Mosselen in Oostende

Bij het zien alleen al van die glibberdingen vergaat me de lust om het te proberen, maar mijn vriend wilde zich er in Oostende weleens aan wagen en hielp het bevriende stel om de mosselpan leeg te maken.
Enkele uren later schoot hij het hotelbed uit, naar het toilet. Ik zal je de details besparen, maar er kwamen ongezonde geluiden uit de badkamer en de lucht was absoluut geen frisse zeelucht.
De volgende ochtend zag hij nog groen en geel. Op advies van de hoteleigenaar gingen we naar de apotheek. 

We stonden buiten te overleggen welke kant we op moesten lopen, toen we constateerden dat we nog maar met zijn drieën waren. Waar was vriendlief?
Rondkijkend zagen we in een klein bloemperk iets verderop een paar motorlaarzen boven de bloemen uitsteken. Hij was zo ziek, dat hij zich gewoon achterover had laten vallen in het perkje.
Met vereende krachten trokken we hem er weer uit en sleepten hem mee, richting apotheek. We hadden geopperd om het verblijf in het hotel met een nacht te verlengen, zodat hij op de kamer kon blijven om uit te zieken, maar daar wilde hij niets van weten. Hij wilde zo snel mogelijk naar huis.

Nadat we de apotheek hadden gevonden en medicatie hadden gekocht, gingen we met zijn drieën op een bankje zitten, naast een met gras overwoekerd spoorlijntje. Nummer vier ging er weer bij liggen, in het gras tussen de rails, er reed immers toch geen trein over dit begroeide spoor. In razende vaart hebben we hem aangespoord tussen de rails uit te komen voordat we een uitvaartmaatschappij moesten gaan bellen. Wat was het geval: een oud baasje kwam naar ons toe gelopen en vroeg: ‘Is ullie vrind ut lève moe?’
‘Wat? Rijden hier treinen?’ reageerden we verbijsterd.  Knikkend ondersteunde hij zijn Vlaams antwoord: ‘Amai.’ 


Geplaatst op pagina Gastschrijvers van de Gelderlander


©Vera Oor, juli 2024

De mooiste herinnering aan Burgers'Zoo


In de Gelderlander stond een oproep om de mooiste herinneringen te delen die je hebt aan Burgers' Zoo die op 23 juli 25 jaar in Arnhem zit.


Natuurlijk stond de Bush op de wensenlijst van mijn ouders en van daaruit liep ik met hen de Ocean binnen. Na de eerste bocht sta je ineens aan het strand  van een oceaan, begrensd door rotsblokken en palmbomen. In de verte de contouren van een bergketen.
Nooit vergeet ik de blik van mijn vader. Hij maakte ter plekke een tijdreis naar eind jaren veertig, als dienstplichtig militair op Celebes. Natuurlijk liggen daar minder prettige herinneringen, maar deze bracht hem naar een vroege ochtendduik nabij het kamp: de opkomende zon, die op dat moment nog draaglijk is; de natuurgeluiden om hem heen; de frisse, zilte zeelucht die hij opsnuift vanaf een grote steen, waar hij op zit. In de verte de vloeiende lijn van de bergketen met de kenmerkende “schoorsteen” van de Klabatvulkaan.
Na enige tijd kwam hij “terug” en keek ons aan, nog in gedachten. ‘Mooi, heel mooi.’ Hij nam afscheid van de herinnering.


Geplaatst in de Gelderlander van 23 juli 2024



©Vera Oor, juli 2024
 

Noodgedwongen extra afrit

 
Mijn nieuwe bedrijf heeft vanwege de te verwachten toeloop noodgedwongen een aanvraag moeten doen voor een extra afrit aan de snelweg. In afwachting van de beslissing of dit uitgevoerd mag worden, houd ik me bezig met het ontwerpen van de schermen langs die afrit. Grote digitale borden moeten de keuzemogelijkheden presenteren met de bijbehorende prijzen. Keuze in model, in kleur en de mogelijkheid voor extra accessoires.
Aangezien toch iedereen aan zal moeten sluiten in de lange rij is er ruim tijd om het aanbod te bekijken en te kiezen. De klant kan zijn uiteindelijke wens doorgeven bij de praatpaal die in verbinding staat met een van mijn medewerkers. Die neemt de bestelling op, de klant kan doorrijden tot aan de kassa. Daarna volgt het loket waar de bestelling aangereikt wordt en de automobilist de snelweg weer op kan rijden.

Dit zal allemaal wel goed komen, verwacht ik. De provincie ziet extra eurotekens door de belastingen die ze kunnen heffen voor het verzorgen van de infrastructuur. De overheid is me tegemoet gekomen in de hoogte van het btw-tarief: ik mag het lage tarief aanhouden omdat mijn product in de categorie eerste levensbehoeften geplaatst wordt.
Extra bijkomstigheid waar de overheid een nog groter belang aan hecht is het feit dat door mijn ontwerp brildragende fietsers ook weer op de fiets zullen stappen en de auto laten staan. Momenteel is het onmogelijk om veilig te fietsen zonder elke seconde de bril schoon te vegen.

Aangezien de klimaatverandering de kant opgaat van meer en meer regendagen is mijn uitvinding dé oplossing voor de brildragende fietser. Ik ga een aanbod verzorgen van brilwissers, een mini uitvoering van ruitenwissers zoals die op auto’s zitten.
Het is een lang proces geweest om de juiste uitvoering te maken. De wissers moeten érg licht van gewicht zijn om te voorkomen dat ze de bril naar beneden trekken, ze moeten ultrasmal zijn zodat ze niet  bij elke wis-wasbeweging de glazen bedekken.
Ook over de aandrijving heb ik nagedacht: die wordt zodanig gemaakt dat bij het ophalen van de neus de beweging van de wissers in gang wordt gezet en bij twee keer ophalen weer gestopt.
De extra mogelijkheden zijn groot: Verticale brillenwissers of horizontale, elke gewenste kleur die in de regenboog voorkomt, nepwimpers die een natuurlijk afdakje vormen boven de bril, zodat  de wissers minder vaak heen en weer hoeven gaan.

Diepzee


Kick loopt met grote stappen de pier op, ondanks dat zijn ouders hem hebben gewaarschuwd nooit zover te gaan omdat de pier glad kan zijn en het water bij het eind diep is.
De zon schijnt volop. Er is geen wolkje te bekennen, maar het gezicht van Kick lijkt op één grote donderwolk.
Hij is boos omdat hij geen leren bal heeft gekregen en het moet doen met het plastic exemplaar in zijn handen. Hij prikt er stevig in met een schroevendraaier totdat met een klein plofje de eerste lucht ontsnapt, waarna hij hem met een flinke trap het water inschopt.
‘Stomme rotbal,’ schreeuwt Kick de bal na, die heel even blijft dobberen en dan langzaam onder water verdwijnt.

Twee witte, schuimende golven komen zijn kant op.
Vreemd. De zee is glad en verder is er geen golf te bekennen.
Verbaasd kijkt hij naar de schuimkoppen, die steeds dichterbij komen en naar elkaar toe drijven. Met grote ogen ziet Kick wat er gebeurt en hij stapt terug.
Te laat! De schuimkoppen vormen een grote, witte, geopende mond die met flinke snelheid op hem afrolt.Wegrennen lukt niet meer.
 
‘Kick, Kick, waar ben je?’ drijven de woorden over het strand en de zee.
Een man en een vrouw zetten hun handen voor de mond om hun stem kracht bij te zetten. ‘Ki-i-hi-ck.
Iets verderop vormen zich groepjes mensen.
‘Wat is er?’ wil een klein meisje weten.
‘Er is een jongen verdwenen,’ antwoordt haar moeder.
Het kleine meisje knikt en maakt een beweging met haar armen, alsof ze een bal vast wil pakken. ‘Mond,’ zegt ze, maar niemand luistert naar haar.
 
De golven die op hem afkomen, hebben Kick volledig bedekt met het witte schuim waardoor hij niets meer ziet. Hij voelt dat hij van de pier weggezogen wordt. Spartelend met zijn benen en maaiend met zijn armen probeert hij ergens houvast te krijgen, maar zijn voeten voelen geen ondergrond meer. Als kurketrekkers worden zijn blonde krullen onder water getrokken. Kick heeft het gevoel dat hij een enorme tunnel ingezogen wordt.
Het gaat zó snel, dat hij niet kan zien wat er om hem heen gebeurt.
Behalve suizende lucht is er geen enkel geluid te horen. Plotseling stopt het gesuis. Kick voelt weer vastigheid onder zijn voeten en, een beetje duizelig, blijft hij wankelend staan. Zijn handen tasten voorzichtig de omgeving af.
Achter zich voelt het nat en glibberig aan. Stenen?
Het geluid van kabbelend water, maar hij krijgt geen natte voeten.
Geleidelijk aan kan hij iets meer onderscheiden in de duistere ruimte.
Het stenen plateau bevindt zich boven het water en zonder zijn hoofd te stoten kan hij er met gemak op staan.
‘Wat is dit, waar ben ik?’ roept hij hardop.
Zijn stem wordt weerkaatst en komt als een mysterieus geluid van alle kanten terug: ‘is dit-dit, ben ik-ik.’
‘Hallo, is hier iemand?’
Die echo weer: ‘iemand-iemand.’
Kick begint nu toch bang te worden. Wat gebeurt er allemaal, waar is hij?
Het lijkt nog zo kortgeleden dat hij vakantie kreeg en zijn vader tegen hem zei: “Koffers gepakt? Gaan!”
Zijn moeder had de campingspullen al in de auto liggen en ze waren vertrokken naar de camping aan zee.
En nu zit hij ergens, maar waar? In een grot?
 
Iets verderop ziet hij licht. Met zijn rug tegen de koude, stenen wand schuifelt hij behoedzaam in de richting van de lichtbron en komt uit in een grote, ronde ruimte. In de stenen wanden zitten enorme ruiten met water erachter! Het lijkt alsof hij zich tussen grote aquaria bevindt op een breed, stenen balkon dat voor de ruiten langs loopt.
Kick schrikt op door een naderend geluid, dat weerkaatst wordt, alsof het trappelende paardenhoeven zijn.
Hij probeert te ontdekken waar het geluid vandaan komt en kijkt over de rand van het balkon naar beneden.
Een spookachtig licht glijdt over het water, dat tegen de stenen klotst.
Het klepperende geluid komt langzaam dichterbij.
Hij kan zijn ogen niet geloven: een span zeepaardjes trekt iets door het water: een vaartuig dat lijkt op een Romeinse strijdwagen.
Ben ik nu op een filmset beland? vraagt Kick zich af.
De koetsier is een grote, naakte man met een woeste baard. In zijn rechterhand houdt hij stevig de teugels van de zeepaardjes vast.
In zijn linkerhand heeft hij een drietand, een soort mestvork.
Op korte afstand van Kick trekt de man de teugels aan en de zeepaardjes houden halt.
Hij springt omhoog op het balkon waar Kick staat. Die voelt de trilling van de dreunende voetstappen als de man zijn kant oploopt.
‘W-w-wie bent u? stottert Kick terwijl hij zijn hoofd achteroverbuigt om de man, die hoog boven hem uittorent, goed te kunnen zien.
‘Ik ben Neptunus,’ de god van de zee, zegt de man met zware, donkere stem en hij ondersteunt zijn woorden door met de drietand flink op de grond te stampen. ‘We zitten hier diep in de zee, in een grot.’
Ongelovig kijkt Kick hem aan en vraagt: ‘Hoe kan ik dan ademen?’
‘Niet zoveel vragen, jongeman. Ik ga jou eerst een en ander vertellen en jij gaat alleen maar luisteren, hoor je, alleen maar luisteren!’
Kick durft niets meer te zeggen en wacht gespannen af.
‘Jij vond het zo nodig een plastic bal de zee in te schoppen,’ buldert de man.
‘Uh, ja, maar ...,’ reageert Kick, maar Neptunus heft zijn hand om te gebaren dat hij geen weerwoord duldt.
 
‘Jij denkt misschien: het is maar een kleine bal in die grote zee, maar iedereen denkt tegenwoordig zo en gooit van alles in het water. Onze inktvissen draaien ploegendiensten en maken overuren om met hun tentakels het plastic te verzamelen en naar een opslag te brengen.’
Kick laat de woorden op zich inwerken.
Neptunus vervolgt zijn donderpreek: ‘Het gaat maar door, elke dag opnieuw komt er plastic rotzooi in de zee. Ik weet dat jullie mensen spreken over een “plastic soep” en zo ís het daadwerkelijk.’
Neptunus praat op iets zachtere toon verder: ‘Je bent hier in een grot. We hebben mogelijkheden om te zorgen, dat een deel van deze grot niet onder water loopt en dat er voldoende zuurstof is voor een mens om te overleven.’
‘Dus u maakt me niet dood?’ vraagt Kick bedremmeld.
De man kijkt hem indringend aan. ´Nee.’
Kick haalt even opgelucht adem en wacht af wat hij nog meer te horen krijgt.
‘Je wordt zometeen rondgeleid door Kira. Zij vertelt je meer. Ik raad je aan om alles goed in je op te nemen.’
Neptunus kijkt Kick diep in de ogen en loopt in de richting van het vaartuig. Zodra hij daarin zit, maakt hij een klikkend geluid met zijn tong en het span zeepaardjes trekt hem verder de grot uit.
 
Pletsj, pletsj, hoort Kick en dan wrijft hij zich eens goed in de ogen.
Nee dit kan niet…een zeemeermin!
‘Hallo ik ben Kira,’ zegt ze met zachte stem en ze geeft hem een hand.
‘Ik ben Kick,’ fluistert hij, terwijl hij haar bewonderend aankijkt.
‘Kom mee, je bent in het midden van het ziekenhuis waar alle ruimtes omheen liggen. Ik laat ze je zien,’ nodigt Kira hem uit haar te volgen.
Kick vraagt zich af hoe ze buiten water zo sierlijk en soepel kan bewegen met die vissenstaart. Haar lange blonde haren wapperen achter haar aan als ze over het balkon loopt.
 
Kira stopt bij een raam. ‘Dit is een ziekenkamer, hier ligt Brachyura, de krab. Zijn scharen zijn beschadigd door harde stukken plastic,’ legt ze uit, terwijl ze voorzichtig zwaait naar de krab.
‘De zwaardvisdoktoren hebben alle moeite gedaan om zijn scharen te vijlen met hun zwaard. Dat was een zware operatie en hij heeft tijd nodig om te herstellen.’
De rode krab kijkt nog wat bleekjes hun kant uit. Zijn scharen zijn in verband gewikkeld. In een vaas op het tafeltje naast zijn waterbed staan zeeanemonen, een bloemengroet van zijn bezorgde familie.
 
Kira gaat naar het volgende raam en wijst Kick op de patiënt, waarover ze vertelt: ‘Conger, de zeepaling, staat op dieet. Hij heeft zich vastgezwommen in een stofzuigerslang, maar kon op een gegeven moment niet meer voor- of achteruit. Hij krijgt nu via een rietstengel speciale voeding om af te vallen, zodat hij uiteindelijk weer uit de slang kan glijden.’
Kick krijgt het al benauwd als hij naar de beklemmende situatie kijkt, waarin de paling verkeert.
‘Komt het goed?’ wil hij weten.
‘Ja, maar het vraagt veel tijd. We hebben dit eerder bij de hand gehad,’ vertelt Kira, terwijl ze zich beweegt naar het volgende raam.
 
‘In deze patiëntenkamer ligt Tetra, de kogelvis. Tetra is ernstig ziek. Zijn lijf zit vol met piepschuimbolletjes. Ademen kost hem enorm veel inspaning.’
Kick ziet bij elke keer dat Tetra uitademt de piepschuim bolletjes als luchtbelletjes uit zijn bek wegdrijven.
Kira legt uit wat er verder met Tetra gaat gebeuren: ‘Het is wachten tot alle bolletjes eruit zijn. Daarna moeten zijn ingewanden weer wennen aan gewoon eten en moeten de artsen beoordelen of er geen blijvende schade is.’
De normaalgesproken ronde kogelvis ligt nu bleek en met ingevallen wangen op een waterbed. Zijn ogen zijn gesloten.
 
Op het volgende raam staat in grote letters: Spoed Eisende Hulp en Operatiekamers.
Kick ziet zeemeerminnen voorzichtig een gewonde patiënt naar de operatietafel dragen, waaromheen zich al veel artsen verzameld hebben.
‘Is dat een maanvis?’ vraagt Kick en hij wijst naar de vis achter in de ruimte.
Kira knikt: ‘Dat klopt, de maanvis en de zeesterren zorgen voor meer licht. Lantaarnvisjes schijnen nog extra bij, zodat de artsen voldoende licht hebben tijdens een operatie.’
‘Welke vis wordt er geopereerd?’ informeert Kick, die maar een klein puntje van een vissenstaart ziet, de rest ligt onder een laken van plankton.
‘Dat is Labri, een lipvis,’ beantwoordt Kira zijn vraag. ‘Zijn lippen zijn beschadigd door de scherpe randen van stukken plastic die naar de zeebodem gezonken zijn,’ verzucht ze. ‘Voorafgaand aan de operatie is hij gewassen door sponzen. Krabben knippen zorgvuldig stukjes plastic uit de lippen en de zeekomkommer zuigt de kleinste friemeltjes plastic uit de wond. De pijlstaartrog hecht straks, na de operatie, de wonden met een dunne sliert zeewier.’
 
‘Ik waarschuw je even, want wat je nu gaat zien, is hartverscheurend,’ bereidt Kira hem voor op de volgende patiëntenkamer.
Kick kijkt haar angstig aan.
 
‘Kleutervisjes die in een school rondzwommen, daagden elkaar uit om in de hals van plastic flessen te zwemmen. Ze wilden weleens weten hoeveel visjes er in een fles passen,’ legt Kira uit.
Kick kijkt verbijsterd naar wat hij ziet: visjes die elkaar wegdrukken om zo snel mogelijk uit de fles te zwemmen, maar de hals is te klein en ze vallen telkens terug en krioelen door elkaar.
Hun ouders zwemmen om de fles heen en proberen de visjes rustig te houden en moed in te praten. Kick kan niet horen wat ze zeggen, maar ziet de drukke blubbewegingen van hun lippen.
‘Wie is de vis in die doktersjas met een stok in zijn hand?’ informeert Kick.
Kira antwoordt: ‘Dat is dokter Cerati. Hij is een hengelvis en hij hengelt een voor een de visjes uit de fles. Dat moet heel voorzichtig gebeuren om de bekjes van de visjes niet te beschadigen.’
 
Kira loopt naar het volgende raam en wenkt Kick. Die heeft de tranen in zijn ogen staan, door wat hij zojuist gezien heeft.
Kira legt hem uit dat de visjes die uit de fles gered zijn in deze kamer komen te liggen op een groot waterbed. ‘Door alle spanning hebben ze het koud gekregen en Ray, de mantelrog, gaat af en toe over hen heen liggen om ze op te warmen.’
‘Hé, daar zwemt Nemo,’ roept Kick uit.
‘Ja, jullie mensen noemen hem Nemo,’ bevestigt Kira, ‘maar het is een clownvis. Heb je weleens gehoord van de Cliniclowns, die mensenkinderen in ziekenhuizen opvrolijken?’
Kick knikt.
‘De clownvis doet hetzelfde. Hij trekt gekke bekken en vertelt kleine verhalen aan de visjes om ze af te leiden in de tijd dat ze hier verblijven.’
 
Kick is diep onder de indruk van alles wat hij gezien heeft en is er stil van. In de verte hoort hij weer het geklepper van de paardenhoeven.
Neptunus komt eraan, die in ieder geval vriendelijker kijkt dan daarstraks.
Hij tilt Kick van het balkon en zet hem naast zich in de wagen, waarna hij de zeepaardjes aanspoort om te vertrekken uit de grot.
Kick kijkt nog vlug een keer achterom om te zwaaien naar Kira.
Met eenzelfde snelheid als hij naar beneden is getrokken, gaan ze naar het oppervlak van de zee.
Onderweg kijkt Neptunus hem aan en zegt: ‘Zo, volgens mij heb je veel geleerd en ben je wel overtuigd van de schade die plastic aanbrengt onder water. Wat ga je hiermee doen? Niemand zal je verhaal geloven.’
Kick bevestigt dit: ‘Als mijn vrienden dit aan mij zouden vertellen, zou ik het ook nooit geloven, maar ik heb wel een idee.’
Neptunus kijkt hem vragend aan en Kick vertelt zijn plan: ‘Aan het begin van het schooljaar is er een wedstrijd en mag iedereen een verhaal insturen over de vakantie van dit jaar. Dat mag fantasie of waarheid zijn. De titel moet zijn: “Koffers gepakt? Gaan!” en ik ga een verhaal schrijven over wat ik beleefd heb. Inmiddels is me duidelijk waar het écht over gaat, en mijn klasgenoten zullen er vast ook van leren. Alle kleine beetjes helpen.’
Neptunus knikt goedkeurend.
 
Ze komen boven water, maar zijn niet zichtbaar omdat het vaartuig omgeven is door wit schuim van de golven.
‘Ho, wacht even, daar gaat iets niet goed,’ roept Neptunus en hij zet koers in de richting van een walvis die schokkende bewegingen maakt.
‘Kick, help even,’ beveelt hij kortaf. ‘Een plastic zak verstopt de opening van het spuitgat van Wallie. Daardoor kan hij niet ademen.’
Met gezamenlijke inspanning lukt het Neptunus en Kick om de zak weg te trekken. Wallie slaakt een diepe zucht en haalt opgelucht adem. Daarna maakt hij een sprong boven de golven uit, klapt met zijn borstvinnen op het water en spuit dankbaar een fonteintje water omhoog.

Neptunus geeft Kick een bemoedigende klap op de schouder. ‘Succes jongen.’
Hij tilt Kick omhoog en zet hem in de golven. De schuimkoppen tillen hem op en rollen hem naar het strand.
Een klein meisje roept weer: ‘Mond,’ en dit keer geloven de omstanders haar wel.
Ze kijken stomverbaasd naar de schuimkoppen in de vorm van een geopende mond. En dan zien ze Kick!
‘Kick!’ Zijn vader en moeder komen aanrennen.
‘Dit waren de langste minuten van mijn leven,’ zegt zijn vader.
‘Minuten?’ vraagt Kick verbaasd.                                                                  
Hij weet nu, dat niemand hem zal geloven als hij zijn verhaal vertelt, dus hij laat het er maar bij en zegt alleen maar: ‘Nou, de mijne ook.’
 
Enige weken later wordt de uitslag van de schrijfwedstrijd op Kick’s school bekendgemaakt.
De juryvoorzitter spreekt de volle zaal toe: ‘Met een verhaal, dat mensen aan het denken zet, heeft een van jullie een fantastisch verhaal verzonnen over het leven in de diepzee. De winnaar is…Kick.

Dit verhaal had ik ingezonden voor een schrijfwedstrijd met als thema "Koffers gepakt? Gaan!"
Een verhaal voor kinderen van 8 - 12 jaar. 
Helaas is mijn verhaal niet uitgekozen, maar ik ben wel erg blij met de juryrapporten die ik heb gekregen. 
Enkele citaten: 
- Originaliteit verdient een pluim
- Prachtige opbouw, humoristisch, goede tekstopbouw, uitgewerkt zodat je het als lezer zelf beleeft.
- Goed onderwerp in huidig tijdsbeeld van klimaatverandering, vervuiling en plastic soep.
- Flink tempo in het verhaal, beeldende personages

© Vera Oor, 2024

5, 6 en 7 juli: Er staat wat te gebeuren!

5 juli: 
De krant kopt: Gevangenissen overvol. Geen plaats meer voor reguliere overtreders. Alleen zware misdadigers krijgen celstraf, waarbij ze centraal in het land in één gebouw worden ondergebracht. Alle andere gevangenissen houden hun deuren gesloten. Journalisten worden niet toegelaten en verdere toelichtingen ontbreken. Hetzelfde geldt voor dierenasiels: overvol. Geen plaats meer voor opvang tijdens vakanties. Ook daar wordt de pers niet toegelaten.
Deze eerste week van juli leiden de berichten tot onrust en paniek. Waar moeten we met onze huisdieren naar toe? 8 juli beginnen de vakanties en menigeen ziet zijn vakantie in het water vallen.
 
De tuincentra doen goede zaken. Ieder die nu niet op vakantie wil of kan gaan, omdat er geen plaats is voor hun huisdier, gaat in de tuin of op het balkon aan de slag. Doe het zelfzaken en bouwmarkten krijgen de potten witte, groene en blauwe verf niet aangesleept. Zwembadjes vliegen de deur uit. Er is een enorme vraag naar stro parasols om het idee van witte stranden aan een blauwe zeelijn onder een strakblauwe hemel te vervolmaken.
Ook Kitty is met haar dochter onderweg naar het tuincentrum. Met vereende krachten hebben ze de terrastegels wit geschilderd en het groene gras strak gemaaid. Geen sprietje onkruid te bekennen. De schutting hebben ze aan de bovenzijde blauw geschilderd, de wit-blauwe verf aan de onderzijde loopt golvend over in het terras. 
‘Jij mag het karretje duwen, maar wel bij mij in de buurt blijven hoor,’ instrueert Kitty haar zesjarige dochter Alice.
Aha, de tuinmeubels, daar kan ik mijn parasol scoren. Kitty zoekt haar weg door de mensenmassa.
‘Alice, hoe vind je deze?’
Geen antwoord. Kitty’s blik vliegt van links naar rechts, maar dochterlief is nergens te bekennen.
‘Alice!’ roept ze in lichtelijke paniek en loopt de zojuist gelopen weg terug. Geen Alice te zien.
Kitty laat in haar gedachten de afdelingen de revue passeren waar Alice’s interesse kan liggen. De dierenafdeling. Gelukkig, daar staat ze bij enkele kooien. Kitty loopt op het meisje af, maar als ze dichterbij komt, ziet ze meteen dat alleen de blonde lokken hetzelfde zijn, maar het meisje is niet Alice.
Inmiddels zoeken ook enkele medewerkers mee in het grote complex en sluiten bezoekers aan, die via de omroepinstallatie de oproep gehoord hebben om uit te kijken naar een blond meisje met rode laarsjes. Ze kan eigenlijk niet ongezien het terrein af, dat is een geruststelling, maar daar houdt het tegelijkertijd ook op. Geen spoor van Alice.
 
Kitty’s man, Erik,  is na het telefoontje van zijn vrouw meteen naar het tuincentrum gereden. Dit zijn ze niet gewend van Alice, die blijft altijd redelijk dicht in de buurt van haar ouders. Ze is veel te bang hen kwijt te raken nadat dat ooit aan het strand gebeurd is en ze bij de reddingsbrigade zat te wachten tot ze haar vader en moeder aan zag komen.
Erik loopt met zijn boek, het kleine insectenboek, op zak de zaak in en roept Alice’s naam. Hij weet van haar wens om een konijn te mogen houden en besluit door te lopen naar de afdeling kleindieren. Hamsters, cavia’s en gerbils maar geen enkel konijn.
‘Dat kan niet, er moeten vier konijnen zijn,’ antwoord de medewerker van deze afdeling op Eriks vraag waarom er geen enkel konijn is. 

 6 juli:
‘Gevonden!’ schalt het door de luidspreker, ‘Alice is nu bij de informatiebalie.’
Kitty en Erik rennen daarheen en omhelzen hun dochter die ze van opluchting bijna platdrukken. Erik kijkt eens goed naar het gezicht van zijn dochter en ziet duidelijke sporen van tranen over haar wangen.
‘Was je zo bang?’ vraagt hij.
Zijn dochter schudt ontkennend haar hoofd.en haalt haar schouders in een nonchalant gebaar op.
‘Waar was je gebleven, ik maakte me zo ongerust,’ en Kitty zakt door haar knieën om op ooghoogte van Alice te komen en kijkt haar vragend aan. Het lijkt alsof Alice dwars door haar heen kijkt, als ze zacht antwoordt: ‘In Wonderland.’
‘Waar hebben jullie haar gevonden?’ informeert Erik bij de medewerker van de informatiebalie.
‘Ze zat in een van de speelhuisjes, die tussen de schommels, zandbakken en zwembadjes staan op de eerste verdieping. We zagen nog net een klein puntje van een konijnenstaart wegschieten, toen we naar binnen keken. Waarschijnlijk heeft uw dochter de konijnen mee naar boven genomen.’
Enkele uren later, wanneer ze al lang en breed thuis zijn, roept Erik vanuit de huiskamer: ‘Kitty, snel, kom kijken.’
Kitty rent naar binnen.
‘Kijk.’
De nieuwslezeres van het jeugdjournaal vervolgt haar reportage: ‘Niet alleen in tuincentra, maar ook in speelgoed- en dierenwinkels en sprookjesparken zien we een opvallend aantal verdwijningen van onder meer (tuin)kabouters, sprookjesfiguren en dieren. Zelfs bij de grotere diersoorten vallen de verdwijningen op, zoals bij geiten en wolven. Helaas neemt de politie geen actie, omdat het hier niet lijkt te gaan om grote misdaden. Hier naast me staat een lid van de landelijke scouting, de kaboutergroep. Zij wil een oproep doen.'
Het meisje in kabouteruniform neemt de microfoon over en begint te praten. Erik en Kitty kijken elkaar aan. Ze verstaan er werkelijk helemaal niks van. Dan valt hun oog op Alice, die als aan de tv vastgekluisterd lijkt en aandachtig luistert. Zij lijkt te begrijpen wat er gezegd wordt. Na enige tijd kijkt ze hun kant uit: ‘Alle kaboutergroepen hebben morgenochtend héél vroeg een bijeenkomst. Daar moet ik ook heen.’
‘Hoezo? Wat gebeurt daar dan?’ kijkt Erik haar indringend aan.
‘Dat mag ik nog niet vertellen. Het is een verrassing. Alle kabouters in het hele land doen mee.'
Intussen heeft Kitty de moeder van een andere kabouter aan de telefoon en die heeft van haar dochter dezelfde vraag gekregen na het zien van het jeugdjournaal. Ze overleggen enige tijd met elkaar en ze besluiten toe te stemmen, maar wel in de buurt te blijven van de ontmoetingsplek van de kabouters.'
In het acht uurjournaal ’s avonds, als Alice al in bed ligt, wordt hun aandacht wederom getrokken door de scouting, nu door een kabouterleidster.
‘Ik wil u, als ouders, vragen mee te werken aan ons verzoek aan de kinderen om morgen naar hun groep te komen. Ik kan u garanderen, dat het volkomen veilig is wat we gaan doen. Alle groepen gaan erop uit naar een tuincentrum of pretpark in hun omgeving, onder begeleiding van meerdere kabouterleidsters. Morgen kunnen we u de verklaring geven voor deze onverwachte activiteit. Wij rekenen op uw vertrouwen.
 
7 juli:
Eindelijk: De kinderen zijn rond 08.00 uur weer allemaal thuis en kijken nu, net als hun ouders wiens geduld danig op de proef is gesteld, naar de eerste nieuwsberichten deze ochtend. De ouders hopen op duidelijkheid over wat er nu gebeurd is vanochtend vroeg.
 
Een vertegenwoordiging van de tuincentra, dierenwinkels, pretparken, speelgoedzaken, dierenhouders en -beschermers neemt plaats achter de forumtafel, evenals een politiechef en iemand van de landelijke scoutingleiding.
De woordvoerder van de tuincentra pakt de microfoon.
‘Enige tijd geleden kregen wij signalen dat er een enorme sabotageactie in gang werd gezet om sprookjesfiguren en dieren uit onze schappen, kooien en parken te verwijderen en op te sluiten. Helaas konden we het niet voorkomen en er heeft een gewelddadige overname plaatsgevonden van de gevangenissen in het land, evenals van de dierenasiels. Sprookjesfiguren en dieren zijn massaal opgepakt en daar geplaatst. De politie stond machteloos.’
De woordvoerder bouwt een moment van stilte in zijn betoog. Iedereen die op dit moment voor de tv zit, houdt zijn of haar adem in. Wat gaat er nog meer volgen aan nare mededelingen?
 
De vertegenwoordiger van pretparken neemt de microfoon over: ‘Uit betrouwbare bron vernamen we dat alle opgepakte sprookjesfiguren gevangen zouden blijven en pas op[VO1]  8 juli weer in vrijheid gesteld zouden worden. Figuren en dieren die nog niet gevangen waren genomen, hebben wij opgeroepen om, met behulp van kinderen, naar locaties te gaan waar sprookjeshuizen staan. Alle sprookjeshuizen in het land hebben namelijk een toegang naar Wonderland, dat u wellicht kent uit het verhaal van Alice in Wonderland.’
Hij neemt een slok water en vervolgt zijn uitleg: ‘Deze toegang is alleen zichtbaar voor kinderen. Zij hebben nog een rijke fantasie en staan open voor deze bijzonderheden. Een enkele volwassene lukt het ook om de toegang te zien. Eenmaal in het veilige Wonderland binnengestapt, zijn alle figuren en dieren ontvangen door vier konijnen die aanwijzingen hebben gegeven tot het vormen van groepen. Ter verduidelijking: de wolf uit Roodkapje en de wolf uit de Zeven Geitjes bij elkaar. Alle tuinkabouters en kabouters uit allerhande sprookjes samen, figuren met koninklijke achtergrond bij elkaar. Nou, bedenkt u zelf maar welke figuren er allemaal in sprookjes voorkomen. Zij zijn allemaal veiliggesteld. Onze zorg lag bij daarna bij alle anderen die gevangen waren genomen.’
 
De landelijke chef van de politie: ‘De gevangenissen en dierenasiels hebben wij afgelopen nacht weer in handen kunnen krijgen, zodat we op tijd de eerder gevangengenomen dieren en figuren konden bevrijden.’
‘Maar wat heeft dit alles te maken met het feit dat die boeven tijdelijke opsluiting wilden van alle figuren en dieren? En wat bedoelt u met “op tijd?” vraagt de journalist.
‘De kopstukken van deze anti-sprookjesorganisatie hebben wij opgepakt en wij weten nu hun motief: Het zijn fanatiekelingen die het bestaan en het in stand houden van sprookjes wilden dwarsbomen en op termijn zelfs uit ons collectief geheugen wilden verwijderen. De ideale datum om hier een signaal over af te geven was natuurlijk 7 juli: de dag van het sprookje. Vandaag dus!
Wij hebben dit weten te voorkom en vanochtend, in alle vroegte op deze zevende juli, zijn alle gevangengenomen sprookjesfiguren en -dieren met behulp van de grote aantallen kabouters van de scouting, bevrijd en teruggegaan naar hun oorspronkelijke locatie om hún dag, de dag van het sprookje, te vieren. Degenen die in Wonderland verbleven, zijn via de doorgangen in speelgoedhuizen ook teruggegaan naar de plek waar ze vandaan kwamen.’ 
‘Maar toegangen tot winkels, parken en omheinde gebieden waren natuurlijk gesloten, zo midden in de nacht. Hoe hebben zij toegang gekregen?’ wil de journalist tot slot nog weten.
Met een brede lach antwoordt de scoutingleidster: ‘Vergeet niet dat we hier met sprookjesfiguren te maken hebben hè? Een aantal van hen kunnen toveren!’
‘Waarom hebben ze zichzelf dan niet bevrijd uit de gevangenissen en asiels?’
‘De massale ontkenning van hun bestaan door de actievoerders had hun toverkracht tijdelijk lamgelegd, maar niet uitgebannen, zoals wel gebleken is.’
Fijne (zon)dag van het sprookje!

© Vera Oor, 2024



 [VO1

Ons krielhaantje 
Pieto had ik al eens verweten dat hij zich weliswaar gedroeg als een enorme haan, maar dat hij er niet veel van bakte. Elke dag werden alle kippen door hem persoonlijk, en op zijn eigen manier, verwelkomd zodra ze hun snavel buiten het hok staken.
Zodra het echter op uitbroeden van eieren aankwam, bleek keer op keer dat hij er niks van gebakken had, zelfs geen gebakken ei. De kippen hadden kunnen broeden totdat ze een ons zouden wegen, het had geen verschil gemaakt. De eieren bleken onbevrucht.
Aangezien alle kippen, en dus ook de haan, tot aan het eind van hun leven mogen blijven, ging ik ervan uit dat ik geen kapotgepikte eitjes zou zien, die het resultaat waren van de inspanningen van Pieto.
 
Eerder schreef ik over mijn gevecht met de schapen om ongeschonden het kippenhok in te kunnen komen. Daarna heb ik de aanval van hakkende kippensnavels overleefd nadat ik ze, samen met hun eieren, even verplaatst had om het hok schoon te maken. De kippen waren met drie vrouw sterk aan het broeden op een aantal eieren. Twee van de drie maakten deel uit van de nieuwe lichting en maakten slechts korte tijd onderdeel van de harem van Pieto.
In de vaste veronderstelling dat het nu ook wel weer niks zou worden, besloot ik ze de broedtijd uit te laten zitten en daarna de eieren onder ze weg te halen. Hoop doet leven, en elke ochtend tilde ik de dames op om te kijken of er al iets piepends rondliep. Nooit, alleen elke keer dezelfde hoeveelheid eitjes, hartstikke warm van drie kippenlijven.
Ook eergisteren tilde ik ze op, min of meer een formaliteit, maar…gepiep! Zowaar drie kuikens, een zwarte en twee gele. Piepklein. Dat kan natuurlijk niet anders: kuikens van krielkippen zijn natuurlijk ook kriel. Als ze anderhalf krielaardappeltje groot zijn, is het veel. Even later was er eentje dood, maar toen ik ’s avonds nog een keer keek, waren er vier. Gisteren: weer drie erbij.
Pieto kan het dus nog wel degelijk en de klik met de nieuwste lichting krielkippen heeft resultaat opgeleverd. Nu hopen, dat geen van de kuikens zich ontwikkelt tot haan, want meerdere haantjes gaat niet samen.

© Vera Oor, 2024

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...