Gisteravond heb ik genoten van de avondrust in een Frans dorp. Na mijn fietstocht door de omgeving had ik me opgefrist op mijn hotelkamer en ben over de oude kasseien de straat uitgelopen. Het leek of de tijd hier had stilgestaan. Alsof ik in een schilderij van laat 19e eeuw terecht was gekomen. Enkele wandelaars liepen gearmd onder de met sterren bezaaide donkerblauwe hemel. Een etalage was verlicht en de jaloezieluiken van de bovenwoningen stonden open om de frisse nachtlucht de kans te geven de warmte in de huizen te verdrijven. Spaarzaam licht uit die huiskamers scheen naar buiten.De grote lantaarn die onder de golvende, geelgekleurde overkapping van een café hing, lokte mij als het ware het terras op. Dat slechts enkele ijzeren banden deze luifel omhoog konden houden, verbaasde me. Zowel op het terras als op de klinkers stonden bistrotafeltjes met sierlijk gevormde, ijzeren poten. Bij elk tafeltje twee houten bistrostoelen. Het was er niet druk, slechts vijf tafeltjes waren bezet. Aan de smeedijzeren muurbeugel ontbrak het uithangbord, waarop waarschijnlijk de naam van dit etablissement had geprijkt.
Ik nam plaats aan een van de tafels en een in wit geklede ober kwam naar me toe.
‘Un verre de vin s’il vous plait,’ antwoordde ik op zijn vraag wat ik wilde drinken.
Het gekeuvel op de achtergrond, het geruis van de volle boomkruin aan de overkant van het terras en het geluid van voetstappen op de straat vormden een ritme, dat me bijna in slaap deed sukkelen.
Vandaag trek ik eropuit om de velden met zonnebloemen te bekijken, waar deze streek om bekend staat. Ook hier een weldadige rust op de zandpaden tussen de weidse, gele velden door, waar de bloemen hun bruine hart richten naar de zon. Andere, nog gesloten knoppen proberen het geel van de bloemblaadjes tussen de groene kelkbladeren door te steken.
Het is warm en ik besluit de rand van het veld op te zoeken, waar de bosrand enige schaduw biedt. Ik begrijp wel waarom schilders deze uitgestrektheid in heldere kleuren willen schilderen. De wuivende bloemen lijken me te hypnotiseren.
Dan ineens zie ik een figuur met een strooien hoed. Een man loopt voorovergebogen tussen de bloemen door. Ik vraag me af wat hij doet. Zonnepitten verzamelen? Hij loopt in een patroon van rechte lijnen het veld door, zijn hoofd continue gebogen, alsof hij iets zoekt. Hij kijkt niet op, maar ik zie zijn rossige haren en baard onder de hoed. Hij is te ver weg om hem gedag te zeggen, dus ik besluit verder te lopen, terug naar mijn hotel.
Ik wijzig mijn plan als ik langs het café loop waar ik gisteravond heb gezeten. Overdag straalt het een totaal andere sfeer uit. De betovering van gisteravond is er niet, maar ook nu lijkt de tijd er stil gestaan te hebben. Ik bestel wat te drinken. De ober heeft de tijd en knoopt een praatje met me aan. Ik vertel hem, in mijn beste schoolfrans, dat ik langs de zonnebloemvelden heb gelopen en dat ik daar die zoekende man heb gezien.
‘Ah, c’est Vincent,’ knikt hij.
Moet ik weten wie Vincent is of zo?
‘Il cherche son oreille.’
Oreille, oreille, wat is dat ook alweer in het Nederlands? Ineens komt het uit mijn geheugen terug: oor.
Oor? Vincent? Nee, dit kan niet. Vincent van Gogh is al lang dood.
Arles! Dat is de naam van het dorp waar ik nu ben. Daar schilderde van Gogh meerdere zonnebloemtaferelen en het caféterras bij nacht. Dit kan niet!
Of toch?
© Vera Oor, 2024