Kick
loopt met grote stappen de pier op, ondanks dat zijn ouders hem hebben
gewaarschuwd nooit zover te gaan omdat de pier glad kan zijn en het water bij
het eind diep is.
De
zon schijnt volop. Er is geen wolkje te bekennen, maar het gezicht van Kick
lijkt op één grote donderwolk.
Hij
is boos omdat hij geen leren bal heeft gekregen en het moet doen met het
plastic exemplaar in zijn handen. Hij
prikt er stevig in met een schroevendraaier totdat met een klein plofje de
eerste lucht ontsnapt, waarna hij hem met een flinke trap het water inschopt.
‘Stomme
rotbal,’ schreeuwt Kick de bal na, die heel even blijft dobberen en dan
langzaam onder water verdwijnt.
Twee
witte, schuimende golven komen zijn kant op.
Vreemd.
De zee is glad en verder is er geen golf te bekennen.
Verbaasd
kijkt hij naar de schuimkoppen, die steeds dichterbij komen en naar elkaar toe
drijven. Met
grote ogen ziet Kick wat er gebeurt en hij stapt terug.
Te
laat! De schuimkoppen vormen een grote, witte, geopende mond die met flinke
snelheid op hem afrolt.Wegrennen
lukt niet meer.
‘Kick,
Kick, waar ben je?’ drijven de woorden over het strand en de zee.
Een
man en een vrouw zetten hun handen voor de mond om hun stem kracht bij te
zetten. ‘Ki-i-hi-ck.
Iets
verderop vormen zich groepjes mensen.
‘Wat
is er?’ wil een klein meisje weten.
‘Er
is een jongen verdwenen,’ antwoordt haar moeder.
Het
kleine meisje knikt en maakt een beweging met haar armen, alsof ze een bal vast
wil pakken. ‘Mond,’ zegt ze, maar niemand luistert naar haar.
De
golven die op hem afkomen, hebben Kick volledig bedekt met het witte schuim
waardoor hij niets meer ziet. Hij
voelt dat hij van de pier weggezogen wordt. Spartelend
met zijn benen en maaiend met zijn armen probeert hij ergens houvast te
krijgen, maar zijn voeten voelen geen ondergrond meer. Als
kurketrekkers worden zijn blonde krullen onder water getrokken. Kick
heeft het gevoel dat hij een enorme tunnel ingezogen wordt.
Het
gaat zó snel, dat hij niet kan zien wat er om hem heen gebeurt.
Behalve
suizende lucht is er geen enkel geluid te horen. Plotseling
stopt het gesuis. Kick
voelt weer vastigheid onder zijn voeten en, een beetje duizelig, blijft hij
wankelend staan. Zijn
handen tasten voorzichtig de omgeving af.
Achter
zich voelt het nat en glibberig aan. Stenen?
Het
geluid van kabbelend water, maar hij krijgt geen natte voeten.
Geleidelijk
aan kan hij iets meer onderscheiden in de duistere ruimte.
Het
stenen plateau bevindt zich boven het water en zonder zijn hoofd te stoten kan
hij er met gemak op staan.
‘Wat
is dit, waar ben ik?’ roept hij hardop.
Zijn
stem wordt weerkaatst en komt als een mysterieus geluid van alle kanten terug:
‘is dit-dit, ben ik-ik.’
‘Hallo,
is hier iemand?’
Die
echo weer: ‘iemand-iemand.’
Kick
begint nu toch bang te worden. Wat gebeurt er allemaal, waar is hij?
Het
lijkt nog zo kortgeleden dat hij vakantie kreeg en zijn vader tegen hem zei:
“Koffers gepakt? Gaan!”
Zijn
moeder had de campingspullen al in de auto liggen en ze waren vertrokken naar
de camping aan zee.
En
nu zit hij ergens, maar waar? In een grot?
Iets
verderop ziet hij licht. Met zijn rug tegen de koude, stenen wand schuifelt hij
behoedzaam in de richting van de lichtbron en komt uit in een grote, ronde
ruimte. In
de stenen wanden zitten enorme ruiten met water erachter! Het
lijkt alsof hij zich tussen grote aquaria bevindt op een breed, stenen balkon
dat voor de ruiten langs loopt.
Kick
schrikt op door een naderend geluid, dat weerkaatst wordt, alsof
het trappelende paardenhoeven zijn.
Hij
probeert te ontdekken waar het geluid vandaan komt en kijkt over de rand van
het balkon naar beneden.
Een
spookachtig licht glijdt over het water, dat tegen de stenen klotst.
Het
klepperende geluid komt langzaam dichterbij.
Hij
kan zijn ogen niet geloven: een span zeepaardjes trekt iets door het water: een
vaartuig dat lijkt op een Romeinse strijdwagen.
Ben
ik nu op een filmset beland? vraagt Kick zich af.
De
koetsier is een grote, naakte man met een woeste baard. In
zijn rechterhand houdt hij stevig de teugels van de zeepaardjes vast.
In
zijn linkerhand heeft hij een drietand, een soort mestvork.
Op
korte afstand van Kick trekt de man de teugels aan en de zeepaardjes houden
halt.
Hij
springt omhoog op het balkon waar Kick staat. Die
voelt de trilling van de dreunende voetstappen als de man zijn kant oploopt.
‘W-w-wie
bent u? stottert Kick terwijl hij zijn hoofd achteroverbuigt om de man, die
hoog boven hem uittorent, goed te kunnen zien.
‘Ik
ben Neptunus,’ de god van de zee, zegt de man met zware, donkere stem en hij ondersteunt
zijn woorden door met de drietand flink op de grond te stampen. ‘We zitten hier
diep in de zee, in een grot.’
Ongelovig
kijkt Kick hem aan en vraagt: ‘Hoe kan ik dan ademen?’
‘Niet
zoveel vragen, jongeman. Ik ga jou eerst een en ander vertellen en jij gaat
alleen maar luisteren, hoor je, alleen maar luisteren!’
Kick
durft niets meer te zeggen en wacht gespannen af.
‘Jij
vond het zo nodig een plastic bal de zee in te schoppen,’ buldert de man.
‘Uh,
ja, maar ...,’ reageert Kick, maar Neptunus heft zijn hand om te gebaren dat
hij geen weerwoord duldt.
‘Jij
denkt misschien: het is maar een kleine bal in die grote zee, maar iedereen
denkt tegenwoordig zo en gooit van alles in het water. Onze inktvissen draaien
ploegendiensten en maken overuren om met hun tentakels het plastic te
verzamelen en naar een opslag te brengen.’
Kick
laat de woorden op zich inwerken.
Neptunus
vervolgt zijn donderpreek: ‘Het gaat maar door, elke dag opnieuw komt er
plastic rotzooi in de zee. Ik weet dat jullie mensen spreken over een “plastic
soep” en zo ís het daadwerkelijk.’
Neptunus
praat op iets zachtere toon verder: ‘Je bent hier in een grot. We hebben
mogelijkheden om te zorgen, dat een deel van deze grot niet onder water loopt
en dat er voldoende zuurstof is voor een mens om te overleven.’
‘Dus
u maakt me niet dood?’ vraagt Kick bedremmeld.
De
man kijkt hem indringend aan. ´Nee.’
Kick
haalt even opgelucht adem en wacht af wat hij nog meer te horen krijgt.
‘Je
wordt zometeen rondgeleid door Kira. Zij vertelt je meer. Ik raad je aan om
alles goed in je op te nemen.’
Neptunus
kijkt Kick diep in de ogen en loopt in de richting van het vaartuig. Zodra
hij daarin zit, maakt hij een klikkend geluid met zijn tong en het span
zeepaardjes trekt hem verder de grot uit.
Pletsj,
pletsj, hoort Kick en dan wrijft hij zich eens goed in de ogen.
Nee
dit kan niet…een zeemeermin!
‘Hallo
ik ben Kira,’ zegt ze met zachte stem en ze geeft hem een hand.
‘Ik
ben Kick,’ fluistert hij, terwijl hij haar bewonderend aankijkt.
‘Kom
mee, je bent in het midden van het ziekenhuis waar alle ruimtes omheen liggen.
Ik laat ze je zien,’ nodigt Kira hem uit haar te volgen.
Kick
vraagt zich af hoe ze buiten water zo sierlijk en soepel kan bewegen met die
vissenstaart. Haar
lange blonde haren wapperen achter haar aan als ze over het balkon loopt.
Kira
stopt bij een raam. ‘Dit is een ziekenkamer, hier ligt Brachyura, de krab. Zijn
scharen zijn beschadigd door harde stukken plastic,’ legt ze uit, terwijl ze
voorzichtig zwaait naar de krab.
‘De
zwaardvisdoktoren hebben alle moeite gedaan om zijn scharen te vijlen met hun
zwaard. Dat was een zware operatie en hij heeft tijd nodig om te herstellen.’
De
rode krab kijkt nog wat bleekjes hun kant uit. Zijn scharen zijn in verband
gewikkeld. In
een vaas op het tafeltje naast zijn waterbed staan zeeanemonen, een
bloemengroet van zijn bezorgde familie.
Kira
gaat naar het volgende raam en wijst Kick op de patiënt, waarover ze vertelt:
‘Conger, de zeepaling, staat op dieet. Hij heeft zich vastgezwommen in een
stofzuigerslang, maar kon op een gegeven moment niet meer voor- of achteruit.
Hij krijgt nu via een rietstengel speciale voeding om af te vallen, zodat hij
uiteindelijk weer uit de slang kan glijden.’
Kick
krijgt het al benauwd als hij naar de beklemmende situatie kijkt, waarin de
paling verkeert.
‘Komt
het goed?’ wil hij weten.
‘Ja,
maar het vraagt veel tijd. We hebben dit eerder bij de hand gehad,’ vertelt
Kira, terwijl ze zich beweegt naar het volgende raam.
‘In
deze patiëntenkamer ligt Tetra, de kogelvis. Tetra is ernstig ziek. Zijn lijf
zit vol met piepschuimbolletjes. Ademen kost hem enorm veel inspaning.’
Kick
ziet bij elke keer dat Tetra uitademt de piepschuim bolletjes als
luchtbelletjes uit zijn bek wegdrijven.
Kira
legt uit wat er verder met Tetra gaat gebeuren: ‘Het is wachten tot alle
bolletjes eruit zijn. Daarna moeten zijn ingewanden weer wennen aan gewoon eten
en moeten de artsen beoordelen of er geen blijvende schade is.’
De
normaalgesproken ronde kogelvis ligt nu bleek en met ingevallen wangen op een
waterbed. Zijn ogen zijn gesloten.
Op
het volgende raam staat in grote letters: Spoed Eisende Hulp en Operatiekamers.
Kick
ziet zeemeerminnen voorzichtig een gewonde patiënt naar de operatietafel
dragen, waaromheen zich al veel artsen verzameld hebben.
‘Is
dat een maanvis?’ vraagt Kick en hij wijst naar de vis achter in de ruimte.
Kira
knikt: ‘Dat klopt, de maanvis en de zeesterren zorgen voor meer licht.
Lantaarnvisjes schijnen nog extra bij, zodat de artsen voldoende licht hebben
tijdens een operatie.’
‘Welke
vis wordt er geopereerd?’ informeert Kick, die maar een klein puntje van een
vissenstaart ziet, de rest ligt onder een laken van plankton.
‘Dat
is Labri, een lipvis,’ beantwoordt Kira zijn vraag. ‘Zijn lippen zijn
beschadigd door de scherpe randen van stukken plastic die naar de zeebodem
gezonken zijn,’ verzucht ze. ‘Voorafgaand aan de operatie is hij gewassen door
sponzen. Krabben knippen zorgvuldig stukjes plastic uit de lippen en de
zeekomkommer zuigt de kleinste friemeltjes plastic uit de wond. De
pijlstaartrog hecht straks, na de operatie, de wonden met een dunne sliert
zeewier.’
‘Ik
waarschuw je even, want wat je nu gaat zien, is hartverscheurend,’ bereidt Kira
hem voor op de volgende patiëntenkamer.
Kick
kijkt haar angstig aan.
‘Kleutervisjes
die in een school rondzwommen, daagden elkaar uit om in de hals van plastic
flessen te zwemmen. Ze wilden weleens weten hoeveel visjes er in een fles
passen,’ legt Kira uit.
Kick
kijkt verbijsterd naar wat hij ziet: visjes die elkaar wegdrukken om zo snel
mogelijk uit de fles te zwemmen, maar de hals is te klein en ze vallen telkens
terug en krioelen door elkaar.
Hun
ouders zwemmen om de fles heen en proberen de visjes rustig te houden en moed
in te praten. Kick
kan niet horen wat ze zeggen, maar ziet de drukke blubbewegingen van hun
lippen.
‘Wie
is de vis in die doktersjas met een stok in zijn hand?’ informeert Kick.
Kira
antwoordt: ‘Dat is dokter Cerati. Hij is een hengelvis en hij hengelt een voor
een de visjes uit de fles. Dat moet heel voorzichtig gebeuren om de bekjes van
de visjes niet te beschadigen.’
Kira
loopt naar het volgende raam en wenkt Kick. Die
heeft de tranen in zijn ogen staan, door wat hij zojuist gezien heeft.
Kira
legt hem uit dat de visjes die uit de fles gered zijn in deze kamer komen te
liggen op een groot waterbed. ‘Door alle spanning hebben ze het koud gekregen
en Ray, de mantelrog, gaat af en toe over hen heen liggen om ze op te warmen.’
‘Hé,
daar zwemt Nemo,’ roept Kick uit.
‘Ja,
jullie mensen noemen hem Nemo,’ bevestigt Kira, ‘maar het is een clownvis. Heb
je weleens gehoord van de Cliniclowns, die mensenkinderen in ziekenhuizen
opvrolijken?’
Kick
knikt.
‘De
clownvis doet hetzelfde. Hij trekt gekke bekken en vertelt kleine verhalen aan
de visjes om ze af te leiden in de tijd dat ze hier verblijven.’
Kick
is diep onder de indruk van alles wat hij gezien heeft en is er stil van. In
de verte hoort hij weer het geklepper van de paardenhoeven.
Neptunus
komt eraan, die in ieder geval vriendelijker kijkt dan daarstraks.
Hij
tilt Kick van het balkon en zet hem naast zich in de wagen, waarna hij de
zeepaardjes aanspoort om te vertrekken uit de grot.
Kick
kijkt nog vlug een keer achterom om te zwaaien naar Kira.
Met
eenzelfde snelheid als hij naar beneden is getrokken, gaan ze naar het
oppervlak van de zee.
Onderweg
kijkt Neptunus hem aan en zegt: ‘Zo, volgens mij heb je veel geleerd en ben je
wel overtuigd van de schade die plastic aanbrengt onder water. Wat ga je
hiermee doen? Niemand zal je verhaal geloven.’
Kick
bevestigt dit: ‘Als mijn vrienden dit aan mij zouden vertellen, zou ik het ook
nooit geloven, maar ik heb wel een idee.’
Neptunus
kijkt hem vragend aan en Kick vertelt zijn plan: ‘Aan het begin van het
schooljaar is er een wedstrijd en mag iedereen een verhaal insturen over de
vakantie van dit jaar. Dat mag fantasie of waarheid zijn. De titel moet zijn:
“Koffers gepakt? Gaan!” en ik ga een verhaal schrijven over wat ik beleefd heb.
Inmiddels is me duidelijk waar het écht over gaat, en mijn klasgenoten zullen
er vast ook van leren. Alle kleine beetjes helpen.’
Neptunus
knikt goedkeurend.
Ze
komen boven water, maar zijn niet zichtbaar omdat het vaartuig omgeven is door
wit schuim van de golven.
‘Ho,
wacht even, daar gaat iets niet goed,’ roept Neptunus en hij zet koers in de
richting van een walvis die schokkende bewegingen maakt.
‘Kick,
help even,’ beveelt hij kortaf. ‘Een plastic zak verstopt de opening van het
spuitgat van Wallie. Daardoor kan hij niet ademen.’
Met
gezamenlijke inspanning lukt het Neptunus en Kick om de zak weg te trekken. Wallie
slaakt een diepe zucht en haalt opgelucht adem. Daarna
maakt hij een sprong boven de golven uit, klapt met zijn borstvinnen op het
water en spuit dankbaar een fonteintje water omhoog.
Neptunus
geeft Kick een bemoedigende klap op de schouder. ‘Succes jongen.’
Hij
tilt Kick omhoog en zet hem in de golven. De
schuimkoppen tillen hem op en rollen hem naar het strand.
Een
klein meisje roept weer: ‘Mond,’ en dit keer geloven de omstanders haar wel.
Ze
kijken stomverbaasd naar de schuimkoppen in de vorm van een geopende mond. En
dan zien ze Kick!
‘Kick!’
Zijn vader en moeder komen aanrennen.
‘Dit
waren de langste minuten van mijn leven,’ zegt zijn vader.
‘Minuten?’
vraagt Kick verbaasd.
Hij
weet nu, dat niemand hem zal geloven als hij zijn verhaal vertelt, dus hij laat
het er maar bij en zegt alleen maar: ‘Nou, de mijne ook.’
Enige
weken later wordt de uitslag van de schrijfwedstrijd op Kick’s school
bekendgemaakt.
De
juryvoorzitter spreekt de volle zaal toe: ‘Met een verhaal, dat mensen aan het
denken zet, heeft een van jullie een fantastisch verhaal verzonnen over het
leven in de diepzee. De winnaar is…Kick.
Dit verhaal had ik ingezonden voor een schrijfwedstrijd met als thema "Koffers gepakt? Gaan!"
Een verhaal voor kinderen van 8 - 12 jaar.
Helaas is mijn verhaal niet uitgekozen, maar ik ben wel erg blij met de juryrapporten die ik heb gekregen.
Enkele citaten:
- Originaliteit verdient een pluim
- Prachtige opbouw, humoristisch, goede tekstopbouw, uitgewerkt zodat je het als lezer zelf beleeft.
- Goed onderwerp in huidig tijdsbeeld van klimaatverandering, vervuiling en plastic soep.
- Flink tempo in het verhaal, beeldende personages
© Vera Oor, 2024