Het jaar van Marcianus

                        

Veni, vidi, vici. Ik kwam, zag en overwon. Maar hoezo in de verleden tijd?
Beter is: Veni, Video, Vinco: Ik kwam, zie en overwin.
De kunstenaar heeft mijn uiterlijk geschapen. Wat hij niet kon doen is mijn ziel vormgeven. Dat is door anderen gedaan. Alles van de oorspronkelijke helm is op mij overgegaan. Daar hebben hogere machten de hand in gehad.

Toen de dappere strijder Marcianus het leven liet, nam ik zijn laatste adem in me op, evenals zijn angst, zijn moed, zijn kracht, zijn overwinnaarsmentaliteit. Wat niemand weet, is dat Marcianus een groot geheim met zich meedroeg, waardoor het nodig was dat juist zijn gezicht extra bescherming kreeg. Zijn zweet trok in mijn poriën.
Wat zijn geheim was, weet ik, maar zult u nooit van mij horen. Mijn lippen zijn verzegeld en verguld.
 
Veni: ik kwam enkele jaren geleden per schip de Waal afzakken. Na de beschutting van de werkplaats van de kunstenaar, was ik vanaf dat moment overgeleverd aan de weergoden, aangespoord door oppergod Jupiter. Vanuit mijn standplaats op het stadseiland Veur Lent overzie ik de skyline van de Keizer Karel Stad, Nijmegen.
Wat me van het hart moet is dat ik me afvraag wat de reden is, dat de stad een naam heeft gekregen en ik slechts genoemd word: Het Masker of Het gezicht van Nijmegen.
Ik verdien een naam. Ik ben een trekpleister geworden. En zo begon mijn tweede leven.
 
Video: ik zie alles door de ogen van de bezoekers die in mij kruipen en dat is de moeite waard. Waar de een met lodderige blik de wereld aanschouwt, staat een ander -geïnteresseerd in geschiedenis- op scherp. De eerste loert, maar ziet niets. De tweede kijkt en ziet alles tussen verleden en heden. Alles wat zij zien, zie ik. Alles wat zij aan emoties voelen, voel ik ook. Ze brengen hun eigen verhalen mee. Ik weet waar het beste bier te halen is, maar ook waar verhalen zijn ontstaan. Aan de overzijde zie ik een aluminium en een bronzen beeld, door kunstenaarshanden geschapen. Ik heb geleerd wat de kaaisjouwers meemaakten, hoe zwaar hun leven was. Ik weet nu dat de Aquanaut troostend zijn arm om de naar de maan huilende Waterwolf legt, als verbeelding van Nijmegen, dat het water in de Waal omarmt.
Een omarming niet alleen aan de overkant, maar ook in mij. Omarmingen, liefdesverklaringen, ontboezemingen. Ik ben een veilige plek daarvoor en natuurlijk geldt ook hier: mijn lippen zijn verzegeld.
 
Vinco: ik overwin.
 Op de scheiding van jaren kan ik een grote rol gaan vervullen. Door het vuurwerkverbod staat de Waal niet meer in vlammen, de vonkenregens dalen niet meer neer over Nijmegen, maar stel je eens voor: in mijn binnenste wordt een grootse lasershow voorbereid. Daarin zal vanuit mijn ogen een warme, omarmende gloed over de Waal en Nijmegen glijden. Een stille lichtshow, geen geknal, geen geschreeuw, maar een alles overwinnend spektakel. Mijn lippen blijven verzegeld. Om 24.00 uur wordt mijn grootste droom werkelijkheid: 2027 wordt verwelkomd als het jaar van Marcianus.

©Vera Oor, 2026

Voorgedragen tijdens de Nimweegse Ferhaole Aofond in Nijmegen, 21 april 2026

Nee, geen luipaard

 
Het voltallige bestuur heeft zich verzameld op de grote weide in het midden van het park. In de loop van de tijd is deze groep flink uitgebreid met een aantal leden. Zuiver bekeken komt het erop neer dat elke bewoner ook bestuurslid is geworden. Dat zijn er welgeteld dertien. Er staan maar twee punten op de agenda: beperking van de toestroom van nieuwe bewoners en openstelling van het park voor bezoekers.

De grootte van het perceel is een heikel punt. Huidige bewoners verdragen elkaar maar zijn zeker niet allemaal bevriend met elkaar.
De voorzitter opent de vergadering en stelt de openstelling aan de orde. ‘Wanneer wij het park open willen stellen, zullen we een aantal rigoureuze veiligheidsmaatregelen moeten nemen om onze levens niet in gevaar te brengen. Het mag niet zo zijn, dat een van ons gevangen wordt en meegenomen naar een onbekende bestemming.’
‘Hoe zie je dat dan voor je?’ vraagt een van de allereerste bewoners.
‘We moeten het daarbij doen voorkomen, dat we alles onder controle hebben, dat wij de bezoekers niet aan zullen vallen, dat we zelfvoorzienend zijn. We zullen moeten gaan bouwen, zodat elk van ons, in ieder geval moet het voor de buitenwereld zo lijken, een eigen, afgeschermd verblijf heeft.’
Er stijgen verontwaardigde geluiden op uit het gezelschap. Ieder is gesteld op de ruimte en wil onder geen beding opgesloten worden.

‘Koppen dicht nu, allemaal,’ commandeert de voorzitter. ‘We hebben geen keuze dus laten we vooral kijken naar geschikte plekken om verblijven te bouwen, we moeten op zoek naar slimme lui die kunnen helpen met het maken van bouwtekeningen.’
Geleidelijk aan verstomt het protest en realiseert iedereen zich dat ze alleen vooruitkomen als ze gezamenlijk de schouders eronder zetten en aan gaan pakken.
‘Wie kan al dat werk gaan verzetten?’ verzucht de chinchilla, die zorgvuldig haar zachte zwarte vacht poetst. Ze ziet zichzelf niet als een van de werklui en dat geldt wel voor meer bewoners.
‘Voordat ik het vergeet: we hebben een aanvraag gekregen voor het toelaten van een nieuwe bewoner: een luipaard,’ onderbreekt de voorzitter de protesten.
‘Ammenooitniet, een luipaard. Hoe kom je erbij. We hebben een werkpaard nodig!’ knort het varken. Hij wordt al snel gesteund door de giraf.
‘En wie kan alles bedenken? Dan hebben we een slimmerik nodig,’ merkt de schildpad op. ‘Ik ben er te langzaam voor.’
Na het nodige geharrewar en het brainstormen in kleine groepen komt het gezelschap tot de conclusie, dat ze toch echt meer bewoners moeten toelaten, zoals een chimpansee. Die is slim genoeg om plannen te maken, een olifant is nodig voor het zware werk van verplaatsen van de omgewoelde grond van het varken, zodat er funderingen kunnen worden aangelegd. Een kudde buffels is nodig om nieuwsgierige bemoeials op afstand te houden. De giraf heeft hulp nodig van zijn familieleden om op hoogte te kunnen werken.
 
Gaandeweg de dag en na verscheidene brainstormrondes liggen er wonderwel voorstellen op tafel waar iedereen zich in kan vinden. De slang zal zorgen voor het aanleggen van leidingen, de schildpad stelt zijn schild beschikbaar als transportmiddel, het hert kan zijn gewei gebruiken om boomwortels los te woelen. De kangoeroebuidel is ideaal voor het vervoeren van kostbare bouwmaterialen. De zebra zorgt voor veilige oversteekplaatsen zodat de bouwvakkers elkaar niet voor de voeten lopen. De pony kan het werk van een werkpaard doen. Hij stelt daarbij wel de voorwaarde dat er alsnog op zoek wordt gegaan naar werkpaarden die hem ondersteunen. Zeepaardjes en kreeften moeten de watervoorzieningen gaan inspecteren, waar hagedissen de muren moeten controleren op bouwfoutjes.
De kalkoen strekt zijn kop en klokt: ‘Ik zorg voor de bewaking. Als er gevaar dreigt, zal ik alarm slaan.’
‘En zij dan?’ wijst de hond naar de chinchilla. Die duikt in elkaar. Ze had gehoopt de dans te ontspringen, maar bedenkt zelf al snel een oplossing: ‘Wie van jullie koude poten krijgt, mag die warmen aan mijn zachte vel.’
‘Wat wordt de rol van het luie paard?’
De chinchilla weet de oplossing: ‘Als iemand te moe is, mag die lekker tegen het luipaard aanliggen.’

© Vera Oor, 2026

Vroege ochtendwandeling

Gisteren ging om 5.15 uur de wekker.  Weliswaar is dat volgens zomertijd 6.15 uur, het voelt als 5.15.
Honden hebben geen benul van de tijd, want zodra ze me horen, staan de koppies mijn kant op gericht met een duidelijke vraag in de ogen: Waar blijft het eten? Dus volgens routine eerst de honden eruit en eten en daarna kom ik nog aan de beurt.

Mijn ontbijt heeft denk ik amper de maag bereikt, of ik moet al vertrekken. 
Ik heb me opgegeven voor een vroege ochtendwandeling in de dierentuin in Arnhem onder begeleiding van een gids.
Een flinke opkomst vind ik. 36 personen verdeeld over drie groepen en daarmee gaan we de Bush in. Voor de niet-kenners van deze dierentuin: dat is het overdekte gedeelte waarin een tropisch regenwoud is gerealiseerd met veel verschillende dieren en planten.
Het eerste dat opvalt als ik hier op dit tijdstip binnenloop is het overweldigende aanbod van vogelgefluit waarbij er één altijd bovenuit komt: de schreeuwpiha, een onopvallende vogel, met een opvallende scherpe schreeuw.. Het is nog voor de openingstijd van de dierentuin, dus dieren laten zich zien en horen.

De gids leidt ons over mij bekende paadjes, maar neemt ook minder voor de hand liggende afslagen waarbij het bij een watertje goed opletten is dat mijn voeten niet wegslippen. We steken het over door gebruik te maken van glibberige stenen, die moeten dienen als stapstenen. Het lukt me, al voel ik me zo nu en dan alsof ik in een winkel iets moet hebben uit het onderste schap en het me alleen lukt overeind te komen, als ik mijn handen gebruik om me omhoog te duwen.
Hoog in het gebouw hangen enkele vleerhonden te bungelen met hun vleugels als een dekentje om zich heen gevouwen.
Vogels in opvallende kleuren lopen, vliegen en fladderen voorbij. Gemberplanten groeien hier in vele varianten met verschillende bloeiwijzen. Er is dus niet één soort gemberplant.
Tegen het eind van de rondwandeling gaat ineens de waterval “aan”. De dierentuin is inmiddels geopend en het klaterende water overstemt gedeeltelijk het gepraat van de bezoekers. Pas nu valt het verschil op met de stilte tijdens de rondleiding die alleen begeleid werd door vogelgeluiden.

Het restaurant is nu ook geopend en allereerst pak ik op mijn gemak een kop koffie om vervolgens nog een kort rondje langs enkele dieren in het park te lopen. De stokstaartjes, mijn favorieten, hangen met een aantal lui op hun rug onderuit tegen een in de zon opgewarmde steen. Ze knijpen hun glanzende oogjes dicht als ze tegen de zon inkijken en lijken veel op een groep zonnebadende badgasten.
In het olifantenbuitenverblijf staan twee olifanten met hun poten in de optrekkende nevel. Een beeld dat ik ken van koeien.
Er liggen enorme rotsblokken en van een afstand lijken ook die de vorm te hebben van een olifant. Goed zoeken naar de dikhuiden dus.
Ik loop terug naar de parkeerplaats die vanochtend vroeg vrijwel verlaten was op het aantal auto’s van de deelnemers van de rondleiding na. Dat is nu wel anders. De grote parkeerplek is afgeladen vol en voor de kassa staat een rij.
De zon scheen nog toen ik thuiskwam en als eerste heb ik daar de stokstaartjes nagedaan.

 

.
 

Johanna op de kermis

 

‘Johanna!’
Nog voordat Johanna haar moeder ziet, weet ze dat het onvermijdelijke gaat gebeuren.
Ze vertraagt haar pas als ze naar de waslijn loopt, waar ze zich kwetsbaar weet als een reekalf in het open veld.

‘Waar zijn jouw maandelijkse doekjes?’
Zo vaak als Johanna zich voorbereid heeft op deze vraag, toch overvalt het haar.
‘Die… die had ik niet nodig,’ antwoordt ze en richt haar blik naar de grond.
De waarheid baant zich een weg naar buiten, zodra Johanna haar mond opent.  
‘Al drie maanden niet. Andere maanden smeerde ik bietensap in het doekje en legde dat bij het wasgoed. Deze maand ben ik het vergeten.’
Haar struise moeder wankelt een moment en zijgt neer op een van de houten stoeltjes. De wasknijpermand valt uit haar hand.
Als in een toneelstuk trekt de toekomst in scènes aan haar voorbij: de woede van haar man, het oordeel van de kerkgemeenschap, het verdere leven van haar dochter.’
‘Weet je het zeker, drie maanden? Te laat om weg te halen.’
‘Het gebeurde op de kermis,’ zegt Johanna mat. ‘Ik was duizelig toen ik uit de carrousel kwam. Een jongen ving me op en gaf me wat te drinken. ‘Hier is het te druk,’ zei hij en nam me mee naar een plek achter de kermiswagens. En daar…’
Met gierende uithalen vertelt Johanna wat er gebeurde.
De jongen veranderde in een woeste stier.
Hij gooide haar tegen de grond, trok haar rok omhoog en haar kousen en broekje naar beneden. Met een hand over haar mond verhinderde hij dat ze kon schreeuwen om hulp.
De kaaklijn van moeder verhardt zich. Ze buigt zich hijgend naar Johanna over die in elkaar duikt om de uitgestrekte arm te ontwijken.
‘Wie was het?’
‘Ik ken hem niet. Een van de jongens van de kermis.’
‘Ook dat nog. Een bastaard in de familie.’

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...