Auto wil niet meer uit

 

Nadat ik me Nuenen uitgeworsteld had, waarbij Google Maps opnieuw geen rekening hield met afsluiting van wegen door de van Goghloop, reed ik in korte tijd naar Helmond. De B&B had ik zo gevonden en ook een parkeerplek. Een hartelijke ontvangst door de gastvrouw, waarbij ik nog even aan tafel aanschoof en we gezellig in gesprek kwamen.

Ze adviseerde me om de auto toch even op een andere plaats te zetten en dat ging ik doen. Een klein blokje om rijden en een nieuwe parkeerplek was zo gevonden. Auto uitzetten en terug naar mijn gastvrouw.

Shit, auto wil met geen mogelijkheid meer uit.

Startknop aan, weer uit. Keer op keer. Geen resultaat. Nou, dan eens kijken wat de auto doet als ik met de sleutel wegloop. Normaalgesproken sluit hij zichzelf dan af. Nu niet dus! De auto begon te praten door een repeterende toeter te laten horen. Terug in de auto.

Na een kwartier proberen heb ik uiteindelijk de Pechhulp gebeld. Keurige afhandeling. De adviezen op afstand leverden echter ook geen resultaat. Mijn bolide bleef actief.

‘Ik stuur de ANWB naar u toe.’

Nu weet ik dat dat weleens even kan duren, dus ik heb maar even op het gevoel ingespeeld door te zeggen, dat ik best wel bang was zo in mijn eentje in de auto in een heel rustige straat en de schemer in aantocht.

‘Ze zetten er haast achter.’

Inmiddels de gastvrouw gewaarschuwd dat ik nog niet terugkwam naar de B&B omdat ik de auto niet alleen achter kon laten.

Hoe lief, ze kwam naar de locatie lopen en dacht mee over mogelijkheden, maar die had ik allemaal geprobeerd zonder resultaat, en ook nu werkte dat niet.

‘Oh, en ik moet ook hoognodig naar de wc.’

‘Dan blijf ik wel even in de auto,’ zei ze.

Ik rende met haar huissleutel terug en bracht een bezoek aan de kleinste kamer. Geluid bij de voordeur. Nee hè, daar loopt de gastvrouw naar binnen. Op mijn vragende blik antwoordde ze: ‘Hij doet het weer.’

Hoe? Dat zullen we nooit weten, want ze heeft nogmaals de stappen doorlopen die ik ook al meerdere keren had geprobeerd, maar gelukkig: de motor was inderdaad uitgeschakeld en de auto kon afgesloten worden.

Pechhulp afgebeld. ‘Hij doet het weer, maar vraag me niet hoe!’

De gastenkamer was vier trappen omhoog in haar riante woning en daar werd ik verrast op een gigagrote kamer met alles wat ik maar kon wensen, waaronder zelfs een zak chips en iets te drinken.

Vannacht werd ik nog wel gepest door vervelende dromen, die veroorzaakt werden door alle opwinding van die avond. Ik had liever gedroomd over de eekhoorn, de meeting, de gasten en alle dieren.

Vanochtend liep ik naar de geparkeerde auto. Hij stond er nog en … hij startte ook nog.

Huus toe.


©Vera Oor, 2026

                           

Mijn naam is Oor

 

Als iemand ‘Veertje’ roept, kijk ik op. Hetzelfde geldt voor ‘Oortje!’. De meester op de lagere school noemde me al zo, soms vergezeld van een speels rukje aan mijn oorschelp.
Maar als ik ‘Oor!’ hoor, is het oppassen geblazen. Iemand wil dat ik nú kom, of er staat me een denkbeeldige oorvijg te wachten.
Moet ik mijn naam noemen en kennen mensen mij niet dan kan ik een vragende blik of stem verwachten waarin degene tegenover me checkt of hij het goed gehoord heeft. Niet zelden komen vragen als: ‘Van Oor, van Oort, met een t of d?’
Vergelijkbaar met de reactie die mensen met de naam Jansen vaak krijgen: ‘Met een of twee essen?’
Ik ben ze meestal voor en spel meteen mijn achternaam, O-O-R, maar zelfs dan komen verbasteringen. Pas als ik zeg: ‘Nee, zo’n ding aan de zijkant van je hoofd,’ valt het kwartje. ‘Oh, Oor!’
De oorarts keek me lachend aan toen hij mijn naam hoorde. Natuurlijk legde hij meteen de link met zijn beroep en gaf aan nog nooit eerder een Oor tegenover zich gehad te hebben.

Heel anders reageerde vijftig jaar geleden de dame van het inpandige postkantoortje bij een drogist in de wijk. Zij had die dag haar dag niet, al leek het alsof ze die eigenlijk nooit had.
Om een of andere reden had ze mijn naam nodig. Het was meer een commando dan een vraag: ‘Wat is je naam.’
‘Oor.’
‘Je naam,’ klonk het snibbige antwoord, vergezeld van een geïrriteerde blik, waarbij ze haar ogen opsloeg alsof ze om steun van boven vroeg.
‘Oor.’
Meesmuilend keek ze me aan en verborg haar ergernis niet. ‘Ja, en ík heet Neus!’
Ik was niet brutaal genoeg om haar van een passend antwoord te voorzien. Nu zou ik haar ongetwijfeld van repliek hebben gediend
.

©Vera Oor, 2026

Jongens, wat is dat lekker!

 

Zet mij in de Efteling en ik ben weer kind. Niet de attracties waar ik met een rotgang de hoogte en vervolgens de diepte in geslingerd word maar de, naar mijn mening, mooie dingen zoals het Sprookjesbos, Pagode, Droomvlucht.
Als ik ga (toch zeker een keer per jaar) kijk ik altijd wanneer de kalender een rustige dag voorspelt. Dat klopt meestal. Gisteren was de omschrijving ‘Normaal’ maar ik weet dat het dan toch flink druk kan zijn. Het viel alleszins mee, zowel de drukte als het weer: stralende zon bij een temperatuur rond de vijfentwintig graden en een windje.
Het enige ronddraaiende ding waar ik wél in wil, is de Piranha. In een ronde boot word je voortgestuwd in een traject met waterval, wilde golven en waterregens sproeiende figuren in de rotsachtige wanden. Dat we kletsnat werden, maakte me niet uit. In de zon droog je zo weer op.
Enige tijd later gingen we weer het water op, maar nu in de gondels die een vaart van twintig minuten maken langs en tussen veel groen, snaterende eenden en ganzen die naast de boot peddelen in de hoop op een stukje brood.

Wat nooit ontbreekt is de pannenkoek, waar ik wel medelijden had met de jongen die ons bediende. ‘Warm hè,’ zei hij. Dat was hem aan te zien. De blonde lokken plakten rond zijn hoofd en zijn bril besloeg een beetje. ‘Gelukkig zit mijn terrasdienst er bijna op en mag ik weer binnen bedienen, daar is airco.’
Maar jongens, wat was het lang geleden dat ik die weer eens gesnoept heb: een suikerspin!
In een kleine houten keet draaide met een verhit gezicht een vrolijke meid de roze lekkernij om een stokje heen. Groter en groter werd de spin tot zelfs die bijna van zijn stokje ging.
‘Ik betaal gewoon hoor, maar ik hoef niet zo’n megagrote. Ik zeg wel stop als hij naar mijn mening groot genoeg is. Moet je hier nu de hele dag staan?’ vroeg ik aan het meisje waarbij kleine kleverige ragdunne draadjes in haar haren plakten.
Lachend antwoordde ze: ‘Ja, maar dat vind ik niet erg hoor. Eind van de dag lijk ik zelf wel een suikerspin. Morgen heb ik vrij en overmorgen sta ik weer ergens anders met ander werk.’
Terwijl ik plukjes roze plakdraden van mijn spin trok en zo goed als mogelijk netjes probeerde naar binnen te werken, liepen we verder.
Uiteraard ontbreekt ook de “Paddenstoelfoto” niet. Mijn collectie “Vera-op-de-Eftelingpaddenstoel” is weer uitgebreid na gisteren.

©Vera Oor, 2026

Opwinding op het marktplein

Nou, wat ik gisteren meegemaakt heb!
Voordat ik mijn wekelijkse boodschappen bij de supermarkt haal, duik ik eerst de markt op. Eens kijken hoe de aardbeien erbij liggen.
De markt is voor mij één grote uitdaging wat betreft aanbod van allerhande lekkers. Zal ik een visje meenemen? De verleiding is groot, maar ik weersta hem. Een appelflap dan? Nee, niet doen. De traditie van altijd in het weekend een gebakje of vlaai in huis halen, doorbreek ik niet. Dan is het hek van de dam. Gebrande suikerpinda’s, chocoladerozijnen en olijven. Als ik daaraan toegeef, maken mijn kaken vanavond weer overuren. Zal ik dan een ijsje? Nee, Oor!

Ik ging voor de aardbeien, dus richting groente- en fruitkraam. Dan ineens grote opwinding. Mensen springen opzij, beginnen te rennen, roepen door elkaar. De marktkoopman schreeuwt: ‘Pak ze, ze gaan ervandoor.’
Hij trekt een sprintje, gevolgd door zijn collega. Het is druk op het marktplein, dus ik kan moeilijk zien achter wie ze nu precies achteraangaan. Ze zigzaggen tussen de mensen en de marktkramen door en langs de aangrenzende winkels.
‘Daar! Daar gaan er twee,’ wijst een vrouw in de richting van het restaurantterras. Ik volg haar vinger en dan zie ik het: duidelijk herkenbaar met een roodgele jas rennen de verdachten tussen de terrasgordijnen door. Het kost ze weinig moeite met hun slanke, afgeplatte figuur. Dit in tegenstelling tot de marktkoopman die zo te zien minder goed dan ik de verleidingen van het aanbod bij de kramen kan weerstaan. Hijgend geeft hij een ruk aan de bij elkaar gebonden gordijnen. De daders rennen door.

Nu ik weet hoe ze eruitzien, valt mijn oog op nog zo’n zelfde type, ook in roodgele jas. Deze probeert aan zijn achtervolger te ontsnappen door onder de kaaskraam door te rollen.
De verkoopster erachter begint uit alle macht te stampen. ‘Ik heb er een,’ schreeuwt ze en trapt door tot de spetters in het rond vliegen.
Ze zal de dief, of wat hij dan ook gedaan mag hebben, toch niet zo erg in elkaar gestampt hebben dat we het slachtoffer bij elkaar moeten vegen?
De groente- en fruitkoopman neemt nog een snoekduik op het terras en komt even later met een hoogrood gezicht van de inspanning overeind. In elke hand een roodgeel exemplaar.
‘Mm,’ snuift een van de vrouwen die zojuist nog hysterisch stonden te gillen. ‘Moet je ook maar geen wilde perziken in je assortiment opnemen. Je kunt wel nagaan dat je die niet in een papieren zak kunt stoppen.’
Achter de kaaskraam heeft de verkoopster haar slachtoffer bij elkaar geveegd en in de afvalbak gedumpt.
Eenmaal thuis kom ik tot de conclusie dat ik de aardbeien vergeten ben! 

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...