BOTERBLOEMEN


Al jaar in jaar uit pluk ik in het voorjaar een veldboeket in de berm langs het fietspad. Het staat er vol met margrieten, klaver, boerenwormkruid en grassen. Aangevuld met korenbloemen uit eigen tuin blijft zo’n boeket buiten op de tafel lang staan en ook vlindertjes vinden het nog wel eens aantrekkelijk.

Klaprozen steken natuurlijk prachtig af tegen  dat wit, geel en groen, maar die laat ik staan. Een klaproos in de vaas is geen klap waard, binnen een paar uur is die helemaal verwelkt. Bovendien zijn er zo weinig van dat het gewoon zonde is ze uit de berm weg te halen.
Wat me opvalt is dat er dit jaar weer heel wat boterbloemen zijn. Die heb ik de afgelopen jaren niet veel meer gezien. Het is nog wel zo’n mooi geel bloemetje bovenaan de vertakte lange dunne stengel.
Ook vandaag dus met de schaar op weg om enkele bloemen te knippen. Al snel heb ik een leuk bosje bij elkaar, nu nog een paar boterbloempjes.

Ik moet iets verder voorover buigen om erbij te kunnen en daar lig ik tussen de bloemen. Ik glijd uit, waarschijnlijk over een pluk nat gras. Snel kijk ik om me heen of niemand mijn charmante buiteling heeft gezien en sta vlug op, daarbij wat vuil van mijn knie afslaand.
De tweede poging bij de boterbloem. Met de schaar in de aanslag knip ik de stengel door. Hé, dat is vreemd, de schaar krijgt geen grip op de stengel en glijdt weg. Nou moe, zo’n goede schaar en zo’n dun stengeltje, dat moet toch lukken! 
Dan maar eens proberen om de bloem te plukken en ik pak de stengel. Getverderrie, mijn vingers glijden er langs naar beneden.

Een nog gesloten bloempje opent zich en tussen de vijf knalgele bloemblaadjes verschijnt een mondje. Een mondje? Ja, inderdaad en opzij van het mondje hebben stuifmeeldraden zich verenigd tot een vuist die zich naar mij opheft.
“Wie denk jij wel dat je bent, om mij zomaar te willen plukken?”, klinkt een boterzacht stemmetje.
Ik kijk nog eens goed tussen de blaadjes en daar kijken twee groene oogjes me aan.
“Ik wilde je graag toevoegen aan mijn veldboeket, mooie gele bloemetjes tussen de witte margrieten en paarse klaver”.
Gelijk krijg ik een nuffig antwoord: “heb je mijn tere stengeltje wel eens goed bekeken? Ik ben veel te mooi om tussen die ordinaire andere bloemen te staan”.
“Maar daar sta je hier toch ook?”
“Ja, maar niet uit vrije wil. Het is me een tijdje gelukt weg te blijven uit de berm, maar de natuur wint het toch van mij. Ik heb al mijn boter uitgespuugd om het te voorkomen.”
“Dus ik ben over jouw boter uitgegleden en mijn schaar ook?”
“Ja, slimmerik”.
“Je hebt anders aardig wat boter op je hoofd. De andere bloemen zijn niet giftig, daar kun je bijvoorbeeld thee van maken, maar boterbloemen kunnen zelfs blaren veroorzaken.”

Langzaam sluit het boterbloempje zich en de stengel buigt zich naar me toe.
“Vergeef me. Je hebt gelijk, mijn mooie kleur is me naar het hoofd gestegen. Wil je me asjeblieft een plaatsje gunnen op jouw tuintafel?”
De gladde boter glijdt langs de stengel naar beneden en nu krijgt mijn schaar wel grip op de boterbloem. Ik hoor een piepkleine zucht van verlichting.

 

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...