De bouwplannen
liggen op tafel. Het voltallig bestuur heeft zich verzameld om zich hierover te
buigen en de reacties liegen er niet om: ‘Fantastisch. Dit heeft geen enkel
park. Het enige dat we moeten doen, is onze investeerders overtuigen.’
Eén iemand
kijkt bedenkelijk, maar het valt niemand op. Hanneke wordt geacht de notulen te
maken en verder haar mond te houden.
Aan het eind
van haar werkdag loopt Hanneke op huis aan. Komt het nu door de gestaag
dwarrelende sneeuw of door het overleg van vanochtend, dat ze een barstende
hoofdpijn heeft?
De pijnstillers
die ze al twee keer genomen heeft, helpen niet om de drukkende band te laten
verdwijnen.
Thuisgekomen
schopt ze haar laarzen uit, pakt een kop thee en nestelt zich in een hoek van
de bank. De zwarte kater Janus, die door het kattenluik naar binnen komt, is
bedekt met sneeuwvlokken en lijkt een kattenversie van een Dalmatiër. Hij
kruipt tegen Hanneke aan. Zij is inmiddels verdiept in de foto van het bouwplan
zoals ze dat vanochtend gezien heeft en streelt gedachteloos haar harige
huisgenoot.
Het valt haar
niet op dat de ademhaling van Janus stokt als hij een blik werpt op het scherm.
Zoals wel vaker
gebeurt ’s avonds, verdwijnt hij ook nu door het kattenluik voor een van zijn
nachtelijke escapades. Alleen zal deze van vanavond een heel andere invulling
krijgen.
Hij trekt zijn donkerrode
lieslaarzen aan, die hij in het houthok heeft verstopt evenals zijn rode muts.
Geen mens heeft hem ooit zo gezien en dat zal altijd zo blijven. Dit is een
uitrusting die slechts zichtbaar is in de dieren- en sprookjeswereld. Janus is
een nazaat van de Gelaarsde Kat en gebruikt zijn overgeërfde slimmigheidsgenen
wanneer er gevaar dreigt.
Hij klopt aan
bij een huisje, diep verscholen in het bos, tussen de gedeeltelijk bovengronds kronkelende
wortels van een enorme boom.
Een kromgebogen,
oude dwerg opent het luikje in de deur en kijkt met samengeknepen ogen naar
Janus. ‘Wat wil je?’ vraagt hij wantrouwend met krakende stem. In het donker
kan hij amper zien wie er aan de deur staat.
‘Repelsteeltje,
ik ben het, Janus. Ik heb je hulp nodig. Laat me binnen alsjeblieft.’
Janus glipt
schielijk naar binnen als de deur op een kier opent.
‘Ga gerust
zitten,’ zegt de dwerg cynisch als hij ziet dat de kater zijn enige stoel
inpikt, die achter het spinnewiel staat.
‘Ken je het
verhaal van Mickey Mouse, de tovenaarsleerling?’ valt Janus met de deur in
huis.
‘Ja,’ krast Repelsteeltje.
‘Dat is toch die kwiebus met die rode punthoed, die dacht slim te wezen? Hij
betoverde een bezemsteel om water voor hem te halen, maar hij wist niet hoe hij
dat weer kon stoppen. De bezem bleef maar doorgaan met water halen tot alles
onder stond.’
Janus knikt. ‘Ik
heb een foto gezien van een bouwplan van zoiets idioots in onze
sprookjesomgeving. Vraag me niet hoe het werkt, maar tegenwoordig met al die drones
die in de lucht blijven zweven, kan alles, lijkt het wel. Vanuit een enorme
zwevende theepot willen ze continue door water blijven gieten in drie megagrote
theekoppen die eronder staan. Dit alles in het midden van een betonnen, vierkante
vijver.’
Janus deelt
zijn zorgen over de invloed van Disney in de fantasiewereld van de gebroeders
Grimm, Andersen en Perrault. Hij is bang dat ze letterlijk overspoeld zullen worden
waardoor de oude sprookjes steeds meer naar de achtergrond zullen verdwijnen. Hij
doet een beroep op Repelsteeltje om mee te denken een oplossing te vinden om dit
dreigende bouwwerk te voorkomen. Eveneens denkt hij hardop na over anderen die
daarbij nog kunnen helpen. ‘Klein Duimpje, dat is een slimmerik. Die kunnen we
ook vragen.’
Ze verlaten het
huisje en lopen naar de plek waar Klein Duimpje is. Dat is niet zo moeilijk te
vinden, want het luide gesnurk van de reus wijst hen vanzelf de weg, de bodem
trilt onder hun voeten.
‘Klein
Duimpje,’ fluistert Janus. ‘Wordt wakker. We hebben je hulp nodig.’
Het kleine
jochie wrijft de slaap uit zijn ogen en twijfelt geen moment. Hij loopt mee met
de dwerg en de kater naar een afgelegen plek.
Ze steken de
koppen bij elkaar, smiespelen, krabben zich achter de oren, zuchten hoorbaar,
maar eindelijk, de maan staat al hoog aan de hemel, klinkt een opgeluchte mauw
van Janus.
‘Zo gaan we het
doen! Wij zijn geweldig.’ Hij klopt zichzelf op de borst en de andere twee op
de schouders.
Dat wat ze
bedacht hebben, kunnen ze niet realiseren zonder toverkracht, dus ze roepen nu
ook de hulp in van de heks die Rapunzel heeft opgesloten in de hoge toren. Ze
overtuigen haar dat het tijd wordt dat ze haar magische betovering eens op een positieve
manier aanwendt. De krassende kraaien die proberen de heks te verhinderen om
mee te doen aan haar verbetertraject, kunnen rekenen op een fikse mep van
Janus.
Ieder weet nu
wat hem of haar te doen staat en ze gaan elk hun eigen weg om aan hun bijdrage
te werken. Haast is geboden, want als mensen geld ruiken, is het vaak een
kwestie van tijd dat besluiten genomen worden.
Klein Duimpje kent
de weg in het park op zijn duimpje en weet het hoofdkantoor te vinden. Hij strooit
royaal met broodkruimels, zodat ook de anderen naar het juiste gebouw komen.
Als Janus daar
aangekomen is, springt hij via een tuinmuur omhoog en weet zich door een
openstaand raam heen te wringen. Hij heeft enige technische kennis van
computers doordat hij vaak op de bank, naast Hanneke, meekijkt. Hij opent de
computer op het glanzend houten bureau. Hij kruist zijn voorpoten achter zijn
hoofd en leunt tevreden achterover in de luxe, leren bureaustoel. Zijn gelaarsde poten laat hij onverschillig rusten
op het bureau. Wat een leven hebben die directieleden denkt hij, maar hij weet
inmiddels wel dat het er in dit soort kamers lang niet altijd zo rooskleurig
aan toe gaat. Gedreven door afgunst en winstbejag maken de deelnemers aan
vergaderingen elkaar het leven menigmaal lastig.
Als Janus een zacht
fluitje hoort, rent hij naar de voordeur en opent die voor Repelsteeltje die
een zak gouden munten met zich meesleept.
‘Wauw,
Repeltje, dat heb je snel gedaan. Ik zou bijna geloven dat je daadwerkelijk van
ronde bloemblaadjes gouden munten kunt maken,’ zegt Janus verrast.
‘Hoezo?
Natuurlijk kan ik dat,’ antwoordt de dwerg, dit is net zo makkelijk als van
stro gouddraden maken.’
En
dan…arriveert de heks. Haar bezemsteel smijt ze in de paraplubak en loopt
achter Janus naar het bureau.
‘Open nu snel
die presentatie die je hebt gezien,’ commandeert ze Janus.
Met open mond
staren Klein Duimpje, de heks en Repelsteeltje naar de presentatie van de
eeuwigstromende theepot. Ze zijn het erover eens dat dit niet gaat gebeuren!
De heks zwaait
vervaarlijk met haar toverstaf en roept intussen herhaaldelijk dezelfde spreuk:
‘Abacadabra AI, AI, AI, ik tel tot tien. Doe je werk en laat het ons zien.’
Er springen
kleine vonken uit de computer en de presentatie start opnieuw op. Gebiologeerd
staren de sprookjesfiguren naar de hernieuwde presentatie en onder luid applaus
voor zichzelf nemen ze afscheid van elkaar.
De volgende dag
sluit Hanneke aan bij het overleg dat de bestuursleden inderhaast hebben
gepland met de investeerders. Ze kijkt de andere kant op als de presentatie
wordt getoond. Ze wil het niet nog een keer zien. Zie je wel, denkt ze, als ze
de oh’s en ah’s om zich heen hoort. Het grote geld lonkt.
‘Speel het nog
een keer af, ik kan het gewoon niet geloven,’ roept een van de mannen. Hanneke
kan er niet onderuit om deze tweede keer ook mee te kijken. Dan gaat haar
grimmige blik over in een brede glimlach. Het beeld van de schenkende theepot
en drie grote kop en schotels blijft hetzelfde, maar met dit verschil dat er
drie olifanten omheen staan die hun slurf volzuigen uit die kopjes. Daarna sproeien
ze het water over hun stoffige lijf als een frisse douche. De presentatie
eindigt met het advies om het idee van dit bouwwerk te verkopen aan de
olifantenopvang, een paar honderd kilometer verderop. Gouden munten zullen dan wisselen
van eigenaar. In de aftiteling worden allen die meegewerkt hebben aan de
presentatie met name genoemd, als laatste AI.
Dit valt echter
niemand, behalve Hanneke, op. Het bestuur is het erover eens dat hun plan
verkocht gaat worden aan de olifantenopvang.
Er zijn nog
enkele dingen die alleen Hanneke opvallen: afdrukken van kattenpoten op het
bureau, een bezemsteel in de paraplubak en verdorde bloemblaadjes met
afgebladderde goudverf.
Zij weet
genoeg. Als een van de weinigen gelooft ze in sprookjes en ze houdt wijselijk
haar mond.
© Vsera Oor, 2026