De wereld van engelen

 

De witte wereld om me heen is op geen enkele manier te vergelijken met die ik ken wanneer een dik pak sneeuw ligt.
Deze wereld is diffuus, oneindig en van een soort wit dat het houdt tussen de kleur van een wit blad papier en een kerstboom met “warm light” lampjes; deze wereld is op geen enkele manier tastbaar, zoals rook die tussen je vingers doorglipt.
Verwonderd kijk ik naar mijn voeten die staan, edoch kan ik geen ondergrond ontdekken. Ik zie geen objecten. De wijdvertakte besneeuwde boom die ik denk te herkennen, bestaat alleen in mijn verbeelding. Zodra ik erheen wil lopen is het weg. Lopen voelt niet zoals lopen. Ik beweeg zonder dat ik daar moeite voor moet doen. Ik lijk te zweven zoals Harry Potter dat doet op zijn bezemsteel.
Over hoe lang ik hier al ben? Geen idee. Evenmin heb ik een idee hoe ik hier terecht ben gekomen.
Ik voel een aangename lucht om me heen die zowel verkoelend als verwarmend is, het lijkt een bad met water op lichaamstemperatuur waarin ik dobber.
Een geur die vast nog nooit is uitgevonden, want dan had ik de verstuiver ervan aangeschaft. Zacht, warm, helder, met een zweem van bloemengeur die me doet denken aan een ochtend in de zomer, een kruidenbouquet dat samengesteld moet zijn uit de fijnste soorten.
De omgeving voelt onaards.
Een lichte ruis glooit door deze atmosfeer en geleidelijk aan onderscheid ik figuren. Maar wie of wat zijn het?
Mijn adamsappel gaat op slot en blokkeert mijn stembanden. Met open mond vol onuitgesproken woorden sta ik temidden van deze wezens.
 
Ik word opgenomen in de groep alsof ik er altijd ben geweest. Ben ik dood? Ik bijt mezelf eens hard op de lip. De helderrode bloeddruppel die valt, lijkt een dieprode kerstbal in een kerstboom vol engelenhaar. Dood ben ik dus niet.
De gedachte die nu bij me opkomt, duw ik weg. Dat is flauwekul. Natuurlijk zijn dit geen engelen om me heen. Engelen bestaan niet, ook al is er dan een liedje gemaakt over een engelbewaarder.
Opeens hoor ik een zachte stem naast me: ‘Jawel hoor, we bestaan wel degelijk. Hoe langer je hier verblijft, hoe meer je ons zult onderscheiden van deze omgeving. Ik ben de eerste, die je ziet. Ik ben jouw engelbewaarder.’
De tule-achtige vleugels kan ik nu onderscheiden. Geleidelijk aan zie ik meer van de witte verschijning.
‘Herinner je je het weer?’ vraagt mijn engelbewaarder. ‘Ik vlieg even met je terug in de tijd.’
 
Ik zit vastgeklemd in een wit omhulsel dat een enorme druk op me uitoefent. Mijn borstkas wordt een kort moment ingedrukt, om even later weer wat ruimte te krijgen om in te ademen. Ik voel niks. Mijn benen liggen in een vreemde stand, maar ik voel ze niet. Om me heen hoor ik opgewonden stemmen, een blauw licht flitst langs me heen. Dan dringt het tot me door. De tegenligger, mijn krachtige remmen en de donkere boom waar ik met hoge snelheid op af reed. De klap en daarna niks meer.
 
‘Ja, he? Je herinnert het je weer,’ haalt mijn engelbewaarder me terug in de witte omgeving.
‘Ja, mijn airbag heeft me gered, denk ik. Maar waarom ben ik hier? Ik voel niet aan alsof ik dood ben,’ antwoord ik hem, terwijl ik mezelf stevig in de arm knijp.
‘Dat was geen airbag. Dat was ik, die je omklemde en beschermde en zodoende voorkwam dat je verpletterd werd tussen de boom en het blik van de auto.’
‘Maar waar ben ik nu dan? Ik ben niet dood, ben ook niet in de hemel, maar daar lijkt het hier verdacht veel op met al die engelen om me heen.’
De engel legt me uit, dat zo nu en dan een ongelovige naar “boven” wordt gehaald om kennis te maken met deze serene sfeer waarin ik me nu bevind.
‘Met hoeveel zijn jullie nu dan om me heen?’ vraag ik omdat ik alleen “mijn” engelbewaarder zie.
‘Dit is niet alleen de omgeving van engelbewaarders, maar van alle engelen. Natuurlijk zie jij geen andere engelbewaarders, die horen bij andere mensen. De engelen die jij zometeen steeds meer ziet, zijn de engelen die deze periode afdalen naar de aarde om deel uit te maken van de donkere dagen voor Kerst.
Zij nemen hun plaats in waar ze al jaren terugkomen: engelenhaar versiert kerstbomen. De aartsengel Gabriel zweeft in de kerststal in de nok van de stal, nadat hij verschenen is aan de herders om de geboorte van het Kerstkind aan te kondigen.
‘Ga jij dan met mij mee terug naar de aarde?’ wil ik weten, want inmiddels ben ik er wel van overtuigd dat ik hier slechts tijdelijk ben.
‘Ik begeleid je terug. Denk aan deze troostrijke wereld als je de boom optuigt en het stalletje inricht.’

©Vera Oor, 2025

Het geheim van vannacht

Tom wordt wakker van…ja, van wat eigenlijk? Het is donker. In bed is het lekker warm, maar de kamer is ijskoud. Het vriest buiten en er ligt een dik pak sneeuw. Zijn nieuwsgierigheid wint het van het vooruitzicht van koude voeten en hij stapt zijn bed uit. Voorzichtig loopt hij naar het raam en let er daarbij op om niet op de krakende plank te lopen. Bij het raam kijkt hij door een spleet tussen de gordijnen naar buiten.
‘Joh!,’ roept Tom opgewonden, maar slaat meteen verschrikt zijn hand voor zijn mond. Zo blijft hij voor het raam staan en staart naar de overkant van de straat. De straatlantaarn geeft een beetje licht, net voldoende om in de verse sneeuw sporen te ontdekken. Het zijn geen sporen van autobanden, maar wat zijn die vier afdrukken in de witte ondergrond dan wel?
Achter de huizen schijnt de volle maan. De donkere, kale takken van de hoge boom in de tuin van mijnheer Jansen, aan de overkant, hebben een bijzondere vorm. Er is veel aan gesnoeid en de paar takken die er nog over zijn, lijken op Wajangpoppen tegen het ronde licht van de maan.
Tom kijkt om naar het schap boven zijn bed. Daar staan twee Wajangpoppen die hij van zijn oom heeft gekregen. Ome Karel was op vakantie geweest in Indonesië en onder de indruk geraakt van het schimmenspel van de poppen. Tegen een wit laken met daarachter een felle lamp liet hij aan Tom zien hoe de Wajangpoppen tot leven leken te komen.
Plotseling ziet hij tussen de takken door een ander silhouet. Hij wrijft het restantje slaap uit zijn ogen en staart gebiologeerd naar de maan. Daar loopt een paard en op zijn rug zit Sinterklaas. Hij herkent hem aan de mijter en de wapperende mantel. Ineens weet hij ook waar die sporen in de sneeuw van waren: van het paard.

Maar dan! Het lijkt of er vuurwerk vanaf de maan naar beneden springt. Honderden kleine, glimmende en gekleurde dingen vallen omlaag als vallende sterren. Zelfs als Sinterklaas allang voorbij de maan gereden is, ziet Tom nog de glimmertjes in de lucht.
Als hij de volgende ochtend aan het ontbijt vertelt over wat hij ’s nachts gezien heeft, kijkt zijn vader hem lachend aan: ‘Jongen, je hebt gedroomd. Je bent zo opgewonden over de komst van Sinterklaas, dat je hem overal denkt te zien.’
‘Maar die glimmende dingen dan?’ vraagt Tom ongeduldig. ‘Ik heb ze écht gezien.’
 
’s Middags is de intocht van Sinterklaas en Tom staat met zijn vriendje Jim vooraan. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en kijkt naar de Sint op zijn paard. De vorm klopt. Het is echt Sinterklaas die hij vannacht gezien heeft. Als de goedheiligman zijn tocht afrondt, spreekt hij de groep kinderen op het plein toe vanaf het bordes van het gemeentehuis: ‘Vanavond, lieve kinderen, mogen jullie de schoen zetten.’
Als Tom ’s avonds zijn schoen gezet heeft, in bad is geweest en zijn tanden heeft gepoetst, stopt zijn moeder hem in bed.
‘Droom maar weer fijn van Sinterklaas,’ zegt ze. ‘Misschien ligt er morgen iets lekkers in je schoen.’
Tom draait en draait, maar het lukt hem niet om in slaap te vallen. Hij sluipt opnieuw naar het raam en kijkt naar buiten. De maan en de takken zijn er nog, maar geen Sint te zien.

Dan, tot zijn stomme verbazing, ziet hij op straat iets waarvoor hij ook nu weer zijn ogen goed uitwrijft. Het zijn dezelfde glimmende dingen als die gisteravond vanaf de maan naar beneden vielen. Hij weet het zeker en hij droomt niet. Dit keer rollen, huppelen en springen ze over de straat.
Tom sluipt zijn kamer uit, trekt zijn laarzen aan en graait zijn jas van de kapstok. Als hij op zijn tenen gaat staan, lukt het hem op bij de sleutel van de voordeur te komen. Hij trekt de deur open. Ondanks de dikke jas en das rilt hij een moment van de kou, die hem tegemoetkomt.
Opeens hoort hij tussen de struiken een ritselend geluid en hij houdt zijn adem in. Is dat de kat van de buren?
‘Poekie, psst!’ fluistert Tom. Er komt geen kat aan, maar ineens houdt wel het ritselen op. Tom trekt zijn capuchon over zijn hoofd, blijft doodstil staan en wacht op wat komen gaat.
Een knisperend groen en een geel iets lopen aan hem voorbij. Ineens weet Tom wat het zijn: een snoepkikker en een snoepmuis in een gekleurd zilverpapiertje: zijn lievelingslekkernij in de Sinterklaastijd. Maar deze twee lopen en springen. Droom ik nu toch? vraagt Tom hardop alsof hij zichzelf wil bewijzen dat hij wakker is. De kikker en muis verstijven pal voor de deur als ze zijn stem horen. Ze kijken met hun glinsterende oogjes naar Tom, die naar voren springt. ‘Wat doen jullie? Snoepkikkers en muizen kunnen niet bewegen.’
Een moment is het stil en dan kwaakt de kikker en piept de muis. Toch kan Tom alles verstaan wat ze zeggen. De kikker begint: ‘Wij moeten zelf zorgen dat we in de schoenen van de kinderen komen te liggen. Heel veel Pieten hebben kougevat op die boot en de paar die er nog over zijn, kunnen niet alle huizen af.’
De muis knikt bevestigend. Zijn snorharen trillen. ‘Gelukkig kent Sinterklaas een tovenaar die alle muizen en kikkers heeft betoverd. Totdat de maan ondergaat, kunnen wij ons bewegen. Daarna veranderen we weer in suikersnoep met een chocoladelaagje. Gisternacht hebben we geoefend. We vlogen met Sinterklaas op de rug van het paard en lieten ons van grote hoogte vallen in de straten.’
‘Dus jullie waren de vallende glimdingen die ik heb gezien,’ vraagt Tom, klappertandend van de kou.
‘Ja, dat waren wij, maar vannacht moeten we echt binnen zien te komen in de huizen,’ reageert muis op zijn vraag.

Tom moet dit antwoord even verwerken. Sinterklaas, een tovenaar en bewegende muizen en kikkers. Hij voelt aan zijn haren. Die zijn kletsnat van de smeltende sneeuw waardoor hij weet dat hij niet in zijn bed ligt en echt buiten staat. Het is dus geen droom.
De kikker en muis kijken hem verwachtingsvol aan. ‘Mijn oortjes bevriezen bijna. Ga je ons helpen?’ vraagt de muis.
‘Waarmee?’ wil Tom weten.
‘Door de deur voor ons open te maken natuurlijk,’ valt de kikker zijn maatje bij. ‘Dan zijn we tenminste binnen en hoeven we niet allerhande toeren uit te halen. We hebben daarna tijd over om eens wat te spelen, voordat we in jouw mond verdwijnen morgenvroeg.’
‘Hoe zouden jullie dan naar binnen gegaan zijn als ik er niet was?’ informeert Tim nieuwsgierig.
De kikker kijkt hem vorsend aan, hij wordt niet voor niks kikvors genoemd. ‘Dan zou ik een aanloop over het tuinpad hebben genomen om met een megahoge sprong door de brievenbus te springen.’
‘En dan,’ vult de muis giechelend aan,’ zou ik een handstand tegen de deur hebben gedaan en mijn staart naar boven hebben gericht. De kikker had me aan mijn staart naar binnen kunnen hengelen.’
‘Oké, ik help jullie,’ knikt Tom en hij opent de deur voor de twee snoepdieren die nu even geen snoepdier zijn. ‘Maar wel stil zijn hè, anders worden mijn ouders wakker.’

Ze volgen hem naar de kamer, naar de schoenen die klaar staan. De wortel die Tom erin gelegd heeft voor het paard van de Sint, gooien ze eruit en ze maken van het hooi een kuiltje in de neuzen van de schoenen. Een schoen voor de kikker en de andere voor de muis, die tevreden piept: ‘Zo! Daar kunnen we straks wachten tot de ochtend, maar nu gaan we eerst lol maken. Ik doe mijn zilverpapiertje af, anders beschadigt het misschien. Straks trek ik het wel weer aan.’
De kikker volgt zijn voorbeeld. Ze willen tikkertje spelen en Tom moet dan meedoen. Het is moeilijk om heel zachtjes aan te doen als je tikkertje speelt, maar toch lukt het de drie. De kikker en de muis vinden Tom natuurlijk elke keer heel snel. Door zijn grootte valt hij veel meer op. Maar zij zijn klein en nu amper te zien door hun chocoladelaagje, dus Tom speurt er heel wat af in de kamer. Hij kijkt zelfs onder de bank en onder de kast. Het is stoffig daar en hij bedwingt een opkomende niesbui door zijn pyamajas voor zijn neus te duwen.
Dan ineens roept de kikker: ‘Oeps, de maan zakt steeds verder weg. Aankleden muis!’
Razendsnel trekken ze hun gekleurde zilverpapieren kleding aan en duiken ieder in een schoen.
 
‘s Ochtends staat zijn moeder naast Tom: ‘Wakker worden. Wat doe jij nu hier?’
Tom kijkt met slaperige ogen zijn moeder aan. Hij ligt naast zijn schoenen in de kamer. ‘Ik heb tikkertje gespeeld met de muis en de kikker. Daarna ben ik denk ik in slaap gevallen.’
Zijn moeder kijkt hem bevreemd aan. ‘Met wie? Ik zie geen muis en ook geen kikker, je hebt zeker gedroomd. Waar komt dat stofweb in je haren vandaan? En heb jij dat gedaan, de wortel uit de schoen gehaald? Zo te zien is Sinterklaas vannacht niet geweest, anders had hij dat vast meegenomen voor het paard.’
Tom graait in zijn schoenen. In zijn handen heeft hij tot zijn moeders verbazing plukken hooi, uit de ene schoen komt een snoepkikker tevoorschijn en uit de andere een snoepmuis.
‘Hoe wist jij dat die erin lagen?’
Tom haalt zijn schouders op. Hij besluit het geheim van vannacht niet te vertellen. ‘Misschien heb ik dat gedroomd,’ zegt hij op het moment dat zijn vader de kamer inloopt.
‘Heb je alweer van Sinterklaas gedroomd?’ vraagt die. Het antwoord komt dit keer niet van Tom, maar van zijn moeder: ‘Nee, hij heeft nu van muizen en kikkers gedroomd.’

©Vera Oor, 2025

Pip, deel 12: Certificaat puppytraining

Zo onbesuisd als Pip ergens op af kan stormen, zo’n angsthaas werd het ineens. Sloopwerkzaamheden iets verderop in de straat produceerden een bult herrie om U tegen te zeggen.
Pip liep met mij een klein rondje. De ochtendrust tussen vallende blaadjes en kwetterende vogels werd ruw verstoord door de eerste klap van de sloopkogel. Pips oren gingen plat, haar staart in een achterwaartse krul en ze dook vol in de riem. Ze trok uit alle macht om terug te rennen naar de veilige tuin. Mijn poging om haar verder te laten lopen door te doen alsof er niets aan de hand is, haalde niks uit. Proberen haar aan te halen evenmin. De angst spatte ervan af. Met een rotvaart rende ze de tuin in, naar de deur.
Het heeft aardig wat oefening gekost om haar toch opnieuw mee te laten lopen, zonder dat ze zich bijna wurgde in de riem. Dorus en Toon kwamen minder onder de indruk van de herrie en misschien gaf dat haar wat vertrouwen. Nu loopt ze weer mee, maar haar houding is superalert: oren gespitst en hals opgerekt. Gelukkig heeft ze dat alleen bij het deel van de route, waar ze de eerste keer het geluid hoorde. Daarna of op een andere plek is ze weer de enthousiaste, mee trippelende Pip.
 
Over het geheel genomen wordt Pip iets rustiger, met de nadruk op íets. Ze neemt uitgebreid de tijd voor slaapjes op de bank en nestelt zich bij de andere twee. De dolle vijf minuten worden minder.
Inmiddels weet ik ook dat, wanneer haar hypergedrag aanhoudt, dat vaak een teken is, dat ze moet poepen. Er is geen peil op te trekken, wanneer dat is. De ene dag wel vier keer, een andere dag maar twee keer.
 
Ik moet weleens aan Toon Hermans denken met zijn nummer: “Wat ruist er door het struikgewas?” Zou hij ook een hond hebben gehad?
Als Pip op onderzoek uit is in de tuin en ik roep “hier” dan hoor ik in eerste instantie een hoop bladgeruis en zie ik een wiebelende plant. Dan komt ze als een raket aangestormd. Nog steeds kijkt ze dan hoopvol naar mijn hand. Om haar dit te leren, kreeg ze eerder een snoepje als ze op commando naar me toekwam. Nu krijgt ze dat niet elke keer meer, maar hoop doet leven.
Dat ze dit commando beheerst, laat ze op de puppytraining ook vol overtuiging zien. Als een afgeschoten pijl, rent ze door een tunnel, springt over een minihindernis en stuift op me af.
Daar heb je het dan ook wel zo’n beetje mee gehad. De trainer in de puppycursus omschrijft het goed: “Je moet enorm je best doen om haar aandacht te krijgen, maar als je die hebt, luistert ze goed!”
 
Deze week was de laatste training. Ze werken gelukkig niet met diploma’s want dan was Pip met vlag en wimpel…gezakt! Alle zes de eigenaren en hun pup kregen een certificaat met daarop de onderdelen benoemd die aan de orde zijn geweest.
Nog steeds vraag ik me af wie er nu op training is geweest. Pip of ik?
“Af en blijf.” Pip gaat af, maar de enige die blijft, ben ik. De trainer omschrijft het in haar opmerking op het certificaat goed: “Pip heeft nog een korte concentratieboog”.
“Zit en blijf.” Van hetzelfde laken een pak. Ik blijf staan en kijk naar de achterkant van Pips kop.
“Wandelen zonder trekken”. Dat doet ze goed totdat…er nog onontdekte keutels liggen. Zij trekt en ik trek haar terug.
“Staan”.  Staan gaat goed.
“Aaien”.  Even wachten tot Pip er tijd voor heeft. Maar dan kan ze ook vol overgave genieten, vooral thuis.
“Kommetje”.  Haar bekkie moet ze laten rusten in mijn hand. Het begin van het gebit laten zien bij de dierenarts. Gaat goed. Ze vertrouwt me, onderwijl snuffelgeluiden makend want je weet maar nooit of er nog een kruimeltje tussen de vingers zit.
“Nee.” Het heeft wat voeten in aarde gehad. Ze weet dondersgoed wat nee is, maar ik moet het wel een aantal keren herhalen. Na drie keer nee, geeft ze nog steeds haar typerende uithaal, dat lijkt op een huilende wolf. Ze is het er dus niet mee eens.
Opmerking van de trainer: Pip is een heerlijke, eigenwijze pup die graag haar eigen plannetje trekt.
“Vast/los”. Mm, vasthouden van datgene wat ze zelf gevonden heeft, lukt prima. Vasthouden van een speeltje? Nee, dat minder. Dat vindt ze niet interessant genoeg. Die beroemde korte spanningsboog is daar niet op berekend en de trainer voegt er in haar opmerkingen nog aan toe: “Pip vindt alles veel te leuk.”
Loslaten lukt goed. Ze weet dat ze in ruil daarvoor een snoepje krijgt, indien bij de hand.
“Wachten”. Wat is dat? Pip wacht nergens op, dus ook niet bij de deur die opengaat. Wat wel werkt is “Terug.” Dan stapt ze terug door de op een kier geopende deur en als vanzelf volgt dan, soms, het wachten.
Wie heeft er nu eigenlijk het certificaat van de puppytraining verdiend? Ik weet het zeker: dat ben ik.
De laatste training heeft ze van de trainer twee nieuwe benamingen gekregen: “clown” en “blij ei”.
En ik dan? Ik geef mezelf maar een schouderklopje. De aanhouder wint.
 
Haar schatkamers houdt ze nog in stand en sleept er alles naar toe, wat ze mag hebben of wat ze te pakken kan krijgen. Terwijl ik dit typ, zie ik haar pogingen om op de stoel te springen, zonder daarbij de stoffer te verliezen, die ze ook weer ergens opgeduikeld heeft.
Nou ja, beter een stoffer dan een deel van een skelet. Ze heeft al eerder dat skelet van een pad gevonden en meegenomen. Dit keer was ze aan het snuffelen tussen grote stapels gevallen bladeren. Hoe is het mogelijk dat ze daartussen het kleine pootje vindt van een vogel.

©Vera Oor, 2025

Herfst en vallende bladeren voor altijd verbonden aan de herinnering

 
‘Daar gaat hij weer. Zonder paraplu, en het gaat nog wel regenen.’
Trix kijkt hem na, als hij naar buiten loopt en kijkt hoofdschuddend naar haar collega. De man houdt zich vast aan de deurknop, steun zoekend om de windvlaag te trotseren. Nog voordat hij de deur achter zich dicht kan trekken, waaien droge, bruine bladeren ritselend naar binnen en verspreiden zich over de tegelvloer in de ruime hal.
Seniorentehuis Indenbosch doet de naam eer aan met de ligging in het groen aan de rand van de stad. Nu de bomen hun bladeren beginnen te verliezen, is die stad op afstand zichtbaar.
Mijnheer van Borg loopt langzaam, maar vastbesloten het bospad in. Hij blijft staan en ademt met gesloten ogen de herfst in. De vochtige aarde is bezaaid met afgewaaide takjes, bladeren, eikels en lege kastanjebolsters. Roodbruine bladeren plakken aan zijn schoenen en een ondeugend geel eikenblad kriebelt langs zijn gezicht. Met gesloten ogen blijft hij zo staan en lijkt een onlosmakelijk deel uit te maken van de omgeving tussen de vallende bladeren. Hij geeft gehoor aan de stem in zijn hoofd: “Adem rustig en diep in, adem langzaam uit”.
 
‘Adem rustig in, zo diep mogelijk en langzaam weer uit,’ zegt de volwassen man naast de jongen, die ineengedoken in een hoek van de ruimte zit. Zijn armen beschermend over zijn hoofd gebogen.
De armen van de man naast hem sluiten zich om zijn schouders en duwen zijn hoofd tegen diens borst. De jongen hoort de hartslag van de man. De geur van sigarettenrook hangt om hem heen, een vertrouwde lucht. Net als bij zijn vader.
‘Waar is papa?’ vraagt hij uiteindelijk met overslaande stem.
De man kijkt neer op de kruin van de jongen. ‘Max, je vader is meegegaan naar de trein. Ik weet niet waar hij nu is.’
‘Gaat hij dood?’
‘Waarschijnlijk is hij ergens heengebracht waar hij moet werken. Werken voor de moffen.’
Max neemt het gesmoorde antwoord van zijn oom in zich op. De moffen, dat zijn de Duitsers, dat weet hij. Maar waarom moet papa ergens werken en mag hij niet mee?
Gisteren nog zijn ze samen naar de winkel geweest om eten te halen. Papa zuchtte diep toen hij enkele bonnen uit zijn zak opdiepte en alhoewel hij zacht praatte tegen de eigenaar van de winkel, had Max het gehoord.
‘Berends, ik ben bang voor iets wat ik niet weet, maar wat ik alleen maar kan vermoeden. Waarom hebben wij anders onze koffers klaar moeten zetten, zoals de Joodse Raad adviseerde. Rika en de meisjes zijn naar haar zus. Ik ga morgen met Max ook die kant op. Hopelijk zien we elkaar weer. God zij met je.’
Toen er midden in de nacht luid op de deur gebonkt werd, had zijn vader hem opgetild en razendsnel meegenomen naar de schuilplaats achter de keukenkast. ‘Hou je heel stil en kom pas tevoorschijn als ik het zeg,’ had hij haastig gezegd. Max voelt nog zijn stevige omhelzing en de natte wangen en rook de zo bekende sigarettenrook. De voordeur die hard dichtgeslagen werd, is het laatste wat hij hoorde totdat oom David de keukenkast van zijn plaats schoof en naar de hoek liep, waar hij zat.
 
De oorlog heeft hij overleefd dankzij oom David, die hem tijdens de aanwakkerende herfststorm meenam naar een andere schuilplaats. Dagen later moest hij mee met een vreemde man. Hij kreeg werkkleding aan, een boerenoverall. Een overall zonder ster.
‘Als ze je vragen naar je naam, zeg je dat je Jan heet,’ instrueerde de man hem kortaf, maar niet snauwend. Zijn blauwe ogen keken vriendelijk. ‘En dat je mijn knecht op de boerderij bent.’
De spanning die rond deze tocht hing, was voelbaar, maar voor Max was het gissen waarom dat zo voelde. Het moest met Duitsers te maken hebben.
De volgende dag kwamen ze aan bij de afgelegen boerderij van tante Rika. Moeder had hem snel naar zich toegetrokken en meegenomen naar een ruimte, achterop de deel.
De herfstbladeren die aan zijn schoenen waren blijven plakken, veegde tante Rika op, zodat er geen spoor naar de ruimte zou leiden.
De tijd daarna leefde hij met zijn moeder en twee zusjes in de kleine ruimte, zonder daglicht, die ze heel af en toe ’s avonds mochten verlaten om in de kamer bij tante Rika te zijn. De gordijnen stevig gesloten. O, hoe miste hij de buitenlucht, de bomen en de weilanden, maar inmiddels was hem heel duidelijk dat het niet anders kon.
Nadat de oorlog voorbij was, ging hij samen met zijn moeder en twee zusjes terug naar hun eigen huis, dat deels beschadigd was, maar bewoonbaar. Het lange wachten begon, wachten op een bericht van zijn vader. Had hij de oorlog
overleefd? Zou hij nog ooit thuiskomen?

En dan, een stormachtige dag, waarop de herfstbladeren eerder binnen waren dan dat zijn vader over de drempel stapte. Ze bleven hem aanstaren alsof ze een geest zagen. Totdat hij op hen af kwam lopen en ze alle vier tegelijk omklemde. Max snoof de bekende geur van tabak op, vermengd met de vochtige lucht van de herfst. Hij ademde diep in, en langzaam weer uit.
Stormachtige herfstdagen bleven voor altijd verbonden met de herinnering aan dit moment.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...