Het is
enkele dagen voor pakjesavond. Overdag schijnt de zon tussen de bomen door en
valt het nog wel mee, maar ’s nachts wordt het flink koud en zie: de maan
schijnt door de bomen. Op de daken ligt een pak sneeuw, ijspegels
hangen aan de dakgoten en uit de schoorstenen verdwijnen rookpluimen de nacht
in. Bij de meeste huizen zijn de gordijnen dichtgetrokken om de warmte binnen
te houden.
Zelfs de zwerfkatten lopen niet over straat en verschansen zich in schuurtjes
met zijn allen bij elkaar om warm te blijven. De muizen vinden dat wel prima. Zij hebben lekker warme sokken aan, een dikke
das om en een muts op. Een muts met twee gaatjes waardoor hun oortjes naar
buiten piepen. Nu de katten in de schuurtjes liggen, trekken de muisjes erop
uit met hun sleetjes en schaatsen. Sneeuw- en
ijspret. Het water onder de fontein is bevroren en de muizen schaatsen rondjes
over het ijs. Uit hun kleine muizenbekjes komt de warme adem als een wolkje
naar buiten.
Maar o wee, de keizer, die heeft het koud!
Elke middag wordt in het park een poppenkastvoorstelling gegeven. Die heet “De
nieuwe kleren van de keizer”, een oud sprookje. Na afloop van de voorstelling
worden de poppen in een kast opgeborgen: de keizer en de kleermakers. Niemand
weet dat ze, wanneer alle mensen binnen zitten, tot leven komen! De keizer
heeft kippenvel over zijn hele lijf van de kou. Hij zit in zijn blootje in de
kast en doet voor niemand open. Hij heeft er spijt van dat hij altijd wilde
opscheppen over wat hij allemaal bezit. Hoe ging
het sprookje ook alweer?
De keizer is erg ijdel en trekt vaak nieuwe kleren aan. Iedereen klapt voor
hem omdat ze bang zijn dat de keizer boos zal worden, maar eigenlijk vinden ze
hem helemaal niet aardig.Twee mannen doen alsof ze kleermakers zijn en beloven de keizer dat ze mooie
kleren voor hem kunnen maken. Maar…zeggen ze, de stof waarvan de kleren gemaakt zullen worden is onzichtbaar.
Eindelijk mag de keizer komen passen, alleen ziet hij de kleren niet. Hij voelt
zich een beetje dom, maar iedereen staat te klappen en zegt hem dat de kleren
hem geweldig mooi staan. Totdat een klein kind roept: “Hij heeft helemaal niets aan”. Zijn onderdanen beginnen de keizer uit te lachen. De kleermakers hebben hem
voor de gek gehouden.
Vanavond,
in de snijdende kou, hebben de kleermakers medelijden met de keizer die het zo
koud heeft en ze willen het goedmaken. Ze gaan op pad en vertellen aan niemand
wat ze van plan zijn, dat is hun geheimpje.
Een ijzingwekkende gil galmt door de koude stille avond. Wat is er aan de
hand? De muisjes kruipen trillend van angst bij elkaar en de dapperste
muizen besluiten naar het dorpsplein te sleeën.Op het plein is een beeld van Sinterklaas neergezet. Elk jaar van half november
tot 6 december staat hij daar. Sinterklaas staat dan op een sokkel in zijn rode
mantel en rode mijter. Met zijn witte handschoenen houdt hij de gouden staf
vast. Maar nu? De ogen van de muisjes rollen bijna uit hun koppie van verbazing, want
nu… staat Sinterklaas alleen in zijn witte, lange hemd! De rode mantel, die hem
moet beschermen tegen de kou, ontbreekt. IJspegeltjes hangen in zijn baard en zijn stem bibbert van de kou als hij tegen
de muizen zegt: ‘ze hhhebben mijn mmmantel afgepakt en mmmeegenomen. Het ging zo
vlug. Ik kkkon de twee mannen niet de baas.’
‘Welke mannen? Kent u ze?’ vraagt de grootste muis.
‘Nee, ik heb ze nog nooit gezien. Ik weet wel dat ze uit het park kwamen. O wat
erg is dit. Ik kan toch niet in mijn hemd op het paard zitten en over de daken
lopen.’
Dan komen er enkele Pieten aan. Zij waren op een andere plaats bezig om pakjes
in te pakken en in de zakken te doen, zodat ze daarmee het dak op kunnen. Ook
zij hebben het gegil gehoord en zijn snel naar Sinterklaas gelopen om te vragen
of hij iets had gezien. En nu staat hij daar in zijn hemd!
‘Klaas, wat is er gebeurd? vraagt de Pakjespiet. Hij noemt Sinterklaas
altijd Klaas. Sinterklaas
wil vertellen wat er gebeurd is, maar hij heeft het te koud. Zijn tanden
klapperen op elkaar. De muis vertelt de Pieten wat de Sint hem verteld heeft.
‘Als we
weten wie dat gedaan heeft, gaat hij in de zak mee naar Spanje,’ roept de
Hoofdpiet. Weer
klinkt er een huiveringwekkende gil die door merg en been gaat. Nog meer
muisjes komen op hun sleetjes aanrijden om te horen wat er aan de hand is. Als
ze horen dat de mantel van Sinterklaas is gestolen gaan ze op zoek. Hijgend
komt even later een van de muisjes terugsleeën en roept: ‘Ik heb iets geks
gezien bij de achtbaan op de kermis. Het was te ver weg om precies
te kunnen zien wat er loos was, maar ik dacht wel iets roods te zien.’
‘Kom jongens, we gaan naar de achtbaan,’ roepen de Pieten en ze rennen achter
elkaar aan. Aangekomen bij de achtbaan schrikken ze van het geluid van
ratelende wagentjes. Overdag zitten er bezoekers in die wagentjes maar ’s
avonds staat de achtbaan altijd stil. De Pieten kijken elkaar vragend aan en dan ineens komt er in razend
tempo iets voorbij. In een van de wagentjes zit iemand die iets roods vasthoudt
dat heen en weer flappert. De man die in het wagentje zit, krijst: ‘Ik ben bang! Zet dat ding stil.’
‘Dat is de mantel van Sinterklaas,’ zegt een van de muisjes, ‘dat kan niet
missen, maar wie is die man die de mantel vasthoudt?’
Vanaf de zijkant komt iemand naar hun toelopen. Ze herkennen hem. Het is
een van de kleermakerpoppen uit het poppenkastsprookje. De kleermaker huilt
dikke tranen, die gelijk bevriezen, en legt uit, dat hij samen met zijn makker
op pad was gegaan om echte kleren voor de keizer te zoeken. Ze hadden zo’n
spijt van hun bedriegerij met de nepkleren en nu had de keizer niets om aan te
trekken en zich te beschermen tegen de kou. Dat was hun schuld. Niet alles was natuurlijk geschikt voor zo’n belangrijk iemand als de keizer,
maar de mantel van Sinterklaas, ja dat was wel een mooie. Die zou de keizer wel
passen en ze besloten om die mantel te stelen.
‘We hebben de mantel van de slapende Sinterklaas af gehaald en waren op weg
naar de keizer toen we langs de achtbaan kwamen. Mijn maat wilde wel eens in
zo’n wagentje zitten, gewoon even om te weten hoe het voelt, de achtbaan werkte
immers niet. Ik wilde niet mee en ik leunde wat achterover. Daarbij
heb ik per ongeluk een hendel aangeraakt en die zette de achtbaan in beweging.’
‘Help me,
help me!’ klinkt de noodkreet uit het wagentje dat weer voorbij komt scheuren
met erachteraan de wapperende rode mantel.
De grote muis kijkt eens goed naar alle apparatuur en ziet een rode knop. Hij
drukt erop en ja hoor, nu staat de achtbaan stil. Maar waar is het wagentje? Ze
kijken rond en kijk daar, heel erg hoog bungelt het wagentje en de kleermaker
die erin zit, gilt nog harder dan voorheen en zwaait met de rode mantel.
‘Ik heb hoogtevrees. Ik wil hier weg!’
De muis drukt weer tegen de hendel om de achtbaan in gang te zetten. Precies op
het juiste moment drukt de muis op de rode stopknop en nu hangt het wagentje
dichtbij. De Pieten slepen de bange kleermaker uit het wagentje. Als eerste
pakken ze hem snel de mantel af.
De Hoofdpiet is inmiddels ook aangekomen bij de achtbaan en wil de kleermakers
meenemen om hen in de zak te stoppen.
‘Hoho, wacht even,’ zegt de Hulppiet, ‘ze hebben erg veel spijt van wat ze
gedaan hebben door de keizer voor de gek te houden. Ik vind dat ze wel genoeg
straf hebben gehad voor het stelen van de mantel van de Sint. En deze,' wijst
hij naar de man die uit het wagentje kwam, 'is heel erg bang geweest in de
achtbaan.’
De Hoofdpiet fronst zijn wenkbrauwen en kijkt nog eens boos naar de kleermakers
die wanhopig in hun handen staan te wringen.
‘We nemen hem mee naar Sinterklaas, die moet maar beslissen.’
En daar gaat de stoet naar Sinterklaas. Die ziet de groep aankomen: de muizen,
de Pieten en de twee kleermakers. Hij trekt snel zijn mantel weer aan, die de
Hoofdpiet aan hem geeft. Zo, nu is hij weer aangekleed zoals Sinterklaas eruit
hoort te zien.
De kleermakers gaan op hun knieën voor Sinterklaas zitten en vertellen hoeveel
spijt ze hebben van wat ze gedaan hebben. Sinterklaas overlegt fluisterend met
de Hoofdpiet en de Hulpppiet. Daarna vraagt hij de kleermakers om weer op te
staan.
‘Mannen, jullie zijn heel erg stout geweest. De keizer is bijna doodgegaan van
de kou en ik ook. Bovendien had ik geen pakjes kunnen bezorgen op pakjesavond.
Dat was een ramp geweest.’
De kleermakers knikken en zeggen ‘U heeft gelijk Sint, we zullen het nooit meer
doen.’
Sinterklaas antwoord: ‘Ik heb overlegd met de Pieten en jullie krijgen nog een
kans. Als jullie het volgende jaar geen stoute dingen meer uithalen, hoeven
jullie niet in de zak, maar o wee, als ik ook maar iets over jullie hoor dat
niet door de beugel kan, dan gaan jullie volgend jaar alsnog mee naar Spanje.’
De kleermakers halen opgelucht adem en beloven dat maar al te graag.
‘Dank u wel Sinterklaas.’
De muizen sleeën terug naar het park en de kleermakers sjokken naar het
verblijf van de keizer. Ze doen er lang over want wat moeten ze gaan vertellen?
Daar aangekomen vallen hun ogen zowat uit de kassen. De keizer heeft een dikke
winterjas aan. Hoe komt die daar dan aan?
‘Kijk,’ zegt de ene kleermaker en wijst naar de daken: ‘daar rijdt Sinterklaas
op zijn schimmel. Die heeft hier natuurlijk de warme jas als Sinterklaascadeau
gebracht.’
Sinterklaas ziet er weer uit zoals iedereen hem kent met rode mantel, mijter en
staf. Hij zwaait met zijn witte handschoen.
©Vera Oor, 2023