisel van soepel, bruinrood leer mondt uit in een punt bij de tenen en krult daar omhoog. Bij de enkel plooit het leer zich om zijn onderbeen. Hij zet de blokfluit aan zijn mond en stuurt de warme tonen de lucht in.
De tot nu toe nog donkere tegenoverliggende hoek van de kast hult zich geleidelijk in een turquoise licht, waardoor rond de blonde haren van de violiste een halo ontstaat. De viool, blokfluit en harp lijken een muzikaal gesprek te voeren.

Vanuit de zijkant loopt een tengere gestalte het podium op. De crew achter de kast houdt elkaar stevig vast. Als geen ander weten zij hoeveel hun collega moet overwinnen om in de subtiele spotlights te gaan staan. In het verre Italië, waar ze inmiddels een bekend muziekgezelschap zijn, speelt deze angst geen rol meer, maar hier, in het geboortedorp…
De lange haren van de zangeres onttrekken haar gezicht aan het oog van het publiek, dat niks merkt van de lichte aarzeling en de trilling in haar stem als zij invalt in de donkere, langzame tonen van de viool. Loepzuiver zingt ze de eerste strofe van Solveigs song uit de Peer Gyntsuite van Grieg. Als licht, klaterend water vloeien de hoge tonen haar mond uit.
Na het wegsterven van de laatste klanken van de muziekinstrumenten en zang is het publiek een moment stil, waarna het losbarst in een daverend applaus dat blijft hangen tussen de omringende bomen. Een voor een stappen de muzikanten en de zangeres het podium af, uit de kast. Met diepe buigingen nemen ze afscheid van hun toehoorders. Voor hen is slechts de eerste rij van de toehoorders zichtbaar in het weinige licht dat uit de kast straalt. Alle anderen gaan op in de donkere omgeving.

Wanneer de gids de mensen wegleidt van deze plek, vindt bij de artiesten een ontlading plaats waarbij zij zich scharen om de zangeres, die met een ruk haar pruik van haar hoofd trekt. Haar, nee zíjn, fijnbesneden gezicht ontspant zich en zijn donkere ogen vullen zich met tranen. Hij leunt een moment zwaar op de bosfiguur, die naast hem staat. ‘Het is me gelukt,’ fluistert hij.
Iedereen weet wat hij bedoelt, deze eerste stap uit de kast in zijn conservatieve geboortedorp.
‘Hebben jullie die man met zijn blindenstok op de eerste rij zien zitten?’ vraagt hij zijn collega’s.
Die knikken. Geen van hen was de ontroering ontgaan van deze, kwetsbaar ogende man.
‘Hij was het, die mij twintig jaar geleden, op het schoolplein in elkaar sloeg en mij uitjouwde, bijgevallen door zijn vriendjes : ‘Flikker, je bent een flikker, met je hoge piepstem.’

©Vera Oor, 2025
 
 
 
 
 

Succes mereltje

Was hij naar buiten gebonjourd omdat het tijd werd volgens zijn ouders? Had hij te veel haast gehad om het vertrouwde nest te verlaten? Had hij zijn evenwicht verloren bij het naar buiten kijken? Of was hij eruit gewaaid bij deze straffe wind?

Och, daar zat hij. Bijna had ik hem niet gezien. Doodstil op de stoep. 
Een bruine vogelbol.
Ik verwachtte dat hij weg zou vliegen als ik me zou bewegen, maar hij bleef zitten. Ik liep naar hem toe en knielde naast hem neer. Zijn oranje bekkie was goed zichtbaar omdat hij zijn snavel geopend had en bleef houden.

‘Och beessie, heb je dorst?’ vroeg ik, maar kreeg uiteraard geen antwoord. Behoedzaam strekte ik mijn hand naar hem uit om te kijken hoe hij daarop zou reageren. Dezelfde houding, geen reactie. Voorzichtig streelde ik over de gespikkelde rug. Toen ik nog steeds geen reactie zag, ben ik wat water gaan halen en heb dat in zijn bekkie laten druppelen. Dat leek een goede zet. Hij slikte het door, nam nog een slok, maar bewoog verder niet. Bij de hals piepten witte donsveertjes tussen het verder donker- en lichtbruin gestippelde verenkleed uit. 
De stoep leek me nu niet de meest handige plaats en ik heb hem een halve meter verderop in het gras gezet, in de hoop dat de ouders in de buurt zouden zijn. Zelf ben ik een flink eind verder gaan zitten om te kijken wat er zou gaan gebeuren en vooral om evt. aanvallers misschien op tijd weg te jagen. Aan eksters en kraaien geen gebrek.

Niet bewegen, mijn hoofd niet draaien, maar eindelijk: papamerel landde op de pergola. Het diertje in het gras reageerde en strekte zijn kop uit. Even later sperde hij af en toe zijn snavel open, maar maakte geen geluid, hopend op een verse worm van papa.
Papa floot er lustig op los en bleef op zijn positie zitten. Even later: moeder kwam er ook bij.
Jeetje, het leek wel een stilleven. Geen van de vogels bewoog, totdat: de kleine in een keer begon te rennen op zijn dunne pootjes. Waarschijnlijk was dat zijn aanloop om te kunnen vliegen. Daar ging hij, de wijde wereld in. Succes mereltje.

©Vera Oor, 2025

Vakantieman


Alex werpt een blik over de kabbelende golfjes. Een surfer probeert de baas te worden over zijn plank, enkele kinderen spetteren vrolijk in de branding.



Hij loopt een man en vrouw voorbij, die emmertjes, schepjes en ander speelgoed verzamelen en in de tas stoppen.

Zeker de opa en oma van de kinderen, denkt Alex als hij hun knikje beantwoordt. In gedachten dwaalt hij een moment af naar zijn eigen kleinkinderen. Over enkele dagen ziet hij ze weer, als ze mee mogen om hem op te halen op het vliegveld. Hij krimpt in elkaar als hij nu al denkt aan de gemaakt vrolijke stem van zijn dochter: ‘Heb je een fijne vakantie gehad, pa? Je bent lekker bruin geworden. Goed dat je er even tussenuit bent gegaan.’
 
Alex schopt een schelpje omhoog en voelt het zand tussen zijn tenen doorglippen. De geur van zonnebrandcrème hangt nog over het nu vrijwel lege strand. Dat heeft hem nooit getrokken, dat liggen bakken in de zon, maar ach, elke dag ging hij wel even mee. Deze vakantie ook, bijna obsessief sleepte hij zich om 10.00 uur naar een strandstoel en verliet die om 12.00 uur, om naar het lunchbuffet te lopen. Zijn routine van een korte strandwandeling aan het begin van de avond heeft hij ook voortgezet, zoals hij altijd heeft gedaan.
Hij staat stil en staart naar het hotel waar hij, net als andere jaren kamer 15 heeft geboekt. Een kamer met zeezicht. Daar genoot… Nee, niet aan denken nu, probeert hij zichzelf te beschermen.
 
Hij wandelt naar het terras van een strandtent. Ook die maakte deel uit van de routine, elke avond een drankje. Hij is er nu nog niet geweest, maar dwingt zichzelf erheen te gaan, het advies van zijn vrienden in gedachten: ‘Het hoort erbij,’ zeiden ze. ‘De eerste keer is altijd moeilijk.’
Op het terras bij het restaurant ziet hij nog een vrije plek met twee stoelen. De barman knikt hem vriendelijk toe en stapt op hem af. ‘Ik dacht al dat het zo langzamerhand wel weer de tijd zou zijn, dat jullie hier komen. Het eerste drankje is voor mijn rekening. Zoals altijd een koud biertje en een glas rosé voor…?’
Alex buigt zijn hoofd. ‘Alleen een biertje,’ fluistert de eenzame vakantieman.

©Vera Oor, 2025

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...