De concerten op
de locatie midden in het park zijn altijd goed bezocht. Als het nog licht is,
vinden de toehoorders, onder leiding van een ervaren gids, hun weg naar de
verscholen en beschutte plek. De bladerkronen
vormen een natuurlijk afdak boven de rijen eenvoudige banken van met mos
begroeide planken, laag en zonder leuning. Ze gaan naadloos op in de gehele
entourage, zoals je in deze sprookjesachtige omgeving mag verwachten.
De duisternis valt
in. De bosvogels zingen hun laatste lied van vandaag, ondersteund door een
orkest van licht ruisende bladeren.
De schemer gaat
over in nacht en het publiek is onzichtbaar. Het podium in de vorm van een
uitgehold tv-scherm is gehuld in een mystiek, diffuus licht.
Ieder houdt de
adem in bij de eerste, glasheldere klanken van de harp. Degenen die geloven in
sprookjes sluiten hun ogen en dromen weg in de armen van bosfeeën en elfjes. Een
bosfiguur zit in de kast op een grillige boomstronk. Zijn groene, vilten hoed
zakt gedeeltelijk voor zijn ogen, zijn ene been trekt hij omhoog en laat het
rusten op een uitsteeksel van de stronk. Zijn schoeisel van soepel, bruinrood leer
mondt uit in een punt bij de tenen en krult daar omhoog. Bij de enkel plooit
het leer zich om zijn onderbeen. Hij zet de blokfluit aan zijn mond en stuurt de
warme tonen de lucht in.
De tot nu toe
nog donkere tegenoverliggende hoek van de kast hult zich geleidelijk in een turquoise
licht, waardoor rond de blonde haren van de violiste een halo ontstaat. De viool,
blokfluit en harp lijken een muzikaal gesprek te voeren.
Vanuit de
zijkant loopt een tengere gestalte het podium op. De crew achter de kast houdt
elkaar stevig vast. Als geen ander weten zij hoeveel hun collega moet overwinnen
om in de subtiele spotlights te gaan staan. In het verre Italië, waar ze
inmiddels een bekend muziekgezelschap zijn, speelt deze angst geen rol meer,
maar hier, in het geboortedorp…
De lange haren
van de zangeres onttrekken haar gezicht aan het oog van het publiek, dat niks
merkt van de lichte aarzeling en de trilling in haar stem als zij invalt in de
donkere, langzame tonen van de viool. Loepzuiver zingt ze de eerste strofe van
Solveigs song uit de Peer Gyntsuite van Grieg. Als licht, klaterend water vloeien
de hoge tonen haar mond uit.
Na het
wegsterven van de laatste klanken van de muziekinstrumenten en zang is het
publiek een moment stil, waarna het losbarst in een daverend applaus dat blijft
hangen tussen de omringende bomen. Een voor een stappen de muzikanten en de
zangeres het podium af, uit de kast. Met diepe buigingen nemen ze afscheid van
hun toehoorders. Voor hen is slechts de eerste rij van de toehoorders zichtbaar
in het weinige licht dat uit de kast straalt. Alle anderen gaan op in de
donkere omgeving.
Wanneer de gids
de mensen wegleidt van deze plek, vindt bij de artiesten een ontlading plaats
waarbij zij zich scharen om de zangeres, die met een ruk haar pruik van haar
hoofd trekt. Haar, nee zíjn,
fijnbesneden gezicht ontspant zich en
zijn donkere ogen vullen zich met tranen. Hij leunt een moment zwaar op de
bosfiguur, die naast hem staat. ‘Het is me gelukt,’ fluistert hij.
Iedereen weet
wat hij bedoelt, deze eerste stap uit de kast in zijn conservatieve
geboortedorp.
‘Hebben jullie
die man met zijn blindenstok op de eerste rij zien zitten?’ vraagt hij zijn
collega’s.
Die knikken.
Geen van hen was de ontroering ontgaan van deze, kwetsbaar ogende man.
‘Hij was het,
die mij twintig jaar geleden, op het schoolplein in elkaar sloeg en mij
uitjouwde, bijgevallen door zijn vriendjes : ‘Flikker, je bent een flikker, met
je hoge piepstem.’
©Vera Oor, 2025