Zevenmijlslaarzen

Vijftien mussen hippen rond in het droge gras en hopen nog ergens een worm te vinden. Door de hitte van de afgelopen tijd is de grond kurkdroog en keihard geworden.
‘Dat kun je hier wel vergeten. Zelfs wormen die een krachttraining hebben gevolgd, komen hier nooit doorheen,’ piept de grootste en oudste mus. ‘Er is water nodig, heel veel water en niet alleen voor de bodem en de wormen.’
Met zijn snavel wijd open en zijn vleugels breed gespreid leunt hij tegen de schors van een grote eikenboom. Hij is volledig uitgeput en heeft de puf niet meer om omhoog te vliegen. Zelfs de brede kroon van de boom vertoont grote open gaten, waar die het blad heeft laten vallen en de zon priemt er onbarmhartig doorheen. De overige mussen hebben het ook zwaar en missen de energie om opgewekt te kwetteren. Ze trippelen tussen de verdorde bladeren en hopen dat er ergens nog een kleine kuil is, waar water in is blijven staan.
 
Ineens schrikken ze allemaal op door een dreunend geluid waardoor de grond begint te trillen en de bladeren gaan wervelen wat een lichte luchtverplaatsing veroorzaakt die bijna verkoelend aanvoelt.
‘Zie je wel. De aarde verdraagt het niet meer, nu hebben we ook nog een aardbeving. We gaan eraan, jongens,’ stoot de oude mus hijgend uit.
‘Dit is geen aardbeving, dit lijkt veel meer op zwaar onweer,’ zegt een ander, die luistert naar de naam Pinkie, terwijl hij kleine stofjes tussen zijn veren uitpikt. ‘Ik ga kijken of ik kan zien waar het bliksemt en dondert. Misschien krijgen we wel regen!’ roept hij hoopvol. Twee anderen volgen hem.
Ze hippen en fladderen naar de bosrand en staan ineens doodstil.
‘Hihi, kijk eens, die had het ook warm,’ lacht Pinkie en loopt op het gevaarte af. ‘Hij had zeker zweetvoeten en heeft zijn laarzen uitgetrokken om te luchten.’
Ze lopen dichter naar de slapende reus en houden hun snavels stevig gesloten. De zweetvoetenlucht is niet te harden. Bij de volgende ronkende snurk van de reus trilt de bodem opnieuw onder hun pootjes.
‘Maar waar zijn zijn zevenmijlslaarzen?’ vraagt Pinkie zich af terwijl hij zijn vleugel voor zijn snavel vouwt om niet bedwelmd te worden door de lucht.
 
Het antwoord laat niet lang op zich wachten als er enkele roze wolken hun kant op drijven. Zodra ze iets dichterbij komen, kunnen de musjes zien dat het pelikanen zijn, allemaal met een zware keelzak.
De pelikanen zetten de landing in en landen binnen het zichtveld van de mussen die ernaartoe fladderen. En daar staan… de zevenmijlslaarzen op een verhoging van gestapelde stenen. Een grote groep wasberen kijkt hoopvol omhoog naar de pelikanen en een steken hun duim omhoog. Om beurten landen de pelikanen op de schachten van de laarzen en laten de inhoud van hun keelzak stromen.
‘Ze vullen de laarzen met water!’ schreeuwt Pinkie nu opgewonden en snuift de geur van water op. Wat is dat lang geleden. Hij rent naar de wasberen toe, die hem graag vertellen waarom ze hier zijn.
‘Zo’n klein jochie, Duimpje heet hij, is ’s nachts de dierentuin ingeslopen en heeft ons uit ons verblijf bevrijd. Hij had onze hulp nodig, want alle dieren buiten de dierentuin komen water tekort en hij had een idee. Een grandioos idee kan ik wel zeggen,’ zegt een van de zwart-witte beren.
De andere mussen luisteren mee als de wasbeer zijn verhaal vervolgt. Intussen proberen ze waterdruppels op te vangen die opspatten als de wasbeer zich uitschudt.
‘Duimpje vertelde dat de reus zijn laarzen had uitgetrokken voordat hij ging slapen en, geholpen door een paar stinkdieren, had hij die een eind verderop gesleept. De stinkdieren waren zo gewend aan hun eigen doordringende geur dat ze de zweetvoetenlucht met gemak verdroegen. Dat jochie heeft ons toen gehaald om de laarzen van binnen een stevige wasbeurt te geven en daarna heeft hij de pelikanen in de dierentuin om hulp gevraagd.’
Een andere wasbeer komt erbij en vult het verhaal aan door te vertellen dat de laarzen na hun schoonmaakbeurt door de pelikanen gevuld zijn met water, dat ze aansleepten vanuit hun waterplas in de dierentuin. Een muis heeft een gat geknaagd in de neuspunt en Duimpje heeft daar een tapkraan ingedraaid. ‘Vraag me niet waar hij die vandaan haalde.’
‘En nu, wat is hiervan de bedoeling?’ vraagt Pinkie met trillende stem. Hij hoopt op een antwoord dat hij vervolgens ook krijgt.
‘Laat de bosdieren weten, dat hier dit watertappunt is waar ze naar toe kunnen komen. De pelikanen blijven aanvullen en Duimpje gaat, nadat hij de reus heeft verteld dat zijn laarzen een goed doel dienen, de kraan bedienen. Als we mazzel hebben, gaat de reus met zijn grote handen meehelpen water te scheppen en hiernaartoe te brengen.’
De musjes hangen met open snavel onder het tapkraantje en genieten met gesloten ogen van het kostbare vocht. Ze hebben nu voldoende kracht om terug te vliegen en de rest op te halen.
De achtergebleven mussen worden eropuit gestuurd om de bosdieren dit fijne nieuws te brengen en Pinkie ondersteunt de oude mus om naar de laarzen te sloffen.
De tranen lopen de seniormus over zijn veren als ook hij de smaak van water opzuigt. Het kleine beetje zweetzout dat zich nog vermengd heeft met het water, neemt hij voor lief. 

©Vera Oor, 2026

Twee verhalen van 99 woorden in de bundel Lezenswaardig

 




Lezenswaardig organiseerde een schrijfwedstrijd voor verhalen van exact 99 woorden voor hun verhalenbundel van 2026. Twee van mijn verhalen zijn uitgekozen om daarin te worden opgenomen.






Muurbloempje
De kamer ligt bezaaid met kledingstukken. Ze trekt nogmaals de groene blouse met witte lotusbloemen aan. Met haar ogen gesloten en haar armen om zich heengeslagen, beweegt ze haar lichaam lichtjes heen weer als een dansende rietstengel in de wind.
‘Een olifant die een kunstje doet in de piste van het circus,’ snauwt ze naar haar spiegelbeeld en barst in tranen uit. Het zwarte shirt, dat kleedt tenminste af.
Haar adem stokt als de blonde jongen haar kant uitloopt. Toch gekozen! 
‘Wil je met me dansen?
Het meisje in de groen-witte blouse naast haar neemt de uitgestoken hand aan. 

Leven
De hond duwt zijn neus tussen afgebroken planken en schuift ze voorzichtig opzij. Zijn scherpe, getrainde neus vangt een spoortje lichaamsgeur op.
Met zijn poot veegt hij  gruis aan de kant en daar…ligt ze, opgerold als in de baarmoeder. Ze leeft! Hij voelt haar adem. Hij kruipt terug en blaft luid. Alle verstarde hulpverleners komen in actie. Zweet en tranen vormen groeven tussen het gruis op hun wangen. Schuurpapierhanden met afgebrokkelde nagels graven mee met de hond.
Een van de mannen houdt zijn lippen strak op elkaar om te voorkomen dat hij in geschreeuw uitbarst. Zijn kind leeft.
 

Onrust op de camping

 

Mare rommelt nog wat in de tent terwijl Erik de voortent uitloopt en zijn laatste restje slaap uitademt. Hij rekt zijn armen boven zijn hoofd alsof hij de opkomende zon aan wil raken.
Het is nog vroeg en over de camping hangt nog een relatieve rust. Verderop blaft een hond, het grind knerpt onder de teenslippers van een man die voorbijloopt. De handdoek over zijn arm en de bungelende toilettas aan zijn hand verraadt waarnaar hij onderweg is.
De deur van de kleine, oude caravan tegenover de tent van Mare en Erik zwaait open waarbij de slierten van het vliegengordijn naar buiten wapperen. Eerst verschijnt de stok, dan een been en daarna het andere been en de romp van een vrouw. Ze is al op leeftijd en de kreukels in haar gezicht zijn niet alleen van de slaap. Als ze Erik ziet staan, knikt ze hem vriendelijk toe.
 
Plotseling wordt de stilte doorbroken door loeiende sirenes en een aanhoudend geluid als van een autoclaxon. Mare steekt haar hoofd verschrikt naar buiten. ‘Wat is er? Waarom loeit die sirene?
Op hetzelfde moment licht het scherm van haar telefoon op en ze leest snel het bericht wat erop verschijnt.
‘Erik, Erik, we moeten weg.’ roept ze en hapt naar adem. ‘Brand.’
Erik voelt zijn telefoon trillen in zijn broekzak, een onheilspellend trillen na de woorden van Mare.
Nu leest hij zelf het sms alert waarin alle campinggasten opgeroepen worden zich te melden bij de entree van de camping. “Neem alleen de hoognodige spullen mee zoals geld, id gegevens en medicijnen. Tent en caravan laten staan. Er is een natuurbrand uitgebroken. Help elkaar waar nodig en luister naar de instructies van het personeel.”
Zowel Mare als Erik hebben bij hun werk oefeningen meegemaakt van ontruimingen en handelen zoals opgedragen. Dan valt zijn oog op de buurvrouw die in alle rust een slok van haar ochtendthee neemt.
‘Mare, kom mee. We moeten de buurvrouw waarschuwen en helpen,’ roept Erik als hij zich realiseert dat zij misschien geen telefoon heeft. In enkele stappen staat hij naast de tafel. ‘We moeten weg hier,’ zegt hij. ‘U moet uw spullen pakken.’
Ze kijkt hem aan en gebaart naar haar oor. ‘Ik heb mijn gehoorapparaat nog niet in. Even wachten.’
Ze graait in haar tas en friemelt het hoorapparaat in. ‘Wat zeg je, jongen?’
Als zijn boodschap tot haar doordringt, begint ze te trillen over haar hele lijf. Ze wil opstaan, maar valt weer terug in haar stoel.
‘Ik help u,’ zegt Erik. Op zijn vraag of ze medicijnen heeft, wijst ze op haar tas. ‘Alles zit erin, ook mijn geld.’
‘Waar is uw man? Ligt die nog op bed?’
‘Die is verse broodjes halen. Hij komt zo terug.’
 
Er voegen zich meerdere sirenes toe aan het eerdere geluid. Het is het onheilspellende geluid van brandweersirenes en over de paden rennen campinggasten voorbij. Enkelen zijn zo te zien in hun slaap gestoord. Haren als een stekelvarken, dikke wallen onder de ogen.
Een kind krijst terwijl het meegesleept wordt door zijn moeder. Zijn vader heeft een ander kind op de arm. Waar de ene persoon rustig probeert te blijven, huilt een ander uit alle macht en kijkt verwilderd om zich heen, bang dat rode vlammen tussen de tenten en caravans de achtervolging inzetten.
 
Erik en Mare blijven bij de vrouw en lopen in haar tempo met haar mee. Ze blijft verbazingwekkend rustig en laat de paniek niet de overhand nemen. Dat is anders bij de man die op hen afgerend komt met een zwabberende plastic zak in zijn hand. Zijn ogen puilen bijna uit hun kassen.
Als hij het drietal ziet, ontsnappen de tranen en lopen vrijuit over zijn wangen. Hij laat de zak vallen en laat de woorden van Erik op zich inwerken. Dat ze alle benodigde medicijnen en geld bij zich hebben, maar dat het nu zaak is naar de ingang te lopen.
‘Maar de caravan dan?’ vraagt hij hijgend.
Erik probeert zijn geduld te bewaren en antwoordt zo rustig mogelijk: ‘Mijnheer, daar hebben we de tijd niet voor. Iedereen moet zijn tent of caravan laten staan. Een brand is onvoorspelbaar en het belangrijkste is dat u en uw vrouw veilig zijn.’
Eenmaal bij de ingang kijken ze verbijsterd naar de rookkolommen die boven de bomen de lucht inklimmen. Rook prikkelt hun keel.

©Vera Oor, 2026

Oude foto

 

Het kan niet anders dan dat het in mijn genen zit, constateerde ik toen ik een foto van mijn jonge oma tegenkwam, die over het prikkeldraad heen een koe over de kop aait. Alsof ik er sta. 
Vanaf het moment dat ik als kind weleens op een boerderij logeerde, ontstond mijn belangstelling voor koeien. De grote lijven boezemden mij geen angst in, de kalfjes nog minder en het liefst stond ik bij het beestje in de stal en liet het aan mijn vingers sabbelen.
Als kabouter bij de scouting vonden de zomerkampen altijd plaats op een boerderij en werd de deel gebruikt om de luchtbedden en slaapzakken neer te leggen. In de zomer stonden de koeien immers in de wei. De geur die op de deel hing, verwelkomde ons. 
Nu nog heb ik dat als ik een deel oploop en waar anderen zich uit de voeten maken om te voorkomen dat hun maaginhoud omhoog komt, vond en vind ik dat absoluut niet. Ik zal niet beweren dat het vergelijkbaar is met een goede parfum, maar je ziet mij niet met een zakdoek voor de neus. Ineens loop ik daar dan in mijn uppie, de rest snuift frisse lucht op buiten de stal.
Als ik langs een wei met koeien fiets of loop, kijk ik altijd naar de reacties van die zwartbonte, roodbonte, lichtgekleurde of zwart-witte dames. Sommigen kijken nieuwsgierig naar de voorbijgangers, anderen grazen onverstoorbaar door. Als er een richting afzetting komt lopen, kan die erop rekenen dat ik een hand over het prikkeldraad hang om te laten besnuffelen.
En dan die ogen hè, en de lange wimpers! Nadat ik ooit mijn moeder er ooit op wees, zag zij het ook. 'Mooie ogen hebben ze, hè.' zei ze alsof ze het zelf ontdekt had. Het grasvermalende geluid van het koeiengebit is het achtergrondgeluid van een lied dat bij me opkomt: “Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen.”
 
Google foto’s geeft af en toe terugblikken in de verzameling digitale afbeeldingen, willekeurig gekozen. Ik ben inmiddels twee, al oude, foto’s tegengekomen die bevestigen dat ik een kleindochter van oma ben: dezelfde houding, hand over het prikkeldraad en de koe (proberen te) aaien.
Een keer bij een collega die een weiland naast haar huis had. Ik verliet de lunchtafel om van dichtbij kennis te maken met deze massieve buurvrouw. De andere keer dwaalde ik wat rond als een van de bruiloftsgasten. Op de achtergrond de feestmuziek en iets verderop voor me uit enkele koeien tussen het frisgroene gras. In mijn feestkleren liep ik naar het weiland. Achteraf verbaasde ik me dat het me gelukt was om ‘onbevlekt’ terug te keren in het bruiloftsgedruis.  

 ©Vera Oor, 2026

Dag 1 Oostenrijk, 24 september

Het is 01.45 als ik bij een wildvreemde man in de auto stap om anderhalf uur later langs de autoweg in Duitsland gedropt te worden. De taxic...