De stoomtrein stopt



Na een laatste ferme stoomtoeter glijdt de trein het station binnen.

Cindy blijft op enige afstand staan. De eerste wagons houden hun deuren gesloten: die verbergen de cadeauvoorraad van de kerstman.

De laatste deur gaat piepend open en een wolk van tekstballonnen verspreid zich door de lucht.

Cindy doet haar best om ‘haar ballon’ te vinden. Ze loopt tussen allerhande woorden door: ik wens, voor allen, liefde, vrede, vrienden, veiligheid. Zo nu en dan veegt ze een ballonnetje uit haar gezicht. Nog meer woorden passeren haar ogen en dan ziet ze eindelijk ‘Puntje’. Ze grijpt het tekstballonnetje vast aan de punt en zweeft onder de ballon een eindje weg om iets verderop te landen in de sneeuw.

 

Vorige week is Puntje overleden. Het hondje was ziekelijk en oud, hij was er al voordat Cindy geboren werd. Cindy was totaal verbijsterd toen het ’s ochtends vredig in zijn mandje lag en koud en stijf aanvoelde.

Ze had haar hondje toegedekt met een pluizige kerstdeken.  Haar vader had die ochtend een mooi kistje getimmerd en samen hadden ze Puntje begraven in de tuin.

’s Avonds huilde Cindy zich in slaap, maar ze werd wakker van klingelende belletjes. De kerstman vloog in zijn arrenslee voor haar raam heen en weer.

De kerstman? Die is een week te vroeg, het is pas volgende week Kerstmis.

Ze opende het raam en de kerstman boog zich iets naar haar toe.

‘Ik vlieg deze week rondjes om wensen op te halen. Dat mogen geen wensen voor speelgoed of spulletjes zijn, maar wensen die niet te koop zijn. Heb jij nog een wens? Je mag hem hier opschrijven.’

De kerstman gaf haar een tekstballonnetje en zei dat ze gewoon met haar vinger kon schrijven.

Cindy hoefde niet lang na te denken en schreef haar wens op: Nog één keer Puntje zien.

Het ballonnetje gaf ze terug aan de kerstman die, voordat hij verder gleed, tegen haar zei:

‘Let volgende week goed op. De dag voor Kerst komt de Kersttrein voorbij.’

 

Cindy is op een boomstronk gaan zitten en ze heeft het tekstballonnetje naast zich neergelegd. Het is háár tekstballon, ze herkent natuurlijk haar eigen handschrift en de wens om Puntje nog één keer te zien.

Maar nu? De kerstman heeft niet gezegd wat ze verder moet doen.

Dan ziet ze het begin van een ritssluiting aan de onderkant van de tekstballon. Ze ritst hem langzaam open en daar ziet ze…Puntje!

Ze probeert hem vast te pakken, maar haar handen gaan dwars door het hondje heen. Ze laat haar handen naar beneden vallen en hij zweeft pal voor haar ogen en kwispelt met zijn zwarte staartje met een witte punt eraan.

Cindy verbaast zich erover dat Puntje er niet ziek of dood uitziet, maar hetzelfde als een tijd geleden, toen hij nog gezond was.

Dan begint hij zachtjes te blaffen en Cindy kan verstaan wat hij zegt: ‘Ik kom je gedag zeggen voordat ik naar het hondenparadijs ga, waar enorm veel hondjes op me wachten. Ik heb geen pijn meer, ik kan weer rennen. Wees niet verdrietig maar denk aan de fijne tijd die we samen gehad hebben.’

Cindy kan een opwellende snik niet onderdrukken en vraagt zachtjes: ‘Maar hoe moet ik nu verder zonder jou?’

‘Ik mag je iets verklappen van de kerstman,’ zegt Milou. ‘Zoek goed naar een kleine doos in het schuurtje. Daar heeft de kerstman iets voor je neer gezet.’

Het lijkt alsof Cindy een lik over haar wang krijgt en dan loopt het tekstballonnetje leeg en Puntje zweeft kwispelend weg.

 

Enigszins opgelucht dat ze weet dat Puntje nu nooit meer pijn heeft, maar nog steeds erg verdrietig dat hij niet meer bij haar is, loopt ze naar huis, naar het schuurtje.

Onder de werkbank ziet Cindy een kleine doos staan, die ze voorzichtig openvouwt. Enthousiast springt een puppy in haar armen en begint haar gezicht te likken. Zijn zwarte staartje met een witte punt kwispelt heen en weer.



© Vera Oor, 2023

Dinner for one


Geen verrassing, elk jaar in de kerstperiode werd het filmpje “Dinner for one” uitgezonden en mijn ouders gingen er ‘voor zitten’
Een rijke Engelse dame die 90 wordt en, zoals elk jaar, vier van haar vrienden uitnodigt. De traditie gaat voort ook al zijn haar vrienden overleden. Een vorstelijk gedekte tafel staat klaar. De butler in pinguïnkostuum introduceert de “gasten” bij miss Sophie. Hij serveert de eerste gang en schenkt de glazen vol.

Bij elke gang vult de butler het glas van de “gasten” met het drankje dat miss Sophie wil. Hij heft het glas én drinkt het leeg, als plaatsvervanger van de overleden vriend, op de gezondheid van de jarige en doet dat ook met de andere drie glazen. Bij elke gang vraagt hij: “Same procedure as last year miss Sophie? 
‘Same procedure as every year James,’ antwoordt zij.
I’ll do my best.’

Gaandeweg het filmpje verliest de butler niet alleen zijn benul van etiquette, zijn waardigheid, maar ook zijn evenwicht. Hij is aardig in de olie en op een gegeven moment valt er niks meer van zijn woorden te maken ‘Sass cee durast ur ass?’ Nog een rondje drank waarbij zelfs de bloemenvaas aan de beurt komt. Hij haalt halsbrekende toeren uit om niet te struikelen over de kop van een tijger waarvan de rest van het lijf dienst doet als vloerkleed: ‘I’ll kill that cat!’

De reacties uit het publiek op het acteertalent van de ober zijn hilarisch en dat werkte aanstekelijk. Voor mij als kind was het zien van het filmpje ook lachwekkend, maar meer nog de synchroonfilm die in kleur en live naast me plaatsvond. Mijn vader kronkelde van het lachen met gierende uithalen en mijn moeder probeerde zo nu en dan de zin mee te lallen: ‘Same procedure as last year, miss Sophie?’


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander

© Vera Oor, 2023

Het schaap met één pootje


Column in Wijkblad Brakkenstein, december 2023

Wanneer iemand mij vraagt wat Brakkenstein is, omschrijf ik het als “een wijk in de stad Nijmegen, maar het voelt als een dorp”. Het kan korter: stadsdorp! Stadsdorp Brakkenstein! Dat dekt volledig de lading ben ik van mening (dank Tino Adolfs voor het bedenken van deze naam!).
 
In de jaren ’60 was er, ten opzichte van nu, een veelvoud aan bedrijven, een enorm lange lijst. Verkoop vanachter een schuifraam in een huiskamer tot thuisbezorging, van ‘op de pof’ tot contant betalen.
Waar werkelijk iedereen kwam, en wat velen nog betreuren dat die er niet meer is: Drogisterij Jacobs. Achteraf gezien had het beter ‘Vroom & Dreesman stadsdorp Brakkenstein’ kunnen heten. Ze verkochten werkelijk alles, van speelgoed tot pannen, van papier tot make-up, van snoep tot postzegels, van paaseieren tot kerstversiering.
 
Mijn vader was enkele dagen voor Kerstmis jarig en we mochten met mijn moeder een cadeautje voor hem uitzoeken bij Jacobs.
En wat doen kinderen als ze een cadeautje mogen kopen? Precies: ze kopen wat ze zelf leuk of mooi vinden. Meerdere verjaardagen kreeg mijn vader een ‘fantastisch’ zilverkleurig knijpvogeltje met een zijdeachtige lange witte staart voor in de kerstboom, of een kunstig versierd winterhuisje dat aan de kerstbalverzameling toegevoegd kon worden.
“Oh, wat hebben jullie een mooi cadeau uitgezocht. Dat heb ik altijd willen hebben.”
 
De weken vóór Kerst, magisch!
Koud, soms sneeuw, maar thuis brandde de kolenkachel met roodgloeiende kooltjes achter de micaruitjes.  De gordijnen ’s avonds dicht, de schuifdeuren naar de achterkamer gesloten en in de voorkamer stond: de kerstboom!
De geur van dennengroen en hars kwam ons tegemoet. Gezamenlijk hadden we de boom versierd en voorzien van de gekleurde lampjes, waarvan er een onder de boom zorgde voor een sprookjesachtige sfeer in het stalletje, dat mijn vader van grotpapier gecreëerd had.
Een voor een rolden we de beeldjes met zorg uit het papiertje waarin ze, soms vergezeld van ingedroogde dennennaalden, bijna een jaar lang hadden gewacht op de volgende Kerst.
Alle beeldjes die in het kerstverhaal thuishoren kregen een plaatsje in de stal of eromheen.
Het sprak tot mijn verbeelding: ik waande mezelf tussen de warme lijven van ezel en os, achter het kribje, met een lammetje in mijn armen.
Verderop stonden de drie koningen met hun kameel. De herders met hun schapen rond de grot.
Eén schaapje kreeg speciale aandacht: het had drie pootjes verloren in het verleden. Toch kreeg het elk jaar een plekje, leunend tegen zijn soortgenoten of tegen de herder.
Er kwam geen nieuwe voor in de plaats.
 
Zelfs drogisterij Jacobs kon niet voorzien in een nieuw compleet schaapje met vier poten, dat paste bij de rest.
 
Inmiddels, tientallen jaren later, pak ik de schoenendoos met daarop nog het handschrift van mijn moeder ‘Kerststal’ . Ik rol dezelfde oude beeldjes uit het papier en zet ze in mijn verlichte kerstomgeving, geen grot maar op een robuust stuk hout.
Het eenpotige schaapje ligt dicht bij de herder en haar soortgenoten in het groene mos.
En ik? Ik ben weer even betoverd en ruim 55 jaar terug in de tijd.
 
 ©Vera Oor, 2023

Een restje vis?

De stortregen van de afgelopen tijd haalde een herinnering in me boven bij wat ik na afloop van een kletsnatte marktdag ooit zag, vanachter een raam waar ik mijn koffie dronk.

Vanuit de beschutting van een steegje sjokte een man de straat over naar het inmiddels verlaten marktplein. Zijn grijze regenjas kwam tot net boven de knie en was scheef dichtgeknoopt. De marktkooplui waren weer vertrokken. Wat resteerde op de natte keitjes waren de stille getuigen van de markt die wachtten op de veegmachine: platgetrapt fruit, natte peuken, papiertjes, plastic zakken.

De man schuifelde verder. Zijn rechterschoen miste de veter, het water kon vanaf zijn broekspijp zo de schoen in druppen. Hij liep enigszins voorovergebogen en trok een boodschappentrolley met zich mee. Een wieltje ontbrak waardoor hij het stuiterende wagentje meer meesleepte dan dat het achter hem aanrolde. Moeizaam liep hij door.

Op de plek waar de viskraam had gestaan, puilde de prullenbak uit met witte plastic bakjes en papieren servetjes, die visliefhebbers daar achter hadden gelaten na het eten van hun gebakken visje of haring. Eromheen hadden zich al wat vogels verzameld om restjes op te pikken.

De man liet de trolley los, veegde enkele natte plukken haar uit zijn gezicht naar achteren en viste iets uit de prullenmand. Hij haalde zijn vinger door een plastic bakje en likte die af. Voorzichtig doorzocht hij het andere afval en at zo nu en dan iets op, een restje vis? Hij boog zijn hoofd achterover om de laatste druppels uit een opgediept blikje te kunnen opvangen. Nog even zocht hij door, maar vond denk ik verder niks meer van zijn gading. Hij veegde zijn handen af aan zijn jas, pakte zijn trolley en sjokte verder. Naar de prullenmand naast de plek waar de snackwagen even daarvoor had gestaan. 


Gepubliceerd op pagina Gastschrijvers Gelderlander

De sneeuwbol

 
Even ontsnappen aan deze wereld. Ik wil het even niet meer horen, ik wil het even niet meer zien.
Ik heb soms het gevoel dat ik overspoeld word door woeste golven van berichten over schietpartijen, explosies, agressie, oorlog, natuurrampen. Leed, dat niet voor te stellen is omdat ik het zelf gelukkig niet meegemaakt heb maar waarvan de beelden mijn netvlies vullen.
Is het struisvogelgedrag als ik me er voor af wil sluiten en heel even een tijdreis wil maken: onbezorgd, veilig in een kinderwereld waar het mogelijk is om te verdwijnen in een fantasiewereld. 

‘Nou kom op dan, stap achterop,’ hoor ik ineens een piepklein stemmetje.
Ik kijk verdwaasd om me heen en mijn oog blijft rusten op de sneeuwbol, die ik even geleden heb omgedraaid en waar nu de laatste witte vlokjes neerdwarrelen.
Zie ik het goed? Beweegt er nu iets in die sneeuwbol?
Ik hoor getik tegen glas. Nou moe, het is dat kerstmannetje die op de wand van de glazen bol tikt.
‘Kom maar, pak mijn hand,’ en er komt een wit gehandschoende hand door het glas naar buiten.
Nee dit kan niet, maar o wat zou het fijn zijn als dit werkelijkheid was. Ik geloof zo nu en dan echt in sprookjes.
Ik wijs naar het kerstmannetje.
‘Praat u nou tegen mij?’
‘Ja hoor, kom op,’ en hij pakt mijn vinger.
 
Plof, daar zit ik tussen een enorme stapel pakjes achter op de arreslee en ik voel dat we vliegen.
De bellen aan de slee en aan de teugels van de rendieren klingelen op de beweging van de wind. Onder me trekt een sneeuwlandschap voorbij en zo nu en dan zie ik een nieuwsgierig hondje naar boven kijken. Het valt me op dat er bijna geen auto’s rijden. De huizen staan verspreid door het landschap en uit de schoorstenen kringelt rook omhoog.
We naderen een dorp. Meerdere huizen staan rondom een kerk met een groot plein ervoor. De kerkklokken luiden en, ondanks dat het donker is, zie ik haarscherp de mensen lopen. Dik ingepakt met handschoenen en mutsen. Een enkeling draagt zelfs een bontjas.
Ze lopen de kerk binnen, die haar deuren uitnodigend open heeft staan en sfeervol verlicht is. De orgelmuziek verwelkomt de binnenkomers.

De nachtmis gaat beginnen en de kerkdeuren sluiten. Een diffuus gezang komt door de muren en glas-in-lood-ramen nog naar buiten: oude kerstliederen die door iedereen in de overvolle kerk worden meegezongen.
De arreslee glijdt verder door de sterrennacht boven de antennes van de huizen. De meeste huizen hebben de gordijnen stevig gesloten, maar zo nu en dan zijn de bewegende beelden van een kleine zwart-wit televisie te zien.
 
De kerk is uit en de kerkgangers lopen naar huis. We zweven nu boven mijn ouderlijk huis.
Er komt me een heerlijke geur van saucijzenbroodjes tegemoet. Saucijzenbroodjes om weer lekker warm te worden na de nachtmis in een onverwarmde kerk. Het lukt me niet om in de keuken te kijken, de ramen zijn helemaal beslagen.
Iets erboven kan ik nog net door een van de slaapkamerramen naar binnen kijken. Het eerste begin van ijsbloemen op de ruiten begint zichtbaar te worden.
Goh, mijn slaapkamer. Wat is hij klein, in mijn herinnering was hij groter. Wel herken ik het bed met daarover de AaBe-deken in een vierkant patroon. Op de rieten mat naast het bed, staat de stoel met mijn kerstkleren klaar voor de volgende dag.
Ademwolkjes stijgen op vanaf het kussen. Daar lig ik, tussen de stijve lakens en de bijna krakende deken van de kou. Ik kijk achterom of de arreslee nog steeds zichtbaar is. Ja, hij staat te wachten op het balkon.
 
Het sprookje duurt nog even voort en de arreslee glijdt tot voor het huis. Door een spleetje tussen de gordijnen in de erker kijk ik de huiskamer in.
Een mooie kerstboom met gekleurde lichtjes en rode en zilveren ballen. Onder de boom een gecreëerde grot, met figuurtjes uit het kerstverhaal. Een van de kerstlichtjes geeft de grot een sprookjesachtig aanzien. Mijn vader speelt kerstliedjes op de piano en mijn moeder neuriet mee.
Ik neem het tafereel in me op, adem de sfeer en geniet.

Na wat een eeuwigheid lijkt wenkt de witte handschoen me. Het kerstmannetje maakt me duidelijk dat het tijd is om te gaan en om weer achterop de slee te stappen. Hij trekt me de sneeuwbol in.
Plof, daar zit ik op mijn bank. De hondjes lijken niet eens gemerkt te hebben, dat ik weg ben geweest. Die liggen nog net zo te slapen als toen ik vertrok. De kaarsen zijn nog aan.
Op tafel staat de sneeuwbol met het kerstmannetje in zijn arreslee.
Volgens mij liggen in de koelkast nog saucijzenbroodjes.
 
 

Piani

Gejaagd loop ik de stationshal binnen, ik klap mijn paraplu in en baan me een weg tussen de mensenmassa door. De aansluiting met de trein is haalbaar, maar dan moet ik wel flink door kunnen stappen en dat is nogal eens een uitdaging op dit drukke station.
Zo snel als wel mogelijk is, loop ik naar de roltrap die me naar perron 4 op -1 brengt. Ja, gehaald. Ik ben op tijd zie ik op mijn horloge dat 12.51 aangeeft. Het helder verlichte blauwe bord met reisinformatie geeft aan: 12.52 Sprinter Nijmegen Centraal + 20 minuten. Gatverdarrie, dit betekent dat ik te laat zal zijn voor mijn afspraak. Een andere verbinding is er niet, in ieder geval niet zodanig dat ik de tijd in kan halen.

Ergens onder uit de tas vis ik mijn telefoon op en app degene met wie ik een lunchafspraak heb om te laten weten dat ik later zal zijn. Bah, dit past zó niet bij mij. Ik ben altijd op tijd en als dat een keer niet zo is, is het buiten mijn eigen invloedssfeer om, zoals nu.
Zoals altijd onder enige stress, dringt zich een behoefte aan zoetigheid aan me op. Boven ben ik wel langs een broodjeszaak gelopen, maar een broodje met dikke hagelslag hoef ik hier niet te verwachten. Nee, geen bezoek aan de broodjeszaak dus.
Verlekkerd loop ik langs de uitstalling met zoetigheid in de supermarkt to go.
KitKat: ‘Have a break, have a KitKat’ dient ergens vanuit mijn geheugen een reclameslogan zich aan. ‘Milky Way is favoriet, het bederft je eetlust niet’.
Voor de verplicht ingelaste break en om te voorkomen dat ik straks bij de lunch minder trek heb, wat me onwaarschijnlijk lijkt, koop ik van beide soorten een reep.
 
Ik voel er weinig voor om op het tochtige perron te wachten. Op een van de bankjes in de stationshal zit slechts een persoon, dus ik hoef niet stijf rechtop en ingeklemd te zitten tussen onbekenden in kletsnatte kleding. Ik ontdoe de KitKat voor de helft van zijn verpakking en neem de eerste hap. Het scheelt maar weinig of ik verslik me als ik in een keer een oorverdovend lawaai hoor.
Och ja, die stationspiano. Zeker weer zo iemand die denkt dat hij Wibi Soerjadi is, maar alleen de vlooienmars kan spelen. Ik zucht eens diep en kijk verstoord die kant op. Wat een vreemd figuur zit er achter die piano. Een houten klaas die hoekige bewegingen maakt tijdens het spelen van: de vlooienmars! Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn ergernis en ik loop ernaartoe om die snuiter eens wat beter te bekijken.
Is Pinoccio tot leven gekomen en zit hij hier nu aan de piano? Houten onderdelen, verbonden door scharnieren ter hoogte van enkel en knie, vormen de benen. Die hangen bungelend en slungelig boven de pedalen die hij met de voeten niet aan kan raken, laat staan intrappen. De handen en vingers zijn ook al van die scharnierende klosjes en daarmee timmert hij driftig op de toetsen. Ik dénk wel hij, of is het een zij? Gekleed in een knalrood jasje, een mutsje met een groene veer en een rokje.
Ik geloof in sprookjes en wil hier toch echt meer van weten.
 
‘Hallo, ben jij Pinoccio?’ roep ik, wanneer ik naast de pianokruk sta en probeer boven het geluid uit te komen.
‘Nee hoor dat ben ik niet,’ krijg ik als antwoord zonder oogcontact te krijgen.
 De neus wordt niet langer. Dat betekent dat hij, of zij, niet liegt. Bij Pinoccio groeit de neus immers als hij liegt.
‘Je lijkt anders wel heel veel op hem zeg,’ begin ik mijn volgende gespreksopening.
‘Kan kloppen. Ik ben zijn nichtje Piani, ook uit Italië. Gepetto heeft mij gemaakt.’
De neus groeit niet.
Dus toch een zij! Ze praat verder, nog steeds zonder mij aan te kijken en met haar ogen gefixeerd op de toetsen: ‘Ik geef les in pianospelen op de muziekschool.’ De neus groeit.
‘Ik treed ook regelmatig op.’ De neus groeit niet.
‘En ik… hier, ik zal je krijgen zwarte pestkop! Dit keer ontsnap je de vlooiendans niet!’
Dan zie ik waarom de klosjeshanden zo ongecontroleerd heen en weer vliegen. Een vlooitje springt van toets naar toets, maakt een lange neus naar Piani en steekt een roze minitongetje uit dat afsteekt tegen zijn zwarte lijfje.
‘Pak me dan, ik ben lekker toch sneller,’ klinkt een irritant scherp stemmetje, afkomstig van de vlo, die een volgende hink-stap-sprong maakt van witte naar zwarte toets.
Piani timmert gefrustreerd nog harder op de toetsen en begint te huilen. Lange strepen beits lopen uit over haar rode jasje. Met haar houten schoentjes schopt ze boos tegen de pianokast aan.
‘Kan ik je ergens mee helpen?’ vraag ik benepen. Inmiddels begin ik me aardig ongemakkelijk te voelen met de situatie. Andere reizigers vormen een kleine kring om ons heen.
Piani maakt zich klaar om een volgende rammelbeurt weg te geven, terwijl het irritante zwarte gevalletje op en neer springt.
‘Sst, kan het wat zachter, pianissimo, alsjeblieft? ’ vraag ik met enige stemverheffing om boven de herrie uit te komen.
 
‘Wil jij het circus hieronder uit de doos pakken?’ krijg ik een tegenvraag, terwijl onderwijl een aantal toetsen weer mishandeld worden.
‘De watte?’ vraag ik.
Ik kijk in de doos onder de pianokruk en zie een fraai gekleurde blikken mini circustent staan. Voorzichtig til ik het speelgoed, want dat is het volgens mij, uit de doos. Ik laat het van schrik zowat weer uit mijn handen als ik geluidjes hoor, hoorbaar boven de punt van de tent. Ik loer naar binnen door een van de doorzichtige stukken in het dak. Het lijkt wel een kijkdoos, maar dan een die leeft!
Inmiddels kijk ik nergens meer van op en mijn ergernis over de vertraagde trein is weggevaagd. Mijn blik is gevangen door het blikken circus waarin ik nu een trampoline zie met daarop springende vlooitjes. Een zwarte kat dirigeert de acrobaatjes met een lange zweep in de hand en een toeter aan zijn bek.
‘Dames en heren, de voorstelling is afgelopen. Graag uw applaus.’
Alle vlooitjes buigen diep voor het publiek en springen uit beeld.
‘Aan de kant. Ik heb hem,’ tettert Piani in mijn oor, terwijl ze me een stomp in mijn zij geeft.
Mijn rode knisperende KitKatpapiertje dat ik op de piano had laten vallen, heeft zij gebruikt om de ontsnapte vlo te vangen. Voorzichtig opent ze de luifel van de tent en schuift de vlo naar binnen en geeft hem onderwijl een fikse tik op zijn billen. De vlo springt weg en krijgt de schijnwerpers op zich gericht. Hij staat notabene midden op de trampoline, in zijn eentje. Een groot applaus van het publiek valt hem ten deel, die denken dat het een toegift is.
Piani springt van de kruk en kijkt me kort aan. ‘Dank u mevrouw voor de hulp. Nu moet ik rennen naar perron 4 want daar vertrekt mijn trein naar Nijmegen over enkele minuten. Ik heb daar vanavond een optreden.’
Met slingerende benen en onder de arm de doos met het vlooiencircus maakt zij zich uit de voeten. Het klip-klap-geluid van de houten voetjes verdwijnt geleidelijk aan.
De lunchafspraak zal nog iets later worden, want deze trein ga ik echt niet meer halen.
Gelukkig heb ik nog een Milky Way.

©2023 Vera Oor

Het paard van Sinterklaas is ziek

 


Op het dorpsplein, dicht bij de kerk en bij de kinderopvang staat een prachtig, levensecht beeld van Sinterklaas. De kinderen van de opvang lopen deze dagen met open monden rond de sokkel en bekijken Sint eens goed. Ze voelen zo nu en dan aan zijn staf en aan zijn rode mantel. 
Sinterklaas zit met zijn handen in zijn haar onder de mijter. Zijn schimmel is verkouden geworden. Die staat nu in de stal bij de paarden van een grote manege, zodat hij droog en warm staat, maar het ziet er niet naar uit dat hij vanavond op pad kan gaan. 
De Sint zelf voelt zich ook niet helemaal topfit en ziet er tegenop om op zijn sokkel op het dorpsplein te staan. Het liefst zou hij af en toe even in een bed kruipen.
O, o, wat een toestand. Net nu ze ‘s avonds over de daken moeten lopen om samen met de pieten allemaal lekkers in de schoenen te stoppen.
 
De pieten hebben het maar goed. Ze hebben een prachtig warme slaapplek gevonden in een hooimijt bij een afgelegen boerderij waar ze overdag kunnen slapen, zodat ze ’s avonds uitgerust op pad kunnen. Niemand die ze daar zal storen tijdens hun slaap overdag. Ze worden in slaap gezongen door de kakelende kippen en tegen de avond worden ze wakker gemaakt door de kriebelende snorharen van de muizen die volop aanwezig zijn in de stal.
Van die muizen krijgen ze een stevige maaltijd van paddenstoelen die ze geplukt hebben en van graankorrels die ze tussen het kippenvoer uitgezocht hebben.
 
Sinterklaas heeft de hulp ingeroepen van de pastoor.
‘Pastoor, wilt u eens gaan vragen bij herberg De Drie Koningen of er daar misschien een bed voor mij is, waar ik af en toe een beetje warm kan worden en kan uitzieken?’
‘Natuurlijk Sint,’ en weg is de pastoor, naar de herberg.
Even later komt hij terug en laat een opgeluchte Sinterklaas weten dat hij altijd welkom is in de herberg en dat er een bed voor hem klaar staat. Als hij drie keer met de staf op de deur klopt, zal de eigenaresse de deur openen en hem zijn bed laten zien. Sinterklaas verheugt zich al op een warm bed en zodra de kinderen van de kinderopvang naar binnen zijn, vertrekt hij naar de herberg.
Daarmee is één probleem opgelost. Maar hoe moet het nu verder zonder het paard?
 
Het nieuws verspreid zich al snel in het klooster en alle paters denken mee over een oplossing. De paarden van de manege kunnen niet ingezet worden. Die moeten zich voorbereiden op een belangrijk concours en moeten volledig uitgerust zijn. Bovendien hebben ze geen ervaring in het lopen over de daken. Daarvoor moet een paard echt eerst een cursus volgen, maar de tijd is veel te kort om dat nog te leren.
Zodra de avond begint te vallen, klinkt er een zacht geruis in het dorp en dat geluid gaat naar het slaapkamerraam van de Sint. Hij wordt wakker van getik tegen de ramen en komt zijn bed uit. Hij voelt zich gelukkig een heel stuk beter. Heel langzaam schuifelt hij in zijn nachthemd naar het raam en opent het.
 
En daar…pal voor het raam, zweeft een fakir. Hé, die ken ik, denkt Sinterklaas, die heb ik wel eens gezien in de Efteling. De fakir neemt zijn tulband af en buigt voor Sinterklaas.
‘Sint, een van de paters heeft mij benaderd. Hij gelooft in de magie van het zwevende tapijt omdat hij lange tijd in het Oosten gewerkt heeft. We hebben een oplossing voor uw probleem gevonden.’
Nieuwsgierig informeert Sinterklaas naar wat die oplossing dan wel is.
‘U mag ’s nachts mijn tapijt lenen,  u kunt daar op zitten en zelfs nog wat cadeautjes en snoepgoed op zetten. Zo kunt u toch boven de daken komen.’
‘Oh, mijnheer de fakir, dat zou een prachtige oplossing zijn, maar ik heb geen vliegbewijs voor een tapijt.’
‘Dat is niet zo moeilijk. Ik zal het u leren. Stap maar achterop.’
Sinterklaas slaat zijn mantel goed om zich heen, trekt zijn handschoenen aan en stapt uit het raam, bij de fakir achter op het tapijt. Hij klemt zijn armen goed om de fakir heen wanneer ze langzaam opstijgen voor de vliegles. Natuurlijk weet alleen Sinterklaas hoe die vliegles in zijn werk is gegaan, want anders zouden anderen het vliegend tapijt ook wel eens willen gebruiken.
Ondanks zijn hoge leeftijd leert hij snel en enthousiast vliegt hij naar de boerderij waar hij de Pieten bij de hooimijt wakker trommelt. Die denken dat ze verkeerde paddestoelen hebben gegeten en dingen zien die er niet zijn. Een zwevende Sinterklaas?
‘Pieten,’ zegt hij, ‘we gaan er een mooie avond van maken en gaan de schoentjes vullen. Ik verwacht dat het paard wel snel op zal knappen, maar tot die tijd kan ik in ieder geval met jullie mee op pad.’
En daar vliegt hij weg, statig zittend op het tapijt met zijn staf naast zich neergelegd. Hij houdt zijn mijter vast, zodat die niet afwaait. De pieten rennen achter hem aan met hun zakken vol pakjes.
 
De wortels en tekeningen die in de schoenen klaargelegd zijn, nemen de pieten mee. De wortels brengen ze naar de manege waar de schimmel ze deelt met de andere paarden en Sinterklaas deelt de tekeningen die hij gekregen heeft met de fakir. Dankzij alle goede zorgen, zijn Sinterklaas, de Pieten en de schimmel op pakjesavond weer helemaal topfit.

©2023, Vera Oor

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...