Felix laat zijn rechterhand rusten op de zwarte aktentas die hij naast zich neer heeft gezet op een omgevallen boomstam. Dan lijkt het alsof het slot van de tas openklikt en er door een spleet nog meer flarden van herinneringen voorbij zweven: de zoete geur van een pannenkoek met stroop; het ontzag dat de trol met een knots op zijn rug hem inboezemde waardoor zijn altijd kwetterende mond stil bleef; de verlichte paddenstoelhoeden die hij met een vingertop aanraakte; de kronkelende bospaden met de afwisseling van ritselende bladeren en zacht, geluiddempend mos waar onverklaarbare geluiden tussen leken te zweven. Eeuwenoude bekende sprookjesfiguren, uitgebeeld in levensgrote beelden, stonden verspreid in het park om kinderen kennis te laten maken met de eeuwenoude verhalen die van generatie op generatie doorgegeven werden.
Oom Gerard, die verhalen kon vertellen alsof ze deel uitmaakten van het leven op dat moment. Half verscholen achter zijn oom wachtte Felix de reactie af van de boom.
Oom Gerard wist een eekhoorn in zijn verbeelding te laten groeien tot de poortwachter naar een sprookjesland met nieuwe verhalen over de eeuwenoude sprookjesfiguren: Hans en Grietje en Klein Duimpje vonden de weg naar een land van reuzen waarin snoep en koek in reuzenhoeveelheden voor het grijpen lagen; Pinokkio begon een eigen timmerwerkplaats; de zeven dwergen brachten een vakantie door bij kabouter Spillebeen; geitjes vijlden hun horens vlijmscherp en joegen de wolven weg.
Oom Gerard nam hem vaker mee en zo leerde hij ook Repelsteeltje kennen, die in de verhalen van oom Gerard geen goud meer spon, maar een collectie schoenen ontwierp die gebaseerd was op de ontwerpen van de dansende rode schoentjes en van de glazen muiltjes van Assepoester.
Niet alleen hij, maar ook enkele vriendjes van hem hingen aan Gerards lippen en lieten zich meevoeren naar sprookjesland.
De elleboogstoot die een jongen uitdeelt aan degene naast hem en een ander die zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd brengt, ontgaan Felix niet.
‘Jullie denken zeker dat ik gek ben. Nee hoor, dat is niet zo. Straks moet ik naar de notaris omdat mijn oom is overleden en ik zijn erfgenaam ben.’
‘Een notaris in dit park zeker,’ sneert een van de jongens.
‘Die zit in het dorp, maar ik was te vroeg voor de afspraak dus ik ben hierheen gelopen om te kijken hoe het er nu bij ligt. Weten jullie dat dit ooit een sprookjespark is geweest?’ vraagt Felix. ‘Kennen jullie eigenlijk de oude sprookjes?’
‘Sprookjes zijn voor kleuters, wij zijn al zeven jaar oud,’ antwoordt een andere jongen gewichtig met zijn handen in zijn zij. ‘Dit is gewoon een park en het enige dat hier leuk is, is dat we kunnen crossen met onze fietsen.’
‘Jongens, kom morgen weer hier, om een uur of twee, dan zal ik jullie meenemen naar sprookjesland,’ nodigt hij de kinderen uit voordat hij zijn tas pakt en met snelle pas naar het notariskantoor loopt.
De brede lach verdwijnt als hij bij zijn armen vastgegrepen wordt zodra hij dichtbij de boom met de uitstulping is. Ineens vliegt hij, alleen niet als in een sprookje, maar tussen twee bomen van kerels die hem optillen alsof hij niet zwaarder is dan een pak suiker. Spartelend probeert Felix zich los te wringen, zonder succes.
‘Wat mot je hier met onze kinderen?’ buldert een van de mannen in zijn oor. Een ander kijkt hem aan alsof hij zich klaarmaakt voor de aanval op een valse hond.
Dezelfde jongens als die er gisteren waren staan naast de mannen en roepen. ‘Ja, dit is die man.’
‘Sjeng, Wikkie, zet hem op zijn eigen voeten,’ beveelt een derde man het tweetal dat Felix in hun handen heeft.
Felix stopt met zijn gespartel en als de mannen hem daarna op de grond zetten, draait hij zich om en bekijkt ze eens goed.
‘Sjeng? Wikkie? Zijn jullie het? Kennen jullie me nog? Ik ben Felix Gijzen. Ik heb met jullie hier gespeeld,’ roept Felix enthousiast als hij de ongebruikelijke namen hoort van twee van zijn jeugdvriendjes. Hij kijkt naar de derde man en roept: ‘En jij bent Paddie.’
Doodse stilte, die ineens verbroken wordt door een luide schreeuw van de langste man: ‘Felix? Fikkie noemden we je. Wat doe jij hier? En waarom vraag je onze kinderen om hierheen te komen?’
Voordat een van de anderen de kans krijgt te reageren, gooit Felix, als een duveltje uit een doosje, een mededeling in de groep, waarna iedereen hem ongelovig aanstaart: ‘Ik heb gisteren de erfenis van oom Gerard geaccepteerd. Een bedrag om U tegen te zeggen en de opdracht om dit deels te besteden aan de herinrichting van dit park om het weer om te toveren tot een echt sprookjesland.’
Sprakeloos kijken zijn toehoorders hem aan, totdat een van hen bromt: ‘De gemeente werkt hier nooit aan mee, die heeft andere plannen.’
‘Klopt. Maar oom Gerard heeft voordat hij ziek werd al ellenlange gesprekken gevoerd met de wethouder en burgemeester. Hij heeft ze blijkbaar zover kunnen krijgen, dat op zijn kosten het verwaarloosde pannenkoekenrestaurant in ere kon worden hersteld en hij heeft de handtekening van de burgemeester gekregen op een contract waarin hij belooft het park nieuw leven in te blazen. Ook op zijn kosten uiteraard, want ik denk niet dat de gemeente daarvoor de beurs opentrekt.
‘Fikkie, dat heeft die oom Gerard van jou mooi geflikt. Ik wil je wel helpen,’ zegt Sjeng en geeft Felix een stevige klap op zijn schouders.
Felix kijkt hem lachend aan: ‘Doe je ogen dicht, haal diep adem door je neus en verbeeld je dat je achter een bruingebakken pannenkoek zit. De zoete geur van stroop snuif je op. Kom op, we gaan met zijn allen aan de pannenkoek. Ik trakteer. Of nou ja, eigenlijk trakteert oom Gerard.’