Schooiertje?

Wat mot dat hier?’
Het kleine jochie duikt in elkaar als hij de barse stem achter zich hoort en hij aan zijn rafelige das achteruit getrokken wordt. 
‘Maak dat je wegkomt. Schooiers horen hier niet thuis.’
Freek wringt razendsnel zijn hoofd uit de das, draait zich om en rent weg over de gladde straatstenen. Weg van de uitnodigende etalages. Hij kijkt een keer naar achteren, bang dat de man achter hem aan komt. Achterom kijken en hard vooruit lopen gaan niet samen. Al na enkele meters glijdt de jongen uit en valt voorover op de natte, harde ondergrond.
De jongen krabbelt overeind en voelt als eerste aan zijn jaszak. Ja, hij heeft ze nog. 
Hij knijpt zijn lippen op elkaar en verbijt de pijn over de schaafwond op zijn handpalm. Er is geen tijd om ernaar te kijken. Met de hand beschermend over de inhoud van de jaszak, loopt hij snel verder, daarbij voor zich uitkijkend. Tussen de huizenrij en de enkele auto op straat, volgt hij de smalle stoep. De zwarte druppels van de opspattende sneeuw onder de autowielen besmeuren zijn gezicht waardoor het lijkt of hij nu, met zijn zeven jaar, al baardstoppels heeft. 
Voetgangers lopen hem voorbij. Een enkeling bekijkt hem alsof hij een rat is die uit de goot is komen kruipen. 

Niet veel later duikt hij een donkere steeg in en is amper nog zichtbaar in de bedompte en duistere sfeer van de straat. Huisvuil slingert links en rechts,  onkruid woekert welig tussen de opengebarsten voegen van de huizen. De stank van verrotting en de armoe in deze straat blijft hangen. 
Aan het eind van deze straat slaat Freek linksaf. Tussen twee huizen door loopt een smal zandpad naar de achtertuintjes. Freek komt bij een manshoge poort, die scheef in zijn scharnieren hangt en kraakt als hij hem openduwt. 
De aanblik van de afgebladderde kozijnen laat nog een zweem van de oorspronkelijke kleur zien. Een kleur die herinnert aan tijden dat er nog geld was om verf te kopen. Een tijd die Freek niet heeft gekend. 
Hij duwt de keukendeur open waarna hem even de adem benomen wordt door de zurige lucht die er hangt. In de kleine kamer, die tegelijkertijd dienst doet als keuken, slaapkamer en washok, ligt iemand op bed. 
‘Mam, ik ben er weer. Kijk eens wat ik voor je meegenomen heb,’ fluistert kleine Freek als hij naast het bed staat. Elke keer opnieuw hoopt hij dat zijn moeder iets beter wordt, maar ook elke keer opnieuw wordt hij daarin teleurgesteld. Op die momenten wordt hij overvallen door een allesoverheersende angst om hier alleen achter te blijven om te wachten op zijn vader, die op de grote vaart zit. Niemand weet wanneer het schip de thuishaven weer aan zal doen. 
‘Mam, ruik eens.’ Voorzichtig beweegt het jochie een geelrode, rijpe pruim voor haar neus. 
Moeizaam opent ze haar ogen een beetje. Ze snuffelt als een konijntje aan de vrucht, niet in staat om haar mond te openen en er een hap van te nemen. 
Freek bijt er een klein stuk van af en proeft de zoetigheid van enkele druppels die in zijn mond blijven hangen. Het afgebeten stukje houdt hij tegen de mond van zijn moeder en wrijft het langs haar droge lippen.  het gele vruchtvlees. De glimlach is amper zichtbaar, maar Freek leeft op als hij deze poging ziet. 
‘Ik ga zo eerst nog wat houtjes zoeken, dan kan ik de kachel stoken.’ 
Zijn moeder hoort het al niet meer en verdwijnt in een koortsige droom. Het rochelende geluid van haar ademhaling, beneemt hem de adem. Niet doodgaan, mama, dan heb ik niemand meer, denkt hij en vlucht naar buiten. 

Als een opgejaagd stuk wild rent hij door de straten en bukt bij elk klein stukje hout, dat hij ziet liggen. De jute zak die hij heeft meegenomen, biedt nog plaats aan heel veel meer hout. Hout dat net zo zeldzaam is geworden als een witte boterham. Iedereen is op zoek naar de mogelijkheid om hun vochtige, bedompte woningen enigszins te verwarmen. Alleen al de aanblik van de vlammetjes die aan het hout likken, zijn soms al voldoende om te zorgen dat één moment een warmte gevoeld wordt die er niet is. 
Freek wil en stuk hout oprapen als hij ineens een appel ziet liggen. Zomaar op straat. Hij grist hem van de straat. Dan botst hij ergens tegenaan. Zijn das is hij al kwijtgeraakt tijdens de strooptocht langs de kramen waar fruit uitgestald lag. Nu is zijn kraag het handvat waaraan hij omhooggetrokken wordt. Dit keer geen harde, snauwende stem, maar een warme mannenstem. ‘Zo jochie, zo’n haast dat je mij niet zag?’ 
Freek probeert zich los te rukken. Zonder resultaat. 
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik doe niks, hoor. Die appel is half verrot, die kun je niet opeten.’ 
‘Die is voor mijn moeder,’ zegt Freek terwijl hij het idee heeft dat hij tegen een reus praat. De man torent hoog boven hem uit en de zwarte, hoge hoed die alleen voorname mensen dragen, maken hem nog langer en indrukwekkender. 
Een gevoel van machteloosheid en uitzichtloosheid overvalt Freek en hij barst in huilen uit. De zwarte sneeuwspetters op zijn gezicht lopen uit in lange strepen over zijn wangen. 
De zachte aanraking van zijn wang door de gehandschoende hand van de man voelt als een warme omhelzing, die ondersteund wordt door de belangstellende vraag: ‘Wat heeft je moeder?’
Freek antwoordt zacht: ‘Ze hoest heel erg. Soms kent ze mij niet eens. Ze is heel erg warm en af en toe voelt ze nat aan.’ 
‘Dat klinkt als longontsteking. Dat heerst. Ik ben dokter. Wil je mij naar je moeder brengen, zodat ik haar kan bekijken?’
Freek schudt zijn hoofd. ‘Wij hebben geen geld voor een dokter, mijnheer. Mijn vader is op zee.’
De arts stelt hem gerust door te zeggen, dat kijken niks kost en loopt achter Freek aan door de buurt, die anderen mijden. 
Hij neemt zijn hoed af als hij het huis binnengaat en naar de vrouw loopt. Hij weet na een kort onderzoek meteen dat het geen longontsteking is. De vrouw is zich niet eens van zijn aanwezigheid bewust. 
‘Jongen, hoe heet je eigenlijk?’
‘Freek, mijnheer.’ 
‘Freek, je moeder heeft geen longontsteking, maar ze heeft een zware kou te pakken. Ik ga nu terug naar mijn praktijk om medicijnen te halen en dan kom ik hier terug. Ze zal daarmee snel opknappen, verwacht ik, mijn jongen. Wil je wel met me meelopen, want ik voel me hier een dief in de nacht, in deze straten zonder verlichting.’
Hij kijkt naar de jongen, die verstijft en hem met grote, angstige ogen aankijkt. Onmiddellijk begrijpt hij wat de reden daarvan is en stelt hem gerust: ‘Dat is slechts beeldspraak. Ik ben onbekend in deze buurt en ben bang om te verdwalen en onverwachte situaties tegen te komen.’

Weken later is Freek er weer op uit getrokken om hout te verzamelen. Zijn moeder is hersteld van de kou maar nog heel zwak. Hij probeert zo goed als mogelijk de man in huis te vervangen. In de verte hoort hij scheepstoeters, die galmend over het water de havenstad binnendringen. 
Hij slingert de jute zak op zijn rug en rent zo hard hij kan naar de haven. Hij tuurt over het water en ziet de contouren van een groot, zeewaardig schip. 
Naast hem doemt een lange man op, met een hoge hoed. 
Glunderend kijkt Freek omhoog: ‘Mijn vader kan u misschien betalen.’
De man kijkt tevreden naar de kruin van het jochie, die zijn blik weer op het water richt. ‘Hoeft niet.’
Als Freek omkijkt, is de man verdwenen.

©Vera Oor, 2025

De etalage van de kringloopwinkel

 

Het heeft zich snel rondgepraat dat de etalage van de kringloopwinkel een belevenis op zich is en daar komen de kerstliefhebbers massaal op af.
Het nabijgelegen tuincentrum ziet zijn klanten ‘overlopen’ naar deze concurrent.
In oktober heeft de kringloopwinkel een oproep gedaan om overbodige kerstspullen in te leveren, vooral kerstballen willen ze graag hebben. En daar is massaal gehoor aan gegeven. Al die ballen uitstallen was onbegonnen werk en daarom heeft de bedrijfsleiding ervoor gekozen een ‘ballenbak’ klaar te zetten. Er staat een groot bord bij: 3 ballen voor een euro. Alle kleuren en groottes liggen in de bak.

‘Schuif op, ik wil bovenin liggen,’ en met een hoop geduw en getrek lukt het een knalgele bal om een plekje hogerop te veroveren. ‘De mensen zijn op zoek naar bijzondere kleuren en vormen. Rode en zilveren ballen zijn niet meer van deze tijd.’
Beteuterd kijken kleine rode balletjes elkaar aan. Ze verdwijnen meer en meer naar de onderkant van de bak. De zilveren ballen vergaat het al niet anders. Ze zijn het wel gewend. De afgelopen jaren zijn ze al vaak van eigenaar gewisseld. Vrijwel niemand wilde nog een ‘traditionele’ kerstboom.

‘Zo gaat het ook bij de mensen,’ snottert een rode bal, ‘zodra ze oud zijn, tellen ze niet meer mee. Ik ben jaar in, jaar uit, met zorg behandeld door mijn eigenaren. Voordat ik in de boom gehangen werd, werd ik gepoetst zodat de kaarsvlammetjes in de boom overal weerkaatsten. Na de kerstperiode werd ik in een zacht papiertje gerold en voorzichtig in de doos gelegd. De doos die net zo oud was als ik: met allemaal vakjes om te zorgen dat we elkaar niet beschadigden. Uiteindelijk kwam ik niet eens meer de doos uit en heb ik jaren in het donker op een zolder gelegen met allerhande andere spullen uit “de erfenis van opa en oma” zoals we genoemd werden.’
Uit de hoek van de zilveren ballen komen dezelfde verhalen, allemaal afgedankt omdat ze oud zijn, beschadigingen hebben of de verkeerde kleur.

Eén rode bal neemt de leiding en onderneemt actie. Hij roept de rode en zilveren ballen op om mee te werken.
‘Onze oude eigenaren hadden al een heel leven achter zich, net als wij. Maar juist deze oude mensen hebben veel te vertellen. Er is gelukkig veel veranderd en oudere mensen worden “gehoord”. Hele verhalen worden opgetekend om herinneringen aan hen levend te houden. Rimpels worden niet meer gezien als verschrompeld, maar als een uiting van een “eerbiedwaardige leeftijd”. Hun verhalen worden niet meer gehoord als de zoveelste klaagzang, maar als het verhaal “van iemand met levenservaring”. Bepaalde karaktereigenschappen worden niet afgedaan als nukkig of seniel, maar als signalen van “getekend door het leven” en zo kan ik nog wel even doorgaan.'
Aangemoedigd door een luid applaus vervolgt hij zijn betoog: 'Dat geldt ook voor ons. Hier en daar ontbreekt misschien een stukje glans, de kleur is niet meer zo fel, de grootte is niet altijd wat men zoekt, ons ophanghaakje is in een doos blijven liggen, maar… beste ballen, dat gaan we veranderen. We gaan ons laten zien.’

De bal vertelt zijn plan en in één nacht hebben ze het gerealiseerd. Met hulp van meubilair, gereedschappen, watten, piepschuimbolletjes en wat al niet meer in een kringloopwinkel te vinden is, hebben ze een metamorfose teweeggebracht in de saaie etalages. Meerdere scenes zijn er uitgebeeld die doen denken aan kerstmis: een sfeervolle huiskamer met kaarsen en haardvuur; een uitpuilende garderobe met mutsen, jassen, wanten en dassen; een keuken met dampende potten en pannen en zelfs een poffertjespan; een kampvuur in de sneeuw.
Een van de etalages zal ongetwijfeld heel veel kinderen aanspreken: allerhande knuffels, beertjes, poppen die rond en op een bed in de kinderkamer staan. In al deze scenes speelt een flonkerende kerstboom de hoofdrol, versierd met … rode en zilveren ballen. Enkele ballen, die veel beschadigingen hadden, zijn weer verfraaid met kleine plakplaatjes van sterretjes. Dat geldt ook voor de eerder nog snotterende rode bal.
Triomfantelijk speelt deze ook een rol in een van de bomen en hij warmt zich aan de belangstelling van de enorme hoeveelheid langslopende klanten

©Vera Oor, 2025

De Kerstvoorstelling



Ik had meegedaan aan een schrijfwedstrijd: een magisch kerstverhaal, met een link naar Den Bosch. 
Georganiseerd door KerststallenDenBosch.nl
Samen met 49 anderen is mijn verhaal uitgekozen en geplaatst in de bundel "Een Bossche Kerst".
Dit is mijn verhaal daarin:

‘Kom op, Gerritje, we moeten nu echt weg anders zijn we te laat,’ roept Christien naar haar zeven jaar oude dochtertje.
‘Ik moet mijn kroon nog hebben, die ligt nog bij oma in de kamer,’ roept Gerritje terwijl ze weer naar binnen rent. Even later sleept ze een plastic tas mee naar buiten, naar de auto.  
Ze zwaait nog even naar haar oma, die achter het kamerraam staat te zwaaien. 

Oma Gerdie kijkt de auto na als die de straat uitrijdt en zingt zachtjes: ‘Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje.’ 
‘Nou, laat dat lieve vandaag maar weg,’ mompelt Herman, haar man, vanachter zijn krant. ‘Jeetje, wat was dat kind druk vandaag.’ 
Gerdie glimlacht maar een keer en vergoelijkt zijn opmerking: ‘Ach, Gerritje is gewoon zenuwachtig. Vergeet niet dat ze voor de eerste keer meedoet aan zo’n toneelvoorstelling. Ze was misschien niet heel erg lief vandaag, maar in ieder geval zoet.’ 
Ze denkt even terug aan het glunderende snuutje van haar kleindochter toen ze de eerste zelfgebakken kerstkransjes voorzichtig van het bakblik afpakte. Licht goudbruin met amandelschaafsel en een beetje kandijsuiker. De zoete geur was te verleidelijk voor Gerritje om er niet enkele in haar mond te stoppen toen ze enigszins afgekoeld waren. 

Zo! neemt Gerdie zich voor en stalt de dozen met kerstballen op tafel uit. De donkergroene naalden van de kerstboom roepen, zo lijkt het, om versierd te worden en de geur van de hars drijft Gerdie’s neus binnen.
Elke bal rolt ze zorgvuldig uit het vloeipapiertje voordat die een plaatsje krijgt aan een van de takken. Met een van de versiersels blijft ze enige tijd in haar handen staan. Het zilverkleurige vogeltje 
met de zijde-achtige staart houdt ze zorgvuldig vast bij de knijper waarmee het vastgezet kan worden aan een tak. 
Herman ziet de traan die langs haar wang glijdt. Hij staat op uit zijn stoel en gaat naast haar staan. Ook op hem mist het vogeltje zijn uitwerking niet: ‘Erna’s vogeltje. Ze was zo trots dat ze dit voor mijn verjaardag had mogen kopen. Ik zie haar nog staan terwijl ze de staart aaide.’
Hun beider gedachten gaan terug in de tijd. Erna, hun dochtertje dat op zevenjarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van een longontsteking. Erna, die eigenlijk zoveel lijkt op Gerritje: haar rode haren, de onuitputtelijke energie en de onbevangenheid van een kind. Als Erna lachte, klonk dat zo aanstekelijk dat iedereen wel met haar mee ging lachen, of ze nu wilden of niet. 
Erna zou dat jaar als kerstengel mogen spelen in een optreden dat de kinderen hadden voorbereid voor hun ouders. Wie had kunnen denken, dat ze daadwerkelijk een engel zou zijn op het moment dat het spel werd opgevoerd. Herman en Gerdie hebben de uitvoering niet bijgewoond, een uitvoering zonder Erna zou te confronterend zijn. 

Als Gerritje eind van de dag nog even met haar moeder naar opa en oma gaat, straalt ze helemaal. De repetitie is goed verlopen en ze drukt haar opa en oma op het hart om morgen op tijd in de St. Jan te zijn. Om 15.00 uur begint de toneelvoorstelling en de familie van de toneelspelers mag vooraan in de banken zitten. 

En daar zitten ze nu in de derde bank. Herman en Gerdie hebben goed zicht op het toneel. De betoverende sfeer van Kerst zindert tussen de kerkbanken door als de organist enkele kerstliedjes speelt. Een enkeling neuriet mee, een ander zingt ingetogen de tekst van de herdertjes die ’s nachts in het veld lagen. Kerststukken met rode linten, zilveren ballen en glanzende lichtjes staan op het altaar en zorgen voor een mystiek lichtschijnsel. Over het middenpad is de rode loper uitgerold. 
Dan maakt het toneelgezelschap zijn opwachting. Geconcentreerd lopen de kinderen over de loper achter elkaar naar voren. Jozef en Maria lopen als eerste het toneel op en knielen neer bij het houten kribje. Dan volgen de herders met schapen, die gemaakt zijn van een opgevulde vachten. 
De spelers en speelsters vertolken hun rol met overtuiging en zo nu en dan werpen ze een steelse blik op de toehoorders in de kerkbanken. Maria staat ineens op en roept: ‘Hoi mama,’ waarna ze snel aan haar mouw getrokken wordt door Jozef, die met een vinger over zijn lippen duidelijk maakt, dat het nog niet hun beurt is om iets te zeggen. 
Ze knielt weer bij de kribbe en slaat haar ogen neer, nadat ze nog even opzij naar de kerkbanken heeft gekeken. 
Als de herders allemaal een bezoek hebben gebracht aan het jonge gezin, mogen de drie koningen hun opwachting maken. De eerste koning verstapt zich en valt languit neer aan de voeten van Maria, die hem weer overeind trekt en haastig het cadeau uit zijn handen trekt. 
‘Dank u wel, Balthasar, voor deze mirre,’ zegt Jozef zijn geleerde tekst. ‘Caspar, bedankt voor de wierook,’ neemt Maria het volgende cadeau in ontvangst. 
Gerritje, in haar koningsmantel, kijkt vastberaden naar het kribje en stapt als Melchior naar voren. Het cadeau stevig in beide handen geklemd.  Ze zet een stap richting het kindje Jezus, maar struikelt over een slapend lammetje. Het pakje vliegt door de lucht en landt in het kribje. Slagroom spat op, gevolgd door een golfje chocolade.
Een moment van oorverdovende stilte. 
‘Ik..ik..ik wilde kindje Jezus iets echt uit Den Bosch geven en daarom heb ik Bossche Bollen ingepakt,’ stottert Gerritje. 
Nu laat ook kindje Jezus van zich horen, het kleinste kind van de klas had deze rol toebedeeld gekregen. Met een gezicht vol slagroom en chocoladevegen door het haar staat ze op uit haar kribbe en loopt naar Melchior-Gerritje toe. ‘Je moet mij goud geven!’ 
Binnen een mum van tijd wrijven alle toneelspelers met hun vinger langs het besmeurde kind en nemen een lik slagroom.
Ineens valt het oog van Herman en Gerdie op een engel die iets verder van het toneel af staat: een engel met rode haren, die overduidelijk de slappe lach krijgt. 
Het publiek houdt haar lachen niet meer tegen en barst uit in onbedaarlijke, gierende lachen.


Ook een plek voor Kleintje


 Er hangt een zinderende spanning rond New York. De ronde die een man heeft gemaakt in de wijde omgeving is niet onopgemerkt gebleven. Op wie zal de keuze dit jaar vallen en wie valt een indrukwekkend einde ten deel?

 
‘Au,’ piept een kleine kerstboom als de zijkant van zijn takken wordt geraakt door de banden van de machine. Enkele takjes breken af, maar hij blijft dapper overeind staan.
‘Oh, nee, ze komen voor jou. Wat moet ik doen als jij weg bent? We staan hier al een hele tijd samen,’ roept hij naar zijn vele malen groter evenbeeld, die hoog uittorent boven alle andere Noorse sparren.
De grote boom buigt zijn top naar hem toe: ‘Ik zal je missen, kleintje. Ik kan alleen maar gokken waar ik naar toe ga, maar als ik de verhalen mag geloven ga ik een flonkerende ondergang tegemoet. Eens komt dat moment natuurlijk en wat is er dan mooier dan op die manier? Jouw tijd komt nog wel, houd moed, Kleintje.’

Mensen binden banden om de grote boom en zetten de eerste bijlslagen in de stam, zo dicht mogelijk bij de grond. De bodem trilt bij de enorme slagen en even later valt de boom. De druppels hars die uit zijn schors stromen, vallen op de kleine boom, die deze druppels krampachtig vasthoudt. Het laatste aandenken aan zijn Grote vriend.
 
Een dag later komt er een jongen met zijn vader naar de gapende plek in het bos. Hij zet zijn emmer neer en pakt zijn schepje eruit. Verwoed begint hij te graven rondom de kleine boom, die bibberend alle bewegingen gadeslaat. Als hij uitgegraven is, zet de jongen hem naast zich op de achterbank van de auto. 
Kleintje vraagt zich af: Wat gaat er nu gebeuren? Ik moet nog groot worden? Eindig ik nu in een houtkachel, zoals andere bomen die mij zijn voorgegaan? 
Al snel merkt hij dat de jongen andere plannen met hem heeft, als die hem vanuit de aarde overzet in een geglazuurde rode pot, waar witte sneeuwsterren op zijn gespoten. Achterop de bagagedrager van de fiets, bekijkt hij de omgeving en hij wordt nieuwsgierig waar hij naartoe gaat.
‘Kijk, oma, ik heb een kerstboom voor je gevonden,’ roept de jongen naar de vrouw in de stoel, die haar hoofd naar hem toedraait. Hij loopt vlug naar haar toe en zet de pot op het tafeltje naast haar neer. Even denkt hij een glimp van een glimlach op te vangen en dat is voor hem voldoende. Hij pakt enkele kerstballetjes uit zijn zak, die hij van thuis heeft meegenomen en hangt die in het boompje. De hars die de grote boom op de kleine heeft laten druppen, plakt nog voldoende om het kaartje in de vorm van een piek vast te houden. Op het kaartje staat geschreven: “Voor oma, gelukkig kerstfeest, van Jurre.”
Nadat Jurre zijn oma heeft geholpen om enkele slokken thee te drinken, vertrekt hij weer. Het kleine boompje geniet van de aandacht die de oude vrouw hem geeft. Het houdt zijn adem in als haar bevende hand voorzichtig zijn naalden aanraakt.
 
‘Zo, mevrouw, ik zal de televisie even voor u aanzetten. Dan kunt u kijken naar het optuigen van de boom op Rockefeller center,’ knipt de verzorgster de televisie aan. Ze keurt het boompje geen blik waardig en verdwijnt net zo snel als ze gekomen is.
Verwonderd kijkt het boompje naar het scherm en fluistert: ‘Grote vriend, daar ben je! Je wordt prachtig!’ Hij volgt alles wat er gebeurt en als op het laatst de lichtjes aangaan, klapt hij in zijn takjes.
Zodra de eerste tonen van kerstliedjes te horen zijn, wiegt hij kleine rondjes in zijn pot.
De vrouw naast hem kijkt stilletjes naar haar boompje en verwondert zich er niet eens over dat hij beweegt. Heel langzaam begint ook zij in beweging te komen en wiegt op eenzelfde manier mee in haar rolstoel.

©Vera Oor, 2025

Er hangt een paardenhoofstel aan de muur


 De seniorenappartementen hebben een gezamenlijke huiskamer, die goed bezocht en gebruikt wordt. Niet alleen voor een bingo-avond maar ook voor themabijeenkomsten, muziekavonden en eens per maand de nostalgische avond. Deze laatste avond staat op nummer een bij de twintig bewoners, die een warme onderlinge band hebben gekregen in de jaren dat ze hier wonen.
Het thema voor de nostalgische avond stellen ze om beurten vast.
Soms wordt daarbij de inspiratie gehaald uit voorwerpen die de aanwezigen meenemen, zoals dat gebeurt bij het thema “Winterse herinneringen”.
 
Mevrouw van Gennep heeft nog haar eerste schaatsen “de botjes” die ze meeneemt.
Dit leidt tot gesprekken over valpartijen die menigeen op het ijs heeft meegemaakt, de foto’s van bevroren vijvers en koek-en-zopiekramen. Maar ook tot eerste liefdes die ontstaan zijn, zoals mevrouw van Gennep vertelt: ‘mijn “botjes” hadden in de vochtige schuur achter het huis gelegen en het ijzer vertoonde roestplekken. De leren riempjes om deze schaatsen onder de schoenen te binden, waren ingedroogd. Dit leidde tot een breuk in het riempje waarna ik mijn enkel verzwikte en niet bepaald charmant onderuit ging. Met wijd gespreide benen en een wapperende rok om me heen, gleed ik over het ijs in de richting van een groepje jongens.
De opmerkingen zijn niet van de lucht omdat ieder er wel een beeld bij weet te vormen hoe deze ijzige kennismaking verder verliep. Mijnheer Minstreel schetst een beeld dat bij menigeen de tranen over het gezicht laat lopen: ‘Je gleed door in de richting van een jongeman die ook onderuit was gegaan, eveneens met gespreide benen. Zijn broek scheurde open en u kreeg een inkijkje in datgene wat de meesten pas te zien krijgen in de huwelijksnacht.’
‘Hoe weet jij dat?’ vraagt ze.
‘Ik was een van de vrienden van degene die daar op het ijs lag, in afwachting van je komst,’ lacht mijnheer Minstreel, waarbij de tranen hem over de wangen lopen bij deze herinnering.   
 
Mijnheer de Jager zit met een schoenendoos op schoot. Hij heeft er lang over nagedacht of hij dit mee durfde nemen. Hij vreest dat het openen ervan opnieuw heftige emoties in hem losmaakt. De laatste keer dat hij het opende, leefde zijn vrouw nog, die hem begreep en samen met hem stil kon zijn, in gedachten bij kleine Jaap. Nu is hij alleen. Toch wil hij ook dit deel van zijn leven delen met zijn medebewoners, die hem zo vertrouwd zijn geworden. 
Hij kijkt de kring rond en met trillende handen haalt hij het deksel van de doos en haalt er twee rode kinderwanten uit. 
Hij slikt hoorbaar en, na een diepe ademteug, vertelt hij met haperende stem aan wie de wanten hebben toebehoord. ‘Deze wanten zijn van mijn broertje, dat op zesjarige leeftijd voor mijn ogen verdween in een wak.’
De hilarische stemming van zojuist maakt plaats voor stilte. Een stilte die niemand als eerste durft te doorbreken. Wat te zeggen tegen deze man die overmand is door verdriet. Mijnheer Klaus, die naast hem zit, legt een arm over zijn rug en klopt hem zachtjes op zijn schouder, een troostend gebaar.
Een aarzelende glimlach breekt door op het gezicht van mijnheer de Jager.
‘Ik wil vertellen waarom deze wanten zo belangrijk voor mij zijn. Ik heb me lange tijd enorm schuldig gevoeld. Ik zou op Japie letten, had ik mijn moeder beloofd en toen gleed hij letterlijk uit het leven. Zijn bleke gezicht heeft me altijd vervolgd in mijn dromen. Ik merk nu, in de jaren dat ik hier woon, dat ik me aan het voorbereiden ben op een weerzien met mijn broertje. Dat geeft me rust.’
Met een hartgrondige zucht, richt hij zich tot de andere bewoners: ‘Dank jullie wel dat ik dit met jullie mocht delen.’
De foto van Japie gaat de kring rond. De belangstelling en het medeleven van de anderen doet mijnheer de Jager zichtbaar goed.
 
Onder het genot van een drankje worden andere verhalen gedeeld. De nostalgische avonden duren altijd lang omdat er veel herkenning is en de ene herinnering een herinnering bij een ander uitlokt.
Ieder, op een na, heeft zijn of haar winterse herinnering gedeeld. De enige die dat nog niet heeft gedaan, is mijnheer Klaus. Hij woont hier nog niet zo lang en dit is pas de tweede avond dat hij zich aansluit. De anderen weten dat hij lang in het buitenland, in Spanje, gewoond heeft. 
‘Mijnheer Klaus, heeft u ook een winterse herinnering, of zijn er geen echte winters in Spanje?’ vraagt mevrouw Kous. Haar bijnaam is Kletskous en niet voor niks. Alles wat ze van anderen hoort, wordt binnen no time door haar rondgebazuind. Met plaatsvervangende schaamte richt mevrouw Karelse zich tot de man: ‘Het is geen verplichting hoor om uw herinnering te delen. Voel u vrij als u dat wilt, maar voel u alstublieft niet gedwongen.’
Mijnheer Klaus staat op en loopt naar de wand van de ruimte.
‘Dit,’ zegt hij terwijl hij wijst op een schilderij. ‘Dit schilderij vertegenwoordigt een groot deel van mijn winterse leven. Het raakt me dat ik dit hier zag hangen. Waar veel Nederlanders in de winter naar Spanje vertrekken, kwam ik juist naar Nederland.’
Hij vertelt over zijn adviezen aan winkeliers bij de inrichting van hun etalages; over zijn personeel dat wensen van kinderen verzamelde; over dezelfde liedjes die overal gezongen werden; over zijn getrainde medewerkers die afdaalden in schoorstenen om schoenen te vullen of die bonsden op ramen en snoepgoed strooiden.
‘Vijf en zes december waren mijn persoonlijke hoogtijdagen. Over besneeuwde daken -in de tijd dat winterse buien normaal waren- trippeltrappelde ik over de daken met mijn paard. Ik genoot van de liedjes over Kapoentje, over een maan die door bomen schijnt en Amerigo, mijn paard, kwam niks te kort door alle wortels en hooiplukken die in schoenen lagen.’
Tot zijn spijt heeft hij geconcludeerd dat Sinterklaastraditie meer en meer uitgekleed is en vervangen door neutrale winterse tafrelen in etalages. Winkeliers hebben zijn adviezen niet meer nodig. Vanaf eind zomer liggen er al pepernoten in de schappen. Zwarte schmink daarentegen is verdwenen uit het aanbod.
‘Ik miste de opgewonden kinderstemmen, de spanning. Bovendien verwachten kinderen grote cadeaus, zoals telefoons. De tijd van surprises lijkt tot een eind te komen. Toen ook mijn paard Amerigo enkele jaren geleden overleed, heb ik mijn mijter en mantel overgedragen aan een jongere Sinterklaas, die past bij de huidige generatie. Zijn paard Ozosnel loopt er af en toe voor spek en bonen bij. Sinterklaas swingt en zingt luidkeels mee. Dat had ik nooit meer gekund.
Dit schilderij, van een paardenhoofdstel, doet me denken aan Amerigo en mijn winterse avonturen in Nederland.’

©Vera Oor, 2025
 

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...