Wat mot dat hier?’
Het kleine jochie duikt in elkaar als hij de barse stem achter zich hoort en hij aan zijn rafelige das achteruit getrokken wordt.
‘Maak dat je wegkomt. Schooiers horen hier niet thuis.’
Freek wringt razendsnel zijn hoofd uit de das, draait zich om en rent weg over de gladde straatstenen. Weg van de uitnodigende etalages. Hij kijkt een keer naar achteren, bang dat de man achter hem aan komt. Achterom kijken en hard vooruit lopen gaan niet samen. Al na enkele meters glijdt de jongen uit en valt voorover op de natte, harde ondergrond.
De jongen krabbelt overeind en voelt als eerste aan zijn jaszak. Ja, hij heeft ze nog.
Hij knijpt zijn lippen op elkaar en verbijt de pijn over de schaafwond op zijn handpalm. Er is geen tijd om ernaar te kijken. Met de hand beschermend over de inhoud van de jaszak, loopt hij snel verder, daarbij voor zich uitkijkend. Tussen de huizenrij en de enkele auto op straat, volgt hij de smalle stoep. De zwarte druppels van de opspattende sneeuw onder de autowielen besmeuren zijn gezicht waardoor het lijkt of hij nu, met zijn zeven jaar, al baardstoppels heeft.
Voetgangers lopen hem voorbij. Een enkeling bekijkt hem alsof hij een rat is die uit de goot is komen kruipen.
Het kleine jochie duikt in elkaar als hij de barse stem achter zich hoort en hij aan zijn rafelige das achteruit getrokken wordt.
‘Maak dat je wegkomt. Schooiers horen hier niet thuis.’
Freek wringt razendsnel zijn hoofd uit de das, draait zich om en rent weg over de gladde straatstenen. Weg van de uitnodigende etalages. Hij kijkt een keer naar achteren, bang dat de man achter hem aan komt. Achterom kijken en hard vooruit lopen gaan niet samen. Al na enkele meters glijdt de jongen uit en valt voorover op de natte, harde ondergrond.
De jongen krabbelt overeind en voelt als eerste aan zijn jaszak. Ja, hij heeft ze nog.
Hij knijpt zijn lippen op elkaar en verbijt de pijn over de schaafwond op zijn handpalm. Er is geen tijd om ernaar te kijken. Met de hand beschermend over de inhoud van de jaszak, loopt hij snel verder, daarbij voor zich uitkijkend. Tussen de huizenrij en de enkele auto op straat, volgt hij de smalle stoep. De zwarte druppels van de opspattende sneeuw onder de autowielen besmeuren zijn gezicht waardoor het lijkt of hij nu, met zijn zeven jaar, al baardstoppels heeft.
Voetgangers lopen hem voorbij. Een enkeling bekijkt hem alsof hij een rat is die uit de goot is komen kruipen.
Niet veel later duikt hij een donkere steeg in en is amper nog zichtbaar in de bedompte en duistere sfeer van de straat. Huisvuil slingert links en rechts, onkruid woekert welig tussen de opengebarsten voegen van de huizen. De stank van verrotting en de armoe in deze straat blijft hangen.
Aan het eind van deze straat slaat Freek linksaf. Tussen twee huizen door loopt een smal zandpad naar de achtertuintjes. Freek komt bij een manshoge poort, die scheef in zijn scharnieren hangt en kraakt als hij hem openduwt.
De aanblik van de afgebladderde kozijnen laat nog een zweem van de oorspronkelijke kleur zien. Een kleur die herinnert aan tijden dat er nog geld was om verf te kopen. Een tijd die Freek niet heeft gekend.
Hij duwt de keukendeur open waarna hem even de adem benomen wordt door de zurige lucht die er hangt. In de kleine kamer, die tegelijkertijd dienst doet als keuken, slaapkamer en washok, ligt iemand op bed.
‘Mam, ik ben er weer. Kijk eens wat ik voor je meegenomen heb,’ fluistert kleine Freek als hij naast het bed staat. Elke keer opnieuw hoopt hij dat zijn moeder iets beter wordt, maar ook elke keer opnieuw wordt hij daarin teleurgesteld. Op die momenten wordt hij overvallen door een allesoverheersende angst om hier alleen achter te blijven om te wachten op zijn vader, die op de grote vaart zit. Niemand weet wanneer het schip de thuishaven weer aan zal doen.
‘Mam, ruik eens.’ Voorzichtig beweegt het jochie een geelrode, rijpe pruim voor haar neus.
Moeizaam opent ze haar ogen een beetje. Ze snuffelt als een konijntje aan de vrucht, niet in staat om haar mond te openen en er een hap van te nemen.
Freek bijt er een klein stuk van af en proeft de zoetigheid van enkele druppels die in zijn mond blijven hangen. Het afgebeten stukje houdt hij tegen de mond van zijn moeder en wrijft het langs haar droge lippen. het gele vruchtvlees. De glimlach is amper zichtbaar, maar Freek leeft op als hij deze poging ziet.
‘Ik ga zo eerst nog wat houtjes zoeken, dan kan ik de kachel stoken.’
Zijn moeder hoort het al niet meer en verdwijnt in een koortsige droom. Het rochelende geluid van haar ademhaling, beneemt hem de adem. Niet doodgaan, mama, dan heb ik niemand meer, denkt hij en vlucht naar buiten.
Aan het eind van deze straat slaat Freek linksaf. Tussen twee huizen door loopt een smal zandpad naar de achtertuintjes. Freek komt bij een manshoge poort, die scheef in zijn scharnieren hangt en kraakt als hij hem openduwt.
De aanblik van de afgebladderde kozijnen laat nog een zweem van de oorspronkelijke kleur zien. Een kleur die herinnert aan tijden dat er nog geld was om verf te kopen. Een tijd die Freek niet heeft gekend.
Hij duwt de keukendeur open waarna hem even de adem benomen wordt door de zurige lucht die er hangt. In de kleine kamer, die tegelijkertijd dienst doet als keuken, slaapkamer en washok, ligt iemand op bed.
‘Mam, ik ben er weer. Kijk eens wat ik voor je meegenomen heb,’ fluistert kleine Freek als hij naast het bed staat. Elke keer opnieuw hoopt hij dat zijn moeder iets beter wordt, maar ook elke keer opnieuw wordt hij daarin teleurgesteld. Op die momenten wordt hij overvallen door een allesoverheersende angst om hier alleen achter te blijven om te wachten op zijn vader, die op de grote vaart zit. Niemand weet wanneer het schip de thuishaven weer aan zal doen.
‘Mam, ruik eens.’ Voorzichtig beweegt het jochie een geelrode, rijpe pruim voor haar neus.
Moeizaam opent ze haar ogen een beetje. Ze snuffelt als een konijntje aan de vrucht, niet in staat om haar mond te openen en er een hap van te nemen.
Freek bijt er een klein stuk van af en proeft de zoetigheid van enkele druppels die in zijn mond blijven hangen. Het afgebeten stukje houdt hij tegen de mond van zijn moeder en wrijft het langs haar droge lippen. het gele vruchtvlees. De glimlach is amper zichtbaar, maar Freek leeft op als hij deze poging ziet.
‘Ik ga zo eerst nog wat houtjes zoeken, dan kan ik de kachel stoken.’
Zijn moeder hoort het al niet meer en verdwijnt in een koortsige droom. Het rochelende geluid van haar ademhaling, beneemt hem de adem. Niet doodgaan, mama, dan heb ik niemand meer, denkt hij en vlucht naar buiten.
Als een opgejaagd stuk wild rent hij door de straten en bukt bij elk klein stukje hout, dat hij ziet liggen. De jute zak die hij heeft meegenomen, biedt nog plaats aan heel veel meer hout. Hout dat net zo zeldzaam is geworden als een witte boterham. Iedereen is op zoek naar de mogelijkheid om hun vochtige, bedompte woningen enigszins te verwarmen. Alleen al de aanblik van de vlammetjes die aan het hout likken, zijn soms al voldoende om te zorgen dat één moment een warmte gevoeld wordt die er niet is.
Freek wil en stuk hout oprapen als hij ineens een appel ziet liggen. Zomaar op straat. Hij grist hem van de straat. Dan botst hij ergens tegenaan. Zijn das is hij al kwijtgeraakt tijdens de strooptocht langs de kramen waar fruit uitgestald lag. Nu is zijn kraag het handvat waaraan hij omhooggetrokken wordt. Dit keer geen harde, snauwende stem, maar een warme mannenstem. ‘Zo jochie, zo’n haast dat je mij niet zag?’
Freek probeert zich los te rukken. Zonder resultaat.
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik doe niks, hoor. Die appel is half verrot, die kun je niet opeten.’
‘Die is voor mijn moeder,’ zegt Freek terwijl hij het idee heeft dat hij tegen een reus praat. De man torent hoog boven hem uit en de zwarte, hoge hoed die alleen voorname mensen dragen, maken hem nog langer en indrukwekkender.
Een gevoel van machteloosheid en uitzichtloosheid overvalt Freek en hij barst in huilen uit. De zwarte sneeuwspetters op zijn gezicht lopen uit in lange strepen over zijn wangen.
De zachte aanraking van zijn wang door de gehandschoende hand van de man voelt als een warme omhelzing, die ondersteund wordt door de belangstellende vraag: ‘Wat heeft je moeder?’
Freek antwoordt zacht: ‘Ze hoest heel erg. Soms kent ze mij niet eens. Ze is heel erg warm en af en toe voelt ze nat aan.’
‘Dat klinkt als longontsteking. Dat heerst. Ik ben dokter. Wil je mij naar je moeder brengen, zodat ik haar kan bekijken?’
Freek schudt zijn hoofd. ‘Wij hebben geen geld voor een dokter, mijnheer. Mijn vader is op zee.’
De arts stelt hem gerust door te zeggen, dat kijken niks kost en loopt achter Freek aan door de buurt, die anderen mijden.
Hij neemt zijn hoed af als hij het huis binnengaat en naar de vrouw loopt. Hij weet na een kort onderzoek meteen dat het geen longontsteking is. De vrouw is zich niet eens van zijn aanwezigheid bewust.
‘Jongen, hoe heet je eigenlijk?’
‘Freek, mijnheer.’
‘Freek, je moeder heeft geen longontsteking, maar ze heeft een zware kou te pakken. Ik ga nu terug naar mijn praktijk om medicijnen te halen en dan kom ik hier terug. Ze zal daarmee snel opknappen, verwacht ik, mijn jongen. Wil je wel met me meelopen, want ik voel me hier een dief in de nacht, in deze straten zonder verlichting.’
Hij kijkt naar de jongen, die verstijft en hem met grote, angstige ogen aankijkt. Onmiddellijk begrijpt hij wat de reden daarvan is en stelt hem gerust: ‘Dat is slechts beeldspraak. Ik ben onbekend in deze buurt en ben bang om te verdwalen en onverwachte situaties tegen te komen.’
Freek wil en stuk hout oprapen als hij ineens een appel ziet liggen. Zomaar op straat. Hij grist hem van de straat. Dan botst hij ergens tegenaan. Zijn das is hij al kwijtgeraakt tijdens de strooptocht langs de kramen waar fruit uitgestald lag. Nu is zijn kraag het handvat waaraan hij omhooggetrokken wordt. Dit keer geen harde, snauwende stem, maar een warme mannenstem. ‘Zo jochie, zo’n haast dat je mij niet zag?’
Freek probeert zich los te rukken. Zonder resultaat.
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik doe niks, hoor. Die appel is half verrot, die kun je niet opeten.’
‘Die is voor mijn moeder,’ zegt Freek terwijl hij het idee heeft dat hij tegen een reus praat. De man torent hoog boven hem uit en de zwarte, hoge hoed die alleen voorname mensen dragen, maken hem nog langer en indrukwekkender.
Een gevoel van machteloosheid en uitzichtloosheid overvalt Freek en hij barst in huilen uit. De zwarte sneeuwspetters op zijn gezicht lopen uit in lange strepen over zijn wangen.
De zachte aanraking van zijn wang door de gehandschoende hand van de man voelt als een warme omhelzing, die ondersteund wordt door de belangstellende vraag: ‘Wat heeft je moeder?’
Freek antwoordt zacht: ‘Ze hoest heel erg. Soms kent ze mij niet eens. Ze is heel erg warm en af en toe voelt ze nat aan.’
‘Dat klinkt als longontsteking. Dat heerst. Ik ben dokter. Wil je mij naar je moeder brengen, zodat ik haar kan bekijken?’
Freek schudt zijn hoofd. ‘Wij hebben geen geld voor een dokter, mijnheer. Mijn vader is op zee.’
De arts stelt hem gerust door te zeggen, dat kijken niks kost en loopt achter Freek aan door de buurt, die anderen mijden.
Hij neemt zijn hoed af als hij het huis binnengaat en naar de vrouw loopt. Hij weet na een kort onderzoek meteen dat het geen longontsteking is. De vrouw is zich niet eens van zijn aanwezigheid bewust.
‘Jongen, hoe heet je eigenlijk?’
‘Freek, mijnheer.’
‘Freek, je moeder heeft geen longontsteking, maar ze heeft een zware kou te pakken. Ik ga nu terug naar mijn praktijk om medicijnen te halen en dan kom ik hier terug. Ze zal daarmee snel opknappen, verwacht ik, mijn jongen. Wil je wel met me meelopen, want ik voel me hier een dief in de nacht, in deze straten zonder verlichting.’
Hij kijkt naar de jongen, die verstijft en hem met grote, angstige ogen aankijkt. Onmiddellijk begrijpt hij wat de reden daarvan is en stelt hem gerust: ‘Dat is slechts beeldspraak. Ik ben onbekend in deze buurt en ben bang om te verdwalen en onverwachte situaties tegen te komen.’
Weken later is Freek er weer op uit getrokken om hout te verzamelen. Zijn moeder is hersteld van de kou maar nog heel zwak. Hij probeert zo goed als mogelijk de man in huis te vervangen. In de verte hoort hij scheepstoeters, die galmend over het water de havenstad binnendringen.
Hij slingert de jute zak op zijn rug en rent zo hard hij kan naar de haven. Hij tuurt over het water en ziet de contouren van een groot, zeewaardig schip.
Naast hem doemt een lange man op, met een hoge hoed.
Glunderend kijkt Freek omhoog: ‘Mijn vader kan u misschien betalen.’
De man kijkt tevreden naar de kruin van het jochie, die zijn blik weer op het water richt. ‘Hoeft niet.’
Als Freek omkijkt, is de man verdwenen.
Hij slingert de jute zak op zijn rug en rent zo hard hij kan naar de haven. Hij tuurt over het water en ziet de contouren van een groot, zeewaardig schip.
Naast hem doemt een lange man op, met een hoge hoed.
Glunderend kijkt Freek omhoog: ‘Mijn vader kan u misschien betalen.’
De man kijkt tevreden naar de kruin van het jochie, die zijn blik weer op het water richt. ‘Hoeft niet.’
Als Freek omkijkt, is de man verdwenen.
©Vera Oor, 2025
