DAMES-WEEKBLAD

 
Het enige dat mijn moeder voor zichzelf claimde: Libelle. 
Zolang ik me kan herinneren, werd dat weekblad bezorgd. In tijden dat er bezuinigd moest worden en we als gezin gezamenlijk nadachten over mogelijkheden om wat geld te besparen, opperde een van de kinderen het onzalige idee om het abonnement op de Libelle op te zeggen. Voor het eerst dat ik het meemaakte, stond mijn moeder duidelijk op haar strepen: “Nee, dat is míjn pleziertje, en dat zeg ik niet op”. Nou dat was duidelijk en niemand van ons had het lef te protesteren, want nooit vroeg mijn moeder iets voor zichzelf. En ze had ook gelijk, realiseerden we ons met schaamrood op de kaken. De Libelle spelde ze bij wijze van spreken van voor tot achter. 
Op zolder stonden nog twee oude boeken met ingebonden jaargangen van Libelle uit de tijd dat zij 20 – 21 was. Waar het tweede boek is gebleven, mag Joost weten, maar één boekwerk heb ik nog: januari t/m april 1949. Tussen enkele pagina’s is een papiertje zichtbaar, bij een breipatroon voor ‘Koning winter’s laatste dagen’: een trui met ingebreid patroon. Nee, geen trui, een jumpertje.                           
In het kenmerkende handschrift van mijn moeder staan op het papiertje enkele geheugensteuntjes bij dit patroon. Ongetwijfeld zal ze dit ooit gemaakt hebben voor zichzelf. Ik kan me bijna voorstellen hoe de breipennen in snel tempo de wol verwerkten en hoe mijn moeder er uit moet hebben gezien in haar creatie.
Dames-weekblad Libelle. Abonnementsprijs 20 cent per nummer. Losse nummers 25 cent. Pagina's met aandacht voor 'Vlot huishouden', 'Man-meditatie', 'Uit het domein van de keuken'. Natuurlijk onbreken ook de advertenties niet: Klokzeep, Molenaar's kindervoeding, Maya zeep, Pond's creams.
Ik ga toch ook weer eens een keer een Libelle kopen en denk dan aan hoe mijn moeder met ‘haar blad’ op schoot zat te lezen: keurig rechtop zittend, met de benen, in nylons gestoken naast elkaar. Kinderen naar school, een moment voor zichzelf met een porseleinen kopje thee op het kleine tafeltje in de erker. De ochtendzon bereikt de twee eikenhouten stoelen met armleuning en een kussentje, zoals aangeschaft bij het trouwen.
Bovenstaande tekst is, gedeeltelijk, overgenomen door Libelle 32-2023 als ingezonden mooiste brief.



HERRIE OP DE KINDERBOERDERIJ

 

Een kleuterklas in het speelkwartier is er niks bij. Uit de vogelwei bij de kinderboerderij klinkt een enorme herrie. De kippen kakelen, de haan kukelt en de kalkoen klokt. Iets hogerop in een boom zit een pauw die zich ook van zijn beste kant laat horen als hij begint te schreeuwen tijdens het poetsen van zijn staartveren.

Het is na sluitingstijd en de dieren op de kinderboerderij worden gevoerd. Eerst zijn natuurlijk de hertjes en de konijnen aan de beurt. Daar zijn de verzorgers snel klaar mee, want door de dag heen krijgen die dieren al aardig wat te eten. Kinderen kunnen de verleiding niet weerstaan om, ondanks het voederverbod, toch stukjes brood toe te stoppen. Ouders doen net of hun neus bloedt en kijken even de andere kant op of maken een foto die straks wel op Facebook zal staan. De hangbuikzwijntjes komen ook niks te kort.

Maar de vogels zijn niet zo in trek. Hun aaibaarheidsgehalte, zoals het genoemd wordt, is vele malen minder dan bij de zoogdieren. Zij krijgen daarom van de verzorgers ruim voldoende in hun voederbakken. En toch breekt dan de hel los. Ze verdringen elkaar om zoveel mogelijk in korte tijd naar binnen te kunnen werken. De kippen zijn er natuurlijk als de kippen bij, maar worden verdrongen door de opschepperige haan, die zijn gezag laat gelden en de kippen aan de kant duwt. De pauw daalt in alle waardigheid neer en pikt over de hoofden van haan en kippen de nodige graantjes mee. Hij moet een beetje op de lijn letten. Als hij te dik wordt, verliest hij conditie en gaat hij lijken op de kalkoen. Dat wil je toch niet als pauw zijnde. Daar is hij te trots voor. De kalkoen wacht rustig af tot iedereen wat gekalmeerd is en loopt dan naar de voederbak. Zij maakt zich niet zo druk, er is altijd meer dan voldoende.
Statig loopt ze naar het eten en bij elke stap wiebelen de kinlellen ritmisch heen en weer. Als je haar goed bekijkt heeft is het verenpak, verspreid over het lijf, zeker het aanzien waard en heeft mooie kleuren. Helaas zorgt de  eigenaardige kop ervoor dat de aandacht afgeleid wordt en de kalkoen het predicaat ‘lelijk' krijgt.

De haan verspert de weg en roept haar toe: “ff wachten jij, lillikerd!”
“Pardon?”, is het nuffige antwoord van de kalkoen.
“Je ken toch sien da’k nog nie kloar bin”.
“Mijnheer haan, ik wens niet aangesproken te worden met je, maar met u. Er is meer dan genoeg voer, dus ik schuif aan. En ik pretendeer niet een schoonheid te zijn, maar een lillikerd ben ik niet.”
“Ze het ook nog kapsones da mins. Jij met je onderkinnen en koale kop en lange lel an je neus!”
“Oh, gaan we zo beginnen”, antwoord de kalkoen en verheft haar stem enigszins.
“Niemand hier mot jou”, komt het vijandige antwoord van de haan.
“Ik zal u voor eens en altijd uitleggen hoe de vork hier in de vogelwei aan de steel zit. De kippen voelen zich geïmponeerd door uw gedrag en voor het geval u denkt, dat zij onderdanig zijn, dan zal ik u uit de droom helpen. Zij doen alsof en zodra u zich omdraait wordt u hartelijk uitgekakeld.”

De pauw, iets verderop, houdt zijn lachen in. Hij vindt het wel mooi dat de haan eens aangepakt wordt, dat vervelende ordinaire manneke. En inderdaad, nu hij de kalkoen eens wat beter bekijkt, kan hij niet anders dan haar gelijk geven: ze heeft inderdaad prachtige kleuren al is het van een andere schoonheid dan zijn eigen blauwe verentooi, waar natuurlijk niemand tegenop kan. Het haantje haalt diep adem en wil zijn volgende betoog beginnen, maar de kalkoen is hem voor.
“U kunt er prat op gaan een haantje te zijn, maar als het erop aan komt hebben de mensen aan mij toch meer dan aan u. Kijk alleen eens naar mijn gewicht: ik heb veel meer vlees op de botten en om die reden bewaren ze mij voor de feestdagen. Mijn vlees is net even iets malser dan uw soort.”
“Je siet tog bij de barbekjoe da er altied een hoantje op lig. Ze sien gek op me. Ik he nog nimmer un kalkoen op het rooster sien ligge.”
“Geloof vooral uw eigen woorden”, antwoord de kalkoen. “U bent al te oud om ooit op de barbecue, en geen barbekjoe, te eindigen. Daar gebruiken ze alleen jonge haantjes voor. Het is ook nog eens zo, dat er nooit een hele haan op komt te liggen, maar halve hanen, pootjes of vleugels. De mensen trekken met hun tanden het vlees van de botten, een uiting van minachting.”
Moarmoar…”, wil de haan beginnen aan zijn antwoord.

“Niks te maren. Let u op mijn woorden. Als u hier eind van het jaar nog rondloopt ziet u hoe er met mij met het nodige respect wordt omgegaan. Ik word een kostbaar stuk vlees, dat met de nodige égards wordt behandeld. Men vult mij met de meest heerlijke groenten, bessen en bouillon. Ik kom niet op een rooster te liggen, zoals u, maar op een braadslee, die ze in een warme oven schuiven. Ik kook heerlijk in mijn eigen vet gaar”.
“Uiteindelijk wor je ok gewoon uut elkoar getrokke”.
“Nee, ik word opgediend! Om mijn poten krijg ik een mooie versiering en om mijn hele lijf liggen allerlei heerlijkheden. Zodra men mij naar de eettafel brengt, zijn de oh’s en ah’s niet van de lucht. In stukjes gesnéden, en niet getrókken, kom ik op ieders bord terecht, waar ik keurig met mes en vork wordt behandeld, zoals het een kalkoen toekomt.”
De kippen slaan allemaal hun vleugel voor de snavel. Eindelijk krijgt die mannetjesputter eens op zijn kam. De pauw spreidt zijn veren en steekt de duim van zijn rechterpoot op naar de kalkoen, die met een nauwelijks zichtbaar knikje, haar neuslel opzij duwend, verder pikt in het voer.
De haan kraait geen victorie en verdwijnt naar de andere kant van het weitje.

TANTE VIES

 
Ik was als kind nieuwsgierig naar wat er allemaal in huis moest gebeuren en zo nu en dan hielp ik mijn moeder mee. Ramen zemen vond ik leuk om te doen, en zelfs bij het bejaarde echtpaar aan de overkant zeemde ik op jonge leeftijd al de ramen.
Tot onderbroeken toe streek mijn moeder en de lakens kregen keurige vouwen. Nadat het gestreken was pakten, voor het vouwen van de lakens, mijn moeder en ik elk een van beide korte uiteinden vast. Daarna vouwde ieder de punten naar elkaar en liepen we naar elkaar toe waardoor het laken nog een keer gevouwen werd. Dit herhaalden we totdat het (tafel)laken een zodanig formaat had dat het in de kast pastte. Nog een keer de strijkbout eroverheen en in de wasmand. Voor het persen van de plooien in haar plooirok en de broekspijpen van mijn vader gebruikte mijn moeder een grote zakdoek die ze nat maakte, over de plooi heen legde en droog streek. Keurig in de plooi zonder stoomstrijkijzer. Wat vond ik dat lekker ruiken, bij het persen kwam de geur van het wasmiddel nog eens vrij.
De buurvrouw heette de Vries met haar achternaam en ik noemde haar tante Vies, de 'r' kon ik niet uitspreken. Het huis van ome en tante Vies was het spiegelbeeld van ons huis, een twee-onder-een-kapper. En toch was het bij hun in huis net even iets anders: de meubels, de vloer, de indeling in de keuken. In de achterkamer hadden zij bijvoorbeeld nog een vaste kast in een hoek.
Omdat tante Vies een hond had, kwam ik daar nog wel eens over de vloer. Wij hadden alleen maar katten, maar de bouvier van de buren was toch wel erg leuk.
Tante Vies ging gewoon haar gang als ik er was. Zo ook de keer dat ze aan het strijken was. Gestreken en gevouwen wasgoed legde ze gedeeltelijk in de hoekkast, waarschijnlijk iets van tafellakens of zo die binnen handbereik moesten zijn.
Ik kwam thuis en vertelde mijn moeder wat ik gezien had.
“Tante Vies seiken in de kas” ratelde ik enthousiast. Mijn moeder vroeg zich af waar ik dat woord dan weer geleerd had en wat ik er in godsnaam mee bedoelde. Ze kon zich niet voorstellen dat de buurvrouw in de kast zou plassen, zoals ze zich evenmin kon voorstellen dat de betekenis van dat woord door mij gebruikt werd waarvoor het bedoeld was.
Uiteindelijk is ze maar gaan informeren wat ik gezien had. De dames hebben slap gelegen van het lachen, toen ze zich realiseerden wat ik geprobeerd had te vertellen: tante Vries strijkt en legt het in de kast.

STUNTELMIEP

 

(Her)ken je dat, dat dingen misgaan alleen al omdat je er extra mee bezig bent om het goed te doen?

Zet mij op hakken en bij de eerste de beste drempel lig ik op mijn snufferd. Ik ga het niet eens meer proberen want alleen al het idee dat ik erop moet lopen, maakt dat ik omval. Dit nog los van het feit dat mijn voeten niet bepaald slanke kleine Assepoestervoetjes zijn. Eerder de voeten van haar stiefzusters, die ik niet eens in een charmante hakschoen gewrongen krijg. 

Ga met mij aan tafel zitten, wanneer ik nieuwe kleren aan heb. Zorg maar voor water en afwasmiddel om de eerste vlekken weg te werken. Gegarandeerd dat er iets van de lepel of vork afglijdt. Liefst iets wat qua kleur flink afsteekt tegen de kleding. Tegenwoordig leg ik maar vast een flinke theedoek over mijn kleding om dit te voorkomen. De theedoek gebruik ik als een soort van slabbetje dat kleine kinderen krijgen omgehangen voor het eten. 

Vraag of vertel mij teveel dingen tegelijk en ik voldoe echt niet meer aan het beeld van een vrouw die nu eenmaal beter dan een man kan multitasken. Er zijn van die mensen die iets vertellen over de kleur van hun sokken, ik noem maar wat. Ze presteren het dan om met een gigantische omweg waarin ze vertellen over die-van-die-van-die-van-die en eergisteren gebeurde dit en volgende week wil ik dat gaan doen, toch weer uit te komen bij het onderwerp waar ze hun verhaal mee begonnen. Ik ben allang weer vergeten wat het beginonderwerp ook al weer was. Misschien bekruipt jou dit gevoel ook als je deze voorgaande zin leest. Hij is te lang, dus nog een keer lezen waar het ook alweer over gaat. Dat gebeurt me ook als ik tijdens een gesprek te vaak wordt onderbroken, ik raak de draad kwijt.

Er zijn van die situaties waarin je beter bloedserieus kunt blijven dan erom te lachen. Op een of andere manier lukt me dat dan niet. Misschien van de schrik of zenuwen begin ik te lachen. Om maar een voorbeeld te noemen: er stond iemand op een huishoudtrapje boven zijn hoofd te schilderen. Op een gegeven moment schieten de twee poten van het trapje elk een andere kant uit en het trapje ligt plat op de grond. Een fractie van een seconde later ligt ook de schilder op de grond. Dan schiet ik in de lach. Gelukkig liep het goed af voor de schilder. En ik kon het doen met een paar boze blikken.

Spreken in het openbaar. Des te meer ik het goed wil doen, des te meer gaat het mis. Ik zit bij wijze van spreken te wachten op het moment dat ik mijn eigen stem hoor trillen. Daar heb ik inmiddels wel wat technieken voor aangeleerd om hiermee om te gaan en dat gaat me steeds beter af. Dit moet ik eigenlijk niet hier schrijven, want dat is de goden verzoeken.

Geef me een pot verf, een kwast en enkele plankjes om te schilderen. Dat schilderen lukt nog wel en het eindresultaat is over het algemeen wel goed, maar kijk niet naar mij. Geen idee hoe anderen het lukt om zonder knoeien te schilderen. Ik krijg het voor mekaar om er uit te zien alsof ik het object ben geweest dat geschilderd moest worden.

Zeg mij dat ik iets niet moet doen om wat voor reden dan ook. Natuurlijk gebeurt het mij dan dat ik het juist wél doe. Niet bewust maar doordat ik zo gefocust ben om het goed te doen, gebeurt het. Ik logeerde bij de buurvrouw op de camping. We hadden boodschappen gehaald en ik kreeg een komkommer in mijn handen gedrukt met daarbij de opmerking: “Goed opletten hoor, dat je hem niet kapot stoot, want dan droogt hij uit”. Nou je raadt het waarschijnlijk al. 

Opgetuigd met tuinhandschoenen, laarzen en oude kleren ga ik in de tuin aan de slag. Anderen trekken daarna hun handschoenen en laarzen uit en zien er gelijk toonbaar uit. Ik niet. Bij mij zit de modder gewoon ín de handschoen en ondanks de sokken, ook tussen de tenen. Kronkelend van de pijn kroop ik de tuin uit en dacht er niet meer aan hoe ik er dan uitzie. Afgeleverd op de SEH. Diagnose: blindedarmontsteking. We gaan u klaarmaken voor de operatie. Ja hoor, alle kleren uit, en operatiejasje aan. Ik schaamde me werkelijk de ogen uit de kop.
Een deel uit bovenstaand verhaal is als ingezonden brief opgenomen in Libelle nr. 30, 2023 (zie foto)

ELVIS EN BOWIE

 

Van zo-nu-en-dan-oppaskat naar definitieve huisgenoot. Dat overkwam Elvis. Hij verhuisde naar een bovenwoning in Amsterdam.

Een enorme kat: de uitstraling van een wilde boskat.  Alleen de uitstraling dan, voor de rest is het een echte binnenhuiskat, veel slapen, eten, hangen. Die kon zich zijn verdere leventje wel op deze manier voorstellen. In het middelpunt van de belangstelling en geen honden meer om hem heen waarmee hij de aandacht moest dealen.

Maar nee hoor. Die twee waar hij mocht komen wonen, kregen het onzalige idee om nog een kat aan te schaffen. Ook nog eens een kitten. De reacties op filmpjes van de verkoper “oh hier, kijk eens” en “oh daar, wat leuk” en “deze is wel wat voor ons” waren niet van de lucht. Om misselijk van te worden, bij voorbaat had Elvis een hekel aan deze indringer.  En dan de naam: Bowie. Waarom moet er zo nodig een tweede popster in huis komen? Die wil natuurlijk ook de show stelen.

Ja hoor, het is zover. De kleine rivaal arriveert en Elvis maakt dat hij pleite is. Vanachter het bed ziet hij met lede ogen aan hoe dat grijs-zwarte mormel geadoreerd wordt. Binnen no time steelt hij de complete show. Elvis racet naar de kattenbak als het echt nodig is, doet wat hij moet doen en vliegt terug achter het bed. Het maakt Bowie allemaal niks uit. Zo nu en dan doet hij een poging om vriendjes te worden maar hij heeft al snel in de gaten dat dat niet gaat lukken, dus schakelt hij over op een andere tactiek. Elvis pesten is zeker zo leuk.

Een verrassingsaanval vanaf de tafel, waar Elvis hem niet heeft zien liggen voordat hij zich op de eetkamerstoel nestelde. Of een race naar de kattenbak als Elvis daar ook net naar toe wilt.

Elvis verandert langzamerhand in een grumpy kat en trekt zich meer terug in de slaapkamer.

Hij wordt helemaal kotsziek van de taferelen die zich in de huiskamer en keuken afspelen met zijn concurrent. ’s Morgens begint het er al mee, dat die mee mag eten uit de bak yoghurt en als dat niet snel genoeg gaat zet hij gewoon zijn poot op de rand om de kom naar zich toe te trekken.

De slijmbak ligt ook in aanbiddelijke standjes bij de baasjes op schoot, maar liefst nog in de nek. Hij laat zich alle aandacht mooi aanleunen. Kleertjes worden nog net niet aangeschaft, maar wel een tuigje zodat hij straks een keer mee naar buiten kan. Het moet niet gekker worden, denkt Elvis!

Allemaal speeltjes worden naar binnen gehaald. Die Bowie was aangeschaft om afleiding te geven, maar het is andersom. De prins wordt de hele dag beziggehouden. De televisiezenders worden gekozen op het aanbod van dierenprogramma’s, want “oh Bowie vindt dat zó leuk”. Balletjes, laserstralen, knuffeltjes, mandjes. De hele mikmak wordt aangeschaft om het mijnheertje naar de zin te maken.

Als een volleerde popster weet hij prima te acteren voor de camera en poseert voor filmpjes, foto’s en selfies, zodat ook de hele familie en Facebook nog eens een keer getrakteerd worden op de capriolen van zijn grote concurrent.

Elvis heeft eieren voor zijn geld gekozen. Wil hij hier nog een leven hebben, dan zal hij moeten dealen met een gedeeld podium. Af en toe laat hij even zijn tanden zien en laat hij een valse mauw horen, waar Bowie zich overigens geen ene moer van aantrekt.

Oké, de stoel gaat hij maar delen en hij accepteert dat de grijs-zwarte bol haren naast hem ligt en zelfs tegen hem aan ligt.

Eigenlijk ligt het best wel lekker, en och uiteindelijk valt het wel mee. De conclusie is wel dat Elvis gewoon zijn rustige leventje voort kan zetten, eten en drinken krijgt, voldoende aandacht krijgt, maar dat alle inspanning door Bowie gedaan zal moeten worden. Laat die maar lekker zorgen voor het amusement, Elvis vindt het wel best op deze manier.

7 JULI. WAAROM WIST IK DIT NIET?

 

Zeven is mijn geluksgetal, althans dat heb ik mezelf altijd voorgehouden. Gisterochtend, zeven juli, werd ik om half zeven wakker. Even ontbijten, alle dieren voeren en daarna vanaf zeven uur lekker vroeg in de tuin aan de gang bij een temperatuur die nog goed te doen was. Om kwart over zeven ’s avonds had ik gereserveerd bij een restaurant en precies zeven halve uren later kwamen we weer aanrijden bij de poort van onze tuin.

Daar werd ik verrast door wat er gebeurde toen ik uit de auto stapte. De poort werd geopend door een van de zeven dwergen, door Grumpy, de mopperende dwerg.

“Nou het zou tijd worden”, verwelkomt hij ons. Hij sjokt terug naar de tuinstoelen die voor het huis staan en schudt een andere dwerg wakker: “Sleepy, slaapkop, ze zijn eindelijk thuis.”

Sleepy, de slaperige dwerg, wordt maar geleidelijk aan wakker, gaapt uitgebreid waarbij ik zelfs van afstand zijn gebit kan bewonderen.

“Oh, moet je me daarvoor wakker maken?” mompelt Sleepy binnensmonds. Hij maakt het zich weer gemakkelijk op het kussen en slaapt verder.

“Hatsjie.” Voor mijn neus staat de volgende dwerg. Zoals altijd is Sneezy aan het niezen en door al het stuifmeel in de lucht, is dat nu nog eens extra het geval. Een dwerg hoeft zijn hand niet voor de mond te houden als hij niest, dus de druppels vliegen me om de oren.  Vanuit een soort plaatsvervangende schaamte voor het onbehouwen gedrag van Sneezy, blijft Bashful blozend voor me staan met de handen op de rug en zijn hoofd wat naar beneden. Hij is duidelijk verlegen met de situatie. Ik stel hem gerust en zeg dat ik het niet erg vind, maar dat ik wel graag wil weten wat er aan de hand is. Waarom heeft Grumpy gezegd dat het tijd was om thuis te komen?

Happy, de vrolijke dwerg en Dopey, de onhandige dwerg, die ik aan zie komen, maken rechtsomkeert en rennen terug naar hun plaats onder een grote betonnen paddenstoel in de tuin. Wat is er met hun aan de hand?

Daar komt Doc aan, de leider van de groep dwergen. Vanachter zijn uilenbrilletje kijkt hij ons spiedend aan en steekt van wal: “nou ben je zo’n grote fan van de Efteling, sprookjes vind je leuk om te lezen en te schrijven, je tuin is met al die frutsels overal net een Efteling in het klein en dan vergeet JIJ dat het vandaag zeven juli is? Dit valt me zo vreselijk tegen van je.”

Ik begrijp er helemaal niets van en vraag hem “wat is er dan met zeven juli?”

“Ik heb er geen zin in om je ook nog eens uit te leggen waarom zeven juli een belangrijke dag is. Succes ermee. Vraag het maar aan Klein Duimpje”, wijst hij naar het kleine jochie dat parmantig op ons af komt stappen.

Zijn lichaampje is ongeveer net zo groot als de laarzen waar hij in staat. Ik ken hem wel. In de Efteling kun je hem roepen wanneer je bij de slapende reus staat. Als je dan roept: ‘Klein Duimpje’ komt hij uit de struiken tevoorschijn en begint te trekken aan de laarzen van de reus, de Zevenmijlslaarzen. Die laarzen heeft hij nu aan, daar valt niet aan te twijfelen. Maar ondanks dat het een kleine opdonder is, begint ook hij ons flink de les te lezen.

“Met die zevenmijlslaarzen dacht ik jullie bij te kunnen houden, maar jullie reden veel te hard, zelfs met die laarzen lukte het me niet om jullie in te halen. Door alle opwinding was ik ook nog eens vergeten om broodkruimels te strooien en kon ik de weg terug niet vinden. Ik was verdwaald en heb heb heel wat van Nijmegen gezien, totdat ik gelukkig een plattegrond zag staan. Die ken ik wel vanuit de Efteling dus ik weet hoe ik die moet lezen. Daardoor ben ik weer teruggekomen in jullie tuin.”

We lopen achter Klein Duimpje aan tot achter het huis, waar het helemaal versierd is met lampionnen, met slingers, met kampvuurtjes en er staat zowaar een barbecue klaar. Werkelijk een feestelijke, maar vooral sprookjesachtige sfeer. Ergens op de achtergrond hoor ik geluid van het kikkerorkest uit de Indische Waterlelies. Dit hebben wij niet zelf gedaan, want toen we weggingen was alles nog zoals altijd. De honden zaten binnen, de kippen hadden hun nachthok al opgezocht en de geiten lagen lekker te soezen. Maar slingers? Nee die hebben we echt niet opgehangen. Lampionnen hebben we niet, wel enkele lampjes op zonnecellen, die automatisch aangaan.

Daar zie ik Grumpy weer aankomen.

“Mag ik nog iets vragen”, roep ik hem voorzichtig toe maar hij loopt ons voorbij en kijkt strak de andere kant op. Hij negeert ons compleet. Dit gaat me toch werkelijk te ver. Ik wil nu toch eindelijk wel eens weten wat er aan de hand is, dus ik grijp hem bij zijn puntmuts. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen. Hij rukt de muts uit mijn handen en al mopperend loopt hij verder zonder ons een blik waardig te keuren.

De duisternis begint al in te vallen en buiten de lampjes en de vuurtjes kan ik weinig zien, totdat ik voor me twee groene lampjes op zie gloeien. Nou, niks lampjes dus. Het is een wolf. Een wolf met een slaapmuts op. Dit moet de wolf zijn uit Roodkapje die rondloopt met de muts van grootmoeder.

“Kun jij me vertellen wat hier aan de hand is en wat er nu zo bijzonder is aan zeven juli?” vraag ik hem, waarbij ik toch wel op een afstandje blijf staan. Ik heb per slot van rekening wel te maken met een wolf!

“Dat zal ik je eens haarfijn vertellen, nieuwsgierig aagje!”, grauwt hij me toe.

“Samen met mijn compagnon, de wolf die op zoek was naar de zeven geitjes, hadden wij een barbecue voorbereid met een aantal bekende figuren uit het Sprookjesbos om jullie te verrassen. Hij zou zorgen dat hij op tijd de zeven geitjes te pakken had gekregen en dat was hem ook gelukt. De laatste had zich verstopt in een klok. De bedoeling was om die geitjes op de barbecue te leggen. Omdat het zo lang duurde voordat jullie eindelijk thuis kwamen is hij in slaap gevallen, zijn de geitjes ontsnapt en moest hij weer opnieuw gaan zoeken. Tot nu toe heeft hij ze nog niet teruggevonden.”

“Maar waarom wilden jullie mij die barbecue geven?”

“Als figuren uit het Sprookjesbos hadden we gehoord dat je én fan bent van de Efteling én dat je graag sprookjes leest, maar ook dat je ze zelf schrijft, dus we wilden wel eens kennis maken met je.

En welke dag is er dan geschikter dan zeven juli?”

“Alweer zeven juli, wat is er met zeven juli. Jullie hebben het er allemaal over, maar het zegt mij helemaal niks.”

“Zeven juli is de dag van de Sprookjes.”

Ik had hier werkelijk nog nooit van gehoord, maar het blijkt dus te kloppen.

Op 7 juli 2007 heeft de Efteling de dag van het Sprookje in het leven geroepen om aandacht te vragen voor sprookjes. Het getal zeven is gekozen omdat dat verwijst naar veel sprookjes: Klein Duimpje en de Zevenmijlslaarzen, de zeven Dwergen van Sneeuwwitje, de wolf en de zeven geitjes.

Deze dag was zeven dus niet mijn geluksgetal met al die boze sprookjesfiguren, maar ik heb het goedgemaakt met ze. Ik heb aan allemaal mijn excuses aangeboden en uiteindelijk hebben we er toch een gezellig tuinfeest van gemaakt.

Vanochtend was er niks meer te zien van wat er de vorige avond allemaal in de tuin te zien was. Maar ik weet zeker dat ik niet heb gedroomd. Dit sprookje was werkelijkheid en volgend jaar ga ik op zeven juli denk ik naar de Efteling om mijn bezoekers van gisteravond op te zoeken.


VAKANTIEDAGEN AAN HET WATER

 

Echt op vakantie gaan, dat kwam pas toen ik al een jaar of zes was denk ik. Vóór die tijd bestond een vakantie meestal uit dagtochtjes naar het water. In mijn herinnering was het ook altijd mooi weer in de schoolvakanties. En dat water opzoeken gebeurde in de ruime omgeving.

Het Maas-Waalkanaal, aan de rand van Nijmegen. Op het gras langs de waterkant werd een kleed of handdoek uitgespreid waarop we met meegebrachte ranja naar de boten keken en zo nu en dan langs de waterkant de voeten natmaakten. Echt zwemmen was er niet bij, daarvoor was de overgang naar het diepe deel te groot en durfden we het zelfs niet eens aan om zonder ‘handje vast’ het water in te lopen. Hoe oud zal ik geweest zijn? Hooguit een jaar of zes denk ik, mijn broertje een jaar jonger. Mijn vader en moeder gingen een stukje zwemmen en drukten ons op het hart om te blijven zitten totdat zij weer terug zouden zijn. Mijn moeder liep in badpak en met een charmante witte rubberachtige badmuts het water in, gevolgd door mijn vader. Ik zie nog voor me hoe hij het water inliep: de schouders hoog opgetrokken bij de eerste stap in het koude water. Dat was ff wennen.

“O nee.”

Allebei maakten ze eerst de handen nat. Dat werd ons ook aangeleerd, om op die manier langzaam aan de watertemperatuur te wennen. Daarna spetterden ze water over hun armen en benen en deden een stapje verder om vervolgens het water in te glijden. Die stapjes hadden wel iets weg van de loopjes van John Cleese, ministry of silly walks. Met hun gezichten onze kant op gericht om ons goed in de gaten te houden, zwommen ze een klein stukje verder.

Mijn broertje en ik verstijfden ter plekke toen we een groot zwart vrachtschip aan zagen komen.Papa en mama zouden onder de boot komen. “Ze gaan dood!”Het schip kwam langzaam dichterbij en in een keer zagen we door de golfslag de hoofden niet meer.Krijsen dat we gedaan hebben, en huilen! Het was dikke paniek. Reagerend op al het gekrijs gingen in een keer twee handen de lucht in. Náást de boot en niet ónder de boot. Ze zwaaiden naar ons en riepen ook iets, wat we niet konden verstaan op die afstand. Ze leefden nog! Zo snel als mogelijk zwommen ze terug naar de kant. In onze ogen een oneindig stuk zwemmen, terwijl ze hooguit enkele meters van de kant verwijderd waren.

Eldorado, een kilometer of tien van ons huis vandaan. Kleine strandjes tussen bebossing en een grote watervlakte waarbij je de overkant nog net kon zien. Geen dure jachten, geen overdosis aan zeilschepen, surfen bestond nog niet. Niks geen standjes met ijs, frites of andere lekkernijen. Gewoon zand, plastic emmertjes en schepjes, zwembandjes en flodderen in het water en het zand. Hoeveel mooier wil je het hebben!
De rode voetpomp die na het erop trappen uitzag als een accordeon werd uit de auto gehaald en het dunne rubberen slangetje werd aangesloten op een meerdere keren dichtgevouwen stuk blauw plastic. Plastic openvouwen en pompen maar. Wij waagden ook zo nu en dan een poging, maar de vorm van een boot was nog niet zichtbaar. Het plastic bleef lang plat. Dat betekende dat mijn vader zijn energie ging steken in het oppompen. De pomp zuchtte hoorbaar zodra de voet eraf gehaald werd en mijn vader zuchtte op een gegeven moment niet minder. Maar daar was hij dan eindelijk: de blauwe boot “Barracuda” met witte peddels en die werd aan de rand van het meer in het water gelegd. Wij mochten erin stappen en mijn vader of moeder paste er nog net bij in. Alle twee erbij lukte niet, daarvoor was de boot toch echt te klein. Daar gingen we: het water op! Peddelen alsof ons leven ervan afhing totdat we een flink eind van de kant waren.  Mijn vader genoot misschien nog meer dan wij als kinderen. Die zag zichzelf weer in een prauw in Indië over de kali varen tijdens zijn verplichte diensttijd.

 Kleef, een kilometer of 20, maar wel helemaal in Duitsland! Aan de rand van Kleef liep een watertje dat deels door de stad en deels door een buitengebied liep met bosschages en rietkragen. Ergens in dat buitengebied werden roeiboten verhuurd en de prijs was enerzijds voor de boot en anderzijds gebaseerd op het aantal personen.
Wat gebeurde er, en we gingen wel vaker dus we wisten hoe het er aan toe zou gaan: mijn vader zette mijn moeder en mijn twee  broertjes en mij af op een plekje in de stad, waar het water makkelijk bereikbaar was. Hijzelf reed verder naar de botenverhuurder, huurde de roeiboot en peddelde richting stad. Op de afgesproken plek stapten wij er bij in. Zo, dat waren mooi uitgespaarde kosten moet hij gedacht hebben. Tassen met broodjes en limonade gingen mee in de boot, we bleven echt geruime tijd op het water, dwars door het groen met de toren van Kleef als ijkpunt

MIJNHEER POOT

Mijnheer Poot heeft een huis aan de rand van het bos, aan de schaduwkant, een houten huis. Op het naambordje naast de deur staat zijn naam: D.Poot. Het huis heeft een dak van riet en beschikt over een vochtige kelder, waarin de aardappels liggen opgeslagen. Daar lopen wel eens wat insecten doorheen maar dat deert hem niet. De aardappels eet hij zelf niet, die bewaart hij daar voor zijn buurman want die heeft geen kelder.

Dat het rieten dak van het houten huis kieren heeft en het huis wat vochtig is, maakt hem eigenlijk ook niet uit. Hij houdt van een hoge luchtvochtigheid in tegenstelling tot veel van zijn buurtbewoners. 
Hun huizen zijn goed geïsoleerd waardoor er vrijwel geen vocht binnen kan komen. Mijnheer Poot krijgt het al benauwd bij het idee van zo’n droge leefomgeving. 
De straten in de wijk zijn vrijwel altijd bedekt met een dikke laag bladeren, die de vele loofbomen laten vallen. De gemeente lijkt besloten te hebben dat het niet de moeite is om de straten in de dunbevolkte wijk te vegen. Als het regent ontstaat er een blubberige boel.

Vandaag heeft mijnheer Poot besloten om nieuwe schoenen te gaan kopen en hij vertrekt vroeg in de ochtend naar de stad. Hij gaat lopen. De buren weten precies wanneer hij langs loopt, soms herken je iemand aan zijn of haar loopje.
Het is een kwartiertje lopen naar de schoenwinkel, waar hij hartelijk welkom wordt geheten. Hij komt niet vaak, maar is toch een graag geziene klant. Mijnheer Poot geeft aan op zoek te zijn naar teenslippers. De eigenaar van de winkel weet de maat van mijnheer Poot en gaat op zoek in het magazijn. Daar komt hij uit met een hele stapel dozen met slippers.
“Tot mijn spijt heb ik denk ik niet voldoende voorraad, maar ik kan ze bijbestellen, dat is geen probleem. Past u dit paar maar eens.”
Mijnheer Poot past de slipper en vraagt aan de verkoper of ze goed zitten. Zelf kan hij dat niet goed zien, hij heeft geen scherp zicht en zijn bril verbetert dat maar amper. Na een bevestigend antwoord van de verkoper, laat hij weten dat hij de bestelling wil plaatsen. Er zijn 250 paar slippers op de juiste maat in voorraad. De extra benodigde 250 paar kan hij bijbestellen.
“Dan moeten mijn poten de slippers maar delen, totdat de andere ook binnen zijn.”

Het volgende half uur helpt de verkoper de slippers aan te trekken, bedankt hem voor de bestelling en wenst mijnheer Duizend Poot een fijne middag. Hij houdt de deur voor hem open, totdat alle 1000 pootjes naar buiten zijn gelopen. Tevreden wandelt mijnheer weer naar huis en gaat de kelder in om insecten te zoeken, die hij eens lekker gaat oppeuzelen

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...