Ik bepaal hier

 

Gewapend met bezem, hark en schep trek ik eropuit. Ik hoef niet ver hoor, het dierenhok staat slechts enkele tientallen meters verder en vandaag is dat aan de beurt.
Om in het kippenhok te komen moet ik door het geiten- en schapendeel. Dat spulletje loopt buiten, maar zodra ze geluiden uit het hok horen, komen ze snel aanlopen. Het beroemde toverwoord zit in hun koppen: eten!

Niet dus! Nu begint het gevecht. Ik maak de deur naar het kippendeel open en wordt bijna met mijn neus het leghok ingeduwd door een schaap dat eerder naar binnen wil dan ik. Dat gaat niet gebeuren.
‘Terug jij! Terúg, zei ik.’
Het dier kijkt me redelijk schaapachtig aan en daarachter steekt nummer twee zijn kop ook naar binnen. Wat ga jij daar doen? vragen ze zich af en gedragen zich alsof ik lucht ben. Ze boeksen me gewoon aan de kant.
 
‘En nu eruit! Ík bepaal hier!’ duw ik een schapenkop terug. Zo’n dier weegt toch wel gauw vijftig kilo, dus dit is voor mij een oefening in duwkracht. Eindelijk, gelukt. Ik trek de deur achter me dicht en focus me op het kippenhok. Drie kippen zitten gezamenlijk op een aantal eieren te broeden en voelen de bui al hangen. Het begin en eind kan ik niet onderscheiden want ze zitten boven op elkaar als één grote kluwen veren, bij voorbaat in de verdediging. Eerst eens even dat drietal met hun eieren naar het schoongemaakte hokje ernaast verplaatsen.
Hier begint aanval nummer twee: als ik er eentje bij de kladden pak, krijst die alsof ze levend gevild wordt, de anderen sluiten aan, zelfs de overige exemplaren die buiten lopen en wijselijk uit de buurt van het binnenhok blijven, laten van zich horen. De drie dames hakken op mijn handen in, alsof die bestaan uit korrels voer. En maar krijsen!
Hèhè, kippen en hun eieren verplaatst. Alle drie graaien ze met hun poten de eieren naar zich toe en vouwen zich eromheen. De rust keert terug. Ik kan mijn klus voor vandaag afmaken. Schapen en geiten hebben de poging inmiddels opgegeven en grazen tussen het groene gras.
‘Nou dames, fijne dag vandaag, en bedankt voor jullie allerhartelijkste ontvangst.’

© Vera Oor, 2024

Keizerskroon

 

Wat een voorbereiding ging hieraan vooraf! Afstemming met de gemeente over het vrijhouden van de wegen, inzet van verkeersregelaars, politiebegeleiding geregeld en de oprit vrijhouden. Dranghekken zijn op de route geplaatst om de mensenmassa niet te dichtbij de hoogwaardigheidsbekleders te kunnen laten komen. Ergens in november zijn we gestart met de allereerste werkzaamheden. Weer of geen weer, we moesten ermee aan de slag om op tijd klaar te zijn. 

En nu: nu is het zover. De spoorlijn Arnhem-Nijmegen loopt voor onze tuin langs, een deel van het scherm is inmiddels weggehaald, zodat de koninklijke trein een stop kan maken en Willem en Maxima meteen de tuin in kunnen lopen. Even heb ik getwijfeld of zij wel tot de juiste klantenkring behoren en of ik die uitzondering moest maken, maar de eer is te groot om die voorbij te laten gaan.

Willem is dan wel geen keizer, maar zeker van gelijkwaardig niveau als koning zijnde. Bovendien is hij een oranje telg en deze combinatie maakt het logisch dat hij de eerste keuze heeft. Met de nodige égards begroeten we het koninklijk paar, maar we hebben buiten de honden gerekend, die met modderpootjes aan komen rennen en tegen de smetteloos witte broek van Maxima aan gaan staan. Belangstellend bekijkt Willem het aanbod en maakt al snel een keuze. Dat had ik ook wel verwacht: de grootste, oranje kroon. Ik voel me wel gevleid door zijn complimenten over de uitbundige oranje kleur. Een kop koffie slaat het koningspaar af en begeleid door hun beveiligers lopen ze terug naar de trein. Maxima slaat de inmiddels opgedroogde modderpootafdrukken van haar broek en zwaait nog een keer enthousiast naar ons, voordat ze de trein instapt. Ze nemen plaats voor het raam en zetten hun aanschaf op het tafeltje tussen hen in, zichtbaar voor de belangstellenden die eindelijk een antwoord krijgen op hun nieuwsgierige vragen: wat kwam het koningspaar op deze afgelegen plek doen? 

Korte tijd later komt een lange stoet van grote, zwarte ambassadeursauto’s aanrijden met vlaggetjes op hun motorkap. Een blik achter de geblindeerde ramen is niet mogelijk tot menigeens grote teleurstelling. Een van de auto’s rijdt door tot onze poort en er stapt een kleurrijk personage uit. Een massa bedienden omringt hem en buigt keer op keer als knipmessen. Ik had me enigszins een voorstelling gemaakt hoe hij eruit zou zien, maar de werkelijkheid overtreft mijn verwachting: de voornaamheid straalt van hem af en hij is een indrukwekkend persoon, ondanks dat hij een stuk kleiner is dan ik.

Met een druk op de knop opent de poort zich met een zwier en de keizer van Japan maakt zijn opwachting: wat een imposante, kleurrijke vertoning. De tolk vertaalt voor ons de onverstaanbare woorden van de keizer, waarvoor wij uiteraard ook flinke buigingen maken. Dat blijft niet bij een en op het moment dat ik denk dat ik na een volgende buiging niet meer overeind kom, maakt een handgebaar duidelijk dat het voldoende is. De keizer schrijdt langs de rij statig opgestelde kronen: enkele oranje en een nog onbekende kleur. Met kritische blik bekijkt hij de kronen van alle kanten. Hij kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en geeft een van zijn bedienden de opdracht om tussen de gesloten bloemblaadjes naar de kleur te kijken. De keizer reageert overduidelijk enthousiast op de waterval aan onverstaanbare woorden en de tolk deelt mij mee, dat de keizer zeer verheugd is over de gele, nog in knop zijnde, keizerskroon. Die wil hij sowieso meenemen. Hij kan de verleiding niet weerstaan en besluit ook een oranje aan te schaffen. Hij kan het zich permitteren, voor het gewone volk is het onbetaalbaar om zich deze uitspattingen te kunnen veroorloven. De knipmessen staan weer op een rij als hij terugloopt naar de auto, nog even een minzame hand heffend als afscheid, waarna hij plaatsneemt achter het zwarte raam. De fotografen en verslaggevers rennen naar hun auto’s, uitgerust met allerhande satellieten, om verslag te doen van deze bijzondere bezoekers.  

Zodra ze uit beeld verdwenen zijn, mogen onze keffers vrij rondlopen en graven in de openingen in de grond, waar de kronen zijn uitgestoken. Wij kijken elkaar triomfantelijk aan: zo, wij hebben weer voldoende inkomsten om nieuwe bollen van de Keizerskroon te kopen en in november te planten.

© Vera Oor, 2024


Zoete wraak

 

De vorige poging is helaas mislukt. De aasgieren waren me voor en mijn plannen verdwenen naar de reservebank. Dit keer gaat het gegarandeerd lukken. Ik heb ze te pakken en ze gaan eraan! Ik zit er klaar voor, mijn hulpmiddelen in de aanslag. Ik breng de eerste slag toe en priem in het zachte vlees tot ik enige weerstand voel. Doorduwen en het rood drupt langs mijn vingers. Ik geniet van het geluid evenals de zoete geur die er nu opstijgt.

De bel. Nee, niet nu, ik wil doorgaan. Ik besluit niet naar de poort te lopen. Het zal wel een pakketbezorger zijn. Dat pakje is er morgen ook nog wel, mijn slachtoffers zijn morgen echter minder bruikbaar dan vandaag. Plotseling staat de bezorger voor het raam. Hij weet dat ik de bel niet altijd hoor en hij zal ongetwijfeld enige beweging hebben gezien. Met zijn hand boven zijn ogen om de schittering in het glas af te schermen, kijkt hij naar binnen.  
Inderhaast probeer ik mijn hand zodanig te draaien dat hij het niet ziet, maar het is te laat. Zijn ogen puilen bijna uit zijn kassen en hij spert ze zover mogelijk open, waarin ik een mix van angst, verbazing en verwarring ontwaar. Mijn uitdagende blik ontmoet zijn ontzetting. Ik móet nu openmaken om erger te voorkomen en ik kom overeind om hem te woord te staan. Het rood druipt van mijn handen langs mijn benen en steekt fel af tegen de witte broek. Verbergen heeft geen zin meer en ik breng mijn hand naar de deurknop. De man deinst achteruit, gooit het pakketje voor de deur en rent terug naar zijn auto. Dit gaat fout. Ik zie nog net dat hij de telefoon pakt, voordat hij gas geeft en met een hand aan het stuur de weg opdraait. Verdomme, hij gaat een bericht de wereld insturen waarvan ik niet wil dat dit gebeurt. Het mag niet bekend worden. Nóg niet, het juiste tijdstip daarvoor bepaal ik!

Stoppen en het bewijsmateriaal proberen te verstoppen heeft nu geen zin meer. Het rood vloeit over in mijn nagelriem en vloeit verder over de rode nagellak. Ik besluit mijn werk af te maken en hak er nogmaals op in. De hoeveelheid vlees om me heen groeit. Het is genoeg geweest. Mijn gereedschap spoel ik af onder de keukenkraan.

In de verte hoor ik de sirenes, dat had ik wel verwacht na de snelle aftocht van de bezorger. Hij heeft natuurlijk uit de doeken gedaan wat hij gezien heeft en de hulpverleningsinstanties zullen massaal zijn ingezet. De politieauto remt scherp af in het grind. Mijn man en zijn collega stappen uit, de andere auto’s volgen. Iets verderop zie ik een zwarte wolk tussen de bomen in de boomgaard opstijgen, aangewakkerd door de herrie van de sirenes en opspattend grind.
Mijn handen heb ik afgespoeld maar de bewijzen kan ik niet wegwerken. Ik ben erbij.
‘Handen omhoog,’ en daar staat een agent voor me, zijn pistool op me gericht.
Ik doe wat hij vraagt en zijn blik op mijn kleding zegt genoeg:  hij is overtuigd van een heterdaadje en voelt zijn promotie naderbij komen.
‘U wordt verdacht van  letsel toebrengen, dan wel moord op een tot nu toe onbekend slachtoffer, waarvan het bloed klaarblijkelijk op uw kleding zit. Alles wat u zegt kan en zal tegen u gebruikt worden.’
Ik ben helemaal niet van plan om me te verdedigen, ervan overtuigd dat ik zelfs zonder borgtocht binnen no time op vrije voeten zal zijn. 


Op het moment dat hij mij in de boeien wil slaan, stuift ook mijn man naar binnen. Hij overziet met één blik de situatie en barst in een onbedaarlijke lach uit. Hij probeert zijn waardigheid te handhaven, zoals die past bij zijn uniform in een situatie als deze, maar mislukt daarin.
‘Laat maar los John. Ik weet wat er aan de hand is.’
Hij wijst naar de grote pan op het fornuis en naar de hoeveelheid jampotjes op het aanrecht.
‘Dit jaar heeft mijn vrouw het gewonnen van haar vijanden, die haar vorig jaar voor waren en de hele boom in drie kwartier leegvraten. De zwarte wolk die we zojuist zagen, was een wolk van spreeuwen, de aasgieren, die teleurgesteld wegvlogen bij de lege kersenbomen.’
Zijn collega kijkt hem vragend aan en twijfelt aan het realiteitsbesef van zijn collega, die zijn relaas vervolgt: 'Ze heeft op tijd de kersen geplukt en ze ontpit. Helaas is het ontpitten van de kersen een vies karweitje waarbij het rode sap in alle poriën kruipt en zijn sporen nalaat, die er niet een twee drie afgewassen kunnen worden, wat overigens wel lukt bij haar gereedschap: de kersenontpitter.’
Ik durf langzaam mijn armen te laten zakken en richt me tot mijn man: ‘Mijn wraak op de spreeuwen is zoet dit jaar: vijftien potjes met kersenjam! Het moest een verrassing voor jou zijn, vanavond bij de pannenkoeken.’

 

©Vera Oor, 2024

Duikvlucht

 

Ik struikelde doordat mijn voet bleef haken achter het opstaand randje van een klinker. Ik merkte dat ik in een reflex iets vooroverboog en mijn pas versnelde. Als een scholekster die een worm ziet en ernaartoe rent om hem uit de grond te trekken. Daar lag ik. Ach ja, ouder worden.



Mijn oma zal van mijn leeftijd nu (64) zijn geweest en we liepen in de oude stad een hellend straatje naar beneden. Van het een op andere moment leek het alsof ze gelanceerd werd en ze begon te rennen. Haar zwarte tas onhandig bungelend aan een van de armen, die ze rondmaaide alsof ze ermee wilde vliegen. Oude oma bekeek de kinderkopjes van steeds dichterbij. Ook zij leek op die scholekster, alleen het wormpje lag in dit geval erg ver weg. Sneller en sneller rende ze naar beneden. Van scholekster veranderde ze in een slechtvalk in duikvlucht, onderweg naar zijn prooi.

De kleurrijke bloemetjesjurk werd een vage vlek in de verte, de stevige benen in de dikke panty maakten bizarre sprongen als een marionet waar aan de verkeerde touwtjes wordt getrokken en de zwarte schoenen met blokhak raakten de grond amper aan.

Verbijsterd keken we toe, ons niet bewust van het onheil dat haar te wachten stond.


Vanuit de verstarde houding rende mijn vader achter zijn moeder aan, daarbij beducht op de onregelmatigheid van de kinderkopjes, zodat hij niet naast haar zou eindigen.

Daar lag oma, als een te vroeg uitgevlogen vogel, kermend van de pijn, de vleugels lamgeslagen naast zich op de straat. In haar dikke kous een enorme knol ter hoogte van de knie. Helaas bleef het daar niet bij, wat tot gevolg had dat een van ons de eigen slaapkamer op moest geven om oma in alle rust te laten herstellen van een gebroken heup.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander


© Vera Oor, 2024


Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...