Notenkraker

 

De bel? Is Tuti er nu al? Ze heeft met haar vriendin afgesproken naar de schouwburg te gaan, maar het duurt nog uren voordat het zover is.  

Vol verbazing kijkt ze naar het gekleurde blok hout dat voor haar deur ligt. Ze pakt het op en bekijkt het eens goed. Dan ziet ze onmiddellijk wat het voor moet stellen: een notenkraker.


‘Nou, die heeft zijn beste tijd gehad,’ zegt Clara hardop en raapt hem op.  

De armetierige notenkraker zet ze op het bankje in de hal, misschien is het een grapje van Tuti, waarmee ze naar het ballet “de Notenkraker” gaat. Met een kop koffie nestelt Clara zich nog even lekker op de bank. Niet veel later hoort ze een dof geluid. Ze loopt naar de gang, waar het vandaan lijkt te komen en ze ziet de notenkraker op de grond liggen, met een omgeknikt hoofd.

 

‘Au, au.’

De notenkraker praat? Clara begint bijna aan haar verstandelijke vermogens te twijfelen, maar knielt naast hem neer en duwt zijn hoofd weer omhoog. Jakkes, hij is helemaal nat. De reden is al snel duidelijk: een aanhoudende stroom tranen loopt uit zijn geschilderde ogen naar beneden.

‘Ik wou dat ik wist wat hier nu aan de hand is,’ praat Clara in zichzelf.

‘U bent toch Clara?’ De notenkraker praat!

‘Ja,’ maar verwar me niet met de Clara uit het ballet. Ik zou willen dat het zo was, dat ik zo kon dansen.’

‘Iedereen die Clara heet, moet een goed mens zijn. Ik heb hulp nodig,’ kan ze uit zijn woorden opmaken.

De notenkraker vervolgt zijn verhaal, terwijl hij naast haar op de bank wordt gezet.

‘Ik ben afgedankt. Generaties lang kende men mij alleen uit het ballet en uit het muziekstuk. Nu staan alle winkels vol met de meeste idiote versies van een notenkraker, tot beertjes aan toe.’

Clara weet de oorspronkelijke betekenis van notenkraker. Het is een geluksbrenger die met zijn scherpe tanden, waar hij ook de noot mee kraakt, kwade geesten op afstand moet houden. Een notenkraker is altijd gekleed in een militaire uitrusting. Ja, ze snapt wel wat deze notenkraker bedoelt: ze is zelf ook gezwicht voor de verleiding om een notenkraker in de vorm van een kerstbal te kopen.

 

‘Ik begrijp wat je bedoelt, lieve notenkraker, de wereld is zo nu en dan op hol geslagen, maar troost je: in het ballet is er nog altijd een notenkraker die er uit ziet zoals jij.’

Voordat Clara er zelf erg in heeft, heeft ze ook de volgende zin gezegd: ‘Nou ja, in betere dagen dan. Je ziet er nu nogal, hoe zal ik het zeggen, verlept uit.’

De notenkraker laat zijn hoofd weer hangen.

‘Hoho, maar daar ga ik wat aan doen. Wacht, ik pak mijn schilderspullen erbij,’ zegt Clara terwijl ze hem op tafel zet.

Met uiterste precisie brengt Clara de vervaagde kleuren op het stuk hout weer tot leven en lijmt de verbinding tussen hoofd en lijfje vast.

‘Zo, nu nog even drogen en dan mag je vanavond mee naar het ballet. Ik stop je in mijn tas en als de zaal verduisterd is, haal ik je eruit. Je zult zien, dat de regisseur nog steeds de oorspronkelijke versie van de notenkraker laat zien in het ballet. Niet voor niks, is dit een ballet dat al jaren en jaren rond Kerstmis wordt uitgevoerd. Een beertje als notenkraker zou als een vlag op een modderschuit staan.’

Clara pakt haar föhn en zorgt dat de laatste restjes verf en lijm op tijd opgedroogd zijn, zodat ze haar belofte waar kan maken en hem vanavond mee kan nemen.

Daar hang ik

Mijn hoogtevrees speelt op en zweetdruppels parelen langs mijn gezicht. Hoe heb ik in godsnaam zo dom kunnen zijn om te denken dat ik hiermee mijn naam kon vestigen?
 
De eerste opdracht was geweldig en was me op het lijf geschreven: als living statue in een setting die de Japanse brug van Monet moest voorstellen. De achtergrond in de terrastuin van het kasteel was net zo sfeervol en kleurrijk als op het schilderij. De geelgroene treurwilgen contrasteerden met de uiteenlopende kleuren groen van overige begroeiing. De donkergekleurde, blauwgroene overgangen tussen de bomen leken op een ingang naar een achterliggend bos. Gefilterde zon legde een romantisch waas over deze achtergrond en weerkaatste in het water van de vijver. Drijvende leliebladeren ondersteunden de vele tinten wit en roze van de waterlelies. Ik stond op de boogbrug boven deze vijver.
Slechts gestoord door een enkele bezoeker die probeerde mij af te leiden van mijn opdracht: “Blijven staan als een vrouw, die gevangen lijkt in haar overpeinzingen, haar hand lichtjes rustend op de leuning van de brug.”
Het nauw aansluitende lijf van mijn jurk waaierde uit in een overvloed aan stof van de enkellange rok. Het satijn streelde mijn benen. Onder de schaduw van de parasol bleef mijn gezicht mysterieus verscholen.
 
De regisseur was enthousiast en, zoals Ricky me beloofd had, mocht ik de volgende opdracht uitvoeren om mijn geschiktheid voor het reclamebureau te bewijzen.
Maar nu kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan. Zelfs dát zal niet lukken, want mijn handen zijn vastgebonden aan de stoel en ik bungel aan een touw.
Was ik maar niet zo overtuigd geweest van mijn gedachte, dat Ricky kost wat kost míj wilde hebben. Nog zie ik me staan voor het reclamebord met de advertentie waarin ene Ricky aangeeft op zoek te zijn naar de vrouw in rode jas, die hij had gezien op een terras, terwijl ze een boek in de hand hield. Ricky, de man achter de reclames! Hij moest mij hebben, dat wist ik meteen, want ineens realiseerde ik me dat de starende ogen die ik op dat terras ontmoette, de zijne moeten zijn geweest. Ik rukte de advertentie van het bord en belde hem. De volgende dag ondertekende ik het contract.
 
De kramp in mijn handen wordt bijna onhoudbaar, mijn benen voelen loodzwaar aan en de hitte van de lampen boven me prikt venijnig door de knalrode kleding. Ik tel de tijd af op de grote klok tegenover me. Nog 10 seconden!
Een applaus valt me ten deel als ik met beide voeten op de grond sta en mijn handen weer vrij kan bewegen. Met mijn naar de grond gebogen gezicht, zo mogelijk nog roder dan mijn kleding, baan ik me een weg door de mensenmassa.
‘Succes,’ fluister ik het volgende slachtoffer toe, die nu aan de beurt is om omhoog gehesen te worden en te fungeren als een bungelende kerstvrouw.
In de stoel van de arrenslee, die hoog boven de mensenmassa in de nok van het tuincentrum zweeft, zit zij nu vastgebonden. Het tuincentrum neemt geen enkel risico dat ze eruit kan vallen. Haar jurk van rood vilt is afgezet met een witte bontrand en de kerstmuts van dezelfde stof met witte pompon hangt over haar blonde lokken. De fonkelende lichtbollen geven het geheel een sprookjesachtige aanblik, maar ik weet als geen ander dat dit vijftien eeuwigdurende minuten zullen worden, waarin ook zij doodsangsten uit zal staan en geen enkele mogelijkheid heeft van houding te veranderen. 

©Vera Oor, 2024

Dorpsplein bij nacht

 

Waar overdag het dorpsplein volgeplempt is met geparkeerde auto’s, is het ’s avonds leeg. Geen voertuig meer te bekennen op het grind onder de cirkel van oude, dikke platanen. Bij een van de bomen valt een klein paaltje ernaast in het niet. Het is vergroeid in de stam en ergens hangt een restant van het brede, zwarte band wat dit paaltje ooit verbond met de boom. Zijn functie van ondersteuning voor een piepjonge plataan is niet meer nodig. 
Een man loopt met zijn hond de avondronde en bij de laatste boom die het dier tegenkomt, tilt hij nog even zijn poot op. Zo, dat heb ik toch maar mooi geflikt, hoor je hem bijna denken. De heldere maan hangt als een kroonluchter boven het plein. De kruinen van de bomen raken elkaar aan en vormen een grillig gevormd takkennetwerk. Bruine vruchtbolletjes hangen slingerend onder de takken. Je oog moet er net op vallen, anders zou je het niet zien, maar op ca 15 centimeter boven de grond gaan kleine rood-zwarte luikjes open van het middeleeuwse pand, dat dienst doet als gemeentehuis.

Ik druk me tegen de muur en blijf roerloos staan. Ik ben benieuwd of ik vanavond een bevestiging krijg van mijn vermoeden van nachtelijke bezoekers die elkaar op het plein ontmoeten. Uit een van de luikjes piept een spits snuitje naar buiten. De snorharen verkennen trillend de omgeving en de donkere kraaloogjes observeren de omgeving. Er klinkt een hoge piep en binnen een mum van tijd zitten er wel twintig veldmuisjes op het grind. Snuffelend tussen al de steentjes gaan ze op zoek naar restanten van eten, die wandelaars daar hebben laten vallen. Dan valt mijn blik op de bolletjes onder de takken: ze worden verlicht door manestralen en bungelen heen en weer op een enkel zuchtje wind als te vroeg opgehangen kerstballetjes.Tussen de schors in camouflagekleuren kruipen insecten naar buiten die ’s nachts actief zijn.

Zonder dat ik er erg in heb, tikt de tijd voort en wordt de maan naar het westen verdrongen door de ochtendschemering. Alle pleinbezoekertjes verdwijnen weer naar hun verblijven. De man en zijn hond zijn uitgeslapen en beginnen aan hun ochtendwandeling. Hun adem vormt in de frisse ochtend nog kleine wolkjes uit de mond en bek. De hond trekt aan de riem om zijn baasje mee te slepen naar de boom die hij gisteren als laatste bewaterde. Hij snuffelt of er de afgelopen uren geen concurrent op deze plek is geweest en bekroont zijn onderzoek met opgetilde poot. Daarna krabbelt hij het losse grind eromheen weg, om te bevestigen dat dit toch écht zijn boom is. De eerste auto’s komen het grind oprijden en de bestuurders ervan hebben geen weet wat hier ’s nachts allemaal gebeurt. De eerste broodkruimels vallen alweer op de grond.

© Vera Oor, 2024

Vreemde witte wereld



©Vera Oor, 2024

Slurf drukken

 
De grote, kale zandvlakte biedt weinig mogelijkheden aan een olifant om attributen te zoeken die hij nodig heeft voor zijn dagelijkse verzorging.
Jumbo heeft een stok weten te bemachtigen om die te gebruiken als tandenstoker. Tijdens de laatste tocht met de kudde heeft hij in de jungle flink wat bladeren en gras kunnen eten, voordat ze terugliepen naar deze zandvlakte. Hij irriteert zich mateloos aan een pluk bladeren die tussen zijn kiezen is blijven zitten. Pulken met de slurf en wriemelen met de tong biedt geen oplossing. De stok lijkt de ideale oplossing: stevig en dik genoeg om tussen de kiezen te kunnen wroeten.
 
Precies op het moment dat hij zijn slurf omhoog krult en zijn bek wijd opent om met de stok aan de slag te gaan, verstoort Saffi deze bekhygiëne.
‘Die kan ik nu eens goed gebruiken als implantaat,’ trompettert Saffi.
‘Ik dacht het niet, dit is mijn tandenstoker. Een mooie, grote en stevige tak,’ dient Jumbo hem van repliek.
‘Daarom. Het is inderdaad een stevige tak. Hij is zelfs al enigszins versteend. Het zou me niet verbazen als het een fossiel is en onderdeel van een onvoorstelbaar grote slagtand van de mammoet.’
Na deze opmerkingen bekijkt Jumbo de stok nog eens goed. Aan de buitenkant zitten de nodige schilfers, maar dat hoeft natuurlijk niet per se hout te zijn. Voor hetzelfde geld heeft Saffi gelijk en zijn de schilfers stukjes ivoor. Hoe dan ook, het is een stevige stok.
 
Saffi werpt een vernietigende blik op Jumbo en gooit zijn kop in de nek, zodat Jumbo eens goed naar het gapende gat kan kijken, waar eens een slagtand heeft gezeten.
Die kan niet ontkennen dat het er indrukwekkend uitziet. Waarschijnlijk is de diameter van het gat gelijk aan de diameter van de stok of het stuk slagtand of wat het dan ook mag zijn.
Jumbo en Saffi zijn nu niet bepaald de grootste vrienden en Jumbo geeft niet zonder meer zijn beoogde tandenstoker af. Hij stelt voor om te bepalen wie de sterkste is door een potje slurfdrukken.  Dit is een geliefde wedstrijd tussen olifanten, maar kent wel de nodige risico’s, zoals Saffi aan den lijve heeft ervaren. Dat is immers de reden dat hij zijn slagtand verloor bij een uit de hand gelopen partijtje slurfdrukken.
 
Ze slingeren hun slurven om elkaar heen en beginnen uit alle macht te duwen. De rest van de kudde staat om hen heen en moedigt de rivalen aan. Niemand heeft een specifieke voorkeur voor een van de kandidaten. Het is gewoon de sensatie. Jumbo duwt uit alle macht en wint terrein. Beetje bij beetje duwt hij de slurf van Saffi uit zijn eigen slurf, maar…precies op het juiste moment zet Saffi zijn hele kop in de juiste hoek en duwt de slurf van Jumbo weg.
Blij met zijn overwinning pakt hij de stok. Hij zet nog een tandje bij en duwt met immense olifantenkracht de stok in het gapende gat totdat die houvast vindt. De pijn is van olifantengrootte en hij trompettert het uit van ellende, maar snel neemt de pijn weer af. Weliswaar is de stok recht en heeft niet de fraaie vorm van een slagtand maar Saffi voelt zich in ieder geval weer meer olifantenman.

© Vera Oor, 2024

Sinterklaas bereidt zich voor

 

 
Gelukkig ging de intocht van dit jaar door met Sinterklaas die aankwam op de boot en een ronde maakte door de stad op zijn paard. Wat de kinderen niet weten, is dat deze intocht bijna niet doorging. Ik vertel je wat er afgelopen jaar gebeurd is.
  
Wat viel de intocht van Sinterklaas in 2023 in het water. Nee, niet echt natuurlijk. De Sint zat op de boot en die kan wel wat water hebben. Maar och, alle arme mensen stonden in de regen te wachten in de haven. Ze droegen allemaal regenkleding of hadden een paraplu bij zich om nog enigszins droog te blijven. Op de kade stonden ouders met kinderen in regenlaarzen, die zich tijdens het wachten amuseerden in de plassen op straat. Het snoepgoed dat de Pieten rondstrooiden viel in de plassen regenwater, waardoor er van de pepernoten maar weinig overbleef.
Het paard van Sinterklaas vond het ook maar een natte bedoening in Nederland. Andere jaren lag er nog weleens sneeuw en scheen er een zonnetje, maar die regen, nee dat vond het paard ook maar niks. Het was lastig lopen op natte daken en door al dat water in zijn mantel woog Sinterklaas op zijn rug wel héél erg zwaar. Het paard voelde zich meer een pakezel dan het mooie Sinterklaaspaard.
 
Nu weet iedereen natuurlijk wel dat Sinterklaas heel slim is, want hij onthoudt toch maar van alle kinderen wat die graag willen hebben, maar ook híj weet niet goed raad met de veranderingen in het klimaat. Hij wil onderzoeken of er ook andere mogelijkheden zijn om pakjes te bezorgen in plaats van op de rug van het paard over de daken te lopen.
Sint heeft dat natuurlijk niet tegen iedereen verteld, alleen zijn Weerpiet heeft hij in vertrouwen genomen. Deze piet doet altijd de weersvoorspellingen voor de Sinterklaasperiode. Ook al hebben ze tegen niemand over hun plannen gesproken, toch gaat het niet helemaal onopgemerkt voorbij dat Sinterklaas ergens mee bezig is.
Het grote mensenjournaal twijfelt of het zal melden dat Sinterklaas midden in de zomer op heel andere plekken is gezien dan in Spanje, in zijn paleis. Het is echter té belangrijk nieuws om het niet te laten zien. De journaallezer opent met de mededeling: ‘Man gezien in de woestijn, is het Sinterklaas?’
Het is inderdaad Sinterklaas en ook al had hij zich zoveel mogelijk gecamoufleerd, zijn witte baard heeft hem verraden. Weliswaar had hij zijn rode mantel vervangen door een zandkleurige mantel en had hij de mijter ingewisseld voor een hoofddeksel waar hij al zijn witte haren onder kon stoppen, het is hem dus niet gelukt ongezien te blijven. Midden in de woestijn staat een groep kamelen klaar. De kamelenbegeleiders helpen Sinterklaas een handje, of beter gezegd een voetje. Zij duwen de Sint vanonder zijn voeten omhoog tot hij tussen de twee kamelenbulten zit. Op de andere kamelen klimmen pieten: Zandpiet en Pakjespiet, ook vermomd in andere kleren. Zij hebben grote zakken bij zich die ze over de kameel heen hangen. Dat doen ze om te oefenen of een kameel de zware last van pakjes kan dragen.
Daar gaat de stoet. Door het opstuivende woestijnzand kunnen ze amper iets zien. Een kameel wordt ook wel het “schip van de woestijn” genoemd en Sinterklaas merkt al snel waarom die naam gekozen is. Hij wordt zeeziek van het wiebelen, of is het zandziek? Op de boot heeft hij daar elk jaar last van, maar zodra hij aan land stapt, is het over. Stel dat hij op de rug van een kameel pakjes rond gaat brengen, dan wordt dit wel een groot probleem want dan wordt hij ook op de daken en op de straat misselijk. Sinterklaas en de beide Pieten hoesten het zand uit hun mond.
‘Beste mensen, een kameel is denk ik niet het juiste vervoermiddel in de decembertijd,’ bedankt Sinterklaas met zijn zware, diepe stem de begeleiders en hij reist weer af naar Spanje.
 
Enige weken later heeft het journaal een nieuwe melding dat Sinterklaas gezien is. Dit keer in Lapland. Er is wel enige twijfel geweest. Zowel de Kerstman als Sinterklaas dragen rode kleding met witte handschoenen. Dit keer is hij niet aan zijn baard herkend, want die heeft de Kerstman ook. Nee, zijn staf was de boosdoener. De gouden staf stak overal bovenuit en dat heeft hem verraden. Sint heeft met de Kerstman een ritje in de arrenslee gemaakt.  In die slee van de Kerstman zwiepte de staf bijna de slee uit door de enorme vaart waarmee de rendieren rondvlogen. Gelukkig was het minder koud dan in de winter en in de zomer ligt er natuurlijk veel minder sneeuw. Maar dit heeft de Kerstman en Sinterklaas wel aan het denken gezet.
‘Collega,’ zegt de Kerstman tegen Sinterklaas. ‘Ik zou u graag willen helpen, maar wij lijken te veel op elkaar. Dat geeft verwarring bij de kinderen. De arrenslee moet getrokken worden door rendieren en het zou toch vreemd zijn als die al vroeg in december rondrijden. Nee, Sinterklaas, dat kunnen we niet maken.’
De Sint begrijpt het helemaal, maar nu heeft hij nog geen oplossing voor zijn probleem.
 
Sint ligt te woelen in zijn bed in Spanje en kan de slaap niet vatten. Allerhande gedachten buitelen over elkaar in zijn hoofd. Hij blijft maar peinzen hoe hij zich dit jaar het beste kan verplaatsen. Eerlijk gezegd begint hij zich langzamerhand wel af te vragen of het eigenlijk verstandig is een andere keuze te maken dan voor zijn eigen vertrouwde paard.
De Reispiet piekert zijn donkere haar zelfs uit de krul doordat hij steeds doorheen wrijft met zijn handen. Hij weet het ook niet meer. Hij kijkt op het internet naar mogelijkheden. Een raceauto? Zou dat wat zijn? Reispiet vindt autoraces erg mooi en hij ziet het helemaal voor zich: met wel meer dan 300 kilometer rijdt hij samen met Sinterklaas door de straten. Nee, dat is geen goede oplossing, denkt hij. De mijter van de Sint zou afwaaien en hoe moeten alle pakjes dan mee?
In een keer komt Reispiet op een fantastisch idee: een luchtballon! Ja, dat is de oplossing. In de mand kunnen alle pakjes mee, ze kunnen over de daken vliegen en Sint staat veilig. Reispiet besluit een proefvlucht te boeken. Op de grote ballon, die landt voor het paleis, staat een heel grote mijter afgebeeld. Sinterklaas knikt goedkeurend en laat zich door Piet in de mand helpen. Langzaam stijgen ze naar grote hoogte en Sint en Piet genieten van het uitzicht. Dit kan een prachtige oplossing zijn, denkt Sinterklaas. Onder die grote ballon blijft hij ook droog als het regent.
‘Kom Piet, we gaan eens horen wat de anderen ervan vinden. Stuur de ballon maar naar het huis van de Pieten.’
Ze vliegen naar de ingang van het huis waar de Pieten wonen, dichtbij zijn paleis. Sinterklaas blijft in de mand staan en klopt met zijn gouden staf op de deur. Een van de Pieten opent de deur. ‘Wel alle-vliegende-pietermannen-nog-aan-toe. Sinterklaas bent u dat echt?’
‘Pieten,’ zegt de Sint, ‘wat vinden jullie van deze oplossing? Kunnen we met deze ballon over de daken zweven en pakjes door de schoorstenen gooien of bij de deuren leggen?’
Geen van de Pieten reageert enthousiast en uiteindelijk neemt de Postpiet het woord: ‘Sinterklaas, ik had u al eerder een bericht willen sturen, maar uw telefoon had geen bereik toen u bij de Kerstman was. Nu begrijp ik ook waarom u de afgelopen periode niet reageerde. U zat in die ballon en die veroorzaakt storing op de telefoonverbindingen. Komt u alstublieft mee naar de postkamer. We weten niet wat we moeten doen.’
‘Wat is er dan aan de hand,’ wil Sint weten.
‘Dat ziet u zo.’
  
De Postpiet duwt de zware, houten deur naar de postkamer open. Normaalgesproken staan er altijd wel enkele postzakken klaar met kaarten en brieven die door de Sint bekeken moeten worden. Verlanglijstjes van kinderen en ontelbaar veel mooie tekeningen. Maar nu puilt de postkamer uit. Tot aan het plafond staan de postzakken en dozen opgestapeld en achteraan in de hoek zit de Postsorteerpiet zuchtend boven een stapel post.
‘Sint, alstublieft, we moeten echt antwoord gaan geven op al deze brieven, maar het is onbegonnen werk. Als we dit nog allemaal moeten regelen voor 5 december gaan we dat niet redden.’
‘Waarom is er nu zoveel post dan, heb je daar enig idee van?’ wil de Sint weleens weten.
‘Nou, het is van bezorgde kinderen in heel Nederland. Zelfs het jeugdjournaal heeft een extra uitzending gehad midden in de zomer naar aanleiding van berichten op het grotemensenjournaal. Zonder dat u het in de gaten had, bent u gevolgd door de Nederlandse televisie en ze hebben er lucht van gekregen, dat u dit jaar niet meer met het paard over de daken wil rijden,’ verzucht Postsorteerpiet.
Postpiet vult aan: ‘Kinderen zijn hiervan geschrokken. Ze zorgen altijd voor wortels en hooi in hun schoen, en zelfs tekeningen, allemaal bedoeld voor het paard. De kinderen vinden dat Sinterklaas en zijn paard net zo bij elkaar horen als Sinterklaas en zijn Pieten. De kinderen zijn bezig om handtekeningenacties op touw te zetten om u te vragen het paard in dienst te houden. Deze enorme hoeveel post bevat persoonlijke berichten van al die kinderen die er zonder uitzondering op neerkomen, dat ze het paard weer terug willen zien.’
Paardenverzorgpiet brengt nog een vervelende boodschap over aan Sinterklaas: ‘Uw paard is erg somber sinds u heeft laten weten dat u hem misschien gaat vervangen. Hij heeft toch altijd zijn werk goed gedaan?’
‘Maar wat moeten we dan als het weer zo hard gaat regenen als afgelopen jaar?’ vraagt Sint.
Kledingpiet vraagt om hem te volgen en zegt: ‘Daar hebben wij al lang over nagedacht.’
Ze komen aan bij de staldeur en daar staat het paard. Het laat zijn hoofd hangen en uit zijn ogen druppen tranen langs de neus.
‘Sint, kijk, we hebben een regenjas op maat gemaakt voor uw paard, in dezelfde kleur als zijn huid, dus het zal niet opvallen. We zorgen voor voldoende grote paardendekens waar het paard onder kan liggen als hij thuiskomt na een nacht rondrijden. Daarnaast hebben een aantal jonge Pieten aangeboden om, zodra u terugkomt, het paard net zolang te wrijven met een handdoek totdat hij helemaal droog is.’
Sint voelt zich enorm schuldig als hij naar zijn trouwe paard kijkt. Hij realiseert zich dat die recht heeft op een eigen mening en dat hij niet voor hem hoeft te beslissen, dat hij niet in de regen over de daken wil lopen. Het paard kijkt hoopvol naar Sinterklaas en briest zachtjes. Zijn neus trilt een beetje. Zou Sinterklaas hem in dienst houden?
   ‘Och, lief paard, ik moet je mijn excuses aanbieden. Je bent mijn trouwe maatje, en voordat jij er was, hebben je ouders en grootouders ook altijd dienstgedaan als mijn trouwe bondgenoot. Het is een traditie die we in ere moeten houden, dus ik wil je vragen: Wil je in december weer met mij op pad?’
Nu briest het paard van opluchting, hij steigert zelfs een beetje en hij legt zijn gevoelige neus in de nek van Sint. Sinterklaas slaat zijn armen om de nek van het paard en de Pieten kijken met tranen in hun ogen van opluchting toe.
 
Sint overlegt met de Hoofdpiet wat ze nu moeten laten weten aan al die kinderen en ze besluiten de presentatoren van het jeugdjournaal en van het Sinterklaasjournaal uit te nodigen voor een gesprek. Niet in het paleis van de Sint natuurlijk, dat is een geheime plaats, maar ergens in Spanje.
‘Ik wil een persconferentie geven, waarin ik aan zal kondigen dat ik mijn paard in dienst houd en dat we net zoals andere jaren samen de pakjes zullen bezorgen.’
Er heerst grote opwinding in het paleis. Iedereen: Sinterklaas, alle Pieten en het paard vieren het feit dat ze hebben besloten de oude traditie voort te zetten. Het jeugdjournaal heeft een bericht voor alle kinderen in Nederland: ‘Sinterklaas heeft besloten ook dit jaar weer met zijn trouwe paard naar Nederland te komen. Hij komt dus niet met kameel, een arrenslee of een luchtballon.’

©Vera Oor, 2024
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Sinterklaas staat in zijn hemd

 
Het is enkele dagen voor pakjesavond. Overdag schijnt de zon tussen de bomen door en valt het nog wel mee, maar ’s nachts wordt het flink koud en zie: de maan schijnt door de bomen. Op de daken ligt een  pak sneeuw, ijspegels hangen aan de dakgoten en uit de schoorstenen verdwijnen rookpluimen de nacht in. Bij de meeste huizen zijn de gordijnen dichtgetrokken om de warmte binnen te houden.
Zelfs de zwerfkatten lopen niet over straat en verschansen zich in schuurtjes met zijn allen bij elkaar om warm te blijven. De muizen vinden dat wel prima. Zij hebben lekker warme sokken aan, een dikke das om en een muts op. Een muts met twee gaatjes waardoor hun oortjes naar buiten piepen. Nu de katten in de schuurtjes liggen, trekken de muisjes erop uit met hun sleetjes en schaatsen. Sneeuw- en ijspret. Het water onder de fontein is bevroren en de muizen schaatsen rondjes over het ijs. Uit hun kleine muizenbekjes komt de warme adem als een wolkje naar buiten.
 
Maar o wee, de keizer, die heeft het koud!
Elke middag wordt in het park een poppenkastvoorstelling gegeven. Die heet “De nieuwe kleren van de keizer”, een oud sprookje. Na afloop van de voorstelling worden de poppen in een kast opgeborgen: de keizer en de kleermakers. Niemand weet dat ze, wanneer alle mensen binnen zitten, tot leven komen! De keizer heeft kippenvel over zijn hele lijf van de kou. Hij zit in zijn blootje in de kast en doet voor niemand open. Hij heeft er spijt van dat hij altijd wilde opscheppen over wat hij allemaal bezit. Hoe ging het sprookje ook alweer?
De keizer is erg ijdel en trekt vaak nieuwe kleren aan. Iedereen klapt voor hem omdat ze bang zijn dat de keizer boos zal worden, maar eigenlijk vinden ze hem helemaal niet aardig.Twee mannen doen alsof ze kleermakers zijn en beloven de keizer dat ze mooie kleren voor hem kunnen maken. Maar…zeggen ze, de stof waarvan de kleren gemaakt zullen worden is onzichtbaar. Eindelijk mag de keizer komen passen, alleen ziet hij de kleren niet. Hij voelt zich een beetje dom, maar iedereen staat te klappen en zegt hem dat de kleren hem geweldig mooi staan. Totdat een klein kind roept: “Hij heeft helemaal niets aan”. Zijn onderdanen beginnen de keizer uit te lachen. De kleermakers hebben hem voor de gek gehouden.

Vanavond, in de snijdende kou, hebben de kleermakers medelijden met de keizer die het zo koud heeft en ze willen het goedmaken. Ze gaan op pad en vertellen aan niemand wat ze van plan zijn, dat is hun geheimpje.
Een ijzingwekkende gil galmt door de koude stille avond. Wat is er aan de hand? De muisjes kruipen trillend van angst bij elkaar en de dapperste muizen besluiten naar het dorpsplein te sleeën.Op het plein is een beeld van Sinterklaas neergezet. Elk jaar van half november tot 6 december staat hij daar. Sinterklaas staat dan op een sokkel in zijn rode mantel en rode mijter. Met zijn witte handschoenen houdt hij de gouden staf vast. Maar nu? De ogen van de muisjes rollen bijna uit hun koppie van verbazing, want nu… staat Sinterklaas alleen in zijn witte, lange hemd! De rode mantel, die hem moet beschermen tegen de kou, ontbreekt. IJspegeltjes hangen in zijn baard en zijn stem bibbert van de kou als hij tegen de muizen zegt: ‘ze hhhebben mijn mmmantel afgepakt en mmmeegenomen. Het ging zo vlug. Ik kkkon de twee mannen niet de baas.’
‘Welke mannen? Kent u ze?’ vraagt de grootste muis.
‘Nee, ik heb ze nog nooit gezien. Ik weet wel dat ze uit het park kwamen. O wat erg is dit. Ik kan toch niet in mijn hemd op het paard zitten en over de daken lopen.’
 
Dan komen er enkele Pieten aan. Zij waren op een andere plaats bezig om pakjes in te pakken en in de zakken te doen, zodat ze daarmee het dak op kunnen. Ook zij hebben het gegil gehoord en zijn snel naar Sinterklaas gelopen om te vragen of hij iets had gezien. En nu staat hij daar in zijn hemd!
‘Klaas, wat is er gebeurd? vraagt de Pakjespiet. Hij noemt Sinterklaas altijd Klaas. Sinterklaas wil vertellen wat er gebeurd is, maar hij heeft het te koud. Zijn tanden klapperen op elkaar. De muis vertelt de Pieten wat de Sint hem verteld heeft. 
‘Als we weten wie dat gedaan heeft, gaat hij in de zak mee naar Spanje,’ roept de Hoofdpiet. Weer klinkt er een huiveringwekkende gil die door merg en been gaat. Nog meer muisjes komen op hun sleetjes aanrijden om te horen wat er aan de hand is. Als ze horen dat de mantel van Sinterklaas is gestolen gaan ze op zoek. Hijgend komt even later een van de muisjes terugsleeën en roept: ‘Ik heb iets geks gezien bij de achtbaan op  de kermis. Het was te ver weg om precies te kunnen zien wat er loos was, maar ik dacht wel iets roods te zien.’ 
‘Kom jongens, we gaan naar de achtbaan,’ roepen de Pieten en ze rennen achter elkaar aan. Aangekomen bij de achtbaan schrikken ze van het geluid van ratelende wagentjes. Overdag zitten er bezoekers in die wagentjes maar ’s avonds staat de achtbaan altijd stil. De Pieten  kijken elkaar vragend aan en dan ineens komt er in razend tempo iets voorbij. In een van de wagentjes zit iemand die iets roods vasthoudt dat heen en weer flappert. De man die in het wagentje zit, krijst: ‘Ik ben bang! Zet dat ding stil.’
‘Dat is de mantel van Sinterklaas,’ zegt een van de muisjes, ‘dat kan niet missen, maar wie is die man die de mantel vasthoudt?’
Vanaf de zijkant komt iemand naar hun toelopen. Ze herkennen hem. Het is een van de kleermakerpoppen uit het poppenkastsprookje. De kleermaker huilt dikke tranen, die gelijk bevriezen, en legt uit, dat hij samen met zijn makker op pad was gegaan om echte kleren voor de keizer te zoeken. Ze hadden zo’n spijt van hun bedriegerij met de nepkleren en nu had de keizer niets om aan te trekken en zich te beschermen tegen de kou. Dat was hun schuld. Niet alles was natuurlijk geschikt voor zo’n belangrijk iemand als de keizer, maar de mantel van Sinterklaas, ja dat was wel een mooie. Die zou de keizer wel passen en ze besloten om die mantel te stelen.
‘We hebben de mantel van de slapende Sinterklaas af gehaald en waren op weg naar de keizer toen we langs de achtbaan kwamen. Mijn maat wilde wel eens in zo’n wagentje zitten, gewoon even om te weten hoe het voelt, de achtbaan werkte immers niet. Ik wilde niet mee  en ik leunde wat achterover. Daarbij heb ik per ongeluk een hendel aangeraakt en die zette de achtbaan in beweging.’
‘Help me, help me!’ klinkt de noodkreet uit het wagentje dat weer voorbij komt scheuren met erachteraan de wapperende rode mantel.
De grote muis kijkt eens goed naar alle apparatuur en ziet een rode knop. Hij drukt erop en ja hoor, nu staat de achtbaan stil. Maar waar is het wagentje? Ze kijken rond en kijk daar, heel erg hoog bungelt het wagentje en de kleermaker die erin zit, gilt nog harder dan voorheen en zwaait met de rode mantel.
‘Ik heb hoogtevrees. Ik wil hier weg!’
De muis drukt weer tegen de hendel om de achtbaan in gang te zetten. Precies op het juiste moment drukt de muis op de rode stopknop en nu hangt het wagentje dichtbij. De Pieten slepen de bange kleermaker uit het wagentje. Als eerste pakken ze hem snel de mantel af.
 
De Hoofdpiet is inmiddels ook aangekomen bij de achtbaan en wil de kleermakers meenemen om hen in de zak te stoppen.
‘Hoho, wacht even,’ zegt de Hulppiet, ‘ze hebben erg veel spijt van wat ze gedaan hebben door de keizer voor de gek te houden. Ik vind dat ze wel genoeg straf hebben gehad voor het stelen van de mantel van de Sint. En deze,' wijst hij naar de man die uit het wagentje kwam, 'is heel erg bang geweest in de achtbaan.’
De Hoofdpiet fronst zijn wenkbrauwen en kijkt nog eens boos naar de kleermakers die wanhopig in hun handen staan te wringen.
‘We nemen hem mee naar Sinterklaas, die moet maar beslissen.’
En daar gaat de stoet naar Sinterklaas. Die ziet de groep aankomen: de muizen, de Pieten en de twee kleermakers. Hij trekt snel zijn mantel weer aan, die de Hoofdpiet aan hem geeft. Zo, nu is hij weer aangekleed zoals Sinterklaas eruit hoort te zien.
 
De kleermakers gaan op hun knieën voor Sinterklaas zitten en vertellen hoeveel spijt ze hebben van wat ze gedaan hebben. Sinterklaas overlegt fluisterend met de Hoofdpiet en de Hulpppiet. Daarna vraagt hij de kleermakers om weer op te staan.
‘Mannen, jullie zijn heel erg stout geweest. De keizer is bijna doodgegaan van de kou en ik ook. Bovendien had ik geen pakjes kunnen bezorgen op pakjesavond. Dat was een ramp geweest.’
De kleermakers knikken en zeggen ‘U heeft gelijk Sint, we zullen het nooit meer doen.’
Sinterklaas antwoord: ‘Ik heb overlegd met de Pieten en jullie krijgen nog een kans. Als jullie het volgende jaar geen stoute dingen meer uithalen, hoeven jullie niet in de zak, maar o wee, als ik ook maar iets over jullie hoor dat niet door de beugel kan, dan gaan jullie volgend jaar alsnog mee naar Spanje.’
De kleermakers halen opgelucht adem en beloven dat maar al te graag.
‘Dank u wel Sinterklaas.’
 
De muizen sleeën terug naar het park en de kleermakers sjokken naar het verblijf van de keizer. Ze doen er lang over want wat moeten ze gaan vertellen? Daar aangekomen vallen hun ogen zowat uit de kassen. De keizer heeft een dikke winterjas aan. Hoe komt die daar dan aan?
‘Kijk,’ zegt de ene kleermaker en wijst naar de daken: ‘daar rijdt Sinterklaas op zijn schimmel. Die heeft hier natuurlijk de warme jas als Sinterklaascadeau gebracht.’
Sinterklaas ziet er weer uit zoals iedereen hem kent met rode mantel, mijter en staf. Hij zwaait met zijn witte handschoen.

©Vera Oor, 2023

Drie keer is scheepsrecht

Op het moment dat ik de ruimte binnenloop, wordt mijn aandacht getrokken naar de linkerhoek. Daar staat hij! Ik heb helemaal niks in te brengen en weet dat het gaat gebeuren. 80 minuten lang ben ik overgeleverd aan daVinci. De vier of vijf andere personen die er ook in de ruimte zijn, zie ik vanuit mijn ooghoek, maar ik blijf gefocust op de vierarmige, witte daVinci. Ik word op  mijn rug gelegd en mijn armen moet ik opzij leggen. Worden ze vastgebonden? Dat weet ik niet meer, want langzaam voel ik me wegzakken.
Misselijk en duizelig word ik wakker. Mijn mond en lippen zijn kurkdroog en er staat iemand naast me die ik in een mist zie. Hij of zij noemt mijn naam.  Mijn buik voelt beurs aan. Heel langzaam trekt de mist op en de misselijkheid weg. En dan: mijn beloning. Een waterijsje.
 
Ik ben geen slachtoffer van een misdrijf, maar ik ben in de operatiekamer en de verkoeverkamer van het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen om geholpen te worden aan mijn blaas.
 
In oktober 2023 ging ik met flinke pijn naar de SEH, waar bij het maken van een scan bleek, dat een van de urineleiders (tussen nier en blaas) een ongewone draai maakte, te lang was en ingesloten lag in een spier, waar hij omheen hoort te lopen in plaats van doorheen. Bij een spoedoperatie werd een zogenoemd “dubbel J katheter” ingebracht, een stent. Die mag niet altijd blijven zitten en is in april 2024 weer verwijderd. Helaas bleek eind juli 2024 dat het niet de oplossing was toen ik opnieuw met hevige pijn binnenkwam op de SEH. Er zat niets anders op dan nog een keer een dubbel J katheter in te brengen, maar ik kreeg meteen te horen, dat er nog een operatie moest gaan volgen voor een definitieve oplossing. Er is maar een enkele chirurg die deze operatie kan uitvoeren omdat die niet op de gebruikelijke manier gebeurt, dus ik kwam op de wachtlijst.
 
Natuurlijk heeft de chirurg mij vooraf uitleg gegeven over de operatie waarbij hij de daVincirobot gebruikt, maar ik zou ik niet zijn, als ik deze nieuwigheid (die overigens al jarenlang in gebruik is) niet opzoek. Een YouTube filmpje geeft me meer inzicht in de mogelijkheden van dit enorme, witte, vierarmige apparaat. Weliswaar opgenomen in het Rijnstate ziekenhuis, maar dat zal in CWZ niet veel anders gaan. https://www.youtube.com/watch?v=_F_7k0kvuyM
 
De operatie is op 12 november uitgevoerd. Ik mocht op de operatietafel gaan liggen, mijn armen in de steunen ernaast. De chirurg checkte allerhande voorbereidingen bij zijn collega’s en daarna mocht ik een paar keer diep zuchten, iets inademen vanuit een mondkapje en weg was ik.
Toch wel heel bijzonder om te weten, dat de chirurg voor een console zat op enige afstand van de operatietafel. DaVinci hangt boven me met allerhande instrumenten aan zijn armen, die de chirurg vanuit die console met joysticks bedient en inschuift in de vijf sneetjes die er in mijn buik zijn gemaakt. Hij kan op een scherm de bewegingen van de robotarmen flink uitvergroot zien en heel precies sturen.
 
Na de operatie heb ik mijn ijsje gekregen en werd met bed en al naar de verpleegafdeling gereden. Een driepersoonskamer voor mij alleen. Dat bleef echter niet lang zo, mijn overbuurman arriveerde even later. Hij hield wel van een praatje, en na enige tijd waren we allebei te uitgeput en wilden slapen. Wat de buurman voor beroep had of heeft, weet ik niet, maar die nacht is hij aan de slag gegaan als bomenzager: een snurkvolume!
De verpleegkundige kwam om een uur of vier op het lumineuze idee om me oordopjes aan te bieden. Ik denk dat ze zelfs op de verpleegpost konden horen hoe hard er gesnurkt werd. Die dopjes waren voor mij de oplossing en uiteindelijk heb ik toch wel zo’n drie uur geslapen!
 
’s Ochtends kwam de chirurg verslag doen van zijn bevindingen: plastisch gezegd komt het erop neer dat hij de te lange urineleider heeft ingekort en langs de goede weg naar de blaas geleid. Daar heeft hij een nieuwe ingang gemaakt. Wat klinkt het eenvoudig he? Dat zal het ongetwijfeld niet zijn.
Let op zei hij: ‘Ook al heeft de robot toegang door de gemaakte sneetjes in je buik: het blijft een buikoperatie en dat vraagt een langere hersteltijd. Met allerhande hulpmiddelen in de rolstoel gepoot en “huus toe”. Over twee weken controle.
Nu speel ik voor brandweervrouw: ‘Doe dit, doe dat, wil je dat even pakken, de honden moeten eten....’
De behandeling van oktober 2023 staat beschreven in "Ontplofte nier"
De behandeling van juli 2024 staat beschreven in "Modderworstelen met gevolgen"
©Vera Oor, 2024

 

 

Een geschiedenis over geschiedenis


Deze geschiedenis begint in 1972, het moment dat ik als brugpieper mijn opwachting maakte bij de school. Vol ontzag keek ik naar alle ouderejaars. Wat waren die al groot! Het jaar ervoor was ik zelf nog een van de langsten op het speelplein als zesdeklasser, maar nu was ik een van de kleineren. Op een enkeling na kende ik geen van de andere kinderen en vanaf nu niet één docent voor alle vakken, maar allemaal verschillende.
En daar was tie: de geschiedenisleraar, een kleine, zeer beweeglijke man. In zijn lessen kwam het verleden tot leven. Hij stond, liep, rende voor en door de klas om het verleden een gezicht te geven. Zijn felle, donkere ogen achter de zwart omrande bril hadden alles in de gaten en hij hield je bij de les. Elke dag kwam hij op zijn fiets aanrijden, meestal met een enorme snelheid, want dan kwam hij van een andere locatie, waar hij het voorgaande lesuur voor de klas had gestaan.
Mijnheer H. was nog maar net afgestudeerd en wij waren een van zijn eerste eigen klassen. Zijn bevlogenheid met geschiedenis straalde van hem af. Dat deel bereikte mij minder. Nog steeds weet ik te weinig van geschiedenis vind ik zelf. Geschiedenis zat dan ook niet in mijn keuzepakket, dus mijnheer H. verdween uit beeld, maar in het laatste jaar was hij volgens mij wel klassedocent voor onze klas. Dat betekende ook dat hij de diploma’s uit mocht reiken. En daar zat ik, Veertje noemde hij mij, tegenover hem, aan de kleine tafel, met tussen ons in het felbegeerde diploma waar hij en ik onze handtekening moesten zetten. Ik was toen 17 jaar.
 
Een aantal jaren geleden kreeg ik een bericht op Messenger van ene Theo H. Er ging niet meteen een belletje rinkelen en eigenlijk wilde ik het bericht verwijderen. Gelukkig heb ik dat niet gedaan en het bericht gelezen. Ja, natuurlijk. Nu wist ik het weer: Mijnheer H. O ja, die heette Theo, maar dat zeiden wij natuurlijk nooit tegen de leraar.
En mijnheer H. zou zichzelf geen geschiedenisleraar noemen als hij niet ook alle agenda’s, namenlijsten en foto’s uit zijn loopbaan had bewaard. Met de namenlijst van de eerstejaars van 1972 in zijn hand, was hij op onderzoek uitgegaan op Facebook. Daar kwam hij mij tegen. Hij stelde voor om eens een lunchafspraak te maken. En die maakten we in het café tegenover de school waar ik menig spijbeluur door heb gebracht, totdat ook de conrector daar zijn koffie kwam drinken en ik het wel liet om daarheen te gaan.
Theo en ik hadden geen witte anjer in ons knoopsgat nodig om elkaar te herkennen. Daar bestond geen twijfel over, dat was hem. Al een flink stuk ouder (ik natuurlijk ook), maar zonder aan energie ingeboet te hebben. Ik heb zelden zo gelachen als tijdens die lunch, die geloof ik wel vier uur duurde. Hij was ook toen op zijn fiets gekomen, stuiterde van links naar rechts door het restaurant om voor te doen hoe hij thuis of in het supportersvak de wedstrijden van Feyenoord en NEC volgde. De Chinese eigenaren van het café hadden geen vertaler nodig om te weten dat het over voetbal ging.
Mijnheer H. lijkt wel een beetje op mister Bean, die ook geen gebrek aan energie heeft. Gisteren had ik weer de lunchafspraak met Theo H., inmiddels 80 jaar. Nee, dat hoefde niet bij hem in zijn dorp, hij kwam wel mijn kant op. Op de fiets, zonder ondersteuning. Precies 40 minuten reed hij erover.
‘Och, dat is niks. Ik fiets ook naar Arnhem, dan ben ik twee uur onderweg.’
Aan spraakwater heeft hij absoluut geen behoefte, de tijd vloog weer om en als verrassing kreeg ik van hem een boek over Market Garden (rondom Nijmegen). Hij weet dat ik me momenteel verdiep in de oorlogstijd van Nijmegen en daar veel over schrijf. En ik ben nog niet eens jarig!
‘Tot volgend jaar!’

©Vera Oor, 2024

 


Komt u verder

 

We lopen de spreekkamer in en daar staat de stellage al klaar: een dik geplastificeerd kussen, een echo-apparaat en de dierenarts met haar collega om de handelingen uit te gaan voeren.

“Zet u hem maar op tafel. Hij mag op zijn rug liggen. Houdt u de kop en zijn voorpootjes maar vast.”


Tja, daar lig je dan bij één man en drie vrouwen, machteloos. Poten wijd, balletjes in zicht en tot overmaat van ramp wordt rond deze privé-plekken ook nog eens alle haar weggeschoren. Niet met de billen, maar met de ballen bloot dus. Lekker hoor, ook nog eens een koud gelprutje dat uitgesmeerd wordt rond de edele delen en daarna kan de echo gemaakt worden. Vorsende blikken van de dierenartsen op het scherm om onrechtmatigheden te ontdekken in blaas en prostaat. Nee, niks verontrustends te zien.

Ze gaan over tot het aanprikken, waarbij urine rechtstreeks uit de blaas wordt opgezogen, zodat deze op kweek gezet kan worden om de bacterie vast te stellen die de boosdoener is van de blaasontsteking. Ik heb wel wat te doen met mijn partner, die erbij staat en dit soort handelingen ziet gebeuren. Zijn mede-lijden met de hond  is hier wel op zijn plaats.

Tot overmaat van ramp gaat de dierenarts daarna ook nog met haar gehandschoende vinger het poepgat van de hond in om eens rondom te voelen.


“Hij mag van tafel. We wachten de kweek af, maar als dit onvoldoende oplevert, zult u er rekening mee moeten houden dat een castratie wellicht de oplossing kan zijn voor zijn problemen.”

Een flink bedrag op de bankrekening armer, medicijnen en een vernederde hond rijker gaan we in de auto weer richting huis.

Het kwam goed. De hond hoefde uiteindelijk geen je-weet-wel-reutje te worden.


©Vera Oor, 2024

Geplaatst op Gelderlander pagina Gastschrijvers

Geruisloos koeltransport

De tweeling is weg! Het hele terrein wordt afgezocht door de eigenaar, Frits, en zijn vrouw Aaltje. Al het personeel is opgetrommeld om mee te zoeken. Nergens.
‘Je raakt toch geen kinderwagen met twee baby’s kwijt,’ verwijt de kippenhouder zijn vrouw, waarvan de ogen nauwelijks zichtbaar zijn achter een tranengordijn.
‘De wagen stond zoals altijd onder de overkapping terwijl ik voor jullie koffie ging zetten in de kantine.’
‘Die wagen kan toch niet vliegen.’
‘Nee, maar hij is wel weg,’ en Aaltje rent alweer rond over het terrein ondertussen de namen van de twee roepend.
‘Dat zal nogal helpen, ze kunnen niet eens praten en hun naam kennen ze ook niet,’ bromt manlief die niet minder in paniek is, maar probeert dit niet te laten blijken.
 
Inmiddels is de politie ingeschakeld. Twee agenten nemen de voorafgaande uren door met Frits en Aaltje. Zoals elke dag, haalden Frits en zijn medewerkers ‘s  ochtends als eerste de eieren uit de loods waar de kippen lopen. Die eieren werden in grote kratten klaargezet om op transport te gaan naar de fabriek waar ze op grootte gesorteerd worden en de verkoop in gaan.
Nadat de vrachtwagen geladen was, kwam de chauffeur zijn lijst af laten tekenen en vertrok, op weg naar het volgende adres.
‘En toen ik de kinderwagen mee wilde nemen, was hij weg,’ zegt Aaltje.
‘Hoe lang bent u bij de kantine bezig geweest,’ wil een van de agenten weten.
‘Hooguit een kwartier,’ brengt ze stamelend uit.
 
‘Die vrachtwagenchauffeur, mag ik zijn telefoonnummer. Ik wil vragen of hij iets verdachts gezien heeft.’
De agent verdwijnt met zijn telefoon buiten gehoorsafstand en neemt contact op met de chauffeur. Hij doet uit de doeken waarom hij belt en vraagt of de chauffeur iets vreemds gezien heeft.
‘Nee, toen ik aankwam, stond de kinderwagen bij de ingang, zoals wel vaker. Mijn vrachtwagen kan daar makkelijk naast staan.  Nu dat u het zegt: toen ik vertrok stond de kinderwagen er niet meer. Maar ja, dat lijkt me logisch, die zal Aaltje meegenomen hebben. Ik heb er eerlijk gezegd geen aandacht aan geschonken.’
‘Waar bent u nu?’
‘Ik ben ongeveer 10 kilometer verder op weg naar de volgende locatie om eieren op te halen. Inmiddels ben ik wel gestopt omdat bestuurders in auto’s naast mij naar mijn vrachtwagen wezen en gebaren maakten. Geen idee wat ze bedoelen, maar ik ga maar even checken of er iets aan de hand is. Misschien heeft een van de wielen een zachte band. Overigens had ik dat dan wel gemerkt.’
‘Mijn collega komt even naar u toe om uw verklaring op te nemen.’
 
Wanneer de agent arriveert bij de vrachtwagen die op de parkeerplaats staat, ziet hij dat de chauffeur in gesprek is met enkele anderen en hij loopt ernaar toe.
‘….maar ik hoorde echt geluid uit uw vrachtwagen komen, toen we bij het verkeerslicht stonden,’  zegt een man.
De agent bekijkt de vrachtwagen en registreert een opmerkelijke tekst: Geruisloos koeltransport en iets verderop een enorme foto van een babyhoofd dat op een kussen ligt te slapen.
‘Wat heeft geruisloos transport met vervoer van eieren te maken?’vraagt hij aan de chauffeur.
De chauffeur legt uit dat eieren vervoeren slechts een van de vrachten is die hij vervoert en koelen is natuurlijk belangrijk. Het geruisloze is bij deze vracht niet aan de orde, maar kan bijvoorbeeld van belang zijn bij het transport van trillingsgevoelige apparatuur.
‘Heeft u de baby’s al gevonden?’
‘Nee. Wilt u mij vertellen wat u deed toen u de kantine uit liep?’
‘Ik ging naar de vrachtwagen, controleerde de sloten en de kooiaap. Dat hoort bij de standaardhandelingen voordat we mogen vertrekken.’
‘Een kooiaap?’
‘Ik kan als chauffeur alléén laden, zonder hulp van anderen. Dit dankzij de kooiaap die achter aan de wagen hangt, een kleine wendbare heftruck.’
‘Nooit van gehoord,’ antwoordt de agent. ‘Toen ik zojuist bij uw wagen stopte, maakten omstanders u duidelijk dat ze geluid uit de vrachtwagen hoorden. Wat bedoelen ze daarmee?’
‘Ik hoor zelf niks,’ zegt de chauffeur, ‘maar voor de zekerheid kan ik even in het laadruim kijken.’
De chauffeur opent de deur en met een enorm kabaal stuitert er…een aap naar buiten.  Op hetzelfde moment horen ze gehuil van een baby. De agent grijpt zijn zaklamp erbij en schijnt in de vrachtwagen. Daar staat de  kinderwagen!
‘Dat is de wagen van Aaltje,’ roept de chauffeur uit en springt naar binnen, terwijl de tweede agent de aap nog net op tijd kan pakken en hem gelijk in de handboeien slaat. Dat maakt het voor het dier in ieder geval moeilijker om weg te komen.
‘Maak me los, idioot!’
Dit wordt geroepen door de aap en nu kijkt iedereen in, bij en buiten de vrachtwagen in stomme verbazing naar de aap. De baby’s zijn even vergeten.
‘Denken jullie nou werkelijk dat een kooiaap zijn werk kan doen, zonder dat daar echte apenwijsheid en -handigheid aan te pas komt? Natuurlijk niet, het is een machine.’
De agenten en de chauffeur zien er niet bepaald intelligent uit als ze  naar de aap staan luisteren en zich afvragen of ze gek geworden zijn.
‘En die baby’s dan?’
‘Ik wilde ook wel eens gezelschap daar achter in die wagen en die kinderwagen stond er grijpklaar bij toen jij daarboven in de kantine was,’ grauwt de aap de chauffeur toe.
 
Nadat iedereen van de verbazing bekomen is, gaat de tocht terug naar de kippenfarm waar Aaltje en Frits handenwringend en wanhopig wachten op het antwoord van de agent die uitstapt. De achterklep gaat open en daar komt agent nummer 2 naar buiten met de kinderwagen, die hem uit handen wordt getrokken door een Aaltje die volkomen door het dolle heen is en haar kinderen in de armen sluit. Frits hoort intussen de rest van het verhaal aan en kijkt naar de drie mannen, de vraagtekens in zijn ogen zijn bijna zichtbaar.
‘Een aap? Ik zie helemaal geen aap.’
‘Waar is dat kreng gebleven, ik had hem met de boeien vastgemaakt aan een van de stangen binnenin.’
Geen aap te zien. Frits kijkt nog steeds ongelovig en de drie kijken elkaar weer stomverbaasd aan. Ze besluiten uiteindelijk het er op dit moment even bij te laten, de waarheid gelooft toch niemand. De vrachtwagen gaat stevig op slot. Ze zullen straks nog wel een keer de vrachtwagen uitkammen. De chauffeur start de vrachtwagen, de agenten stappen in en rijden achter hem aan, Frits en Aaltje gaan naar binnen.
Hoog in de bomen klinkt geklap en een kreet als in een oerwoud.

©Vera Oor, 2024

Jimmie bij de Wallaby's


Hondje Jimmie woont dichtbij de dierentuin en heeft een manier ontdekkt om thuis te ontsnappen als het vrouwtje werken is. Hij gaat door het kattenluik naar buiten en bezoekt de dieren in de dierentuin. Het hoofdstuk de Wallaby's is een van de hoofdstukken uit mijn boek "Jimmie gaat naar de dierentuin, ga je mee?" 
Dit verhaal heb ik voorgelezen bij vier kleuterklassen in het kader van de kinderboekenweek (ter plekke wel enigszins ingekort omdat het verhaal eigenlijk bedoeld is voor 7-9 jarigen). 
Naast de grappige illustraties in het boek, mocht ik met toestemming van fotografe Johanna Kok de foto van wallaby met jong, gebruiken op scherm, wat de kinderen zeer interessant vonden.  

Jimmie heeft even getwijfeld of hij vandaag wel op pad wilde gaan.
Hij vindt het buiten maar koud.
Uiteindelijk heeft hij zijn das gepakt en om zijn nek gedraaid.
Hij heeft ook een muts, waar gaatjes in gemaakt zijn, zodat zijn oren naar buiten kunnen steken.
Nee, besluit hij, die muts zet ik niet op, die kriebelt.
 
Boe, de wind fluit om zijn snoet wanneer hij zijn kop door het kattenluik naar buiten steekt.
Een, twee, drie! Hup, lopen!
Jimmie loopt hard om warm te blijven en is al snel in de dierentuin.
De moeraswallaby’s gaat hij zoeken.
Ze komen uit Australië, dat bijna aan het andere eind van de wereld ligt.
Ze heten moeraswallaby omdat ze net zo stinken als een moeras.
De wallaby’s wonen in bossen en ook wel in moerasgebieden of in grasgebieden met veel struiken.
Ze eten er gras, boomschors en bladeren.
Daar gaat Jimmie vandaag eens kijken.
Nee, natuurlijk niet in Australië, maar bij de wallaby’s in de dierentuin!
Hij heeft gehoord dat wallaby’s eigenlijk kangoeroes zijn, maar dan iets kleiner.
Na wat rondgelopen te hebben, heeft Jimmie ze gevonden.
Dat ziet er mooi uit, de wallaby’s hebben alle ruimte om te lopen en zelfs een eigen plas met wat water.
Jimmie gaat voor het hek staan en bekijkt alles eens goed.
 
Wat een prachtige vacht hebben ze, bijna net zo mooi als die van Jimmie.
Mooier kan natuurlijk niet, want Jimmie vindt zelf dat hij de mooiste vacht heeft van alle dieren.
De vacht van de wallaby’s is donkerbruin en lichtbruin, maar er zit ook grijs bij.
Hun grote, puntige oren staan recht overeind.
Jimmie denkt dat ze wel een dikkere vacht hebben dan hij, ze lijken het niet koud te hebben.
Dat is wel anders met Jimmie: hij heeft het koud! Hij bibbert zelfs van de kou.
Had hij nu toch maar die muts meegenomen, die hij over zijn koppie had kunnen trekken.
Hij kijkt eens naar de kop van de wallaby’s.
 
Eigenlijk hebben ze maar een kleine kop, hun lijf is heel veel groter.
Dat is natuurlijk altijd zo, dat een kop kleiner is, dan het lijf, maar de wallaby heeft wel een erg kleine kop in verhouding tot zijn lijf.
En die staart, moet je die eens zien! Heel stevig en gespierd.
De staart is net zo lang als het lijf, ongeveer vijfenzeventig centimeter.
Die is bijna even lang als Jimmie van de kop tot het puntje van zijn staart.
Wallaby’s hebben kleine voorpoten die voor hun buik hangen als ze zitten.
De achterpoten zijn veel en veel groter.
Hun voeten zijn trouwens ook behoorlijk groot.
Welke schoenmaat zouden ze hebben?
Kijk maar eens goed hoe ze lopen.
Wanneer ze langzaam lopen, zetten ze de voorpootjes op de grond.
Ze steunen op hun staart en huppen vooruit met hun achterpoten.
Als een wallaby hardloopt, houdt hij de voorpootjes weer voor zijn buik en maakt hij heel grote sprongen.
Daarvoor gebruikt hij zijn grote achterpoten, waarmee hij zich afzet.
 
Jimmie krijgt het steeds kouder, hij begint zelfs te klappertanden.
Hij blaast een paar keer in zijn pootjes, zodat die ook wat warmer worden.
Een beetje jaloers kijkt hij naar een kleine wallaby, waarvan hij het kopje uit de buidel van de moederwallaby ziet komen.
Aan de onderkant van de buik hebben de vrouwtjes een opening waar babywallaby’s in kunnen zitten.
Dat is de buidel. Wallaby’s zijn, net als kangoeroes, buideldieren.
O, die buidel is vast even warm als mijn mandje, denkt Jimmie en hij trilt weer van de kou.
Een van de andere wallaby’s ziet Jimmie beven en roept iets naar hem: ‘Hondje, heb je het koud?
‘Jjjaa-aa,’ antwoordt Jimmie met een bibberende stem.
Ze zwaait met haar kleine voorpoot en roept naar hem: ‘Kom maar even opwarmen bij mij in de buidel, hoor.’
Jimmie kijkt haar verbaasd aan en vraagt of ze hem bedoelt.
‘Ja hoor, kom maar.’
Nou dat laat hij zich geen twee keer zeggen.
Hij klimt over het hek en loopt voorzichtig naar de wallaby toe.
Hij geeft haar beleefd een pootje en zegt dat hij Jimmie heet.
De wallaby buigt iets voorover.
Jimmie kan de opening van de buidel zien en de wallaby geeft hem een zetje, zodat hij de buidel inschuift.
Oh, wat is het hier lekker warm, denkt Jimmie en al snel rilt hij niet meer van de kou.
Het is binnenin wel erg donker en hij kan niks zien.
Uit zijn rugzak haalt hij zijn zaklamp.
Zo kan hij mooi eens kijken in die buidel en hij schijnt in het rond.
Hij ziet vier tepels zitten.
De jonge wallaby kan daar drinken.
Meestal is er één baby, maar heel af en toe is er een tweeling wallaby.
Dan kunnen ze kiezen uit welke tepel ze willen drinken.
Een mens heeft twee tepels.
Een hond heeft wel tien tepels, maar een hond krijgt meestal ook veel puppy’s.
Al die kleine hondjes moeten de tepels met elkaar delen.
 
Jimmie duwt de buidel een beetje open.
Hij steekt zijn kopje naar buiten en kijkt omhoog, naar de kop van de wallaby.
‘Mag ik u iets vragen?’ roept hij naar boven. ‘Hoe komt de baby in de buidel?’
De wallaby buigt haar kop naar Jimmie toe en vertelt: ‘Als mijn baby geboren wordt, heeft die nog geen vacht en hij is ook blind. Na de geboorte kruipt hij door mijn vacht naar de buidel. Daar blijft hij dan acht of negen maanden zitten. Lekker warm en veilig.’
Jimmie kruipt nog even terug de buidel in en als hij helemaal opgewarmd is, gooit hij zijn rugzakje naar buiten.
Daarna klimt hij zelf uit de buidel en springt op de grond.
Hij bedankt de wallaby dat hij de warme plek heeft mogen gebruiken.

‘Graag gedaan, hoor,’ zegt de wallaby. ‘Als je het weer eens koud hebt, dan vraag maar gerust of een van ons nog een plekje vrij heeft in de buidel, zodat je weer op kunt warmen.’

Jimmie bindt zijn rugzakje om en kijkt nog een laatste keer rond. Het enige wat hij nu niet weet, is wat wallaby’s eten en hij vraagt het nog even.

‘We worden hier goed verzorgd,’ antwoordt de wallaby. We krijgen één keer per dag eten van de verzorgers: speciale takken, hooi en kangoeroebrokken.

Ach ja, eigenlijk net zoals Jimmie, die krijgt ook brokjes in zijn bak. Alleen al door het denken aan zijn brokjes, krijgt Jimmie honger.

Hij kwispelt nog een keer naar de wallaby en loopt vlug naar huis.


 





Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...