Schooiertje?

Wat mot dat hier?’
Het kleine jochie duikt in elkaar als hij de barse stem achter zich hoort en hij aan zijn rafelige das achteruit getrokken wordt. 
‘Maak dat je wegkomt. Schooiers horen hier niet thuis.’
Freek wringt razendsnel zijn hoofd uit de das, draait zich om en rent weg over de gladde straatstenen. Weg van de uitnodigende etalages. Hij kijkt een keer naar achteren, bang dat de man achter hem aan komt. Achterom kijken en hard vooruit lopen gaan niet samen. Al na enkele meters glijdt de jongen uit en valt voorover op de natte, harde ondergrond.
De jongen krabbelt overeind en voelt als eerste aan zijn jaszak. Ja, hij heeft ze nog. 
Hij knijpt zijn lippen op elkaar en verbijt de pijn over de schaafwond op zijn handpalm. Er is geen tijd om ernaar te kijken. Met de hand beschermend over de inhoud van de jaszak, loopt hij snel verder, daarbij voor zich uitkijkend. Tussen de huizenrij en de enkele auto op straat, volgt hij de smalle stoep. De zwarte druppels van de opspattende sneeuw onder de autowielen besmeuren zijn gezicht waardoor het lijkt of hij nu, met zijn zeven jaar, al baardstoppels heeft. 
Voetgangers lopen hem voorbij. Een enkeling bekijkt hem alsof hij een rat is die uit de goot is komen kruipen. 

Niet veel later duikt hij een donkere steeg in en is amper nog zichtbaar in de bedompte en duistere sfeer van de straat. Huisvuil slingert links en rechts,  onkruid woekert welig tussen de opengebarsten voegen van de huizen. De stank van verrotting en de armoe in deze straat blijft hangen. 
Aan het eind van deze straat slaat Freek linksaf. Tussen twee huizen door loopt een smal zandpad naar de achtertuintjes. Freek komt bij een manshoge poort, die scheef in zijn scharnieren hangt en kraakt als hij hem openduwt. 
De aanblik van de afgebladderde kozijnen laat nog een zweem van de oorspronkelijke kleur zien. Een kleur die herinnert aan tijden dat er nog geld was om verf te kopen. Een tijd die Freek niet heeft gekend. 
Hij duwt de keukendeur open waarna hem even de adem benomen wordt door de zurige lucht die er hangt. In de kleine kamer, die tegelijkertijd dienst doet als keuken, slaapkamer en washok, ligt iemand op bed. 
‘Mam, ik ben er weer. Kijk eens wat ik voor je meegenomen heb,’ fluistert kleine Freek als hij naast het bed staat. Elke keer opnieuw hoopt hij dat zijn moeder iets beter wordt, maar ook elke keer opnieuw wordt hij daarin teleurgesteld. Op die momenten wordt hij overvallen door een allesoverheersende angst om hier alleen achter te blijven om te wachten op zijn vader, die op de grote vaart zit. Niemand weet wanneer het schip de thuishaven weer aan zal doen. 
‘Mam, ruik eens.’ Voorzichtig beweegt het jochie een geelrode, rijpe pruim voor haar neus. 
Moeizaam opent ze haar ogen een beetje. Ze snuffelt als een konijntje aan de vrucht, niet in staat om haar mond te openen en er een hap van te nemen. 
Freek bijt er een klein stuk van af en proeft de zoetigheid van enkele druppels die in zijn mond blijven hangen. Het afgebeten stukje houdt hij tegen de mond van zijn moeder en wrijft het langs haar droge lippen.  het gele vruchtvlees. De glimlach is amper zichtbaar, maar Freek leeft op als hij deze poging ziet. 
‘Ik ga zo eerst nog wat houtjes zoeken, dan kan ik de kachel stoken.’ 
Zijn moeder hoort het al niet meer en verdwijnt in een koortsige droom. Het rochelende geluid van haar ademhaling, beneemt hem de adem. Niet doodgaan, mama, dan heb ik niemand meer, denkt hij en vlucht naar buiten. 

Als een opgejaagd stuk wild rent hij door de straten en bukt bij elk klein stukje hout, dat hij ziet liggen. De jute zak die hij heeft meegenomen, biedt nog plaats aan heel veel meer hout. Hout dat net zo zeldzaam is geworden als een witte boterham. Iedereen is op zoek naar de mogelijkheid om hun vochtige, bedompte woningen enigszins te verwarmen. Alleen al de aanblik van de vlammetjes die aan het hout likken, zijn soms al voldoende om te zorgen dat één moment een warmte gevoeld wordt die er niet is. 
Freek wil en stuk hout oprapen als hij ineens een appel ziet liggen. Zomaar op straat. Hij grist hem van de straat. Dan botst hij ergens tegenaan. Zijn das is hij al kwijtgeraakt tijdens de strooptocht langs de kramen waar fruit uitgestald lag. Nu is zijn kraag het handvat waaraan hij omhooggetrokken wordt. Dit keer geen harde, snauwende stem, maar een warme mannenstem. ‘Zo jochie, zo’n haast dat je mij niet zag?’ 
Freek probeert zich los te rukken. Zonder resultaat. 
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik doe niks, hoor. Die appel is half verrot, die kun je niet opeten.’ 
‘Die is voor mijn moeder,’ zegt Freek terwijl hij het idee heeft dat hij tegen een reus praat. De man torent hoog boven hem uit en de zwarte, hoge hoed die alleen voorname mensen dragen, maken hem nog langer en indrukwekkender. 
Een gevoel van machteloosheid en uitzichtloosheid overvalt Freek en hij barst in huilen uit. De zwarte sneeuwspetters op zijn gezicht lopen uit in lange strepen over zijn wangen. 
De zachte aanraking van zijn wang door de gehandschoende hand van de man voelt als een warme omhelzing, die ondersteund wordt door de belangstellende vraag: ‘Wat heeft je moeder?’
Freek antwoordt zacht: ‘Ze hoest heel erg. Soms kent ze mij niet eens. Ze is heel erg warm en af en toe voelt ze nat aan.’ 
‘Dat klinkt als longontsteking. Dat heerst. Ik ben dokter. Wil je mij naar je moeder brengen, zodat ik haar kan bekijken?’
Freek schudt zijn hoofd. ‘Wij hebben geen geld voor een dokter, mijnheer. Mijn vader is op zee.’
De arts stelt hem gerust door te zeggen, dat kijken niks kost en loopt achter Freek aan door de buurt, die anderen mijden. 
Hij neemt zijn hoed af als hij het huis binnengaat en naar de vrouw loopt. Hij weet na een kort onderzoek meteen dat het geen longontsteking is. De vrouw is zich niet eens van zijn aanwezigheid bewust. 
‘Jongen, hoe heet je eigenlijk?’
‘Freek, mijnheer.’ 
‘Freek, je moeder heeft geen longontsteking, maar ze heeft een zware kou te pakken. Ik ga nu terug naar mijn praktijk om medicijnen te halen en dan kom ik hier terug. Ze zal daarmee snel opknappen, verwacht ik, mijn jongen. Wil je wel met me meelopen, want ik voel me hier een dief in de nacht, in deze straten zonder verlichting.’
Hij kijkt naar de jongen, die verstijft en hem met grote, angstige ogen aankijkt. Onmiddellijk begrijpt hij wat de reden daarvan is en stelt hem gerust: ‘Dat is slechts beeldspraak. Ik ben onbekend in deze buurt en ben bang om te verdwalen en onverwachte situaties tegen te komen.’

Weken later is Freek er weer op uit getrokken om hout te verzamelen. Zijn moeder is hersteld van de kou maar nog heel zwak. Hij probeert zo goed als mogelijk de man in huis te vervangen. In de verte hoort hij scheepstoeters, die galmend over het water de havenstad binnendringen. 
Hij slingert de jute zak op zijn rug en rent zo hard hij kan naar de haven. Hij tuurt over het water en ziet de contouren van een groot, zeewaardig schip. 
Naast hem doemt een lange man op, met een hoge hoed. 
Glunderend kijkt Freek omhoog: ‘Mijn vader kan u misschien betalen.’
De man kijkt tevreden naar de kruin van het jochie, die zijn blik weer op het water richt. ‘Hoeft niet.’
Als Freek omkijkt, is de man verdwenen.

©Vera Oor, 2025

De etalage van de kringloopwinkel

 

Het heeft zich snel rondgepraat dat de etalage van de kringloopwinkel een belevenis op zich is en daar komen de kerstliefhebbers massaal op af.
Het nabijgelegen tuincentrum ziet zijn klanten ‘overlopen’ naar deze concurrent.
In oktober heeft de kringloopwinkel een oproep gedaan om overbodige kerstspullen in te leveren, vooral kerstballen willen ze graag hebben. En daar is massaal gehoor aan gegeven. Al die ballen uitstallen was onbegonnen werk en daarom heeft de bedrijfsleiding ervoor gekozen een ‘ballenbak’ klaar te zetten. Er staat een groot bord bij: 3 ballen voor een euro. Alle kleuren en groottes liggen in de bak.

‘Schuif op, ik wil bovenin liggen,’ en met een hoop geduw en getrek lukt het een knalgele bal om een plekje hogerop te veroveren. ‘De mensen zijn op zoek naar bijzondere kleuren en vormen. Rode en zilveren ballen zijn niet meer van deze tijd.’
Beteuterd kijken kleine rode balletjes elkaar aan. Ze verdwijnen meer en meer naar de onderkant van de bak. De zilveren ballen vergaat het al niet anders. Ze zijn het wel gewend. De afgelopen jaren zijn ze al vaak van eigenaar gewisseld. Vrijwel niemand wilde nog een ‘traditionele’ kerstboom.

‘Zo gaat het ook bij de mensen,’ snottert een rode bal, ‘zodra ze oud zijn, tellen ze niet meer mee. Ik ben jaar in, jaar uit, met zorg behandeld door mijn eigenaren. Voordat ik in de boom gehangen werd, werd ik gepoetst zodat de kaarsvlammetjes in de boom overal weerkaatsten. Na de kerstperiode werd ik in een zacht papiertje gerold en voorzichtig in de doos gelegd. De doos die net zo oud was als ik: met allemaal vakjes om te zorgen dat we elkaar niet beschadigden. Uiteindelijk kwam ik niet eens meer de doos uit en heb ik jaren in het donker op een zolder gelegen met allerhande andere spullen uit “de erfenis van opa en oma” zoals we genoemd werden.’
Uit de hoek van de zilveren ballen komen dezelfde verhalen, allemaal afgedankt omdat ze oud zijn, beschadigingen hebben of de verkeerde kleur.

Eén rode bal neemt de leiding en onderneemt actie. Hij roept de rode en zilveren ballen op om mee te werken.
‘Onze oude eigenaren hadden al een heel leven achter zich, net als wij. Maar juist deze oude mensen hebben veel te vertellen. Er is gelukkig veel veranderd en oudere mensen worden “gehoord”. Hele verhalen worden opgetekend om herinneringen aan hen levend te houden. Rimpels worden niet meer gezien als verschrompeld, maar als een uiting van een “eerbiedwaardige leeftijd”. Hun verhalen worden niet meer gehoord als de zoveelste klaagzang, maar als het verhaal “van iemand met levenservaring”. Bepaalde karaktereigenschappen worden niet afgedaan als nukkig of seniel, maar als signalen van “getekend door het leven” en zo kan ik nog wel even doorgaan.'
Aangemoedigd door een luid applaus vervolgt hij zijn betoog: 'Dat geldt ook voor ons. Hier en daar ontbreekt misschien een stukje glans, de kleur is niet meer zo fel, de grootte is niet altijd wat men zoekt, ons ophanghaakje is in een doos blijven liggen, maar… beste ballen, dat gaan we veranderen. We gaan ons laten zien.’

De bal vertelt zijn plan en in één nacht hebben ze het gerealiseerd. Met hulp van meubilair, gereedschappen, watten, piepschuimbolletjes en wat al niet meer in een kringloopwinkel te vinden is, hebben ze een metamorfose teweeggebracht in de saaie etalages. Meerdere scenes zijn er uitgebeeld die doen denken aan kerstmis: een sfeervolle huiskamer met kaarsen en haardvuur; een uitpuilende garderobe met mutsen, jassen, wanten en dassen; een keuken met dampende potten en pannen en zelfs een poffertjespan; een kampvuur in de sneeuw.
Een van de etalages zal ongetwijfeld heel veel kinderen aanspreken: allerhande knuffels, beertjes, poppen die rond en op een bed in de kinderkamer staan. In al deze scenes speelt een flonkerende kerstboom de hoofdrol, versierd met … rode en zilveren ballen. Enkele ballen, die veel beschadigingen hadden, zijn weer verfraaid met kleine plakplaatjes van sterretjes. Dat geldt ook voor de eerder nog snotterende rode bal.
Triomfantelijk speelt deze ook een rol in een van de bomen en hij warmt zich aan de belangstelling van de enorme hoeveelheid langslopende klanten

©Vera Oor, 2025

De Kerstvoorstelling



Ik had meegedaan aan een schrijfwedstrijd: een magisch kerstverhaal, met een link naar Den Bosch. 
Georganiseerd door KerststallenDenBosch.nl
Samen met 49 anderen is mijn verhaal uitgekozen en geplaatst in de bundel "Een Bossche Kerst".
Dit is mijn verhaal daarin:

‘Kom op, Gerritje, we moeten nu echt weg anders zijn we te laat,’ roept Christien naar haar zeven jaar oude dochtertje.
‘Ik moet mijn kroon nog hebben, die ligt nog bij oma in de kamer,’ roept Gerritje terwijl ze weer naar binnen rent. Even later sleept ze een plastic tas mee naar buiten, naar de auto.  
Ze zwaait nog even naar haar oma, die achter het kamerraam staat te zwaaien. 

Oma Gerdie kijkt de auto na als die de straat uitrijdt en zingt zachtjes: ‘Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje.’ 
‘Nou, laat dat lieve vandaag maar weg,’ mompelt Herman, haar man, vanachter zijn krant. ‘Jeetje, wat was dat kind druk vandaag.’ 
Gerdie glimlacht maar een keer en vergoelijkt zijn opmerking: ‘Ach, Gerritje is gewoon zenuwachtig. Vergeet niet dat ze voor de eerste keer meedoet aan zo’n toneelvoorstelling. Ze was misschien niet heel erg lief vandaag, maar in ieder geval zoet.’ 
Ze denkt even terug aan het glunderende snuutje van haar kleindochter toen ze de eerste zelfgebakken kerstkransjes voorzichtig van het bakblik afpakte. Licht goudbruin met amandelschaafsel en een beetje kandijsuiker. De zoete geur was te verleidelijk voor Gerritje om er niet enkele in haar mond te stoppen toen ze enigszins afgekoeld waren. 

Zo! neemt Gerdie zich voor en stalt de dozen met kerstballen op tafel uit. De donkergroene naalden van de kerstboom roepen, zo lijkt het, om versierd te worden en de geur van de hars drijft Gerdie’s neus binnen.
Elke bal rolt ze zorgvuldig uit het vloeipapiertje voordat die een plaatsje krijgt aan een van de takken. Met een van de versiersels blijft ze enige tijd in haar handen staan. Het zilverkleurige vogeltje 
met de zijde-achtige staart houdt ze zorgvuldig vast bij de knijper waarmee het vastgezet kan worden aan een tak. 
Herman ziet de traan die langs haar wang glijdt. Hij staat op uit zijn stoel en gaat naast haar staan. Ook op hem mist het vogeltje zijn uitwerking niet: ‘Erna’s vogeltje. Ze was zo trots dat ze dit voor mijn verjaardag had mogen kopen. Ik zie haar nog staan terwijl ze de staart aaide.’
Hun beider gedachten gaan terug in de tijd. Erna, hun dochtertje dat op zevenjarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van een longontsteking. Erna, die eigenlijk zoveel lijkt op Gerritje: haar rode haren, de onuitputtelijke energie en de onbevangenheid van een kind. Als Erna lachte, klonk dat zo aanstekelijk dat iedereen wel met haar mee ging lachen, of ze nu wilden of niet. 
Erna zou dat jaar als kerstengel mogen spelen in een optreden dat de kinderen hadden voorbereid voor hun ouders. Wie had kunnen denken, dat ze daadwerkelijk een engel zou zijn op het moment dat het spel werd opgevoerd. Herman en Gerdie hebben de uitvoering niet bijgewoond, een uitvoering zonder Erna zou te confronterend zijn. 

Als Gerritje eind van de dag nog even met haar moeder naar opa en oma gaat, straalt ze helemaal. De repetitie is goed verlopen en ze drukt haar opa en oma op het hart om morgen op tijd in de St. Jan te zijn. Om 15.00 uur begint de toneelvoorstelling en de familie van de toneelspelers mag vooraan in de banken zitten. 

En daar zitten ze nu in de derde bank. Herman en Gerdie hebben goed zicht op het toneel. De betoverende sfeer van Kerst zindert tussen de kerkbanken door als de organist enkele kerstliedjes speelt. Een enkeling neuriet mee, een ander zingt ingetogen de tekst van de herdertjes die ’s nachts in het veld lagen. Kerststukken met rode linten, zilveren ballen en glanzende lichtjes staan op het altaar en zorgen voor een mystiek lichtschijnsel. Over het middenpad is de rode loper uitgerold. 
Dan maakt het toneelgezelschap zijn opwachting. Geconcentreerd lopen de kinderen over de loper achter elkaar naar voren. Jozef en Maria lopen als eerste het toneel op en knielen neer bij het houten kribje. Dan volgen de herders met schapen, die gemaakt zijn van een opgevulde vachten. 
De spelers en speelsters vertolken hun rol met overtuiging en zo nu en dan werpen ze een steelse blik op de toehoorders in de kerkbanken. Maria staat ineens op en roept: ‘Hoi mama,’ waarna ze snel aan haar mouw getrokken wordt door Jozef, die met een vinger over zijn lippen duidelijk maakt, dat het nog niet hun beurt is om iets te zeggen. 
Ze knielt weer bij de kribbe en slaat haar ogen neer, nadat ze nog even opzij naar de kerkbanken heeft gekeken. 
Als de herders allemaal een bezoek hebben gebracht aan het jonge gezin, mogen de drie koningen hun opwachting maken. De eerste koning verstapt zich en valt languit neer aan de voeten van Maria, die hem weer overeind trekt en haastig het cadeau uit zijn handen trekt. 
‘Dank u wel, Balthasar, voor deze mirre,’ zegt Jozef zijn geleerde tekst. ‘Caspar, bedankt voor de wierook,’ neemt Maria het volgende cadeau in ontvangst. 
Gerritje, in haar koningsmantel, kijkt vastberaden naar het kribje en stapt als Melchior naar voren. Het cadeau stevig in beide handen geklemd.  Ze zet een stap richting het kindje Jezus, maar struikelt over een slapend lammetje. Het pakje vliegt door de lucht en landt in het kribje. Slagroom spat op, gevolgd door een golfje chocolade.
Een moment van oorverdovende stilte. 
‘Ik..ik..ik wilde kindje Jezus iets echt uit Den Bosch geven en daarom heb ik Bossche Bollen ingepakt,’ stottert Gerritje. 
Nu laat ook kindje Jezus van zich horen, het kleinste kind van de klas had deze rol toebedeeld gekregen. Met een gezicht vol slagroom en chocoladevegen door het haar staat ze op uit haar kribbe en loopt naar Melchior-Gerritje toe. ‘Je moet mij goud geven!’ 
Binnen een mum van tijd wrijven alle toneelspelers met hun vinger langs het besmeurde kind en nemen een lik slagroom.
Ineens valt het oog van Herman en Gerdie op een engel die iets verder van het toneel af staat: een engel met rode haren, die overduidelijk de slappe lach krijgt. 
Het publiek houdt haar lachen niet meer tegen en barst uit in onbedaarlijke, gierende lachen.


Ook een plek voor Kleintje


 Er hangt een zinderende spanning rond New York. De ronde die een man heeft gemaakt in de wijde omgeving is niet onopgemerkt gebleven. Op wie zal de keuze dit jaar vallen en wie valt een indrukwekkend einde ten deel?

 
‘Au,’ piept een kleine kerstboom als de zijkant van zijn takken wordt geraakt door de banden van de machine. Enkele takjes breken af, maar hij blijft dapper overeind staan.
‘Oh, nee, ze komen voor jou. Wat moet ik doen als jij weg bent? We staan hier al een hele tijd samen,’ roept hij naar zijn vele malen groter evenbeeld, die hoog uittorent boven alle andere Noorse sparren.
De grote boom buigt zijn top naar hem toe: ‘Ik zal je missen, kleintje. Ik kan alleen maar gokken waar ik naar toe ga, maar als ik de verhalen mag geloven ga ik een flonkerende ondergang tegemoet. Eens komt dat moment natuurlijk en wat is er dan mooier dan op die manier? Jouw tijd komt nog wel, houd moed, Kleintje.’

Mensen binden banden om de grote boom en zetten de eerste bijlslagen in de stam, zo dicht mogelijk bij de grond. De bodem trilt bij de enorme slagen en even later valt de boom. De druppels hars die uit zijn schors stromen, vallen op de kleine boom, die deze druppels krampachtig vasthoudt. Het laatste aandenken aan zijn Grote vriend.
 
Een dag later komt er een jongen met zijn vader naar de gapende plek in het bos. Hij zet zijn emmer neer en pakt zijn schepje eruit. Verwoed begint hij te graven rondom de kleine boom, die bibberend alle bewegingen gadeslaat. Als hij uitgegraven is, zet de jongen hem naast zich op de achterbank van de auto. 
Kleintje vraagt zich af: Wat gaat er nu gebeuren? Ik moet nog groot worden? Eindig ik nu in een houtkachel, zoals andere bomen die mij zijn voorgegaan? 
Al snel merkt hij dat de jongen andere plannen met hem heeft, als die hem vanuit de aarde overzet in een geglazuurde rode pot, waar witte sneeuwsterren op zijn gespoten. Achterop de bagagedrager van de fiets, bekijkt hij de omgeving en hij wordt nieuwsgierig waar hij naartoe gaat.
‘Kijk, oma, ik heb een kerstboom voor je gevonden,’ roept de jongen naar de vrouw in de stoel, die haar hoofd naar hem toedraait. Hij loopt vlug naar haar toe en zet de pot op het tafeltje naast haar neer. Even denkt hij een glimp van een glimlach op te vangen en dat is voor hem voldoende. Hij pakt enkele kerstballetjes uit zijn zak, die hij van thuis heeft meegenomen en hangt die in het boompje. De hars die de grote boom op de kleine heeft laten druppen, plakt nog voldoende om het kaartje in de vorm van een piek vast te houden. Op het kaartje staat geschreven: “Voor oma, gelukkig kerstfeest, van Jurre.”
Nadat Jurre zijn oma heeft geholpen om enkele slokken thee te drinken, vertrekt hij weer. Het kleine boompje geniet van de aandacht die de oude vrouw hem geeft. Het houdt zijn adem in als haar bevende hand voorzichtig zijn naalden aanraakt.
 
‘Zo, mevrouw, ik zal de televisie even voor u aanzetten. Dan kunt u kijken naar het optuigen van de boom op Rockefeller center,’ knipt de verzorgster de televisie aan. Ze keurt het boompje geen blik waardig en verdwijnt net zo snel als ze gekomen is.
Verwonderd kijkt het boompje naar het scherm en fluistert: ‘Grote vriend, daar ben je! Je wordt prachtig!’ Hij volgt alles wat er gebeurt en als op het laatst de lichtjes aangaan, klapt hij in zijn takjes.
Zodra de eerste tonen van kerstliedjes te horen zijn, wiegt hij kleine rondjes in zijn pot.
De vrouw naast hem kijkt stilletjes naar haar boompje en verwondert zich er niet eens over dat hij beweegt. Heel langzaam begint ook zij in beweging te komen en wiegt op eenzelfde manier mee in haar rolstoel.

©Vera Oor, 2025

Er hangt een paardenhoofstel aan de muur


 De seniorenappartementen hebben een gezamenlijke huiskamer, die goed bezocht en gebruikt wordt. Niet alleen voor een bingo-avond maar ook voor themabijeenkomsten, muziekavonden en eens per maand de nostalgische avond. Deze laatste avond staat op nummer een bij de twintig bewoners, die een warme onderlinge band hebben gekregen in de jaren dat ze hier wonen.
Het thema voor de nostalgische avond stellen ze om beurten vast.
Soms wordt daarbij de inspiratie gehaald uit voorwerpen die de aanwezigen meenemen, zoals dat gebeurt bij het thema “Winterse herinneringen”.
 
Mevrouw van Gennep heeft nog haar eerste schaatsen “de botjes” die ze meeneemt.
Dit leidt tot gesprekken over valpartijen die menigeen op het ijs heeft meegemaakt, de foto’s van bevroren vijvers en koek-en-zopiekramen. Maar ook tot eerste liefdes die ontstaan zijn, zoals mevrouw van Gennep vertelt: ‘mijn “botjes” hadden in de vochtige schuur achter het huis gelegen en het ijzer vertoonde roestplekken. De leren riempjes om deze schaatsen onder de schoenen te binden, waren ingedroogd. Dit leidde tot een breuk in het riempje waarna ik mijn enkel verzwikte en niet bepaald charmant onderuit ging. Met wijd gespreide benen en een wapperende rok om me heen, gleed ik over het ijs in de richting van een groepje jongens.
De opmerkingen zijn niet van de lucht omdat ieder er wel een beeld bij weet te vormen hoe deze ijzige kennismaking verder verliep. Mijnheer Minstreel schetst een beeld dat bij menigeen de tranen over het gezicht laat lopen: ‘Je gleed door in de richting van een jongeman die ook onderuit was gegaan, eveneens met gespreide benen. Zijn broek scheurde open en u kreeg een inkijkje in datgene wat de meesten pas te zien krijgen in de huwelijksnacht.’
‘Hoe weet jij dat?’ vraagt ze.
‘Ik was een van de vrienden van degene die daar op het ijs lag, in afwachting van je komst,’ lacht mijnheer Minstreel, waarbij de tranen hem over de wangen lopen bij deze herinnering.   
 
Mijnheer de Jager zit met een schoenendoos op schoot. Hij heeft er lang over nagedacht of hij dit mee durfde nemen. Hij vreest dat het openen ervan opnieuw heftige emoties in hem losmaakt. De laatste keer dat hij het opende, leefde zijn vrouw nog, die hem begreep en samen met hem stil kon zijn, in gedachten bij kleine Jaap. Nu is hij alleen. Toch wil hij ook dit deel van zijn leven delen met zijn medebewoners, die hem zo vertrouwd zijn geworden. 
Hij kijkt de kring rond en met trillende handen haalt hij het deksel van de doos en haalt er twee rode kinderwanten uit. 
Hij slikt hoorbaar en, na een diepe ademteug, vertelt hij met haperende stem aan wie de wanten hebben toebehoord. ‘Deze wanten zijn van mijn broertje, dat op zesjarige leeftijd voor mijn ogen verdween in een wak.’
De hilarische stemming van zojuist maakt plaats voor stilte. Een stilte die niemand als eerste durft te doorbreken. Wat te zeggen tegen deze man die overmand is door verdriet. Mijnheer Klaus, die naast hem zit, legt een arm over zijn rug en klopt hem zachtjes op zijn schouder, een troostend gebaar.
Een aarzelende glimlach breekt door op het gezicht van mijnheer de Jager.
‘Ik wil vertellen waarom deze wanten zo belangrijk voor mij zijn. Ik heb me lange tijd enorm schuldig gevoeld. Ik zou op Japie letten, had ik mijn moeder beloofd en toen gleed hij letterlijk uit het leven. Zijn bleke gezicht heeft me altijd vervolgd in mijn dromen. Ik merk nu, in de jaren dat ik hier woon, dat ik me aan het voorbereiden ben op een weerzien met mijn broertje. Dat geeft me rust.’
Met een hartgrondige zucht, richt hij zich tot de andere bewoners: ‘Dank jullie wel dat ik dit met jullie mocht delen.’
De foto van Japie gaat de kring rond. De belangstelling en het medeleven van de anderen doet mijnheer de Jager zichtbaar goed.
 
Onder het genot van een drankje worden andere verhalen gedeeld. De nostalgische avonden duren altijd lang omdat er veel herkenning is en de ene herinnering een herinnering bij een ander uitlokt.
Ieder, op een na, heeft zijn of haar winterse herinnering gedeeld. De enige die dat nog niet heeft gedaan, is mijnheer Klaus. Hij woont hier nog niet zo lang en dit is pas de tweede avond dat hij zich aansluit. De anderen weten dat hij lang in het buitenland, in Spanje, gewoond heeft. 
‘Mijnheer Klaus, heeft u ook een winterse herinnering, of zijn er geen echte winters in Spanje?’ vraagt mevrouw Kous. Haar bijnaam is Kletskous en niet voor niks. Alles wat ze van anderen hoort, wordt binnen no time door haar rondgebazuind. Met plaatsvervangende schaamte richt mevrouw Karelse zich tot de man: ‘Het is geen verplichting hoor om uw herinnering te delen. Voel u vrij als u dat wilt, maar voel u alstublieft niet gedwongen.’
Mijnheer Klaus staat op en loopt naar de wand van de ruimte.
‘Dit,’ zegt hij terwijl hij wijst op een schilderij. ‘Dit schilderij vertegenwoordigt een groot deel van mijn winterse leven. Het raakt me dat ik dit hier zag hangen. Waar veel Nederlanders in de winter naar Spanje vertrekken, kwam ik juist naar Nederland.’
Hij vertelt over zijn adviezen aan winkeliers bij de inrichting van hun etalages; over zijn personeel dat wensen van kinderen verzamelde; over dezelfde liedjes die overal gezongen werden; over zijn getrainde medewerkers die afdaalden in schoorstenen om schoenen te vullen of die bonsden op ramen en snoepgoed strooiden.
‘Vijf en zes december waren mijn persoonlijke hoogtijdagen. Over besneeuwde daken -in de tijd dat winterse buien normaal waren- trippeltrappelde ik over de daken met mijn paard. Ik genoot van de liedjes over Kapoentje, over een maan die door bomen schijnt en Amerigo, mijn paard, kwam niks te kort door alle wortels en hooiplukken die in schoenen lagen.’
Tot zijn spijt heeft hij geconcludeerd dat Sinterklaastraditie meer en meer uitgekleed is en vervangen door neutrale winterse tafrelen in etalages. Winkeliers hebben zijn adviezen niet meer nodig. Vanaf eind zomer liggen er al pepernoten in de schappen. Zwarte schmink daarentegen is verdwenen uit het aanbod.
‘Ik miste de opgewonden kinderstemmen, de spanning. Bovendien verwachten kinderen grote cadeaus, zoals telefoons. De tijd van surprises lijkt tot een eind te komen. Toen ook mijn paard Amerigo enkele jaren geleden overleed, heb ik mijn mijter en mantel overgedragen aan een jongere Sinterklaas, die past bij de huidige generatie. Zijn paard Ozosnel loopt er af en toe voor spek en bonen bij. Sinterklaas swingt en zingt luidkeels mee. Dat had ik nooit meer gekund.
Dit schilderij, van een paardenhoofdstel, doet me denken aan Amerigo en mijn winterse avonturen in Nederland.’

©Vera Oor, 2025
 

De wereld van engelen

 

De witte wereld om me heen is op geen enkele manier te vergelijken met die ik ken wanneer een dik pak sneeuw ligt.
Deze wereld is diffuus, oneindig en van een soort wit dat het houdt tussen de kleur van een wit blad papier en een kerstboom met “warm light” lampjes; deze wereld is op geen enkele manier tastbaar, zoals rook die tussen je vingers doorglipt.
Verwonderd kijk ik naar mijn voeten die staan, edoch kan ik geen ondergrond ontdekken. Ik zie geen objecten. De wijdvertakte besneeuwde boom die ik denk te herkennen, bestaat alleen in mijn verbeelding. Zodra ik erheen wil lopen is het weg. Lopen voelt niet zoals lopen. Ik beweeg zonder dat ik daar moeite voor moet doen. Ik lijk te zweven zoals Harry Potter dat doet op zijn bezemsteel.
Over hoe lang ik hier al ben? Geen idee. Evenmin heb ik een idee hoe ik hier terecht ben gekomen.
Ik voel een aangename lucht om me heen die zowel verkoelend als verwarmend is, het lijkt een bad met water op lichaamstemperatuur waarin ik dobber.
Een geur die vast nog nooit is uitgevonden, want dan had ik de verstuiver ervan aangeschaft. Zacht, warm, helder, met een zweem van bloemengeur die me doet denken aan een ochtend in de zomer, een kruidenbouquet dat samengesteld moet zijn uit de fijnste soorten.
De omgeving voelt onaards.
Een lichte ruis glooit door deze atmosfeer en geleidelijk aan onderscheid ik figuren. Maar wie of wat zijn het?
Mijn adamsappel gaat op slot en blokkeert mijn stembanden. Met open mond vol onuitgesproken woorden sta ik temidden van deze wezens.
 
Ik word opgenomen in de groep alsof ik er altijd ben geweest. Ben ik dood? Ik bijt mezelf eens hard op de lip. De helderrode bloeddruppel die valt, lijkt een dieprode kerstbal in een kerstboom vol engelenhaar. Dood ben ik dus niet.
De gedachte die nu bij me opkomt, duw ik weg. Dat is flauwekul. Natuurlijk zijn dit geen engelen om me heen. Engelen bestaan niet, ook al is er dan een liedje gemaakt over een engelbewaarder.
Opeens hoor ik een zachte stem naast me: ‘Jawel hoor, we bestaan wel degelijk. Hoe langer je hier verblijft, hoe meer je ons zult onderscheiden van deze omgeving. Ik ben de eerste, die je ziet. Ik ben jouw engelbewaarder.’
De tule-achtige vleugels kan ik nu onderscheiden. Geleidelijk aan zie ik meer van de witte verschijning.
‘Herinner je je het weer?’ vraagt mijn engelbewaarder. ‘Ik vlieg even met je terug in de tijd.’
 
Ik zit vastgeklemd in een wit omhulsel dat een enorme druk op me uitoefent. Mijn borstkas wordt een kort moment ingedrukt, om even later weer wat ruimte te krijgen om in te ademen. Ik voel niks. Mijn benen liggen in een vreemde stand, maar ik voel ze niet. Om me heen hoor ik opgewonden stemmen, een blauw licht flitst langs me heen. Dan dringt het tot me door. De tegenligger, mijn krachtige remmen en de donkere boom waar ik met hoge snelheid op af reed. De klap en daarna niks meer.
 
‘Ja, he? Je herinnert het je weer,’ haalt mijn engelbewaarder me terug in de witte omgeving.
‘Ja, mijn airbag heeft me gered, denk ik. Maar waarom ben ik hier? Ik voel niet aan alsof ik dood ben,’ antwoord ik hem, terwijl ik mezelf stevig in de arm knijp.
‘Dat was geen airbag. Dat was ik, die je omklemde en beschermde en zodoende voorkwam dat je verpletterd werd tussen de boom en het blik van de auto.’
‘Maar waar ben ik nu dan? Ik ben niet dood, ben ook niet in de hemel, maar daar lijkt het hier verdacht veel op met al die engelen om me heen.’
De engel legt me uit, dat zo nu en dan een ongelovige naar “boven” wordt gehaald om kennis te maken met deze serene sfeer waarin ik me nu bevind.
‘Met hoeveel zijn jullie nu dan om me heen?’ vraag ik omdat ik alleen “mijn” engelbewaarder zie.
‘Dit is niet alleen de omgeving van engelbewaarders, maar van alle engelen. Natuurlijk zie jij geen andere engelbewaarders, die horen bij andere mensen. De engelen die jij zometeen steeds meer ziet, zijn de engelen die deze periode afdalen naar de aarde om deel uit te maken van de donkere dagen voor Kerst.
Zij nemen hun plaats in waar ze al jaren terugkomen: engelenhaar versiert kerstbomen. De aartsengel Gabriel zweeft in de kerststal in de nok van de stal, nadat hij verschenen is aan de herders om de geboorte van het Kerstkind aan te kondigen.
‘Ga jij dan met mij mee terug naar de aarde?’ wil ik weten, want inmiddels ben ik er wel van overtuigd dat ik hier slechts tijdelijk ben.
‘Ik begeleid je terug. Denk aan deze troostrijke wereld als je de boom optuigt en het stalletje inricht.’

©Vera Oor, 2025

Het geheim van vannacht

Tom wordt wakker van…ja, van wat eigenlijk? Het is donker. In bed is het lekker warm, maar de kamer is ijskoud. Het vriest buiten en er ligt een dik pak sneeuw. Zijn nieuwsgierigheid wint het van het vooruitzicht van koude voeten en hij stapt zijn bed uit. Voorzichtig loopt hij naar het raam en let er daarbij op om niet op de krakende plank te lopen. Bij het raam kijkt hij door een spleet tussen de gordijnen naar buiten.
‘Joh!,’ roept Tom opgewonden, maar slaat meteen verschrikt zijn hand voor zijn mond. Zo blijft hij voor het raam staan en staart naar de overkant van de straat. De straatlantaarn geeft een beetje licht, net voldoende om in de verse sneeuw sporen te ontdekken. Het zijn geen sporen van autobanden, maar wat zijn die vier afdrukken in de witte ondergrond dan wel?
Achter de huizen schijnt de volle maan. De donkere, kale takken van de hoge boom in de tuin van mijnheer Jansen, aan de overkant, hebben een bijzondere vorm. Er is veel aan gesnoeid en de paar takken die er nog over zijn, lijken op Wajangpoppen tegen het ronde licht van de maan.
Tom kijkt om naar het schap boven zijn bed. Daar staan twee Wajangpoppen die hij van zijn oom heeft gekregen. Ome Karel was op vakantie geweest in Indonesië en onder de indruk geraakt van het schimmenspel van de poppen. Tegen een wit laken met daarachter een felle lamp liet hij aan Tom zien hoe de Wajangpoppen tot leven leken te komen.
Plotseling ziet hij tussen de takken door een ander silhouet. Hij wrijft het restantje slaap uit zijn ogen en staart gebiologeerd naar de maan. Daar loopt een paard en op zijn rug zit Sinterklaas. Hij herkent hem aan de mijter en de wapperende mantel. Ineens weet hij ook waar die sporen in de sneeuw van waren: van het paard.

Maar dan! Het lijkt of er vuurwerk vanaf de maan naar beneden springt. Honderden kleine, glimmende en gekleurde dingen vallen omlaag als vallende sterren. Zelfs als Sinterklaas allang voorbij de maan gereden is, ziet Tom nog de glimmertjes in de lucht.
Als hij de volgende ochtend aan het ontbijt vertelt over wat hij ’s nachts gezien heeft, kijkt zijn vader hem lachend aan: ‘Jongen, je hebt gedroomd. Je bent zo opgewonden over de komst van Sinterklaas, dat je hem overal denkt te zien.’
‘Maar die glimmende dingen dan?’ vraagt Tom ongeduldig. ‘Ik heb ze écht gezien.’
 
’s Middags is de intocht van Sinterklaas en Tom staat met zijn vriendje Jim vooraan. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en kijkt naar de Sint op zijn paard. De vorm klopt. Het is echt Sinterklaas die hij vannacht gezien heeft. Als de goedheiligman zijn tocht afrondt, spreekt hij de groep kinderen op het plein toe vanaf het bordes van het gemeentehuis: ‘Vanavond, lieve kinderen, mogen jullie de schoen zetten.’
Als Tom ’s avonds zijn schoen gezet heeft, in bad is geweest en zijn tanden heeft gepoetst, stopt zijn moeder hem in bed.
‘Droom maar weer fijn van Sinterklaas,’ zegt ze. ‘Misschien ligt er morgen iets lekkers in je schoen.’
Tom draait en draait, maar het lukt hem niet om in slaap te vallen. Hij sluipt opnieuw naar het raam en kijkt naar buiten. De maan en de takken zijn er nog, maar geen Sint te zien.

Dan, tot zijn stomme verbazing, ziet hij op straat iets waarvoor hij ook nu weer zijn ogen goed uitwrijft. Het zijn dezelfde glimmende dingen als die gisteravond vanaf de maan naar beneden vielen. Hij weet het zeker en hij droomt niet. Dit keer rollen, huppelen en springen ze over de straat.
Tom sluipt zijn kamer uit, trekt zijn laarzen aan en graait zijn jas van de kapstok. Als hij op zijn tenen gaat staan, lukt het hem op bij de sleutel van de voordeur te komen. Hij trekt de deur open. Ondanks de dikke jas en das rilt hij een moment van de kou, die hem tegemoetkomt.
Opeens hoort hij tussen de struiken een ritselend geluid en hij houdt zijn adem in. Is dat de kat van de buren?
‘Poekie, psst!’ fluistert Tom. Er komt geen kat aan, maar ineens houdt wel het ritselen op. Tom trekt zijn capuchon over zijn hoofd, blijft doodstil staan en wacht op wat komen gaat.
Een knisperend groen en een geel iets lopen aan hem voorbij. Ineens weet Tom wat het zijn: een snoepkikker en een snoepmuis in een gekleurd zilverpapiertje: zijn lievelingslekkernij in de Sinterklaastijd. Maar deze twee lopen en springen. Droom ik nu toch? vraagt Tom hardop alsof hij zichzelf wil bewijzen dat hij wakker is. De kikker en muis verstijven pal voor de deur als ze zijn stem horen. Ze kijken met hun glinsterende oogjes naar Tom, die naar voren springt. ‘Wat doen jullie? Snoepkikkers en muizen kunnen niet bewegen.’
Een moment is het stil en dan kwaakt de kikker en piept de muis. Toch kan Tom alles verstaan wat ze zeggen. De kikker begint: ‘Wij moeten zelf zorgen dat we in de schoenen van de kinderen komen te liggen. Heel veel Pieten hebben kougevat op die boot en de paar die er nog over zijn, kunnen niet alle huizen af.’
De muis knikt bevestigend. Zijn snorharen trillen. ‘Gelukkig kent Sinterklaas een tovenaar die alle muizen en kikkers heeft betoverd. Totdat de maan ondergaat, kunnen wij ons bewegen. Daarna veranderen we weer in suikersnoep met een chocoladelaagje. Gisternacht hebben we geoefend. We vlogen met Sinterklaas op de rug van het paard en lieten ons van grote hoogte vallen in de straten.’
‘Dus jullie waren de vallende glimdingen die ik heb gezien,’ vraagt Tom, klappertandend van de kou.
‘Ja, dat waren wij, maar vannacht moeten we echt binnen zien te komen in de huizen,’ reageert muis op zijn vraag.

Tom moet dit antwoord even verwerken. Sinterklaas, een tovenaar en bewegende muizen en kikkers. Hij voelt aan zijn haren. Die zijn kletsnat van de smeltende sneeuw waardoor hij weet dat hij niet in zijn bed ligt en echt buiten staat. Het is dus geen droom.
De kikker en muis kijken hem verwachtingsvol aan. ‘Mijn oortjes bevriezen bijna. Ga je ons helpen?’ vraagt de muis.
‘Waarmee?’ wil Tom weten.
‘Door de deur voor ons open te maken natuurlijk,’ valt de kikker zijn maatje bij. ‘Dan zijn we tenminste binnen en hoeven we niet allerhande toeren uit te halen. We hebben daarna tijd over om eens wat te spelen, voordat we in jouw mond verdwijnen morgenvroeg.’
‘Hoe zouden jullie dan naar binnen gegaan zijn als ik er niet was?’ informeert Tim nieuwsgierig.
De kikker kijkt hem vorsend aan, hij wordt niet voor niks kikvors genoemd. ‘Dan zou ik een aanloop over het tuinpad hebben genomen om met een megahoge sprong door de brievenbus te springen.’
‘En dan,’ vult de muis giechelend aan,’ zou ik een handstand tegen de deur hebben gedaan en mijn staart naar boven hebben gericht. De kikker had me aan mijn staart naar binnen kunnen hengelen.’
‘Oké, ik help jullie,’ knikt Tom en hij opent de deur voor de twee snoepdieren die nu even geen snoepdier zijn. ‘Maar wel stil zijn hè, anders worden mijn ouders wakker.’

Ze volgen hem naar de kamer, naar de schoenen die klaar staan. De wortel die Tom erin gelegd heeft voor het paard van de Sint, gooien ze eruit en ze maken van het hooi een kuiltje in de neuzen van de schoenen. Een schoen voor de kikker en de andere voor de muis, die tevreden piept: ‘Zo! Daar kunnen we straks wachten tot de ochtend, maar nu gaan we eerst lol maken. Ik doe mijn zilverpapiertje af, anders beschadigt het misschien. Straks trek ik het wel weer aan.’
De kikker volgt zijn voorbeeld. Ze willen tikkertje spelen en Tom moet dan meedoen. Het is moeilijk om heel zachtjes aan te doen als je tikkertje speelt, maar toch lukt het de drie. De kikker en de muis vinden Tom natuurlijk elke keer heel snel. Door zijn grootte valt hij veel meer op. Maar zij zijn klein en nu amper te zien door hun chocoladelaagje, dus Tom speurt er heel wat af in de kamer. Hij kijkt zelfs onder de bank en onder de kast. Het is stoffig daar en hij bedwingt een opkomende niesbui door zijn pyamajas voor zijn neus te duwen.
Dan ineens roept de kikker: ‘Oeps, de maan zakt steeds verder weg. Aankleden muis!’
Razendsnel trekken ze hun gekleurde zilverpapieren kleding aan en duiken ieder in een schoen.
 
‘s Ochtends staat zijn moeder naast Tom: ‘Wakker worden. Wat doe jij nu hier?’
Tom kijkt met slaperige ogen zijn moeder aan. Hij ligt naast zijn schoenen in de kamer. ‘Ik heb tikkertje gespeeld met de muis en de kikker. Daarna ben ik denk ik in slaap gevallen.’
Zijn moeder kijkt hem bevreemd aan. ‘Met wie? Ik zie geen muis en ook geen kikker, je hebt zeker gedroomd. Waar komt dat stofweb in je haren vandaan? En heb jij dat gedaan, de wortel uit de schoen gehaald? Zo te zien is Sinterklaas vannacht niet geweest, anders had hij dat vast meegenomen voor het paard.’
Tom graait in zijn schoenen. In zijn handen heeft hij tot zijn moeders verbazing plukken hooi, uit de ene schoen komt een snoepkikker tevoorschijn en uit de andere een snoepmuis.
‘Hoe wist jij dat die erin lagen?’
Tom haalt zijn schouders op. Hij besluit het geheim van vannacht niet te vertellen. ‘Misschien heb ik dat gedroomd,’ zegt hij op het moment dat zijn vader de kamer inloopt.
‘Heb je alweer van Sinterklaas gedroomd?’ vraagt die. Het antwoord komt dit keer niet van Tom, maar van zijn moeder: ‘Nee, hij heeft nu van muizen en kikkers gedroomd.’

©Vera Oor, 2025

Pip, deel 12: Certificaat puppytraining

Zo onbesuisd als Pip ergens op af kan stormen, zo’n angsthaas werd het ineens. Sloopwerkzaamheden iets verderop in de straat produceerden een bult herrie om U tegen te zeggen.
Pip liep met mij een klein rondje. De ochtendrust tussen vallende blaadjes en kwetterende vogels werd ruw verstoord door de eerste klap van de sloopkogel. Pips oren gingen plat, haar staart in een achterwaartse krul en ze dook vol in de riem. Ze trok uit alle macht om terug te rennen naar de veilige tuin. Mijn poging om haar verder te laten lopen door te doen alsof er niets aan de hand is, haalde niks uit. Proberen haar aan te halen evenmin. De angst spatte ervan af. Met een rotvaart rende ze de tuin in, naar de deur.
Het heeft aardig wat oefening gekost om haar toch opnieuw mee te laten lopen, zonder dat ze zich bijna wurgde in de riem. Dorus en Toon kwamen minder onder de indruk van de herrie en misschien gaf dat haar wat vertrouwen. Nu loopt ze weer mee, maar haar houding is superalert: oren gespitst en hals opgerekt. Gelukkig heeft ze dat alleen bij het deel van de route, waar ze de eerste keer het geluid hoorde. Daarna of op een andere plek is ze weer de enthousiaste, mee trippelende Pip.
 
Over het geheel genomen wordt Pip iets rustiger, met de nadruk op íets. Ze neemt uitgebreid de tijd voor slaapjes op de bank en nestelt zich bij de andere twee. De dolle vijf minuten worden minder.
Inmiddels weet ik ook dat, wanneer haar hypergedrag aanhoudt, dat vaak een teken is, dat ze moet poepen. Er is geen peil op te trekken, wanneer dat is. De ene dag wel vier keer, een andere dag maar twee keer.
 
Ik moet weleens aan Toon Hermans denken met zijn nummer: “Wat ruist er door het struikgewas?” Zou hij ook een hond hebben gehad?
Als Pip op onderzoek uit is in de tuin en ik roep “hier” dan hoor ik in eerste instantie een hoop bladgeruis en zie ik een wiebelende plant. Dan komt ze als een raket aangestormd. Nog steeds kijkt ze dan hoopvol naar mijn hand. Om haar dit te leren, kreeg ze eerder een snoepje als ze op commando naar me toekwam. Nu krijgt ze dat niet elke keer meer, maar hoop doet leven.
Dat ze dit commando beheerst, laat ze op de puppytraining ook vol overtuiging zien. Als een afgeschoten pijl, rent ze door een tunnel, springt over een minihindernis en stuift op me af.
Daar heb je het dan ook wel zo’n beetje mee gehad. De trainer in de puppycursus omschrijft het goed: “Je moet enorm je best doen om haar aandacht te krijgen, maar als je die hebt, luistert ze goed!”
 
Deze week was de laatste training. Ze werken gelukkig niet met diploma’s want dan was Pip met vlag en wimpel…gezakt! Alle zes de eigenaren en hun pup kregen een certificaat met daarop de onderdelen benoemd die aan de orde zijn geweest.
Nog steeds vraag ik me af wie er nu op training is geweest. Pip of ik?
“Af en blijf.” Pip gaat af, maar de enige die blijft, ben ik. De trainer omschrijft het in haar opmerking op het certificaat goed: “Pip heeft nog een korte concentratieboog”.
“Zit en blijf.” Van hetzelfde laken een pak. Ik blijf staan en kijk naar de achterkant van Pips kop.
“Wandelen zonder trekken”. Dat doet ze goed totdat…er nog onontdekte keutels liggen. Zij trekt en ik trek haar terug.
“Staan”.  Staan gaat goed.
“Aaien”.  Even wachten tot Pip er tijd voor heeft. Maar dan kan ze ook vol overgave genieten, vooral thuis.
“Kommetje”.  Haar bekkie moet ze laten rusten in mijn hand. Het begin van het gebit laten zien bij de dierenarts. Gaat goed. Ze vertrouwt me, onderwijl snuffelgeluiden makend want je weet maar nooit of er nog een kruimeltje tussen de vingers zit.
“Nee.” Het heeft wat voeten in aarde gehad. Ze weet dondersgoed wat nee is, maar ik moet het wel een aantal keren herhalen. Na drie keer nee, geeft ze nog steeds haar typerende uithaal, dat lijkt op een huilende wolf. Ze is het er dus niet mee eens.
Opmerking van de trainer: Pip is een heerlijke, eigenwijze pup die graag haar eigen plannetje trekt.
“Vast/los”. Mm, vasthouden van datgene wat ze zelf gevonden heeft, lukt prima. Vasthouden van een speeltje? Nee, dat minder. Dat vindt ze niet interessant genoeg. Die beroemde korte spanningsboog is daar niet op berekend en de trainer voegt er in haar opmerkingen nog aan toe: “Pip vindt alles veel te leuk.”
Loslaten lukt goed. Ze weet dat ze in ruil daarvoor een snoepje krijgt, indien bij de hand.
“Wachten”. Wat is dat? Pip wacht nergens op, dus ook niet bij de deur die opengaat. Wat wel werkt is “Terug.” Dan stapt ze terug door de op een kier geopende deur en als vanzelf volgt dan, soms, het wachten.
Wie heeft er nu eigenlijk het certificaat van de puppytraining verdiend? Ik weet het zeker: dat ben ik.
De laatste training heeft ze van de trainer twee nieuwe benamingen gekregen: “clown” en “blij ei”.
En ik dan? Ik geef mezelf maar een schouderklopje. De aanhouder wint.
 
Haar schatkamers houdt ze nog in stand en sleept er alles naar toe, wat ze mag hebben of wat ze te pakken kan krijgen. Terwijl ik dit typ, zie ik haar pogingen om op de stoel te springen, zonder daarbij de stoffer te verliezen, die ze ook weer ergens opgeduikeld heeft.
Nou ja, beter een stoffer dan een deel van een skelet. Ze heeft al eerder dat skelet van een pad gevonden en meegenomen. Dit keer was ze aan het snuffelen tussen grote stapels gevallen bladeren. Hoe is het mogelijk dat ze daartussen het kleine pootje vindt van een vogel.

©Vera Oor, 2025

Herfst en vallende bladeren voor altijd verbonden aan de herinnering

 
‘Daar gaat hij weer. Zonder paraplu, en het gaat nog wel regenen.’
Trix kijkt hem na, als hij naar buiten loopt en kijkt hoofdschuddend naar haar collega. De man houdt zich vast aan de deurknop, steun zoekend om de windvlaag te trotseren. Nog voordat hij de deur achter zich dicht kan trekken, waaien droge, bruine bladeren ritselend naar binnen en verspreiden zich over de tegelvloer in de ruime hal.
Seniorentehuis Indenbosch doet de naam eer aan met de ligging in het groen aan de rand van de stad. Nu de bomen hun bladeren beginnen te verliezen, is die stad op afstand zichtbaar.
Mijnheer van Borg loopt langzaam, maar vastbesloten het bospad in. Hij blijft staan en ademt met gesloten ogen de herfst in. De vochtige aarde is bezaaid met afgewaaide takjes, bladeren, eikels en lege kastanjebolsters. Roodbruine bladeren plakken aan zijn schoenen en een ondeugend geel eikenblad kriebelt langs zijn gezicht. Met gesloten ogen blijft hij zo staan en lijkt een onlosmakelijk deel uit te maken van de omgeving tussen de vallende bladeren. Hij geeft gehoor aan de stem in zijn hoofd: “Adem rustig en diep in, adem langzaam uit”.
 
‘Adem rustig in, zo diep mogelijk en langzaam weer uit,’ zegt de volwassen man naast de jongen, die ineengedoken in een hoek van de ruimte zit. Zijn armen beschermend over zijn hoofd gebogen.
De armen van de man naast hem sluiten zich om zijn schouders en duwen zijn hoofd tegen diens borst. De jongen hoort de hartslag van de man. De geur van sigarettenrook hangt om hem heen, een vertrouwde lucht. Net als bij zijn vader.
‘Waar is papa?’ vraagt hij uiteindelijk met overslaande stem.
De man kijkt neer op de kruin van de jongen. ‘Max, je vader is meegegaan naar de trein. Ik weet niet waar hij nu is.’
‘Gaat hij dood?’
‘Waarschijnlijk is hij ergens heengebracht waar hij moet werken. Werken voor de moffen.’
Max neemt het gesmoorde antwoord van zijn oom in zich op. De moffen, dat zijn de Duitsers, dat weet hij. Maar waarom moet papa ergens werken en mag hij niet mee?
Gisteren nog zijn ze samen naar de winkel geweest om eten te halen. Papa zuchtte diep toen hij enkele bonnen uit zijn zak opdiepte en alhoewel hij zacht praatte tegen de eigenaar van de winkel, had Max het gehoord.
‘Berends, ik ben bang voor iets wat ik niet weet, maar wat ik alleen maar kan vermoeden. Waarom hebben wij anders onze koffers klaar moeten zetten, zoals de Joodse Raad adviseerde. Rika en de meisjes zijn naar haar zus. Ik ga morgen met Max ook die kant op. Hopelijk zien we elkaar weer. God zij met je.’
Toen er midden in de nacht luid op de deur gebonkt werd, had zijn vader hem opgetild en razendsnel meegenomen naar de schuilplaats achter de keukenkast. ‘Hou je heel stil en kom pas tevoorschijn als ik het zeg,’ had hij haastig gezegd. Max voelt nog zijn stevige omhelzing en de natte wangen en rook de zo bekende sigarettenrook. De voordeur die hard dichtgeslagen werd, is het laatste wat hij hoorde totdat oom David de keukenkast van zijn plaats schoof en naar de hoek liep, waar hij zat.
 
De oorlog heeft hij overleefd dankzij oom David, die hem tijdens de aanwakkerende herfststorm meenam naar een andere schuilplaats. Dagen later moest hij mee met een vreemde man. Hij kreeg werkkleding aan, een boerenoverall. Een overall zonder ster.
‘Als ze je vragen naar je naam, zeg je dat je Jan heet,’ instrueerde de man hem kortaf, maar niet snauwend. Zijn blauwe ogen keken vriendelijk. ‘En dat je mijn knecht op de boerderij bent.’
De spanning die rond deze tocht hing, was voelbaar, maar voor Max was het gissen waarom dat zo voelde. Het moest met Duitsers te maken hebben.
De volgende dag kwamen ze aan bij de afgelegen boerderij van tante Rika. Moeder had hem snel naar zich toegetrokken en meegenomen naar een ruimte, achterop de deel.
De herfstbladeren die aan zijn schoenen waren blijven plakken, veegde tante Rika op, zodat er geen spoor naar de ruimte zou leiden.
De tijd daarna leefde hij met zijn moeder en twee zusjes in de kleine ruimte, zonder daglicht, die ze heel af en toe ’s avonds mochten verlaten om in de kamer bij tante Rika te zijn. De gordijnen stevig gesloten. O, hoe miste hij de buitenlucht, de bomen en de weilanden, maar inmiddels was hem heel duidelijk dat het niet anders kon.
Nadat de oorlog voorbij was, ging hij samen met zijn moeder en twee zusjes terug naar hun eigen huis, dat deels beschadigd was, maar bewoonbaar. Het lange wachten begon, wachten op een bericht van zijn vader. Had hij de oorlog
overleefd? Zou hij nog ooit thuiskomen?

En dan, een stormachtige dag, waarop de herfstbladeren eerder binnen waren dan dat zijn vader over de drempel stapte. Ze bleven hem aanstaren alsof ze een geest zagen. Totdat hij op hen af kwam lopen en ze alle vier tegelijk omklemde. Max snoof de bekende geur van tabak op, vermengd met de vochtige lucht van de herfst. Hij ademde diep in, en langzaam weer uit.
Stormachtige herfstdagen bleven voor altijd verbonden met de herinnering aan dit moment.

Pip, deel 11: Bijna vijf maanden

Bij thuiskomst van de puppytraining kreeg ik de vraag: ‘Wat voor punt krijgt Pip vandaag van jou?’
‘Een acht,’ antwoordde ik.
Tegenover me bleef de verbazing niet uit. ‘Een acht? Hoe kan dat dan?’
‘Voor het eerst liet ze de konijnenkeutels voor wat die waren en richtte haar aandacht op de training.’
 

Ik ben nogal eens in de tuin te vinden en zeker nu, met het herfstseizoen in aantocht, vraagt die wat extra aandacht. Pip springt vrolijk mee en wil overal bij “helpen”. Een stuk onkruid dat ik uit de grond trek, trekt zij weer uit mijn handen en gaat ermee aan de haal. Bij het snoeien laag bij de grond moet ik goed opletten dat er niet ineens een staartje, pootje of neus in de buurt is.
Gatver, wat een stank hier. En ja hoor, mevrouw heeft lekker naast me zitten schijten. Jammer, dát ruimt ze dan weer niet zelf op. Ze snuffelt er wel even aan waardoor het lijkt alsof zij net zo verrast is door de stank als ik.
Pauze.
Het tuingereedschap leg ik weg en de oranje tuinhandschoen hang ik over een paaltje, buiten bereik van hondentandjes. De pleuris breekt uit.
Waar ze net nog in die handschoen probeerde te bijten, toen ik hem aanhad, is het nu een dreigend oranje gevaar. Ze keft en springt op veilige afstand van het paaltje alsof ze me wil waarschuwen dat er onheil in de lucht hangt.
Uiteindelijk kalmeert ze enigszins en sprint naar binnen. Daar reageert ze zich af op de wiebelplank. Het artistieke talent in haar komt bovendrijven en ze danst als een volleerd acrobaat op deze onstabiele ondergrond.
 
Gevaar! De lampen zijn aan en buiten is het donker. Echter, als je voor de ramen heen en weer loopt, zie je je eigen spiegelbeeld. Ik weet het, Pip nog niet. Ze waarschuwt me dat er een andere hond buiten loopt, die ze met haar geblaf weg probeert te jagen. Zolang Pip echter in de buurt van het raam loopt, blijft de andere hond er ook. Ze snapt er helemaal niks van. Gaat zij naar links, de andere hond ook. Loopt ze naar rechts, de andere hond ook. Na drie avonden is ze er nog niet helemaal aan gewend.
 
Wat nu weer? Een peutertje op bezoek die, als Pip op haar achterpoten staat, net zo groot is.
Angstvallig volg ik of Pips enthousiasme niet tot uiting komt door te happen in de vingertjes van de kleine jongen. Ze vinden elkaar leuk, dat is duidelijk. Toch zal ik de overenthousiaste Pip iets af moeten remmen, dus ga jij maar heel even buiten spelen, samen met Dorus.
Het minimensje trekt zich aan de sponning omhoog en kan staande naar buiten kan kijken. Ploep, op ooghoogte staat ineens aan de andere kant Pip ook. Het enthousiasme aan weerszijden van de deur stijgt. Ze hebben een nieuw spelletje ontdekt. Buiten roffelt Pip met haar pootjes tegen het raam om de high-fivende handjes aan de andere kant te volgen. Jammer dan voor mij, want even daarvoor heb ik de ramen gezeemd en alle hijg- en moddervlekken verwijderd.
 
Hoe graag zou Pip niet kunnen teleporteren. Hoopvol springt ze naast me op de bank als ik aan de koffie zit. Logisch, als ik koffie neem, krijgen zij en de andere twee een koekje. Dit keer echter ligt er een stuk gebak op een bordje. Hoe graag zou zij daar niet een hap van nemen. De ogen puilen uit en voorzichtig komt haar neusje dichterbij en dichterbij. ‘Nee, Pip.’
Poging twee. Nog een keer: ‘Nee, Pip.’
Ik zou er bijna medelijden mee krijgen als ze tergend langzaam haar koppie een klein stukje draait en ik een wit randje om haar ogen zie: smekende oogjes. Ze probeert het nog een keer. Uiteindelijk kiest ze ervoor om keurig naast mij te blijven zitten, de ogen strak gericht op het gebakje en elke beweging van het vorkje naar mijn mond en terug volgend.
 
De herfst brengt de eerste koude avonden en een van die avonden gaat de houtkachel aan.
Alsof haar instinct zegt: op afstand blijven! Haar koppie draait ze in actieve luisterstand om het knetteren van de houtblokken te analyseren.
 
‘Ze heeft iets. Pak het af, want dat is geen blaadje,’ roep ik als Pip langs me heen de kamer inschiet.
Gewillig laat ze het los en ruilt het voor een koekje, waarna ik met een muizenstaart in mijn handen sta waaraan een verstijfd muizenlichaampje bungelt. Naar de kliko ermee. Grappig hoe Pips instinct zegt, dat dit een prooi is. Als ze even later weer naar buiten mag, spurt ze naar de border. Geen muis te zien, maar waarschijnlijk heeft die er wel gelopen want Pip duwt als een stevige bulldozer of een truffelzoekend varken de bladerhopen opzij en omhoog om het spoor te kunnen volgen. 

©Vera Oor, 2025

Opgebaard bij een geposeerde foto

De inspiratie voor dit verhaal kwam in me op toen ik op Facebook een foto voorbij zag komen van een klein meisje, opgebaard in een kist als een kleine prinsees. In die tijd, het Victoriaanse tijdperk (1837-1901) werden foto's Post Mortem gemaakt, waarbij het lijkt alsof de overledene nog in leven is. Zorgvuldig geposeerde portretten die een plaats krijgen in het rouwproces.

Sarah dept voorzichtig de hoogrode wangetjes van haar vierjarige dochtertje Victoria. Ze dompelt de doek opnieuw in het smoezelige water van een kom die naast het bed staat. Natte slierten haar plakken tegen het bezwete gezicht van het meisje. Ze rilt en spreekt onverstaanbare woorden.
Zacht buigt Sarah zich voorover en wrijft teder met ronddraaiende bewegingen over Victoria’s buik. Wat zou ze graag de pijn van haar kind overnemen. Maar ze staat machteloos. De tyfus heeft ook hun huis bereikt, zoals zovele in deze buurt, in het jaar 1851.
 
Nog maar kortgeleden speelde Victoria buiten met haar broertjes, Harry en John, en de kinderen uit de straat. De zon deed verwoede pogingen om door te dringen in sombere, donkere straten, waar mensen en ongedierte naast elkaar leefden. Victoria rende naar een lichte streep op straat, waar de krachteloze herfstzon de zanderige grond beroerde. Dromerig bleef ze staan, haar gezicht omhoog gericht om de opening in de wolken te ontdekken en te fantaseren hoe het moest zijn in dat licht.
 
Donkergrijze sluiers uit de fabrieksschoorstenen hangen als een deken van roet boven de huizen, in allerijl opgetrokken voor de fabrieksarbeiders. Huisvesten is een te groot woord, onderbrengen dekt de lading beter.
De muren zuigen de vochtige mist van de herfstochtenden op en de kieren bij de ramen bieden ruim baan aan de onstuimige westenwind. De kachel slokt de kolen op, maar geeft er weinig warmte voor terug. Daar waar dakpannen ontbreken, zuigen de gaten een deel van de warmte op en blazen het boven de nacht in. Het ongedierte gebruikt de gaten om naar binnen te komen.
’s Ochtends sleept Philip, Victoria’s vader, zich naar de fabriek, waar hij tot vroeg in de avond werkt. Anders dan vele anderen bezwijkt hij daarna niet voor de vernietigende lokroep van de drank. Na de dagelijkse stamppotmaaltijd ’s avonds, vertrekt hij weer om zijn werk als straatveger op te pakken in de wijken waar de rijken wonen. Daar waar zware gordijnen voor de ramen hangen en de warmte binnen blijft. Tijdens het vegen fantaseert Philip over wat zich afspeelt achter die gordijnen. Hij stelt zich voor dat stoelen met dikke kussens klaarstaan voor mannen die waarschijnlijk nog nooit een veger hebben vastgehouden en geen weet hebben van kou, van eelt of van rugpijn ten gevolge van lichamelijke inspanning. Net als de fabrieksbazen, die hun arbeiders met minachting aankijken en opjagen tot hogere productie.
Philip stelt zich achter de gordijnen ook een rijkelijk gedekte tafel voor waar alle gezinsleden een keuze maken van de gerechten, bereid door de kokkin. De rijke lady’s wagen zich waarschijnlijk alleen in de keuken om opdrachten uit te delen. Het zou hem niet verbazen als de weldoorvoede kinderen jengelen omdat hun lievelingsgerecht vandaag niet op het menu staat. Hij denkt aan zijn eigen kinderen. Tenger, met ingevallen wangen. Aan Sarah, die na de zware bevalling van Victoria nooit meer de oude is geworden. Ze klaagt niet, maar hij ziet aan haar kromgebogen houding dat ze veel pijn heeft. Dan knijpt zijn hart samen.  
Laat op de avond valt hij uitgeput in een diepe slaap. Zo diep, dat zelfs dromen geen kans krijgen tot leven te komen.
 
Wat Sarah en Philip al vreesden, lijkt werkelijkheid te worden: Victoria zal komen te overlijden.  Philips zuster heeft Harry en John opgehaald en mee naar huis genomen, zodat zij alle aandacht en zorg kunnen richten op hun dochtertje.
De fabriek kan wachten, de dood wacht niet. Beide ouders houden een handje vast en strelen dat met hun vingers. Victoria moet hun aanwezigheid voelen en zich gesterkt weten als ze overgaat naar gene zijde.
‘Oh, Philip, hoe zal het daar zijn? Heeft ze dan geen pijn meer?’ fluistert Sarah haar vragen, waarop Philip, net als zij, geen antwoord weet, alleen een overtuiging, een geloof.
Hij steunt zijn hoofd in zijn handen en snikt: ‘De ziel van ons kleine prinsesje gaat naar de hemel, naar het licht. Daar heeft ze geen pijn meer en zal ze gelukkig zijn.’
Halverwege de ochtend opent Victoria haar ogen, een glimlach trekt over haar gezicht. Na enkele oppervlakkige ademhalingen, sluit ze haar ogen en laat ze het leven. De zachte lach om de mond blijft hangen.
Beide ouders zoeken steun bij elkaar. Even later buigen ze zich over naar het kleine kind in het grote bed en nemen met tedere kussen afscheid.
Tranen druppen op de bleke wangen en Sarah veegt ze voorzichtig weg, waarna ze Philip vragend aankijkt.
Hij weet wat Sarah bedoelt. ‘Ja, ik zorg ervoor,’ zegt hij alleen maar waarna hij nog een laatste blik op het bed werpt. De jonge vader loopt als een oude man de kamer uit, maar niet voordat hij de klok stil heeft gezet.
 
Sarah haalt de diep in de kast weggestopte witte lakens tevoorschijn. Lakens, die ze bewaard heeft voor deze gebeurtenis, waarvan eenieder weet dat die op de loer ligt. Ze legt ze bij de kleine kist die Philip gemaakt heeft toen duidelijk werd dat Victoria deze aanval op haar lijf waarschijnlijk niet zou overleven. Haar dagelijkse kleding en schort heeft ze verwisseld voor een zwarte, lange rok van een stugge stof. Ze slaat de zwarte, wollen omslagdoek om haar bovenlijf.
Philip is nu ook gekleed in donkere kleding en draagt een rouwband om zijn bovenarm. Hij kijkt toe als Sarah het kistje bekleedt met de lakens en die kunstig plooit in de hoeken. Daarna pakt ze de witte jurk die ze klaar heeft gelegd en kleedt Victoria aan. De blonde krulletjes borstelt ze totdat ze glanzen.
‘Zal ik haar dragen?’ vraagt Philip met een bezorgde blik op het lijkbleke gezicht van zijn vrouw.
‘Nee,’ antwoordt ze resoluut. ‘Dit wil ik zelf doen.’ Behoedzaam tilt ze Victoria op en houdt haar gezichtje tegen haar eigen gezicht.  Ze loopt de paar passen van het bed naar de kist en legt haar dochtertje tussen de lakens.
Even later komen kleine John en Harry binnen, aan de hand van hun tante. Ze schuifelen naar de kist en kijken naar hun kleine zusje, die daar opgebaard ligt.
‘Is Victoria naar de hemel?’ vraagt John met een trillende onderlip, terwijl Harry zijn hand vasthoudt.
Sarah knikt en aait beide jongens over hun hoofd.
‘Ja. Daar is ze niet ziek meer en heeft ze geen pijn,’ antwoordt ze zo overtuigend mogelijk. ‘Hebben jullie nog witte bloemetjes kunnen plukken?’
De jongens laten met enige trots de bloempjes zien en samen met hun moeder leggen ze die bij hun zusje in de kist. Sarah vlecht kunstig enkele bloemen tot een krans en legt die op het hoofd van Victoria. Voordat de lijkstijfheid optreedt, vouwt ze de vingers van de twee kleine handen in elkaar en legt ze op de schoot.
‘Zo meteen komt een mijnheer een foto maken,’ legt ze aan de jongens uit. ‘Wij gaan samen op de foto en ook kleine Victoria komt erbij op te staan. We gaan om het kistje zitten, alsof we naar haar kijken terwijl ze slaapt. Zo hebben we altijd een beeld van haar in ons midden.’
‘Waarom staat de klok stil?’ vraagt John.
Sarah weegt haar woorden zorgvuldig. ‘Dat is om Victoria de tijd te geven om rustig naar de hemel te reizen.’
Morgen zal ze hen proberen uit te leggen dat om dezelfde reden de spiegels in huis afgedekt worden, de gordijnen gesloten en de deuren omwikkeld met zwart crêpe. 

©Vera Oor, 2025

Pip deel 10, de drie musketiers

Pip heeft inmiddels al vele bijnamen. Afhankelijk van haar gedrag (en van mijn stemming) varieert dat: warmtekonijn, schootzitter, terrorist, klein monster, haarbal, varkentje, marmot en nog veel meer.

Nu is er een aan toegevoegd: musketier.
Dorus, Toon, en Pip liggen naast elkaar en bezetten de hele bank: de drie musketiers. Met enig aandringen kan ik er een aan de kant schuiven zodat ik ook kan zitten. Als Pip in een rustige mood is, kruipt ze meteen op schoot. Is dat niet het geval, dan dienen Dorus en Toon als hindernis, wat me doet denken aan het bokspringen op het schoolplein waarbij ik over de gebogen ruggen van de rij andere kinderen heen moest springen.
 
De eikels vallen volop van de boom naast de oprit. Er valt niet tegen te vegen en bovendien vallen de meeste tussen het groen. Gelukkig heeft Pip haar aandacht verlegd naar andere dingen, want het was lastig om ervoor te zorgen dat ze de eikels niet opat. Ze houdt zich nu bezig met walnoten rapen. Dit is beter onder controle te houden. Elk exemplaar dat ze vindt, wil ze binnen veilig opbergen. Helaas voor haar kan ik meteen aan haar openstaande bekje zien dat er iets inzit. Ik bied haar in de deuropening een hondensnoepje aan in ruil voor de noot. Ze trapt er keer op keer in en lijkt meteen te vergeten dat ze iets bij zich had.
Ze mag dan weliswaar die noot vergeten, maar etenstijden vergeet ze nooit. Zeker een kwartier voordat het tijd is, opent ze de aanval op alles wat ze tegenkomt. Ik moet uitkijken niet als vloerkleed te eindigen, wanneer ze voor mijn voeten als een stuiterbal op en neer springt. Zodra de bijkeukendeur opengaat, trekt ze een sprintje en wacht naast haar etensbak. Twee hongerige, bruine oogjes doen vermoeden dat ze hongerlijdt. De weegschaal bevestigt mijn overtuiging dat dat absoluut niet het geval is.
 
Of het nu de storm was die voorspeld werd of dat ze na afloop van de puppytraining het laatste restje energie nog wilde laten zien? Ik hing uitgeteld op de bank en daar kwam mevrouw aangestormd. Rondje kamer, rondje bij Dorus en Toon klieren, maar nog niet moe genoeg. Ze rende achter iets aan en verdween onder de bank.
Even later een heel zielig, zacht piepje. Ze zat vastgeklemd en lag letterlijk gevloerd. Als een kikker met uitgespreide achterpoten en de voorpoten strak voor zich uitgestrekt. Er zat niets anders op dan de bank aan een kant optillen, zodat een blije, tot rust gekomen Pip eronderuit kon kruipen.
 
De dag dat storm Amy overraasde. ’s Ochtends stak Pip haar neus buiten de deur en waar ze normaal gesproken niet kan wachten om naar buiten te gaan, bleef ze nu zitten op de deurmat. Ze keek me aan en ik keek op eenzelfde manier terug. ‘Ook ik moet naar buiten Pip, dus we gaan samen de stortregen in,’ zei ik tegen haar. Pip dacht er anders over en bleef stoïcijns zitten.  
Hup, onder de arm en enkele meters buiten de deur meegenomen en aangezien er alleen maar plassen water stonden, dumpte ik haar met vier pootjes in een daarvan. De koudwatervrees verdween en ze rende enthousiast het gras op. Bij elke sprong hoorde ik het zompige geluid van kletsnat gras op een drassige bodem.
Deze dag van de storm was het dierendag. Nu is het hier elke dag dierendag vind ik, dus ik doe daar niet aan mee.
Zou Pip toch gevoeld hebben dat het een bijzondere dag was of was het de invloed van de storm? Het leek wel of ze had besloten dat het vandaag mensendag moest zijn en ze haar beste pootje voor wilde gaan zetten. Ze trakteerde me op een bijzonder rustig gedrag dat de hele dag aanhield totdat…ik met haar ging wandelen en ze even verderop een kleine egel zag lopen. Gelukkig zat ze aan de lijn en kon zich niet op volle kracht vooruit op de egel storten. Jammer dan voor haar, dat ging niet door. Zeker mijn verder zo rustig verlopen dag laten verstoren door een hond die krijst als gevolg van egelstekels in haar neus.
Ik heb dat ooit eerder meegemaakt met een andere hond, die in alle vroegte de hele buurt het bed uitjoeg met het geluid van een sirene.
Overigens, de maandelijkse sirene op de eerste maandag van de maand, ging niet aan haar voorbij. Ze liep buiten, maar kwam naar binnen rennen alsof ze dekking moest zoeken.
 
Ik denk dat ik haar na de puppycursus aanmeld voor vioolles. Mijn bakken met net aangeschafte viooltjes stonden buiten klaar om overgezet te worden in de daarvoor bedoelde plantenbakken. Je mag zelf raden wat er gebeurde met enkele violen. 

 ©Vera Oor, 2025

Dam- en schaakstukkenopstand

 


Het houten kistje rammelt aan alle kanten. Een van de twee iele scharniertjes heeft de geest al gegeven, de ander doet alle moeite om het deksel op zijn plaats te houden. Onbegonnen werk vandaag, want de stenen oefenen te veel kracht uit. Binnenin is weliswaar een schot aangebracht om de dam- en schaakstenen gescheiden te houden, maar ook dat schot lukt het niet om zich staande te houden.
Ineens vliegt het deksel open en springen er houten, zwarte en witte stukken uit. Het witte paard zet de achtervolging in op zeven damstenen die zich op hun zijkant duwen zodat ze snelheid kunnen maken als ze wegrollen. Een horde pionnen rent naar de rand van de tafel en vormt een barricade om de damstenen te stoppen. Het lukt. Ze omsingelen de damstenen, stapelen ze op en slepen ze naar de toren. De poort onderaan de toren zwaait open en klapt meteen weer dicht als de damstenen een fikse duw in hun rug hebben gekregen om te belanden in de kerker.

Inmiddels hebben zich opnieuw dam- en schaakstukken verzameld en vormen een dichte drom zwart en wit. Alle beschikbare pionnen rukken uit en omsluiten de opstandelingen. Het is vechten tegen de bierkaai, want de damstenen zijn in de meerderheid. Bovendien nemen alle damstenen deel aan de opstand, terwijl niet alle schaakstukken zich op het strijdtoneel bevinden.
Het houten bord in het midden van de tafel staat als een huis en laat zich niet klein krijgen. Enkele van de donkere en lichte vlakken in het bord, zijn in beslag genomen door schaakstukken. De koningen en hun dames staan fier tegenover elkaar, geflankeerd door hun lopers.

De zwarte en witte koning naderen elkaar op korte afstand. Niet genoeg om de ander schaakmat te zetten, maar voldoende om overleg te voeren, waarna ze om beurten het woord nemen. ‘Nu is het genoeg. Hier moet een einde aan komen. Ik wil iedereen, die niet in een toren is beland, hier op het bord verzameld zien. Zónder gevecht en geschreeuw. Lopers, maan de massa om hierheen te komen.’
De vier lopers rennen zich de benen onder de kont uit om iedereen te bereiken en met de nodige overtuigingskracht begeven de stukken zich richting houten schaakbord. De enkeling die onvoldoende gekalmeerd is wordt ingeklemd tussen twee pionnen die hem de mond snoeren.
De koningen hebben voldoende gezag om ook de damstenen te bereiken. De dames staan verder naar achteren en slaan ontzet hun hand voor de mond. ‘De wereld is gek geworden. Iedereen wil alleen maar meer en meer,’ zegt de witte dame. De zwarte dame knikt bevestigend en zegt: ‘Er is voldoende plaats beschikbaar, zelfs op ons schaakbord. Maar waarom onze onderdanen dan toch afgunstig zijn op de damstenen, is me onduidelijk.’
De lopers begeven zich onopvallend tussen het publiek en delen waar nodig waarschuwingen uit.

De witte koning spreekt de stilgevallen stukken toe. ‘Om een of andere onduidelijke reden, lijkt het bord van de damstenen gebied te zijn dat iedereen wil bezitten. Het klopt: het dambord heeft meer vakken, maar heeft ook meer damstukken om zich daarover te bewegen. Het schaakbord heeft voldoende vakken voor háár bewoners. Ook in de opbergdoos hebben we ieder onze plek. Het is nu eenmaal zo, dat schaakstukken wat grilliger van vorm zijn waardoor ze niet als damstenen opgestapeld kunnen worden. Dat vraagt meer ruimte.’
De zwarte koning neemt nu het woord: ‘Het bord dat op een bepaald moment op tafel ligt, bepaalt of de schaak- of de damstukken ingezet gaan worden. Daar hebben wij geen invloed op, dat is een keuze van de spelers. We hebben wel invloed op de ruimte in ons kistje. Mijn collega-koning en ik hebben besloten dat we het tussenschot tussen onze ruimtes verwijderen en dat we de beschikbare ruimte samen gebruiken. Samenwerking is daarbij het uitgangspunt. Het kan voor een damstuk handig zijn om eens op de rug van het paard te gaan zitten om je blik te verruimen. Maar ook is het fijn, als de damsteen steun biedt aan een pion, die graag even achterover wil leunen.’

©Vera Oor, 2025

Pip, deel9: In de puberteit?

Het ene moment is Pip erg lief en leuk, maar het volgende moment kan ik haar wel de nek omdraaien. Is ze nu al in de puberteit? Het zou kunnen, want kleine honden komen hier eerder in dan grote. Zal ik maar met de leuke Pip beginnen?
Ik denk dat ze een hekel gaat krijgen aan de winter. Het wordt al wat kouder buiten en zodra ze klaar is met rauzen en terroriseren, kruipt ze nu al op schoot. Als er geen schoot beschikbaar is en de bank in gebruik is als slaapplaats voor Dorus en Toon manoeuvreert ze net zo lang tot ze lekker warm tussen hen in ligt. Eigenlijk zouden op zo’n moment, als ze eindelijk rustig is, Toon en Dorus in actie moeten komen. Een vergeldingsactie voor het hun aangedane leed. 
Ze is goed zindelijk, maar ik moet toch eens nakijken of er garantie zit op Pip. Volgens mij is ze lek. Ze staat regelmatig voor de deur te piepen en en als ik haar naar buiten laat, plast ze vrijwel meteen. Zo vaak als zij het doet, presteer ik het nog niet eens als ik een blaasontsteking heb. Ach, dat beestje heeft een kleine blaas, denk ik dan maar. 

Bereid je voor: nu komt de puber Pip in beeld.
Er was deze week een dag dat ik haar graag als cadeautje mee had willen geven aan de eerste de beste die zich zou melden. Ik zou haar een grote strik ombinden en de nieuwe eigenaar veel succes wensen. Waarschijnlijk had ze bij het moment dat ik haar overdroeg de strik al gesloopt, zoals er wel meer kleingemaakt wordt tussen haar scherpe tanden. 
Het commando “hier” is ze vergeten volgens mij. Ze draait zich om en neemt de spatten met haar staartje omhoog als een middelvinger. Ik kan roepen tot ik een ons weeg en dan presteert ze het ook nog om, als ze eindelijk naar me toekomt, me aan te kijken met vragende oogjes “Waar is het koekje?” Nou Pip, dan heb je mooi pech, dan had je een kwartier eerder moeten komen. 
Dorus en Toon moeten het ook ontgelden, keer op keer. Ze wacht haar kans af en duikt dan op een van de twee en begint te bijten en te trekken. Zelfs een zeer duidelijke correctie van Toon heeft geen effect. Dat levert een woef-woef-woef met een tragische uithaal op (zoals ze ook bij ons doet als we drie keer “nee” hebben gezegd) en ze stuitert gewoon door. Zou er iets dwars zitten? Ze krijgt het voordeel van de twijfel. Dus hup, mee naar buiten en stukjes lopen. Overduidelijk dat ze moet poepen, te zien aan het rondjes draaien. Maar ze neemt er gewoon de tijd weer niet voor, totdat…hèhè, eindelijk, daar is tie dan: de drol. Keurig opgedraaid zoals een hondendrol eruit hoort te zien. 
De andere dagen van de week had ik ook zo nu en dan te maken met een kleine terrorist. Zou ze een spion zijn van een hondenbevrijdingsfront?
Niet alleen sokken en blote voeten zijn heel interessant om in te bijten, het is nu ook een sport om een jump te nemen, zo hoog mogelijk en vast te grijpen wat er voorhanden is. Dat was dus mijn broek, ter hoogte van mijn knie. Een tragisch einde voor de “nette” broek, die nu geschikt is om mee in de tuin te werken. 
De walnoten die ik van haar afpak en daarvoor een snoepje in ruil geef, leg ik op tafel, een onbereikbare plek voor mevrouw. Wat doet ze? Ze sleept haar dikke kussen richting tafel, duwt haar kop eronder tot het recht overeind staat. Vervolgens springt ze erop en dan is de afstand tot de tafel nog maar heel klein. 

Het territoriumbesef begint te komen. Ik loop met haar het hek uit. Op de oprit bij de buren staat een caravan. Dat is vreemd, hoor ik de hersentjes van Pip denken. Die hoort er niet, want de afgelopen weken stond hij er ook niet. Een blafsalvo valt de caravan ten deel met uiteindelijk een snelle aanval van een “gevaarlijke” hond, die in de achteruit gaat, zodra ze dichter bij de caravan komt. Hetzelfde gebeurt als ik een plant, verpakt in folie, naast de auto heb staan. Ook die hoort er niet. Klopt, morgen is hij weg, want dan gaat hij naar de jarige waarvoor hij bedoeld is. 
In deze periode waarin Pip verkeert, is de puppytraining ook een ware uitdaging voor mijn geduld. Als een karretje in een zweefmolen, draait en springt ze om me heen, onderwijl weer honderden konijnenkeutels besnuffelend. Om toch weer positief te eindigen: ze ging keurig zitten op de opdracht “zit” en liggen bij “af”. Yes! Zelfs op commando “hier” kwam ze naar me toe!

©Vera Oor, 2025

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...