Het einde nadert






Nu slaat de aftakeling toe.

Bij het openen van het hok ’s ochtends komen een voor een de kippen eruit en vallen aan op de stukjes gestrooid brood. Na enig gestoemel komt uiteindelijk ook Pieto tevoorschijn.
Hij sjokt naar de restjes brood die er nog te pikken zijn, maar keurt de kippen geen blik meer waardig. Overigens is dat wederzijds. Hij staat weliswaar tussen de dames, maar het lijkt wel alsof ze zijn aanwezigheid niet eens opmerken. 
De schwung is eruit, overduidelijk. Incidenteel laat hij nog een krakkemikkige kukel horen, waarbij hij niet meer de fiere positie aanneemt zoals het een haan betaamt. 

Zijn uiterlijk is niet bepaald om nog over naar huis te schrijven: een verfomfaaide bal veren, alsof hij in een takkenversnipperaar terecht is gekomen. Zijn lel aan de kin is stug geworden en wiebelt niet meer enthousiast heen en weer. Zijn kam heeft weliswaar nog de rode kleur maar prijkt niet meer fier als een kroontje op zijn kop. De kam hangt slapjes naar één kant.
Rond zijn ogen lijkt het erop alsof hij daar potten crème op heeft gesmeerd, vettig en zonder veertjes.

Hij eet en drinkt nog wel, maar ik ben bang dat hem geen heel lang leven meer beschoren is.
Geen idee of dieren terugblikken op hun leven wanneer het einde nadert, maar Pieto kan in ieder geval omzien naar een leven waarin hij zich duidelijk op de kaart heeft gezet en niet snel vergeten zal worden.


Een rookpluim en wat as

Veel jaren geleden is hij bij hen in huis gekomen. Bertus en Aagje hadden er lang voor gespaard om de woonkamer opnieuw in te richten.  Het was niet makkelijk voor hun geweest om iets te vinden dat ze allebei leuk en mooi vonden. Bertus was nog steeds enthousiast over degelijke eiken meubels, maar Aagje zag de inrichting graag wat lichter en vrolijker.
Heel wat winkels hebben ze afgesjouwd en met hulp van een verkoper die alle tijd voor hen nam, hadden ze keuzes gemaakt. Bertus kreeg gedeeltelijk zijn zin: een stoere donker eiken rookstoel en een klein tafeltje erbij waarop de asbak kon staan en een krantje kon liggen. De overige meubels voldeden meer aan de verwachting van Aagje.
 
Alles is nu anders. Bertus is dit jaar plotseling overleden en Aagje ging lichamelijk snel achteruit. Ze had steeds meer hulp nodig bij de dagelijkse dingen en bij haar persoonlijke verzorging. Na het overlijden van Bertus was voor haar de glans van het leven verdwenen.
De avonden vond ze het zwaarst. Elke avond had ze samen met Bertus gezeten. Bertus in zijn rookstoel met een boekje en zijn pijp. Aagje kende de televisiegids bijna uit haar hoofd en genoot van films en praatprogramma’s.
 
Nu zet ze ’s avonds haar kopje koffie op het tafeltje naast Bertus zijn stoel. Zij leunt achterover in de eiken stoel en snuift de lucht van tabak op, die in de bekleding is blijven hangen. Vorige week heeft ze besloten om te verhuizen naar een verzorgingshuis. Ze krijgt daar een kleine kamer met keukentje en een slaapkamertje. De douche en het toilet zijn goed bereikbaar vanaf de slaapkamer.
“Ja Bertus”, praat Aagje in zichzelf, “ik kom er niet onderuit hier weg te gaan, nu jij er niet meer bent. Jou heb ik achter moeten laten in het crematorium en de as staat nu op het tafeltje naast jouw stoel. Dan ben je er toch nog een beetje bij”.
Ze moet even terugdenken aan de opmerking van Bertus die hij gekscherend had gemaakt: “als ik dood ga en ik moet gecremeerd worden, dan moet je er wel op letten dat de wind goed staat. Als het verkeerd wil dan zie je bij het verlaten van het crematorium een rookpluim, die nog eerder thuis is dan jij.”
 
Aagje heeft het uiteindelijk best naar haar zin op haar nieuwe woonplek, maar met pijn in het hart heeft ze afstand moeten doen van de rookstoel van Bertus. Het zware eiken gevaarte was te groot voor de kleine kamer en ze had hem op laten halen door de kringloopwinkel. Het tafeltje met de urn heeft ze wel mee kunnen nemen. Destijds was het meubelstuk absoluut niet haar smaak, maar nu mist ze de stoel zelfs.
 
De rookstoel staat nu in de kringloopwinkel, maar er is weinig belangstelling voor hem. Hij heeft de verkopers al horen zeggen “als hij er nu nog een maand staat, dan gaat hij de brandstapel op”.
Een schrikbeeld doemt bij hem op.
“Dat is wat er van mij overblijft: eerst een rookpluim en dan alleen wat as”, sprak de stoel in zichzelf.
Met een diepe zucht overpeinst hij zijn leven op dit moment. Net als Bertus zal hij verbrand worden. Maar de as van hem wil niemand hebben. Die as wordt uiteindelijk gewoon opgeveegd en weggegooid. De stoel probeert er zo min mogelijk aan te denken en leunt achterover, in de uiterste stand zoals Bertus het altijd instelde. Zijn armleuningen laat hij slap naast zich hangen en de stof van zitting en rugleuning bobbelen een beetje.
“Het ding ruikt veel te veel naar rook. Dat wil tegenwoordig niemand meer.”
Ook dat zeggen ze nu over hem. Hij geeft de moed op om nog ooit uitgekozen en meegenomen te worden. Hij is afgedankt.
 
Aagje wordt opgehaald door een van de zorgmedewerkers. Vandaag is de opening van de nieuwe gezamenlijke huiskamer, die een grondige verbouwing heeft gekregen en waar de bewoners wensen hebben kunnen indienen voor de inrichting. Aagje had geen speciale wensen.
Ze is wel benieuwd wat de anderen gevraagd hebben. Bij binnenkomst in de ruimte ziet ze Tiny al staan bij een theemuts. Dat had ze blijkbaar gevraagd. Anneke staat bij een oud petroleumstelletje, Henk bij een ouderwetse schaaf en zo heeft eigenlijk iedereen wel iets in de ruimte staan, dat vertrouwd aanvoelt en herinneringen oproept. Aagje schuifelt verder achter haar rollator.
“Nee, dit kan niet”, zegt ze met een iel en bibberig stemmetje, “dat is de stoel van Bertus.”
Ze strijkt met een bevende, gerimpelde hand over de leuning en over de stof.
“Mag ik gaan zitten, of is die van iemand anders?” vraagt ze voorzichtig aan de verzorgster.
“Gaat u gerust zitten. Niemand heeft om een rookstoel gevraagd, maar deze stond in de kringloopwinkel waar we alle andere spullen ook gehaald hebben. We vonden hem echt passen in deze kamer en we hebben hem gekocht. Hij is goed gereinigd want hij stonk wel naar rook, de kussens zijn wat opgevuld en het hout is in de boenwas gezet.”

Aagje laat zich, steunend op de armleuningen van de stoel, zachtjes achterover zakken, zucht diep en sluit haar ogen. Een glimlach om de mond. 

De dag dat het kruisbeeld sprak


Dit is de pagina met mijn column in het wijkblad Brakkenstein (de wijk waar ik ben geboren en opgegroeid) en waar ik me nog altijd deel van voel ook al woon ik er niet meer.










De omgeving leeft meer

Gisteren was ik in Arnhem. Normaalgesproken kom ik daar alleen in de dierentuin waar ik een abonnement heb. Dit keer zat ik op een terras in het centrum. Geen aapjes kijken maar mensen.

Terwijl ik geniet van mijn drankje en hapje, komen aan de overkant een man en twee kinderen, allebei likkend aan een ijsje, uit een ijssalon gelopen. Wanneer iemand met een hoorntje loopt, bekijk ik dat altijd met enige spanning. Ik vraag standaard om een bakje omdat een hoorntje aan mij niet besteed is. Ik presteer het altijd om het ijs uit het hoorntje te laten vallen.
Och, ook een van de kinderen verliest een bolletje. Ik wacht op een huilbui, maar nee hoor. Het kind kijkt even naar het gevallen bolletje, likt lekker verder aan het resterende ijs in het hoorntje en loopt door.

Een man en vrouw zijn overduidelijk aan het goochelen met Google maps. Ook herkenbaar. Google maps gebruiken als wandelaar resulteert bij mij in rondjes lopen. Bij dit stel zie ik een herkenbare lichaamshouding: schouders laten zakken en een onhoorbare maar duidelijke zucht. Uiteindelijk vragen ze een voorbijganger de weg.

Dan opeens valt het me op dat er, afgezien van deze twee, vrijwel niemand op de telefoon kijkt. Ik heb zelf ook aardig wat schermtijd dus eigenlijk mag ik niks zeggen, maar het is wel eens goed om me te realiseren hoe vreemd het is, dat het zelfs opvalt als eens níet iedereen naar dat ding staart.

Op het terras tegenover me zitten klanten met elkaar te praten. Twee vriendinnen lopen kletsend voorbij. Een gezin met twee opgeschoten kinderen kijkt enthousiast rond. Op ‘mijn’ terras kijkt niemand naar het scherm.
Zonder telefoons en alle gezichten gefixeerd op een scherm, komt mijn omgeving toch meer tot leven en is het een totaal ander straatbeeld.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers van de Gelderlander, 15-9-2023
 

Cent op de spoorlijn

Samen met mijn één jaar jongere broertje en mijn vader liepen we door het Spoortjesbos, zoals het door ons genoemd werd. Een breed bospad met aan weerszijden grote, oude bomen waaronder de bodem bedekt was met gevallen blaadjes, eikels en beukennootjes. Aan het eind van het pad stond een zwart hek, wat de doorgang naar de spoorlijn belemmerde. Een hek waar je als volwassene makkelijk overheen kunt klimmen. De treinen reden niet in de frequentie van nu, tussen twee treinen was ruim tijd, maar die tijd was voor ons kinderen héél kort en héél spannend voor datgene wat we bij het spoor gingen doen.


Mijn vader klom over het hek en hielp ons er een voor een ook overheen. Hij drukte ons op het hart om ver van de spoorlijn weg te blijven en er pas naar toe te lopen wanneer hij daarvoor toestemming gaf. Zodra de trein voorbij was waarbij we bijna meegezogen werden door de opgewekte luchtstroom en de grond onder onze voeten trilde, liepen we achter elkaar snel naar het spoor. Niet voordat we nog een keer goed hadden gekeken of er niet toevallig nog zo’n denderend gevaar aan zou komen. We kregen van mijn vader elk een cent in de hand gedrukt en die mochten we, balancerend tussen het grind en de bielzen, op een van de ijzeren rails leggen. Netjes in het midden zodat hij goed bleef liggen. Daarna als de wiedeweerga weer naar de veilige zijkant en het wachten op de volgende trein begon.


Heel ver weg kwam een stipje aan de horizon.
De neus van de trein kwam dichterbij en dichterbij.
Kedengedengkedengedeng en hij was weer voorbij.
Kust veilig? Ja, kust veilig. Kom op, we gaan onze centjes zoeken. “Nog niet aankomen hoor, het centje kan heel heet zijn”. We vonden onze centjes, mijn vader spuugde er even op en de stoom sloeg van het centje af. Hij pakte ze voorzichtig van de rails. We kregen ons centje terug: wel 3 x zo groot, 3 x zo dun en met 3 x zo veel aantrekkingskracht. Nog opgewonden van het meegemaakte avontuur op weg naar huis om onze schat aan mama te laten zien.



Geplaatst op pagina Gastschrijvers van de Gelderlander, 22-9-2023

  

Lawaai

 
Met een donderend geraas breken enorme takken af. Het is vroeg in de herfst en er hangen nog aardig wat bladeren aan de bomen. Toch kan dat niet de reden zijn dat een gezonde boom dit overkomt.
In de overtuiging dat er een enorme ramp heeft plaatsgevonden die dit lawaai heeft veroorzaakt komen de bosdieren na enige tijd uit hun schuilplaats, waarheen ze gevlucht waren bij de eerste verontrustende geluiden, om te kijken wat er nu eigenlijk gebeurd is.
Op een afstand zien ze een enorme ravage. Het lijkt alsof reuzen hier mikado komen spelen, takken hangen over elkaar en wanneer de ene weggetrokken zal worden, heeft dat consequenties voor een volgende en is de ramp helemaal niet te overzien.
Bovenop de takkenbos ligt een groot grijs gevaarte, een rotsblok lijkt het wel.

De dappere eekhoorntjes springen van boom tot boom en van tak naar tak om iets dichter bij deze rampplek te komen. Je hoort het geruis van de blaadjes waar ze langs schieten.
Natuurlijke vijanden lopen zij aan zij dezelfde richting uit, in afwachting van wat ze aan zullen treffen. De muis vergeet de angst voor de vos en de vos vergeet dat de muis zijn middagmaal kan zijn.
Mijnheer de uil is wakker geworden en laat ook zijn wijsneussnavel zien.
“Er is ons iets vreselijks overkomen”, oreert hij.
Niemand durft tegen hem in te gaan en te zeggen, dat ze dat zonder zijn bemoeienis ook al hadden geconstateerd.
Boomkikkers springen op om een glimp op te kunnen vangen. Boomklevertjes kruipen hoge bomen in naar een uitkijkpost.
 
Iedereen heeft zijn mening klaar over de oorzaak en ze roepen door elkaar.
“De mol heeft de wortels kapot gegraven.”
“De termieten zijn hier schuld aan, ze hebben gangen gemaakt in en onder de bomen.”
“De mens heeft dit gedaan. Die wil ons wegjagen.”
Bij deze laatste opmerking knikt iedereen venijnig mee om vooral maar niet na te hoeven denken over hun eigen mogelijke aandeel hierin.
De boommarter ziet zijn kans schoon om, met goedkeuring van iedereen, zijn prooi te bemachtigen en roept: “Mijnheer Roffel heeft veel te veel gaten gemaakt.”
Mijnheer Roffel, de specht, is goed zichtbaar dankzij zijn rode broek. Hij krabt zich vertwijfeld aan zijn kop, waarbij enkele rode veertjes uit zijn kruin naar beneden dwarrelen.
Hij vraagt zich af of hij inderdaad de veroorzaker kan zijn van dit alles, door zijn gehamer en geroffel op de bomen. Schichtig kijkt hij naar beneden waar hij enkele verwijtende blikken ziet. Hij besluit op zoek te gaan om zijn onschuld te kunnen bewijzen en vliegt naar de plek des onheils.
 
Vrijwel op hetzelfde moment als Knabbel en Babbel komt hij er aan. Het grote grijze rotsblok beweegt en ze houden hun adem in.
“Dombo?” roept Knabbel.
Dankzij het geflapper van zijn enorme oren, beweegt het ‘rotsblok’ en worden geleidelijk aan de ogen en slurf van Dombo zichtbaar.
“Duizendmaal excuses. Ik heb een enorme val gemaakt tijdens mijn vlucht en kon mijn landingsplek niet goed zien.”
“Dit is je nog nooit gebeurd” zegt mijnheer Roffel, “je wordt te oud om alleen te vliegen. Hoho, niet gaan huilen want dan hebben we zometeen ook nog een vloedgolf te overwinnen!”
Dombo slikt zijn tranen weg en vertelt wat er aan de hand is.
“Ik heb sinds kort lenzen en dat beviel me heel goed. Ik zag stukken beter, maar ik kwam in een donderwolk terecht en mijn lenzen zijn uit mijn ogen geblazen en naar beneden gevallen. Die vind ik natuurlijk nooit meer terug.”
 
Inmiddels zijn de andere bosbewoners aangekomen en hebben te doen met Dombo. Ze kennen hem allemaal als een vriendelijk vliegend olifantje die nooit iemand kwaad doet en met iedereen bevriend raakt.
Een van de salamanders wurmt zich naar voren en spreekt iedereen toe:
“Ik denk dat ik de lenzen gezien heb, onderweg hierheen, maar ik heb er eigenlijk geen aandacht aan besteed. Het leek alsof een spinnenweb volhing met dauwdruppels maar nu ik erover nadenk, weet ik vrijwel zeker dat het Dombo’s lenzen moeten zijn geweest.”
De koningin van de bosmieren roept haar volk op om in actie te komen en stuurt ze met de salamander mee om de lenzen te zoeken en mee terug te nemen.
Dombo houdt zich in de tussentijd bezig met het veiliger maken van de omgeving door het verplaatsen van de gevallen takken naar één hoop, zodat niemand nog gevaar loopt dat er een tak op de kop valt. Op deze manier wordt het een geweldige schuilplaats voor kleine dieren.
De salamander leidt de mieren naar de plek waar hij de lenzen heeft zien hangen. Zonder twijfel peuteren ze voorzichtig de lenzen los tussen takjes en blaadjes. Ze lijken onbeschadigd en heel voorzichtig nemen de mieren dankzij hun gezamenlijk inspanning de lenzen op hun rug mee terug naar Dombo, die hen eeuwig dankbaar is, zoals hij laat weten.
Dombo maakt de aanzet naar een vreugdetrompetter.
“Niet doen! Een orkaan hebben we niet nodig!
Voorzichtig zet Dombo zich in de startblokken en vliegt langzaam en geruisloos weg. Zijn fladderende oren zwaaien nog een keer als afscheid en bedankje.

Nachtelijke werkzaamheden

 

We waren heel blij met ons nieuwe huis en volop aan het verbouwen geslagen. Dat het huis dicht bij de spoorlijn lag, was geen belemmering om het te kopen. Het vorige huis lag ook dicht bij het spoor. De overlast van de overweg hadden we echter wel onderschat. Daar kon ik niet zo snel aan wennen. De kopjes en glazen rinkelden in de kast en ik was er op voorbereid dat op een dag het servies de kast uit zou rollen. We wisten voordat de koop gesloten werd al dat enkele maanden na onze verhuizing de overweg afgesloten zou worden, gelukkig.

Aan het geluid van voorbijrijdende treinen was ik gewend, maar ik had geen rekening gehouden met het nachtelijk periodiek onderhoud aan het spoor dat aangekondigd was. Dat gaat gepaard met nogal wat herrie en als ik dat weet, sluit ik het slaapkamerraam bij voorbaat en kan ik het meeste geluid buiten sluiten. De berichtgeving over de werkzaamheden was ik die avond volledig vergeten en ik rolde mijn bed in, doodmoe na de verbouwingswerkzaamheden. De ramen stonden, zoals altijd, open.

Korte tijd later schrok ik wakker van de geluiden vanaf het spoor. Stommerik, vergeten de ramen te sluiten. Ik kon me er niet toe zetten het warme bed uit te gaan en gaf mezelf de opdracht geen aandacht te besteden aan het geluid en verder te slapen. Zonder succes.

Op de een of andere manier hoorde ik het geluid alleen maar meer en ergerde me eraan. Ik was klaarwakker. Even later ben ik met bijna de slappe lach mijn bed uitgestapt. Waarom?

Geen machinale geluiden, maar gezang. Niet van engelen, niet van lallende cafégangers, niet van een radio, maar een kinderliedje.

“Op een glote paddenstoel, lood met witte stippen…”.

Gelijk kreeg ik een beeld van een grote donker getinte man, gehuld in een dikke jas met reflecterende strepen, een muts over het hoofd die voorovergebogen over de rails luidkeels aan het zingen was en enkele meters verderop de verbaasde gezichten van zijn collega’s.

Wereld vol wonderen

 De schoolvakanties voorbij, de wachtrijen zijn er niet tot heel kort, overal op de terrassen is nog plaats en ik word weer meegezogen in de wereld vol wonderen. Dit park blijft voor mij de magische aantrekkingskracht houden. 60+ er en genietend van pensioen loop ik als een kind weer langs en door de attracties, vooral die er al decennia lang zijn. Zelfs in het Sprookjesbos zie ik toch steeds nieuwe dingen, zoals een poes die onder het bed van Sneeuwwitje (of Doornroosje) de kop met lichtgevende ogen laat zien of een verdwaald muisje ergens in een koud landschap.

De bijna jaarlijkse foto op een paddenstoel kan ik na afloop van de dag toevoegen aan mijn ‘collectie’.
Veel opa’s en oma’s met kleinkinderen of ouders met een kind onder de leerplichtige leeftijd lopen er rond en zo nu en dan vraag ik me af wie er het meest geniet.
“Kom opa, verder lopen”, trekt een jochie aan de arm van opa, die naar zijn zin te lang stil blijft staan.

De rode schoentjes vond ik als kind altijd fascinerend en ook nu kijk ik naar de schoentjes die wel nooit lijken te verslijten.
Wij weten wat we kunnen verwachten, maar aan de andere kant van de ‘dansvloer’ staat een stelletje, naar schatting een jaar of 18-19, waarvan de jongen niet weet wat er gaat komen.
Hij kijkt met een ietwat onverschillige blik naar de schoentjes die keurig naast elkaar op de tegelvloer staan, terwijl een stem uit de luidspreker het verhaal vertelt dat hoort bij dit sprookje.
“Ze doen niks”, zegt hij tegen zijn vriendin, overduidelijk niet geïnteresseerd in het vervolg.

Zij blijft echter staan. Ze weet wat er gaat komen. Ik ben benieuwd naar zijn reactie en houd zijn gezicht in de gaten.
De schoentjes komen in beweging en hij zegt zachtjes, overduidelijk verbaasd: “hoe dan?”
Die verandering in zijn gezicht had ik moeten filmen en ik kan mijn lachen echt niet inhouden, terwijl hij met de nog steeds verbaasde blik mijn kant opkijkt en zich nog een keer hardop afvraagt hoe dit kan.
Ik zeg tegen hun dat zijn reactie een foto waard zou zijn geweest en schiet weer in de lach, waarbij zij aansluit en zijn grijns nog groter wordt.
Deze jongen werd helemaal meegezogen in de wondere wereld. Een brede lach als van een klein kind met allebei de mondhoeken ver omhoog getrokken, uitmondend in twee grappige kuiltjes.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...