Alice

 

Vandaag is de ontmoeting met Rob, de schaapsherder. Aan de rand van de Veluwe graast op dit moment zijn kudde, bestaande uit 45 schapen. Haar ouders hebben Alice afgezet bij het houten gebouwtje aan de rand van het bos. Het is prachtig weer maar ze heeft toch de groene rubberen laarzen aangetrokken. Ze gaat een heel eind mee de hei op en onderweg kan het best drassig zijn. Alice stapt op de man af, die het gebouwtje uit komt lopen.
“Bent u Rob?”
“Jazeker, is het antwoord. Jij bent vast Alice.”
Ze kijkt omhoog naar de boom van een vent, en legt haar kleine handje in de zijne. De border collie van Rob maakt ook even kennis met het meisje, besnuffelt haar kort en loopt dan naar de kudde. Rob pakt een grote stok en geeft een iets kleiner exemplaar aan het meisje.
Ze voelt zich nu een echte herders-assistent en stapt dapper achter hem aan. Elke stap van Rob zijn er drie van haar, maar ze kan hem nog bijhouden. Als hij wat gehijg naast hem hoort, realiseert Rob zich het verschil in beenlengte tussen hen: Klein Duimpje en de Reus, en hij past gelijk zijn stappen aan. Het kind geniet met volle teugen van de schapen, de hond, de natuur en kletst honderduit. Ze vertelt over haar eigen hondje, en haar konijntje Bunny dat net zo wit is als de schapen.
Het is maar een klein konijntje, vertelt ze. Hij is heel lief en mag af en toe ook in de huiskamer rondhuppelen. Ze moet dan wel goed opletten, anders knabbelt hij misschien aan de elektriciteitsdraden.
“Nu moet je even goed opletten, Alice. De schapen lopen te ver uit elkaar.”
De collie rent van links naar rechts om de schapen heen, tot ze weer bij elkaar gedreven zijn en lekker tussen de heide gaan grazen. De hond doet zijn werk goed en Rob hoeft amper mee te werken. 

De man en het meisje gaan op een boomstam zitten en pakken hun lunchpakketjes uit.
“Wil je ook wat warme thee?”, vraagt Rob.
“Nee dank u”, zegt ze beleefd. “Ik heb een pakje melk bij me.”
Als ze hun boterhammen hebben gegeten, ziet Rob het witte snuutje van Alice en vraagt haar of ze ziek is. Alice antwoordt dat ze alleen maar een beetje moe is. Normaal gesproken loopt ze niet van die lange stukken.
“Ga maar even lekker slapen. Ik let wel op”, zegt Rob.
Alice trekt haar laarzen uit, zet ze onder een boom neer en gaat liggen in het gras. Ze vecht nog even tegen de slaap maar dommelt langzaam weg.
 
Een geluid dringt bij haar binnen en door haar wimpers kijkt ze de kant op waar het geluid vandaan lijkt te komen. Staat Bunny daar nu? Er staat toch echt een wit konijn. Ze bedenkt zich nog net op tijd en roept hem niet, want dan zou hij kunnen schrikken en weglopen. Maar nee, het is Bunny niet. Dit is een groot wit konijn met een geruit jasje aan. Hij staat tussen de klaprozen haar kant op te kijken en houdt de poot vast van een klein muisje. Alice spitst haar oren om het gesprek tussen muis en konijn op te vangen.
“Volgens mij is ze het, dezelfde haren en ogen”, zegt het muisje, “je hoorde toch dat die man haar Alice noemde.”
“Maar ze is al zo lang weg, dan zou ze toch groter moeten zijn?”, antwoordt het konijn vertwijfeld.
“Ben je vergeten dat ze het flesje ‘drink mij’ heeft meegenomen. Bij elke slok wordt ze weer klein.”
Alice wil wat zeggen, maar bedenkt zich en houdt haar lippen stijf op elkaar om het gesprek verder te volgen. Het konijn kijkt op zijn zakhorloge en zegt tegen het muisje dat het veel te laat is.
“Hoezo te laat? Je horloge begint elke 12 uur weer van voren af aan dus weet je nooit of het te laat is.”
Het konijn lijkt de muis niet te begrijpen.
“We hebben al zo vaak gekeken en ze is nog nooit terug geweest. We zijn gewoon te laat”, zegt hij.
“Bovendien liep ze altijd op roze laarzen en hier staan groene. Dus het moet een ander kind zijn.”
Het konijn laat zijn oren hangen, kijkt nog een keer op zijn horloge en zucht diep.
“Dan hebben we weer voor niks die roze laarsjes voor haar meegenomen. We vinden haar nooit terug. Die laarsjes moeten we mee naar huis nemen en weggooien.”
“”Nee,” besluit het muisje.
“We laten de laarsjes hier gewoon staan en we geven het op. Ze komt niet meer terug in Wonderland. Ik denk dat wij het gedroomd hebben, dat er ooit een Alice bij ons is geweest. Het was wel een mooie droom. We hebben leuke avonturen met haar beleefd.”
Mmmmaaar, mijn oma heeft wel eens over jullie verteld”, zegt Alice heel zachtjes.
De muis en het konijn horen het niet meer, ze zijn het konijnenhol iets verderop ingelopen en naar beneden gegleden.
 
“Alice, wakker worden”, hoort ze roepen terwijl iets nats over haar wang glijdt.
Ze komt snel overeind, duwt de neus van de hond aan de kant en begint opgewonden te praten.
“Heeft u het konijn en de muis ook gezien”, vraagt ze aan Rob
“Konijn en muis? Nee! Ik heb alleen maar schapen gezien. Ik denk dat je gedroomd hebt”.
Alice kijkt nog eens rond of ze hun nog ziet en komt uiteindelijk tot de conclusie dat Rob wel gelijk zal hebben en dat ze het inderdaad gedroomd heeft. Het konijn leek trouwens wel heel veel op het konijn in het verhaal dat haar oma vaak verteld heeft. Haar oma, die ook Alice heette, vertelde dat ze ooit een keer in een Wonderland was geweest en daar allerlei vreemde dieren had ontmoet. Dat had oma goed verzonnen want het leek net echt als ze het vertelde.
Oke, gaan we verder lopen?”, vraagt Alice aan Rob.
Op zijn bevestigend antwoord loopt ze weg om haar laarzen onder de boom te pakken.
Naast haar groene laarsjes staat een paar roze laarsjes.

Veel te zien langs de weg

 

Een eind rijden: 100 kilometer heen en ook weer terug. Ik had de luxe om niet te hoeven rijden dus kon ik heerlijk om me heen kijken. Dat vind ik altijd hartstikke leuk, want onderweg zie je zo veel als je goed oplet.
Uiteraard ben ik als dierenliefhebber superscherp op dieren en ik zie menig konijn, koe of schaap. Vandaag liepen er bij een boerderij waar we langs reden zelfs 2 kamelen buiten. Waarschijnlijk van een verhuurbedrijf in attracties of zoiets. Ik heb daar wel eens iets over gelezen, wat overigens niet de instemming heeft van de Partij voor de dieren.
Maar vandaag overtrof het wat betreft bezienswaardigheden wel het een en ander. Het grootste deel van de rit reden we zonder regen, alhoewel wolken nogal eens wat anders leken te voorspellen.
 
Opeens zie ik rechts van me een schildpad. Zijn kop steekt wat onder het schild uit alsof hij eerst het weer wil verkennen voordat hij verder kruipt.
Kort daarop ligt er een schaap op de rug. Zo’n grappig schaap met allemaal krulletjes, die als een toef bovenop de kop staan. Vier pootjes steken als bonenstaken omhoog. Het heeft geen zin om de eigenaar te zoeken want inmiddels zijn we er al een flink eind voorbijgereden.
O jee, dit wordt waarschijnlijk filerijden: een eind verderop aan de linkerkant zie ik een zwarte wolk, is het rook? Hopelijk is de brand niet op onze route, want dat kan wel eens wat vertraging betekenen. Gelukkig dirigeert de navigatie ons naar rechts en vermijden we de mogelijke brand.
Bijna bij de bestemming aangekomen zie ik het kasteel al staan. Het torent hoog boven alles uit. Ik kan nog net een tip opvangen van het meer dat naast het kasteel ligt en omgeven is door bergen. Nou ja bergen? Die zijn er niet in Nederland, maar in ieder geval zijn het dan behoorlijke heuvels die ik zie. Langs een van die heuvels weerkaatst een enkele zonnestraal in de kleine waterval die naar beneden klettert.
Als laatste zie ik nog een vrouw liggen. Relaxed op haar rug, neus omhoog gericht naar de enkele zonnestraal en onderwijl een wolkje rook uitblazend. Toppunt van genieten.
 
Ik ben op een gegeven moment maar opgehouden met kijken, want ik kreeg ietwat pijn in mijn nek van het naar boven kijken. Kijkend naar de wolkenpartijen waarin je heel veel kunt zien als je je fantasie loslaat. De wolken die gedragen worden door de wind.
De schildpad loste op in zijn schild.
Het schaap bleef nog even liggen, evenals de rokende vrouw.
Het kasteel verdwijnt achter wolken en ook het meer is niet meer zichtbaar. De waterval gaat over in een groot lichtgrijs meer tussen de witte wolken. Als er al een brand zou zijn geweest, was die waarschijnlijk geblust door de hoeveelheid regen in de donkere wolk.

Herfstwandeling

 

Hoor je het? De herfst roept. Ritselend blad, een stap in een plas regen.
Zie je het? De herfst toont zich. Een kleurenpalet van rood, groen, bruin, oranje en geel.
Ruik je het? De herfst presenteert zich. Zurige, rottende bladeren, vochtige grond, een opengebarsten kastanje.
Voel je het? De herfst is tastbaar zonder er moeite voor te hoeven doen. 
Heb je niet de mogelijkheid om de herfst in te stappen, dan probeer ik je mee te nemen in een denkbeeldige wandeling.

Je bent vandaag vroeg uit de veren, de dag duwt de schemer langzaam voor zich uit. Bij een kop warme herfstthee, genesteld in je lievelingsstoel, word je geleidelijk aan wakker, een stukje verlengde nachtrust. Het is vrijwel windstil en slechts enkele droge blaadjes huppelen over het tuinpad.
Op enkele tientallen meters verwijderd van je huis, loop je het bos in.
Even hap je naar de adem, die je bijna wordt benomen bij het zicht op de voor je uitgerolde loper tussen twee rijen majestueuze bomen door, die zich al deels uitgekleed hebben maar genoeg over hebben om met hun imposante bladerkroon te pronken. Het geluid van je voetstappen wordt gedempt door de dikke gekleurde deken van bladeren. Lichte vochtigheid stijgt eruit op en dauwdruppeltjes vernevelen zich.
Een voorzichtig fluitje in de verte wekt de andere vogels, die geleidelijk aan aansluiten. Het vogelorkest start de dag met heel heldere zang.

Links van je nodigt een bemoste open plek je uit om erheen te lopen. De aarde is zich aan het opwarmen, je jas kan zo langzaamaan wel uit. Die spreid je uit op het mos en gaat erop zitten. De kin laat je rusten op je opgetrokken knieën waar je je armen omheen hebt geslagen en je staart wat voor je uit, gedachtenflarden fladderen als vanzelf weg. Je hoofd blijft leeg.
Enkele kastanjes onthullen een deel van hun bruine, glanzende bol door tussen de lichtgroene stekels uit te piepen. Miniscule bosdiertjes krioelen tussen de gevallen bladeren en een iets grotere kever zorgt ervoor dat een blad licht ritselend opzij schuift. De opgekomen zon tovert het tot nu toe zichtbare bruin, donkerrood, donkeroranje om in een vurig spektakel. Het oranje knalt, donkerrood wordt helrood, bruin verandert in tinten geel, van oker tot helgeel. Een overbekende vliegenzwam vangt een zonnestraal en laat zijn helderwitte behuizing zien onder de rood met witte-stippen hoed. Een klein plofje uit de richting van die zwam laat je bijna geloven dat Spillebeen van zijn zitplaats afgesprongen is.
De wind is iets aangetrokken en blaast je haren luchtig naar achteren en de smaak van herfst je mond in. 

Aan de overkant van deze open plek, op slechts enkele meters afstand, beweegt iets. Je stopt even met ademen als je je realiseert welke bijzondere ontmoeting jou te wachten staat. Twee puntige lichtbruine blaadjes steken boven de andere bladeren uit, gevolgd door twee geelbruine lampjes en een zwarte punt.
Echt? De blaadjes zijn oren, het zwarte puntje is een neus en de lampjes zijn ogen, die jouw kant opkijken, beducht op iets wat ze niet willen zien. Als vastgenageld blijf je doodstil zitten. Je knippert niet eens met je ogen en ademt zo oppervlakkig dat er geen ademwolkje aan je mond kan ontsnappen.
De lampjes kijken weg van jou.
Je hebt een vos tegenover je zitten! Hij richt zich iets verder omhoog en verkent de omgeving. Als je niet zou weten dat hij er zit, zie je hem niet.
Hij kijkt een keer achterom en uit het vossenhol onder de brandnetelstruiken, duiken er nog twee nieuwsgierige vossenkoppies omhoog.
Ergens verderop valt een tak naar beneden en de vosjes schieten hun hol weer in.
Je hoopt op een vervolg, maar ze laten zich niet meer zien en je besluit met al je geopende zintuigen het bos weer uit te lopen, nog een keer achterom kijkend.

Regenkapje

 
Tegenwoordig hangen mijn groene rubberen regenlaarzen op een rek bij de achterdeur. De dieren zullen gevoerd moeten worden en zo nu en dan moet ik de wei inlopen. Wij hebben kleigrond, waardoor bij langdurige regen of sneeuw de groene wei transformeert tot een bruine modderpoel.
Ik ga richting wei met laarzen in maat 41, maar kom er met maat 45 uit. De klei vormt een dik plakaat onder en opzij van de zolen. Bij het lopen zak ik weg in de blubber. Zodra ik een stap maak zuigt de modder zich eerst vacuüm om de laars, waarna ik die er met een zompig geluid weer uittrekt.  
Als er voor geiten en schapen regenlaarzen zouden bestaan, kregen ze die van mij. Zo nu en dan hebben ze zo’n dikke klomp klei onder hun pootjes zitten, dat ze mank lopen en wij de klei er tussen uit moeten peuteren.
 
Mijn vader en moeder gingen ieder op hun eigen manier de regen in. Mijn vader stopt de broekspijpen in de sokken, trok zijn jas aan en petje op, voordat hij op de fiets stapte. Zijn hoofd zo ver mogelijk weggedoken in de kraag van zijn regenjas.
Althans, zo werd de jas genoemd. Zodra het flink doorregende was ook deze doorweekt.
Mijn moeder had eenzelfde soort regenjas, tot net over de knie. Daaronder de nylonkousen en de damesschoenen. En om het charmante aanzicht compleet te maken ging over het hoofd een regenkapje. Een opgevouwen dun doorzichtig stuk plastic, standaard in de tas aanwezig. Bij het openvouwen ontstond er een soort van harmonica die over het hoofd gebogen kon worden en met twee touwtjes onder de kin bevestigd. De voorkant werd nog even over het voorhoofd getrokken, de achterkant tot in de nek. Het kapje werd na gebruik te drogen gelegd nadat eerst de regendruppels eraf geschud waren. Eenmaal droog werden de twee touwtjes in een rechte lijn uit elkaar getrokken en het kapje vouwde zich weer op. Terug in de tas.

Het was een veelgebruikt kapje en diende om de krullen in het haar, door permanent of watergolf erin gebracht, keurig op de plaats en droog te houden.
Het zag er werkelijk niet uit. Mijn moeder had dat ding nog lange tijd in haar tas zitten, maar gelukkig kwamen er langzamerhand echte regenjassen met een capuchon. Nog veel later ging ze gewoon het huis niet uit als het regende

Ingekorte versie geplaatst op pagina Gastschrijvers van de Gelderlander

Ontplofte nier

5 oktober 02.30 uur: Klaarwakker! Buikpijn, niet normaal, flink uitstralend naar de rug.
Ik overweeg de huisartsenpost te bellen. Misschien trekt het weg?
Na een doorwaakte nacht neem ik contact op met de huisarts.



Gekromd strompelend loop ik de spreekkamer binnen. Na enkele pijnlijke drukbewegingen wil ik overeind komen maar halverwege gebaar ik mijn vriend die weet wat ik nodig heb: de lege plastic tas, uit voorzorg meegenomen, bedoeld voor de opvang van wat ik verwachtte te zullen produceren. Er komt niks afgezien van veel kokhalsgeluiden.
Eileidertorsie?
“Gaan jullie zelf naar het ziekenhuis of moet ik een ambulance bellen?”
We rijden zelf, gaat net zo snel. Maar jeetje, die drempels overal, die voel ik!
Na het onderzoek door de gynaecoloog en de conclusie dat het geen eileidertorsie is moeten we verder naar de SEH. Niet voordat ik weer het gebaar voor de plastic tas heb gemaakt.
“Hier heb ik iets anders, dat is beter dan die Primera tas!”
 
Vergezeld van deze doelgerichte nieuwe zak en de opgetrommelde rolstoel, rijden we naar de SEH.
Ondanks de drukte lig ik redelijk snel in een onderzoekskamer. Liggend is de pijn te houden. Vooral niet bewegen!
Nu wachten op de uitslagen van bloedwaarden.
“Helaas gaat het langer duren. De apparatuur in het lab ligt eruit.”
Wachten, liggen, niet bewegen.
“Dit gaat te lang duren, we gaan een scan uitvoeren om meer duidelijkheid te krijgen.”
Weer een rondje wachten op de uitslag.
“Tja, hoe zal ik het zeggen. We zien iets wat we nog nooit gezien hebben, de radioloog niet en wij op de SEH ook niet: een knik in de urineleider en een ‘ontplofte’ nier.”
Jeetje, niet alleen overal op straat en in de wereld, maar nu ook al in mijn lijf een ontploffing?
De nier is niet letterlijk ontploft, maar extreem groot.
“Het is heel druk en ik twijfel of ik u op ga nemen of dat u morgen terugkomt.”
“Ik ga echt niet meer naar huis.”
 
Het is extreem druk en er is geen plaats bij Urologie, dus tijdelijk lig ik op de trauma-afdeling en orthopedie. Vier vrouwen op een kamer.
De uroloog komt me daar opzoeken.
“We maken morgen nog een scan en besluiten dan over de aanpak. Dit is iets wat we nog nooit gezien hebben.”
Waar heb ik dat eerder gehoord vandaag?
“Voor de zekerheid blijft u nuchter, ook niet drinken.”
Gedurende de nacht houden buurvrouw en ik elkaar zuchtend en kreunend van de pijn wakker.
Pas tegen de ochtend, vrijdag 05.00 uur, doemelen we weg.
“We komen controles uitvoeren.”
Weg hazeslaapje, mijn mond voelt als een stuk ingedroogde klei.
Hé, de pijn is een stuk minder. Misschien is het allemaal toch vanzelf weggegaan.
 
Vrijdag 10.25 uur.
“U mag nog eten tot 10.30. Om 13.30 uur is de scan.”
“Nog eten? Ik ben al vanaf gisteren nuchter! Maar je zegt 10.30, dan heb ik nog 5 minuten. Doe me asjeblieft snel een boterham en een glas water, dat kan nog net.”
Prop, prop, slik, slik. 10.30 klaar.
De uroloog meldt zich weer.
“Er komt geen tweede scan. Drie radiologen en nog een uroloog hebben zich over de scan gebogen en geven aan voldoende informatie te hebben om over te kunnen gaan tot een operatie. Het is nog steeds iets wat geen van ons eerder bij de hand heeft gehad. Dit is iets wat misschien nog in een vakblad gaat komen.”
Op mijn antwoord “alles best, maar ik wil wel graag een kopie van dat blad”, krijg ik een bevestigend knikje.
“We weten nog niet wanneer de operatie plaats kan vinden, het is erg druk. De kans is groot dat het pas in het weekend mogelijk is. Voor de zekerheid moet u nuchter blijven.”
Aangezien de pijn stukken minder is, baal ik nog het meest van weer dat nuchter blijven en van die stomme infuuspaal naast me, waarbij de aanhangende zak vocht ervoor zorgt dat ik niet uitdroog.
In de tussentijd word ik wel verplaatst naar de verpleegafdeling urologie, waar een plaats is vrijgekomen. Wat een verschil. In tegenstelling tot de vorige afdeling een compleet nieuwe afdeling, licht, ruimte, voldoende sanitair en maar met één persoon extra op de kamer.
Tja, het is een man, maar goed alles went, zelfs een man, zeggen ze, dus ook deze man.
 
Vrijdag 17.30 uur: de verpleegkundige komt binnen met een operatiejasje. Zal het dan toch nog nu gebeuren?
“Ik ga u klaarmaken voor de operatie. Die staat om 18.00 uur gepland.”
Gelukkig, er komt schot in de zaak. Ik ben niet bang voor de operatie en verheug me nog het meest op het waterijsje na afloop. Dat heb ik eerder gehad en dat is zó lekker als je wakker wordt.
Ik kan naar binnen. Nog enkele checkvragen die ik de afgelopen dag al vaker gehoord heb: naam, geboortedatum. Aangevuld met de vraag of ik weet waaraan ik geopereerd wordt.
“Ja, aan een vergrote nier en een geknikte urineleider, rechts.”
“Hier staat links.”
Het dossier geeft zowel links als rechts aan in de tekst, maar uiteindelijk zijn we het er over eens dat het toch echt om mijn rechternier gaat.
“U krijgt nu eerst een ruggenprik.”
“Ruggenprik. Nee dat wil ik echt niet. Ik wil volledige narcose.”
Ik bereid me al voor op een discussie, maar dat blijkt niet nodig. Ik krijg volledige narcose na nogmaals gehoord te hebben, dat ze dit nog nooit gezien hebben.
Korte tijd later (in mijn beleving dan, de operatie heeft een uur geduurd) krijg ik mijn ijsje en mag naar de afdeling.
Weer de infuuspaal en nu ook een katheter. Zie dan maar eens bij de wastafel te komen om je op te frissen, intussen proberend het operatiejasje zodanig om me heen te vouwen dat ik enigszins aangekleed rondloop. Aangezien ik een stunteldiploma heb, zie ik mezelf al verstrengeld tussen allerhande slangen op de vloer eindigen.
 
Zaterdagochtend: ik mag weer eten en drinken! Geen pijn, niet misselijk.
De arts komt verslag uitbrengen.
“De nier is door het weghalen van de ophoping van urine in normale proporties. De urineleider had een vreemde ‘omweg’ gemaakt om in de blaas terecht te komen en een soort zwanenhals gevormd, die zorgde voor stuwing in de nier.
Die zwanenhals lag ook nog eens onder een bloedvat. U bent anatomisch anders gebouwd (nette bewoording voor afwijking?). Er is een slangetje geplaatst in de urineleider en die komt nu zonder omweg uit in de blaas. Dinsdag gaan de radioloog en urologen weer om de tafel zitten om te bespreken hoe nu verder. Wellicht is deze oplossing afdoende.
Donderdag verwachten we u voor een vervolgafspraak op de poli.
Als het katheter verwijderd is en u kunt weer zelf plassen, mag u naar huis.”
 
Ik krijg een duimpje van mijn overbuurman, die zelf nog niet dit vooruitzicht heeft en flink pijn lijdt.
Wachten tot ik het thuisfront kan bellen, dat ik klaar ben om opgehaald te worden.
Tussentijds hoor ik een gesprek van een patiënt enkele kamers verderop in plat Nimweegs:
Joa, xxx pakt mien op en set me tuus af. Dan rijen ze deur noar Heerenveen feur èneesée-Heerenveen.

Een week later: controle op de polikliniek. 
Van ‘anatomisch anders gebouwd’ ben ik nu benoemd als ‘exoot’. 
Bijzonder zeldzaam en nog maar enkele keren beschreven in een medisch tijdschrift.
De urineleider die normaalgesproken tussen spieren doorloopt de blaas in, heeft zich bij mij door de spieren heen geboord en werd door diezelfde spier afgeklemd. 
Dit veroorzaakte een verstopping/stuwing en daardoor ontstond een zwanenhals.
Met het ingebrachte slangetje hopen ze dat het weg blijft. Over een half jaar moet dat verwijderd worden en wordt bekeken of het zonder slang ook goed gaat.
Zo niet, dan volgt wellicht een operatie waarin de urineleider verlegd moet worden en op een andere plaats in de blaas ingevoerd moet worden.
Belangrijkste op dit moment: geen nierschade.
 
 
 

Kolibrievlinder

Met enige spijt dat we niet naar binnen waren gegaan, zaten we van onze pannenkoek te genieten op het terras. Die spijt zat hem in de vele wespen die ook wel een hapje mee wilden eten. Eén hadden we gevangen in een leeg flesje en een glas ondersteboven erop geplaatst. Dat zette natuurlijk geen zoden aan de dijk, maar we bleven buiten zitten. Bovendien was het heerlijk rustig, waarschijnlijk waren veel bezoekers toch naar binnen gevlucht. Tussen de tafeltjes stonden bloembakken gevuld met rijkelijk bloeiende planten.
“Kijk daar dan, wat is dat?” vroeg ik.
“Geen idee, maar het is wel apart”, kreeg ik als reactie, nadat hij het onderwerp van mijn vraag ook had gezien.

Naast een geopend bloemetje hing een vlinder, of was het geen vlinder? Het was zeker geen beauty,  maar wat mijn aandacht had getrokken waren de langwerpige snuit en onvoorstelbaar snel bewegende vleugeltjes waardoor de vlinder bijna stil bleef hangen bij de bloem. De snuit stak hij daarbij in het bloemhart. Gebiologeerd bleven we enige tijd observeren, totdat de rekening gebracht werd. Weg was de vlinder. We rekenden af en wezen de serveerster nog  even op de wesp in het flesje zodat ze bedacht zou zijn op een boze wesp bij het weghalen van het glas.

De (geen)vlinder hield me bezig en op Google kon ik er niks over vinden. Oké. Wat ik wel vaker doe als ik ergens echt niet uitkom, is een deskundige vragen. In dit geval heb ik de Vlinderstichting een mailtje gestuurd. Daarin uitgelegd wat ik gezien had en afgesloten met de woorden: “een vlinder die zich gedraagt als een kolibrie en net zo’n lange snuit heeft. Wat kan dit zijn”?
Het antwoord was heel kort: “een kolibrievlinder”.

Nou moe, hoe simpel kan het zijn. Wat schetst mijn verbazing toen ik enkele weken later de vlinder tegenkwam bij de minipetunia's  die ik had hangen. Ja, zeker weten, het was er een. Hij, of zij, nam alle tijd om de nectar op te zuigen en van bloem tot bloem te vliegen. Dat gaf mij weer de tijd om er een filmpje van te maken. Kolibrievlinders blijken ook van klaverbloemetjes te houden. Goede kans dat ik hem nog eens tegenkom, want vanaf dat moment kijk ik anders naar klaver. 

Ontmoeting op het plein

 
Voordat zometeen de lucht ontploft en onweers- en regenbuien zich laten gelden, ga ik nog even naar de ijssalon voor mijn favoriete bolletje ijs: boerenjongens.
Ik ben niet de enige. Van de picknickbanken op het plein wordt dankbaar gebruik gemaakt. Ook het bankje naast de ingang van de winkel is bezet.

Vanuit de wachtrij kan ik mooi  even observeren wat er gebeurt.
Mijn blik wordt getrokken door een zwartharige en een grijsachtige dame die op het plein staan. Ik zeg dames, maar het zouden evengoed mannen kunnen zijn. Vooral de black beauty loopt er opvallend bij.
Ze trekken de aandacht en enkele meisjes lopen nieuwsgierig wat dichter naar hen toe.

Op het bankje naast de ingang zitten wandelaars, waarvan een met een verward goudblond kapsel. Hij past wel in de naam van mijn ijsje, hij lijkt een gezonde boerenjongen maar ook hier durf ik niet 100% met zekerheid te zeggen dat het een jongen is.
Evenals ik observeren ze de anderen op het plein en de aandacht van de boerenjongen gaat zonder twijfel uit naar de bijzonder uitgedoste dames.
Die paraderen als ware diva’s heen en weer voor de picknicktafels. Wanneer een van de kinderen de zwartharige te dicht nadert, schrikt ze terug, de andere slaat een aangeboden ijsje niet af.

De tong van de jongen naast de ingang hangt nu halverwege zijn hals en het is overduidelijk dat hij meer dan gewone interesse heeft voor de dames.
De kans om hen daadwerkelijk te ontmoeten wordt hem ontnomen. Zijn begeleiders staan op en hij moet meelopen, aan de riem.
De zwarte Koningspoedel die waarschijnlijk volgens de rasstandaarden met verschillende toefjes van een passend kapsel voorzien is en haar kleine maatje, die zonder twijfel veel geborsteld wordt, laten zich de bewondering van de meisjes gewillig aanleunen onder toeziend oog van hun bazin.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...