Pelle veert overeind en kijkt verschrikt in het rond. Hij hoort een geluid, alsof een stoel over de houten vloer schuift. Maar hij is alleen. In zijn haast om bij het raam te komen, struikelt hij bijna over zijn hond, die languit op de grond ligt. Het bruin-witte dier voelt de opwinding van zijn baasje en springt op, zijn staart als een antenne omhooggericht. Hij rent blaffend naar buiten, een rondje om het huis. Niks te zien. Hetzelfde constateert ook Pelle, die uiteindelijk besluit, dat hij zich waarschijnlijk vergist heeft. Hij keert terug naar binnen. Aan tafel zit een vrouw. Wat? Hij is hier alleen, dit is onmogelijk. Waar komt deze vrouw vandaan? Zij draait haar hoofd af.
Ze houdt haar hoofd afgewend. ‘Catharina.’
‘Hoe kom je hier?’
‘U heeft mij tot leven gewekt, heer.’
‘Heer? Ik ben Pelle.’ Pelle loopt op haar af.
Zij steekt haar rechterhand uit, maar met de handrug naar boven. Onhandig staat Pelle tegenover haar. Bedoelt zij nu dat hij haar een kushand moet geven?
‘U heeft mij hierheen gehaald.’
‘Hè? Ik kom al maanden niet van mijn terrein af. Mijn sneeuwscooter is kapot.’
‘U heeft mij hier op tafel gelegd.’
‘Hoezo gelegd? Je zít aan mijn tafel,’ antwoordt Pelle.
‘Wat bedoel je? Die lap heeft een vriend neergelegd. Hij had het gevonden tijdens het strandjutten en dacht dat ik het kon gebruiken om zelf hangop te maken.’
‘Ik sta op dit schilderij. Kijk goed,’ dringt Catharina aan. Ze wijst naar een van de vlekken. Pelle kan er niks van maken, hoezo staat zij daar? Ze zit hier notabene ineens aan tafel en dwingt me naar iets te kijken, wat niks voorstelt. Catharina verplaatst haar voeten onder de lange, vale rok en draait zich eindelijk om. Nu kan Pelle haar gezicht zien. Hij schrikt. De vrouw ziet lijkbleek.
‘Jee, bent u ziek?’ Zo bleek zie ik alleen maar mensen als ze dood zijn of op foto’s van oude schilderijen,’ fluistert hij en zet een stap terug.
Ze knikt. ‘Dat is ook zo. Ik sta op dat oude schilderij. In de 18e eeuw ben ik geschilderd in mijn kamer.’
‘Geloof het zelf! Maar mij houdt u niet voor de gek. Wat wilt u van mij?
‘Ik kan niet schilderen. Ik heb niet eens verf. Bovendien heb ik geen verstand van kleuren,’ beargumenteert Pelle, terwijl hij verbaasd staat over zichzelf. Ik ben in gesprek met een spook. Ik zit te lang alleen hier bovenop deze berg in Finland, met uitzicht op de onderaan de bergen gelegen meren.
‘Ik ga u helpen. Onderweg hierheen heb ik veel kleuren gezien. Die zal ik u leren. Welke kleuren kent u wel?’
‘Zwart, wit,…’ begint Pelle zijn opsomming.
‘Zwart en wit zijn geen kleuren. Wat weet u nog meer?’
Pelle denkt na: ‘Ja, blauw natuurlijk, groen, geel en rood. Dat is het wel.’
‘Neem een schep blauw van het water in het grote meer onder aan de berg. Langs de oever heeft het water een kleur tussen groen en blauw. Ziet u het?’
‘Beeld u in, dat u deze kleur aan een penseel heeft zitten en strijk dit uit over het vlak op het linnen, dat ik aan zal wijzen.’ Pelle doet wat zij zegt. Ze wijst hem vier palen aan onder het blauwe vlak. ‘Pak nu een lik bruin, u vindt dat op boomschors, verderop bij de naaldbomenrij.’
‘Een beetje doorwerken, ik wil ook weer een plek aan tafel.’ De vrouw bijt op haar fraaigevormde nagels, maar stopt ermee als ze kijkt naar het afgekloven stompje.
Op haar aanwijzingen vult Pelle het linnen. Het lichte groen van een bergweide, gemengd met het donkere groen van het mos onder de naaldbomen, legt een fluwelen, glanzend kussen op tafel, afgezet met een geelgoudgekleurde rand van de zon. De schort van een dienstbode kleurt hij met het wit van de besneeuwde bergtoppen.
‘Kijk goed, heer. Het is niet puur wit. Er zit een vleug blauw doorheen. De achtergrond: beweeg uw penseel willekeurig door het noorderlicht en kleur hiermee de achtergrond. Pelles kleurenbesef groeit en hij leert zelf te mengen en verfijning aan te brengen.
‘De hond, die ligt op de grond,’ wijst Catharina hem op de volgende vale vlek. ‘Kijk goed naar uw eigen hond. Sneeuwwit met een vleug onderliggende grijsblauwe modder erdoor. Hij heeft lichtbruine vlekken als van de kokosmat voor uw deur.’
‘En nu ben ik aan de beurt,’ verbreekt Catharina zijn rustmoment.
Pelle begint bij haar voeten en schildert langzaam omhoog. Haar jurk staat bol en plooit zich fraai om haar lijf. Het sneeuwwit lijkt niet op wat hij wil bereiken.
‘U heeft het penseel te krampachtig vast. De streken worden daardoor te strak. Mijn rok is bijna alsof er een lichte wind onder waait.’
Pelle grinnikt.
‘Maar uw gezicht, dat kan ik niet, dat is niet te vatten in mijn penseelstreken.’ Hij heeft niet eens in de gaten, dat hij haar “u” is gaan noemen in plaats van “je”. Nu pas ziet hij de aristocratische omgeving waar de vrouw zich in bevond toen het schilderij gemaakt werd.
‘Wees gerust, op het schilderij ziet u mij alleen van de zijkant en ik heb mijn gezicht afgedraaid. Ik ben mijn nagels aan het verzorgen.’
Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen brengt Pelle met trillende vingers de vrouw “tot leven” op het doek. Bij elke streek die hij zet, is ze meer zichtbaar op het schilderij, maar haar beeltenis op de stoel naast hem, wordt transparant.