Het komt goed! Het komt goed?

 

Troostend legt iemand een arm om een ander  heen. ‘Het komt goed.’
Goedbedoeld, maar het komt níet altijd goed. En op dat moment denkt degene die de troost nodig heeft, dat het nóóit goedkomt, en als het wel goedkomt, is het ánders goed.

Bij het overlijden van een hond, hoor ik nog steeds: ‘Dan neem je toch een ander.’ Alsof dat de oplossing is. Natuurlijk nam ik steeds een andere hond, maar ik ben geen van de voorgangers vergeten.

Bij een langdurige ziekte zeiden meerdere mensen tegen mij, dat het wel goed zou komen. Klopt, het is goed gekomen, maar wel anders. Ik heb veel minder energie en loop slechter. Ik zeg trouwens nog steeds dat het voor mij minder erg is, dan iemand die bijvoorbeeld altijd heel sportief was, uit wilde gaan, sportieve vakanties wilde. Dat is ook zo, voor hen is de overgang veel groter.

Dit is trouwens ook zo’n dooddoener: ermee leren leven. Dat zijn heel lange leerprocessen en niemand is ooit uitgeleerd. Wanneer is dan het moment dat je ermee hebt leren leven?

Wat zeg je tegen iemand die gaat overlijden? Ik kan me niet voorstellen dat ik dan zeg, dat het goedkomt. Soms weet ik niet op andere woorden te komen dan: ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Het valt me overigens op -bij de overlijdens die ik heb meegemaakt-, dat degene die overlijdt, zoveel sterker is dan ikzelf. Zelfs heb ik gehoord dat iemand, op het sterfbed zei: ‘Het komt goed.’
Voor wie bedoelt die persoon dat dan? Voor zichzelf, of voor de nabestaanden?
 
Nu hoor ik op het nieuws dat een jongen is overleden aan een “stikspel”. Het komt niet goed voor hem en zijn omgeving moet ermee leren leven, dat hij er niet meer is. Welke idioot heeft zo’n spel bedacht en draagt dat ook nog als een challenge uit op social media: bij jezelf of een ander de halsslagader dichtknijpen en die los te laten net voordat iemand bewusteloos raakt. Het zou een roes moeten geven. Dit soort uitspattingen op social media komen niet vanzelf goed. Daar moet tegen opgetreden worden, ben ik van mening. Maar hoe?

Om toch positief af te sluiten: Het is vandaag weer licht geworden, de wereld om mij heen ziet er nog hetzelfde uit als voordat ik ging slapen, naast mij liggen nog drie honden op de bank en boven me hoor ik gestommel van de langslaper. Ik wens je een fijne dag, waarin je het gevoel hebt dat het goed is.

 

Op z'n Veertjes


Mijn verhalenbundel "Op z'n Veertjes" begint met het volgende voorwoord: 

Voorwoord in driehonderd woorden

'Staat dat er echt?’
Opgewonden keek ik mijn moeder aan. Had ik écht datgene geschreven dat zij voorlas van mijn blaadje? Dat ze ter plekke iets verzon, had ik niet door.
Liggend op mijn buik op de vloerbedekking, mijn onderbenen recht omhoog gericht en heen en weer wiebelend, deed ik mijn best om tussen de lijntjes te krabbelen op het papier.
Ik “schreef”, maar wist niet waarover. Het belangrijkste was, dat ik schreef zoals ik mijn moeder dat zag doen: vloeiende lijnen met uithalen naar boven en naar beneden.

Was ik op die kleuterleeftijd al geïnteresseerd in schrijven? Wie weet, is dit moment de eerste aanzet geweest.
Op de lagere school begon het echte schrijfwerk Zelfs nog met kroontjespen, inktpot in de lessenaar en een inktlap.
Ik liet me graag voorlezen, maar vanaf het moment dat ik zelf kon lezen, vergrootte mijn wereld. Hardop las ik, bij het licht van het bedlampje, korte verhalen. De verhalen werden boekjes, de boekjes werden boeken.
Als lid van de bibliotheek wist ik in welke gangpaden ik mocht zoeken naar boeken die ik nog niet gelezen had. Afhankelijk van mijn leeftijd mocht ik telkens weer bij andere schappen snuffelen. 

In de boekenkasten van de buren en achterburen vond ik boeken, die ik daar ter plekke verslond.
Ik heb altijd veel gelezen, maar de laatste jaren ben ik met enthousiasme de schrijfwereld ingedoken.
Wat missen mensen die niet kunnen lezen of schrijven veel aan informatie, ontspanning, aan mogelijkheden. 

Stichting Lezen en Schrijven zet zich in om iedereen de kans te geven te leren lezen, schrijven, rekenen en gebruik te maken van digitale vaardigheden. Zodat iedereen mee kan doen in de samenleving.
Om die reden heb ik besloten de royalty’s die ik ontvang door de verkoop van deze bundel, te doneren aan Stichting Lezen en Schrijven.

Die avond, 72 jaar geleden

 
De zon doet een laatste poging om een schittering over het water te leggen, voordat hij ondergaat. De zee is gekalmeerd en trekt zich tijdens de getijdewisseling terug in de richting van de horizon.
Hein zoekt houvast aan een van de steigerpaaltjes. Hij buigt voorover om een warrige pluk zeewier van een plank te grijpen. Het groene wier vloeit over zijn hand. Tussen zijn vingers glijdt een deel er weer tussenuit.
Hein kijkt het na. Zo vloeit een leven weg, het glipt tussen de vingers door, denkt Hein en hij balt zijn vuist om het restant van de groene smurrie vast te houden.
Hein voelt niets van de kou die de schemer met zich meebrengt. Zijn gedachten zijn in de nacht van februari 1953, bijna 72 jaar geleden, bij zijn vader, Herman. Haarscherp ziet hij hem voor zich: de lange man met zijn rode, dikke haardos en handen als kolenschoppen. Zijn vader die slechts 43 jaar oud mocht worden en aan wie hij zijn leven dankt.
 
‘Ik heb geen houvast, hij glijdt uit mijn …,’ schreeuwt de man waarbij het laatste deel van de zin wordt opgeslokt door een gulzige golf, die hem overspoelt. Het kind in de sloep ziet zijn vaders gezicht verdwijnen, terwijl zijn moeder achter hem schreeuwt: ‘Herman…’ De rest van de woorden gaan verloren in het geraas van de storm. Zij houdt krampachtig de romp van haar zoon vast om te voorkomen dat hij overboord slaat.
De man die hen zojuist aan boord getrokken heeft, hijgt: ‘We kunnen hem niet meer redden.’
Een volgende golf zwiept de boot omhoog waarbij Maria en haar zoon op de bodem van de boot gesmeten worden.
‘Hij is pas 43! Hij mag niet doodgaan,’ stoot ze uit en begraaft haar gezicht in de kruin van haar zesjarige zoon Hein.
De man keert zich van haar af om opnieuw, samen met twee andere mannen, het wateroppervlak af te zoeken. Ze zien de contouren van een stuk hout, waaraan iemand zich vastklampt, omgeven door het donkere water en ze roeien uit alle macht om de persoon te bereiken. Ze houden elkaar vast, terwijl de man in de sloep over de rand hangt om de uitgestoken hand in het ijskoude water vast te kunnen pakken. Met uiterste krachtinspanning trekken ze de drenkeling de boot in, waar die zich uitgeput laat vallen naast Maria en de jongen en een eveneens uit het water gehesen drijfnatte, trillende hond.
Contouren van huizen trekken aan hun blikveld voorbij, spookachtig gedeeltelijk onzichtbaar onder water. Boomkruinen lijken te ontspruiten uit water, zover het zicht reikt. Een molen mist een van de wieken. Een dode koe drijft als een stuurloos schip.
Wanneer de sloep de gedeeltelijk overspoelde kade bereikt, worden de drenkelingen eruit geholpen en ze krijgen een deken om hun koude, verstijfde lijf. Ondersteund door helpende handen, worden ze begeleid naar een opvangplek waar slachtoffers wezenloos bij elkaar zitten. Hun ogen lichten kort op wanneer er nieuwe overlevenden binnenkomen, hopend op een wonder dat ook hun liefsten gered zijn. De sloep vertrekt onmiddellijk weer ‘met zijn bemanning, die hoopt meer hulp te kunnen bieden.
        De avond ervoor was Herman met zijn vrouw en zesjarige zoon naar de zolder gevlucht. Het woeste water was het huis binnengestroomd en steeg snel. De bulderende wind joeg om het huis heen en gierde door de vele kieren naar binnen. Dakpannen waaiden van het huis en boven hen hing de onheilspellende, zwarte lucht.
De volgende ochtend kon het dak geen weerstand meer bieden aan het natuurgeweld en werd van het huis geslagen. Herman, zijn vrouw Maria en zijn zoon Hein keken uit over een omgeving die onherkenbaar was geworden. In de verte zagen ze de kerktoren, die eenzaam in het water stond. Herman knoopte haastig een laken aan een van de balken, zoals hij ook zag bij enkele andere woningen.
‘Nu kunnen ze ons vinden en worden we opgehaald,’ zei hij om Hein gerust te stellen, die met zijn handen over zijn oren en met wijd opengesperde ogen tussen de armen van zijn moeder zat.
En toen, met veel gekraak en geschuur, stortte het dak gedeeltelijk in. Herman schreeuwde om zijn inspanning kracht bij te zetten. Hij beukte tegen een van de steunbalken, die al doormidden gebroken was, om de laatste splinters te kraken. Het lukte.
‘Maria, Hein, op de balk zitten en je vast blijven houden. Als het water ons bereikt, kunnen we blijven drijven,’ kreunde hij.
‘Maar jij, Herman? De balk is te klein,’ hoorde Hein zijn moeder roepen.
Even later dreven ze in het water. Herman omklemde het uiteinde van de balk.
 
De laatste druppels heeft Hein uit de pluk zeewier geknepen en hij gooit het groene goedje op het strand.
‘Pa, ga je mee?’
Zijn zoon, Herman, legt een stevige, grote hand beschermend over zijn vaders schouders.
De wind blaast de rode haren uit zijn gezicht, het gezicht dat lijkt op de voor hem onbekende, heldhaftige opa, die hij alleen uit de verhalen kent. Foto’s van zijn opa zijn er niet en ook niet van de jonge jaren van zijn vader. Vanavond begint zijn dienst als vrijwilliger bij de KNRM, zoals zijn vader ook jaren gedaan heeft.

Misleidende promotiecampagne

 

‘Kan iemand die oproerkraaiers naar buiten werken?’ vraagt de gespreksleider, terwijl hij probeert boven het groeiende protest uit te komen, dat uit de nok van het gebouw neerdaalt over de aanwezigen. Het fluiten, piepen en schreeuwen neemt toe.

De informatiebijeenkomst voor belangstellenden voor woningen in de nieuw te bouwen wijk, is drukbezocht. Grootse plannen van de gemeente om een gedeeltelijk braakliggend terrein te bebouwen met rijtjeswoningen en appartementen zal worden toegelicht. Het gebrek aan woningen noodzaakt om de beschikbare vierkante meters zo optimaal mogelijk te gebruiken. Dit betekent smalle huizen, zo klein mogelijke tuinen en smalle straten. Parkeervoorzieningen zijn er minimaal ingepland.

Het beoogde terrein is in de loop der jaren gedeeltelijk begroeid met een variëteit aan planten, struiken en bomen. Het rijtje onbewoonbaar verklaarde woningen staat op instorten. Alleen vogels en vleermuizen wonen er nog.

De minister van wonen heeft regels aangepast, die het mogelijk maken om snel te starten met de bouw. Een van die regels is, dat nieuwbouwwoningen niet meer verplicht moeten voldoen aan aanvullende huisvestingseisen, namelijk die voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Er hoeven geen nestkastjes aangebracht te worden.

De gemeente adviseert nieuwe bewoners zelf voor deze voorzieningen te zorgen. Het kan niet binnen het bouwbudget gerealiseerd worden.

‘Wat een idiote insteek,’ reageert een van de toehoorders. ‘Alsof die voorzieningen doorslaggevend zijn voor de bouwkosten. Jullie kunnen massaal inkopen met kortingen, die wij zelfs op black Friday nog niet krijgen. Ik ga dat niet zelf bekostigen.’

‘U bent daar niet toe verplicht,’ is de reactie van de projectontwikkelaar. ‘Ik weet echter niet, waar deze dieren naar toe zullen gaan als er geen nestmogelijkheden zijn.’
 Dat schiet echter in het verkeerde keelgat bij deze doelgroep, dit is niet zoals beloofd. Met naar nu blijkt misleidende promotiecampagnes waanden zij zich voorzien van nieuwe huizen. Waar moeten zij nu naar toe? Dakpannen kunnen niet meer gebruikt worden door de mussen, de windveren bieden geen beschutting voor de nesten van gierzwaluwen en alle mogelijke kieren worden zodanig dichtgestopt, dat ook de vleermuizen geen ingang kunnen vinden.
 
‘Nu!’ roept de aanvoerder van mussen, gierzwaluwen en vleermuizen zijn actievoerders op.
Vanuit de nok van het gebouw zeilt een wolk naar beneden. Vleermuizen landen massaal in de kapsels van de aanwezigen, mussen kwetteren luid in de microfoons, gierzwaluwen vliegen pijlsnel achter, voor en opzij van de mensen, onderwijl het nodige dumpend wat hun naam eer aandoet.
Het gekrijs van de mensen overstemt al snel alle andere geluiden. De gespreksleider maait met zijn armen rond zijn hoofd om aanvallers af te weren en grijpt de microfoon voor de snavels van de huismussengroep weg.
‘Time out!’ roept hij op volle sterkte. Geleidelijk aan verstommen de geluiden in de zaal en de gezichten en koppies worden naar hem gericht.
‘Wij hebben nog een subsidiepotje, dat we wilden gebruiken voor reclameborden tijdens de bouwfase. Ik zal in de raad voorstellen om dit aan te wenden voor huisvesting van de gevleugelde aanwezigen. U wordt binnenkort geïnformeerd over dit vervolg.’

Eindelijk bloedworst

Er is veel animo om een bezoek te brengen aan het boerderijmuseum in de provincie. Elke bewoner die mobiel is of mobiel gemaakt kan worden met rolstoel of scootmobiel heeft zich aangemeld. In het verzorgingshuis wonen 65 mannen en vrouwen, voornamelijk afkomstig van het platteland.
De gebarsten eeltplekken op hun handen getuigen van jarenlange noeste arbeid. Dat valt niet meer weg te werken met crèmepjes en smeersels. Dat hoeft voor hen ook niet, ze zijn er trots op. Ze laten zich de behandelingen aanleunen omdat het afleiding geeft in de dagen die zo leeg zijn, vergeleken met vroeger. Deze handen, die in de aarde hebben gewroet, weer of geen weer. Die hout hebben gesprokkeld om de boerderijkeukens enige warmte te geven en de percolator te kunnen laten pruttelen op het fornuis. Die hebben gesjouwd met zware melkbussen. Ook de handen die voorzichtig de uiers schoonmaakten en kneedden om de melk te laten stromen. Handen die de punten van het schort vastpakten om een schaafwond op de knie van een van de kinderen droog te poetsen. Handen, die zelden rustten, behalve tijdens de kerkdiensten en tijdens het dutje na de maaltijd.
De bewoners hebben ieder hun eigen kamer waar ze zich omringd hebben met dierbare herinneringen uit hun oude woning: het tafelzeil, het houten kruisbeeld met palmtak, de rookstoel en de asbak.

De meesten pluizen de krant dagelijks uit, maar ze willen of kunnen de ontwikkelingen in de wereld niet altijd volgen. Waar is de tijd gebleven dat iedereen ’s avonds thuis bleef, dat de enige vakantie een fietstocht naar een naburig dorp was, dat voedzame maaltijden gezamenlijk gebruikt werden?
Nu eten ze met elkaar in het bewonersrestaurant, ook allemaal prima verzorgd, niks over te zeggen.
Maar de havermoutpap waarin de lepel recht overeind bleef staan, de dikke sneden van de mik, de drellen vet die van de grote stukken vlees dropen, dat is er niet meer. Nu zijn er vlaatjes en yoghurt die ze bijna kunnen drinken, een afgepast stuk vlees, weliswaar gebakken maar waar geen servet nodig is om de vette lippen af te vegen na het eten ervan.

De bus stopt voor de boerderij en iedereen wordt verwelkomd op de deel, in het midden schoongeveegd voor deze gelegenheid. De geur van hooi prikkelt de neusgaten en leidt tot enkele niespartijen. Nieuwsgierige koeien kijken toe als de plaatsen aan de lange tafels bezet worden. Dat heeft tijd nodig, want menigeen schuifelt eerst een ronde langs de koeien en streelt hun natte neuzen of kroelt tussen de horens. Een aantal bewoners deelt hun herinneringen over hun eigen vee: het ras, het aantal, de melkproductie. Zonder dat ze er erg in hebben, zetten ze een denkbeeldige boerenpet recht op hun hoofd, ooit een routinegebaar. Enkele mannen slaan de aangeboden stoel af en laten zich, handen op de knieën steunend, neervallen op een baal hooi of zelfs een omgekeerde emmer.
Vandaag let niemand op vlekken, op uitgebalanceerde voeding of op hun taalgebruik.
‘Verdomd, dâ’s lekker,’ bromt mijnheer Visser, terwijl hij zijn gebit terugduwt nadat hij te enthousiast heeft gehapt in een dikke snee krentenmik.
Na de rondleiding, die wat betreft meters niet veel voorstelt, maar wat betreft tijd des te meer, schuiven de bewoners weer aan tafel. Stralende ogen, rode wangen, monden die niet stilstaan.
Een echte boerenmaaltijd met een ruime keuze aan drank en eten, maar het hoogtepunt is de schaal met dampende plakken donkergebakken bloedworst met witte stukjes spek erin verwerkt. Wie dat wil, krijgt er gebakken appel bij. Zelfs een pot stroop met een houten lepel erin gaat rond.
‘Di motte ze in het huus ok moar eens moaken,’ smekt mijnheer Bakker. Hij kan rekenen op de bijval van de andere bewoners. Zijn vrouw pakt zijn eeltige hand en knijpt er even in.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...