Dag 1 Oostenrijk, 24 september



Het is 01.45 als ik bij een wildvreemde man in de auto stap om anderhalf uur later langs de autoweg in Duitsland gedropt te worden. De taxichauffeur zet netjes de koffer naast me neer en vertrekt.  

Bij het schaarse licht van het tankstation stap ik over in de touringcar. Een groot deel van de al aanwezige reizigers heeft er inmiddels een rit vanaf het hoge noorden opzitten en enkelen kijken me met slaperige ogen aan. 
Ik installeer me op een vrije plek, blaas het nekkussen op en nadat de lichten in de bus uitgaan, volg ik het voorbeeld van de anderen. Geleidelijk aan opent de wereld zich een beetje en rijst het ochtendgloren boven uitgestrekte velden in Duitsland. 
Pas tijdens de tussenstops zie ik van mijn medereizigers meer dan alleen hun hoofden. Wit, grijs, kalend, krullend, mannen, vrouwen en van verschillende leeftijden, alleenreizend, met partner of met familie of vrienden. Met mijn zesenzestigjarige leeftijd zit ik denk in de middenmoot. 
Je betaalt een euro voor het gebruik van de toiletten bij Duitse tankstations, maar dan krijg je ook wat: verbaasd kijk ik naar de golvende toiletbrillen, die tijdens hun rondgang ontsmet worden. Tja, ik zal nog wel meer onbekende dingen gaan zien als onervaren reiziger. 
 
Gaandeweg de rit klinkt het geluid van voor mij onbekende Nederlandse en Duitse smartlappen en van Tiroler muziek. Het volume is bescheiden maar een van de muzieknummers herken ik: “Och, was ik maar bij moeder thuisgebleven.” Dat zal toch geen voorteken zijn?
De reviews voor dit reisbureau waren heel goed en omdat zij als enige een vijfdaagse reis aanboden met een dagexcursie naar iets wat ik al heel lang wil zien, was mijn keuze snel gemaakt. Vijf dagen vind ik lang genoeg. 
Wat me opvalt, is dat het merendeel van de aanwezigen een trouwe klant is van deze organisatie, die reizen naar Tirol organiseert. Ze kennen elkaar en weten wat deze reis te bieden heeft. Dat zegt toch wel wat, besluit ik.
Och jee, een bingo. Dat is lang geleden dat ik dat gedaan heb, maar het geeft wel afleiding tijdens de lange zit. Ja hoor, natuurlijk heb ik weer eens niet goed opgelet bij de uitleg en heb ik een valse bingo. Voor “straf” moet ik deze reis een keer dansen met de reisleider of de chauffeur. Ik hoop voor mezelf en niet in de laatste plaats voor een van die twee, dat dat misschien wel vergeten wordt, want dansen is aan mij nooit besteed geweest. De danslessen die ik gevolgd heb waren vooral een uitdaging voor mijn danspartner omdat ik me niet liet leiden. 
Bingo! Nu is hij wel goed.
‘Alweer?’ hoor ik even later als ik weer bingo heb. De tweede prijs komt naast me te liggen op de stoel. Zo maak ik natuurlijk geen vrienden. 
 
Op het bord langs de weg zie ik Nürnberg staan. Even schiet ik zo’n vijftig jaar terug in de tijd waarin de schoolreis naar Wenen ging en we overnachtten in Nürnberg in een indrukwekkend oud gebouw dat meer weghad van een burcht op een berg. Snel zoek ik op Google of die nog bestaat. En ja hoor, precies zoals ik me herinner. 
Een van de klasgenoten speelde gitaar en een ander zong, toen we op de eeuwenoude muren zaten. Enkele nummers van de Beatles, waaronder “Help”. Waarom herinner ik me nu juist dat nummer? Toch niet weer een voorteken? 
 
De grens met Oostenrijk passeren we zonder controles en geleidelijk aan beginnen de bergen te worden zoals bergen horen te zijn: hoog en met op grote hoogtes verleidelijk groene weiden en nog hoger besneeuwde bergtoppen. 
Waar de heldere dag ons de hele dag omringd heeft, maakt die plaats voor een fikse regenbui. Gelukkig zijn de voorspellingen voor de komende dagen stukken beter.
Om te vieren dat we in Oostenrijk zijn, krijgen we een miniglaasje met iets alcoholisch aangeboden. Brr! Ik word aangespoord om het vooral te proberen en in één teug het glas te legen. Daar gaat mijn slokdarm, het spul brandt als de hel en ik krijg het een partijtje warm. Warm? Nee, heet! De eerste en laatste keer, dat is een ding dat zeker is.  
 
‘Wat stoer!’ zeiden vrienden en bekenden tegen mij toen ik zei dat ik deze reis ging maken, ‘om alleen te gaan.’ 
Die logica ontgaat me volledig. Ik zou het pas stoer vinden als ik alleen op stap zou gaan met een rugzak, stevige wandelschoenen en met onbekende bestemming.  
Na de lange rit komen we aan in Mayrhofen en moet ik mezelf als een meccanowerkstuk eerst even opbouwen en in de benen komen.
The hills are alive with the sound of music. Ben ik ff blij dat ik nadat ik uit de bus ben gestapt, niet voor de taak sta om voor zeven kinderen te zorgen zoals Maria in The sound of music. 
Zo heb ik me een hotel in Oostenrijk voorgesteld: wit gepleisterd met houten balkons en hanggeraniums. Hier check ik in voor de komende vier nachten. Begeleid door het rollende geluid van de wieltjes onder mijn koffer, stap ik nieuwsgierig mijn kamer in. Helemaal goed. Eerst heel even het bed uitproberen en de koffer uitpakken. Hagelwitte handdoeken met de ingeweven naam van het hotel hangen uitnodigend klaar en ik spring nog snel onder de douche voordat het diner geserveerd wordt. Er is een tafelindeling gemaakt en de dialecten vliegen me aan mijn tafel om de oren: Twents, Drents en Limburgs. Zo leer ik vijf van mijn reisgenoten beter kennen en ik twijfel er niet aan dat dat klikt. 
De zeer gastvrije eigenaar van dit grote hotel dat al sinds halverwege de zeventiende eeuw in handen van dezelfde familie is, bedient ons in zijn lederhosen. Zijn vrouw draagt een dirndl. Bijzonder om te zien, maar eigenlijk vind ik het ook helemaal bij dit hotel horen, alsof ik op bezoek ben bij Heidi en Peter. 
Iedereen heeft de pap wel zo’n beetje op en verdwijnt na het eten naar de kamer. Ik plof om 20.30 in bed en vertrek om te dromen van de bergen die ik niet meer kon zien toen ik de gordijnen dichttrok. Slechts enkele lichtjes onder een donkere, natte hemel.

Dag 2 Oostenrijk, 25 september

 

 Brr, het ziet er koud uit op deze tweede vakantiedag, maar het is wel droog. Ik stop alvast een vest en jas in mijn rugzak om straks mee te nemen, want de ervaren reizigers waarschuwen me dat het bovenop de Penkenberg heel wat graden kouder kan zijn. 
Eerst een ontbijt waar je drie keer U tegen zegt. De jarige aan onze tafel krijgt tot haar verrassing een flinke sachertorte met kaarsje voor haar neus, geregeld door het thuisfront en haar hier aangeboden door mijnheer Lederhose. 
Ja, daar is geen plaats meer voor in onze maag. De taart verdwijnt in de koelkast van het restaurant. Voor straks. 
Ken je dat, dat iemand zo’n aanstekelijke lach heeft, dat je als vanzelf meelacht? De buschauffeur aan de tafel naast ons loopt langzaam rood aan, de tranen lopen hem over de wangen en keer op keer giert hij het uit, niet in staat om nog iets te zeggen. Het werkt zo aanstekelijk dat “mijn” tafel ook mee gaat doen. We hoeven elkaar maar aan te kijken of een blik op de hikkende chauffeur te werpen om opnieuw te belanden in een lachsalvo, waarvan we de reden niet weten om uiteindelijk de servetten te gebruiken om de tranen van onze wangen te vegen.
 
In de Hoofdstraat spiek ik in de etalages van de winkels waar we langslopen. Hé, een ijswinkel. Ff onthouden waar die zit. 
Onderweg naar het eerste station voert de gondel me door de mist die het zicht zowel naar beneden als naar boven grotendeels belemmert. Totdat we daar bovenuit stijgen. De mist blijft als een deken tussen de bergen hangen en de steile bergwand doemt voor me op. Bij een kraakheldere blauwe lucht en een temperatuur die ver uitstijgt boven de voorspelde kou stap ik uit. Terwijl de rest van het gezelschap doorloopt, blijf ik staan. Deze eerste indruk wil ik bewust op me in laten werken: klingelende koeienbellen en roodbonte koeien grazend in de groen oplopende weide.
Nieuwsgierigheid bedwingen is niet mijn sterkste kant. Als nieuwsgierig Aagje stap ik daarom in de volgende gondel op weg naar ruim 2000 meter hoogte. Het restaurant laat ik letterlijk links liggen, eerst wil ik onderdeel worden van deze overweldigende natuur. 
Bergen, bergen en bergen. Weiden, weiden en weiden, glad en strak als biljartlakens. Later vandaag hoor ik dat boeren deze hellingen onderhouden zodat lang gras geen kans krijgt om door sneeuw of regen losgetrokken te worden, waardoor grond kan wegspoelen en het risico op lawines toeneemt. 
De rest van het gezelschap zit op het terras in de stralende zon. maar ik wil eerst alles zien. Achter het restaurant ligt een klein stuwmeer met water in mijn lievelingskleur turkoois, omgeven door grote rotsblokken en paarsroze bloemenaren van het wilgenroosje.  De bomen aan de overkant van het meer vormen hun eigen spiegelbeeld in het water en ook de bergen doen daarin mee. De lucht is hemelsblauw.
Ik ruk me los en sluit aan op het drukbezette terras. Aan de gloeiing van menig gezicht is de werking van de zon en drank af te lezen. Vooraf is me beloofd dat de apfelstrudel hier heerlijk moet zijn, dus daarvan bestel ik er een. Het lijkt hier Limburg wel met zijn enorme punten vlaai. Een halve strudel was meer dan genoeg geweest. 
De livemuziek heb ik op een gegeven moment genoeg gehoord en met het aanlokkelijke beeld van een ligstoel voor ogen, zoek ik er een op. Eind september en een middagdutje in de zon, wat wil een mens nog meer. De jas is de rugzak nog niet uitgekomen en het vest gaat hem daar nu gezelschap houden. 
 
‘Wie sluit aan bij de wandeling bergafwaarts, terug naar het eerste station?’
Dat wil ik zonder meer proberen. Omdat ik besloten heb me deze dagen niet te laten pesten door mijn heup, neem ik de tweede dosis paracetamol en ibuprofen. De wandelstok is mijn maatje. 
Gelukt! Daarop proost ik met mezelf met een groot glas Fanta. Mijn medereizigster pakt zo’n zelfde groot glas, gevuld met bier. 
Als ik naar de wc’s op de onderverdieping loop, is daar geen hond te bekennen, maar wel… een piepkleine, dikke ronde muis. Zo’n opwindmuisje dat op zijn plaats op en neer wiebelt. Grappig om te zien. Hè? Niks opwindmuis. Ik pak een van de stoelen die er staan en ga het eens rustig bekijken. Het diertje loopt op zijn gemak over de vloertegels en tussen het meubilair en dribbelt als Klein Duimpje over de schoenen van de reus. Mijn schoenen wel te verstaan. Ik ruk me los van deze kleine, levende, grijze bol en loop weer naar boven.
Terug in de gondel naar het onderstation heb ik een helder zicht op het ver onder ons liggende dal met stromende beken tussen de tegen de bergen aangeplakte, witgepleisterde huizen door. 
Eenmaal terug in het dorp, slenter ik langs de winkels en laat ik me verleiden tot de aankoop van een kleine sleutelhanger-koebel met mijn naam erop. Vanaf nu hangt die licht tingelend aan mijn tas.
Op verschillende plekken in het dorp spelen kleine muziekgezelschappen waarvoor ik graag even blijf staan. Niet alleen vanwege de muziek maar ook om hun prachtige kleding in Tirolerstijl. Natuurlijk ontbreekt ook een traditionele dans niet. De mannen klappen ritmisch op hun lederhosen, knieën en schoenzolen terwijl ze op de maat van de muziek springen. Een beetje jaloers op hun lenigheid ben ik wel.
Als ik in de supermarkt iets van de onderste schap wil pakken, zak ik door mijn knieën maar kom niet meer overeind zonder me met mijn handen af te zetten op de vloer. Dat doe ik overigens pas als er niemand meer door het gangpad loopt.  
En ja, ik heb de ijswinkel teruggevonden. Met een ijsje in mijn hand slenter ik even later over de Bauernmarkt en daarna terug naar het hotel voor alweer een heerlijke maaltijd.
 
De taart is niet vergeten en wordt opnieuw naar onze tafel gebracht door mijnheer Lederhose met een groot mes en een stapel bordjes. De jarige krijgt het voor elkaar om de taart zodanig te verdelen dat ieder van ons hele gezelschap een puntje krijgt. 
In een hotel iets verderop is er vanavond livemuziek in een niet tot de nok toe gevulde zaal. Gewoon gezellig druk aan tafeltjes. Ik ken niet één van de Tiroler liedjes, maar de anderen zingen en wiegen luid mee. Om te voorkomen dat ik platgedrukt word tussen links en rechts, haak ik ook maar in. Maar voor de polonaise, die de Limburgse dames in gang zetten, pas ik. Waar de door de zaal slingerende sliert in eerste instantie verbaasd aangekeken wordt, verandert dat en sluiten er zelfs anderen aan bij “die Holländer”.

Dag 3 Oostenrijk, 26 september

De derde vakantiedag staat de 
Almabtrieb op het programma, de aanleiding waarvoor ik voor deze vakantie heb gekozen. Ik had
er al vaker over nagedacht, maar nu komt het er dan van. 
Google vertelt me dat er volgens een traditie gevierd wordt dat het vee en de herders na een lange zomer in de bergen veilig terugkeren naar de stallen in het dal. De dieren worden versierd als de hele zomer op de Alm succesvol is verlopen en er geen mens of dier is verongelukt. Als dat wel het geval is, is de versiering soberder of blijft in het ergste geval zelfs achterwege. De bellen zijn bedoeld om boze geesten, demonen en roofdieren langs de vaak smalle en gevaarlijke bergpaden te verjagen. De spiegels die soms in de hoofdtooien zijn verwerkt, dienen volgens het volksgeloof ook om het kwaad te reflecteren en af te weren.
Kom maar op met die koeien!
De bus staat al klaar om ons naar het verderop gelegen Hintertux op 1500 meter hoogte te brengen. De jas heb ik al thuisgelaten, maar dat had ik met mijn vest gerust ook kunnen doen. Opnieuw stralende zon die boven de bergen uittorent. 

De abtrieb is in de middag dus er is nog tijd voor andere activiteiten. Een korte wandeling naar een indrukwekkende waterval. Het is mogelijk om er dichterbij te komen door te klauteren over grote keien en rotsblokken. Dapper begin ik aan die uitdaging. Houten bruggetje over. Hink-stap-pauze-stap in plaats van hink-stap-sprong. Als ik nou een spin was geweest, had ik snel een draad gespannen om aan te kunnen bungelen als ik zou struikelen. 
Hm, maar ik ben geen spin en het risico nemen om een Oostenrijks ziekenhuis van binnen te bekijken, trekt me niet. Me vastgrijpend aan takken, plukken gras en een hulpvaardige hand, keer ik om en ik ben daarin niet de enige.
Op een klein grasveld hangen twee schommels, waarvan er al een bezet is en ik duik ook vandaag even het verleden in om als kind op de schommel te zitten en hoger en hoger te komen, soms op de billen aangeduwd door een van mijn ouders. 
‘Harder schommelen!’ roept de reisleidster aanmoedigend vanaf de zijkant. Stom, stom. Ik had beter moeten weten als ik goed naar haar uitdagend lachende gezicht had gekeken. We zetten onze voeten stevig af op de grond. Flats! Uit het niets een miniwaterval over ons heen. Door harder te schommelen zet je een of ander systeem in werking waardoor het water omhoog gepompt wordt en rijkelijk over je uitgegooid. Als ik omhoogkijk, valt me nu ook het kunstwerk van een paraplu op, die aan de zijkant van het schommelbouwwerk is bevestigd. Dat had me aan het denken moeten zetten. Niet getreurd, de zon doet zijn werk en alles droogt snel op. Nu weet ik ook waarom die twee onbekende mensen op het bankje iets voorover bogen om onze schommelsessie goed te kunnen volgen. 

Bij het reisgezelschap zijn twee broers. Een is een eind in de tachtig, de ander bijna negentig jaar oud. Geweldig om te zien hoe zij overal aan meedoen en genieten. Ze doen me denken aan mijn docent geschiedenis die ik op de Havo had, vierenvijftig jaar geleden. Toevallig kreeg ik gisteren een appje van hem waarin hij me uitnodigt voor onze jaarlijkse lunch aanstaande vrijdag. 
 
De koeien komen naar verwachting rond 13.00 uur van de alm af en we besluiten met ons drieën het bergweggetje omhoog te lopen en daarmee de stoet tegemoet. Het is niet heel ver, maar wel flink klimmen. 
‘Kleine stapjes.’
We zoeken een mooi plekje uit en ploffen neer in het gras tegen de bergrand aan. Overigens goed opletten, want er ligt meer dan alleen gras, ook ingedroogde koeienflatsen. Ga daar vooral niet op zitten, want onder de ingedroogde bovenkant kan het nog behoorlijk vloeibaar zijn. 
Bloedheet! En 13.00 uur wordt 14.00 uur. 
Eindelijk horen we in de verte de bellen en op een gegeven moment komt het begin van de stoet de bocht om. Halzen reiken, handen houden camera’s en telefoons paraat en de lippen vormen een cirkel om de ‘oh’s’ en ‘ah’s’ te laten ontsnappen. 
Herders met enkele geiten, ook voorzien van een bel, lopen voor de stoet uit. Op de platte wagen achter een tractor staat een grote kroon van bloemen en takken, die niet zou misstaan in een bloemencorso in Nederland. Kalfjes hoeven niet zelf te lopen, ze zitten tussen houten schotten in de aanhanger achter de tractor, maar moeten hun uiterste best doen om hun evenwicht te bewaren. 
De koeien zijn voordat ze naar beneden lopen, voorzien van rijkelijk versierde hoofdtooien van takken, stro, bloemen en meer. Ik zie dat ik niet de enige ben, die moeite heeft met het lopen over wegrollende stenen, de dieren letten ook goed op en lopen van zijkant naar zijkant om zoveel mogelijk over de smalle grasberm te kunnen lopen. 
Hoe beschrijf je de geur van koeien? Hooi, gras, soms iets zurig, aarde, de warmte van hun dampende vacht. 
Elke koe is voorzien van een bel. Die zijn er groot tot groter en megagroot. Klingelend, galmend, donker, licht. Er zijn er zelfs die de strijd aan kunnen gaan met de kerkklok in Mayrhofen om het mooiste geluid. Een compleet koebelorkest trekt aan me voorbij en loopt de weg naar beneden die wij omhoog waren gelopen. Onderaan in het dorp worden ze naar een groene wei gedreven en hoeven hun hoeven geen balans meer te zoeken tussen de steentjes. Het publiek krijgt de kans om close-ups te maken of een selfie met een koeienneus. 

Heel bijzonder om dit een keer gezien, geroken en gevoeld te hebben. Goh, wat zou mijn oma hier ook van genoten hebben. Ik heb een zwart-wit foto waar zij op staat als jonge vrouw, ergens in de jaren twintig, waarbij ze vooroverbuigt om een koe aan te kunnen raken. Van haar heb ik ongetwijfeld de genen gekregen die maken dat ik ook zo van koeien kan genieten.
De bus vertrekt, het avondeten wacht en opnieuw belanden we aan onze tafel meerdere malen in de slappe lach.
Vanavond is in een grote tent een eind verderop een grote muziekavond waar zo’n 1000-2000 mensen op afkomen. Mijn tafelgenoten en nogal wat andere reisgenoten hebben zich feestelijk uitgedost en uiteraard is dat dan in kleding die hier gebruikelijk is: dirndles, lederhosen en ruitenblouses met ruches. 
Los van het feit dat dit soort massabijeenkomsten mij op de zenuwen werken, voel ik mijn benen en heup wel opspelen. De pap is op en nadat ik ze uitgezwaaid heb, duik ik om negen uur mijn bed in, na een heerlijke douche waarbij ik me verbaas over het feit dat ik door de blouse heen verbrand ben. 

 

Dag 4 Oostenrijk, 27 september

Zodra ik richting ontbijtruimte loop, hoor ik al: ‘Daar komt Vera.’
Het geluid van mijn koebelletjesouvenir verraadt mijn aanwezigheid nog voordat iemand me ziet.
Alweer de laatste dag in Mayrhofen met opnieuw stralend weer. Morgen op huis aan. Nu nog even niet aan denken, want vanmiddag komt eerst het Stilluptal aan bod. Volgens de informatie moet dat een sprookjesachtige omgeving zijn. Dan ben ik er zeker op mijn plaats. 
Degenen die niet meegaan, gaan Frühshoppen in vervolg op de avond van gisteren.
Het is zondag en ik ben blij dat ik gisteren al een kaarsje heb opgestoken in het pittoreske kerkje van Mayrhofen. Nu is er volgens mij een kerkdienst bezig.
 
Maar dat de religie vandaag een heel andere betekenis heeft, blijkt al snel in de loop van de ochtend. Het is Schutzengelsonntag, een religieuze en culturele feestdag.
De processie trekt voorbij. Vaandeldragers, dragers van heiligenbeelden en kinderen in lange witte gewaden die rusten op stevige sneakers vullen de stoet. Traditioneel geklede mannen en vrouwen vormen de fanfare. Helemaal achteraan loopt een vrouw die op mijn lachspieren werkt. Door haar norse gezichtsuitdrukking lijkt het net alsof ze zich zojuist met haar drumstok tegen de lippen heeft geslagen in plaats van op de trommel voor zich.
De mannen van het lokale schuttersgilde, getooid met groene Tirolerhoedjes met veren, nemen hun rol bloedserieus zo te zien. Achter de brandweerlieden met hun glimmende zilverkleurige helmen verschijnen de misdienaars die voor de priester uit lopen.
Gelukkig werkt het weer mee. Bij regen zou iedereen nat worden, behalve die priester. Die loopt onder een omhooggehouden baldakijn/processiehemel. Voor zijn gezicht houdt hij iets vast dat me doet denken aan de hoofdtooi van de koeien die ik gisteren zag.
De stoet maakt een rondgang door het hele dorp en eindigt uiteindelijk bij de kerk. Eén keer kijken vind ik voldoende, dus ik besluit op andere plekken te kijken. Niet geheel toevallig beland ik op een terras met een beker Italiaans ijs voor mijn neus!
 
Daarna loop ik het geheel verlaten marktplein op waar ik uitkijk op een achtertuin. Aha daar gebeurt het dus!
De eerste keer dat ik het vandaag hoorde, schrok ik me rot: zijn de Russen binnengevallen of dendert er een lawine naar beneden? Zwaar dreunende slagen die weerkaatsten tussen de bergen. Daarna gebeurde het nog een paar keer, telkens vanuit een andere richting. Het blijkt bij deze feestdag te horen. En nu kijk ik naar zo’n kanon!
Er staan twee mannen bij in de kleding van het schuttersgilde. Om een of andere reden vormt het feit dat zij zich zo verdekt opgesteld hebben voor mij de aanleiding om eerst maar te vragen of ik wel een foto van hen mag maken. Het blijft bij gebarentaal, want ik versta geen bal van het echte Oostenrijks. 
Ze knikken. Het mag, maar dan gaat er een hand omhoog. Even wachten. Een van de twee loopt naar zijn hoofddeksel dat nog op de grond ligt en plaatst dat zorgvuldig op zijn hoofd waarna ze gewillig poseren voor mijn foto.
Ik besluit te wachten om te kijken of ze nog in actie komen en ja hoor, mijn geduld wordt beloond. Ik sta als enige toeschouwer bij het moment dat ze het kanon laden, de munitie (ik denk carbid) aanduwen en vervolgens laten knallen. Beide mannen verdwijnen in een rookwolk.
 
Om 12.40 uur vertrekt de taxibus naar het Stilluptal. De chauffeur stuurt het busje de bergweg op en dan begint voor ons de ellende. Die man denkt dat hij Max Verstappen is en het bochtenwerk moet oefenen. Koeien die langs de weg lopen, maken zich uit de poten, tegemoetkomende auto’s moeten uitwijken en langs de zijkanten van de weg komen diepe dalen soms angstvallig dichtbij. Hobbels in de weg worden stuiterend genomen en de enkele keer dat er geremd wordt, gebeurt dat niet geleidelijk aan. 
In de verste verte niet te vergelijken met “onze” touringcarchauffeur die gelijkmatig en, voorzover ik het kan bekijken, ook veilig rijdt en die zelf ook geniet van de reis.
Heelhuids bereiken we de Grünewandhütte op bijna 1500 meter hoogte. Een deel van de groep blijft daar achter en kan vanaf een terras genieten van het uitzicht. Zij zullen met een taxi weer terugrijden naar een locatie halverwege de hele weg terug en daar wachten op de rest die met de benenwagen bergafwaarts gaat. Waaronder ik.
De eerste honderden meters zijn pittig, over grote stenen. Vervolgens loopt dat over in een steentjespad. Het is nog steeds opletten geblazen, maar ik vergeet zeker niet om zo nu en dan stil te staan en het uitzicht in me op te nemen. Ik blijf het onbegrijpelijk vinden hoe bomen hun houvast vinden op de ondergrond en een steile bergwand groen kunnen kleuren. Het lijkt een paradijs voor handelaren in kerstbomen, maar zie ze maar eens te rooien. Ik kijk onderweg al steeds verbaasd naar de boeren die ik lopend zie ploeteren achter landbouwmachines. 
Wasserfallweg heet deze looproute en daar is niets van gelogen. Op grote hoogte ontstaan er denderende watervallen die uitmonden in de beek die wij volgen. Geen beek die rustig voorbij kabbelt, maar water dat zich een weg zoekt tussen stenen en rotsblokken en miniwatervalletjes vormt om zijn weg te vervolgen. Op plekken onderweg staan betonnen bakken die via een rubberslang blijvend gevuld worden met het koude beekwater en daarin staan kratten met flesjes drinken. De geldkist staat ernaast. Welkome rustpunten.
Na deze afdaling komen we bij de locatie waar de rest van de groep al aan tafels op het terras zit. Op de menukaart staat Kaiserschmarrn, een echt Oostenrijks gerecht, dat ik deze laatste dag in ieder geval wil proberen.
Halleluja. Nu weet ik het zeker. Dit is inderdaad een sprookjesomgeving: een enorm bord staat voor mijn neus, waar zelfs een reus genoeg aan zou hebben. Dit krijg ik nooit op. Het lijken stukken gescheurde pannenkoek bestrooid met poedersuiker en potjes appelmoes en jam. Gelukkig zijn mijn tafelgenoten er niet vies van om hun graantjes mee te pikken van dit heerlijke gerecht.
 
‘Wie loopt het tweede deel mee naar beneden?’
Ik haak af. Mijn lichaam protesteert een beetje en het lijkt me niet verstandig verder te lopen. Opnieuw komt een taxibusje voorrijden met gelukkig een andere chauffeur dan Max en die rijdt ons naar Gasthaus Wasserfall.
Het langgerekte stuwmeer is adembenemend mooi en groot. Turkoois water over een lengte tot voorbij de horizon. Ik loop erlangs op. Dit verdient meer dan “even blijven kijken”.
Als ik weer een sprookje wil schrijven, zal zich dat op deze plek afspelen.
Opeens merk ik dat het flink afkoelt. Het is inmiddels vier uur en als we weer compleet zijn, komt het volgende taxibusje die terugrijdt naar het hotel, gelukkig met een andere bestuurder dan de heenweg.
Opnieuw wacht ons een heerlijk diner, waarna iedereen vertrekt om de koffer in te pakken en de koffer in te duiken. Morgen is het vroeg opstaan.

Dag 5 Oostenrijk, 28 september

Waar ligt het toch aan dat mijn reistas op de heenreis goed dichtgeritst kon worden, hij recht overeind bleef staan als ik hem op zijn wieltjes zetten en dat dat nu niet meer lukt?
Ik heb alles aan moeten drukken om de rits dicht kunnen trekken. De vorm van de tas is enigszins uit proportie en hij is zodanig uit balans dat hij steeds om wil vallen. Zoveel souvenirs heb ik nou ook weer niet gekocht.
Dit is gewoon slordigheid Oor! Alles erin proppen en niet keurig netjes opvouwen, dan krijg je dat. Ach nou ja, thuis gaat toch alles in de was.
Het personeel van het hotel zwaait ons om 07.15 uur uit en een van hen zwiert met de vlag als een volleerd vaandeldrager.
Ik werp laatste blikken op Mayrhofen en zijn prachtige omgeving terwijl de zon nog maar net wakker is en probeert door te breken.
Zo nu en dan hoor ik gepraat om me heen en het is, vergeleken met de heenweg, leuk om aan de stem te kunnen horen wie er aan het woord is. Ik blaas mijn nekkussen op en probeer nog even wat te slapen.
Ineens zie ik de oranje bollen in de lucht weer bungelen en herinner ik me wat ik daar gisteren over geleerd heb: die hangen tussen de bergen als oriëntatiepunt voor helikopters die de situatie in de bergen in de gaten houden en alert zijn op mogelijke bosbranden of beginnende lawines.  
 
Vanuit de bus kan ik in de cabines van vrachtwagens kijken en ik verbaas me opnieuw over de rijhouding van sommige chauffeurs.
Onderuithangend, linkerbeen opgetrokken en met de voet over het dashboard heen. Liefst tussen de vingers nog een shaggie of een blikje drinken. Dit kan toch nooit goed gaan? Als hij een flinke hobbel moet nemen, ligt zijn onderbeen in z’n nek. 
Trouwens, wat betreft shaggies. Het viel me op dat in Oostenrijk heel veel mensen roken. Evenals binnen het reisgezelschap. Ik merk nu pas hoe normaal ik het ben gaan vinden als er niet gerookt wordt, terwijl ik dertig jaar geleden zelf nog een stevige afnemer van pakjes sigaretten was.
Net zoals op de heenweg loopt de reisleiding meerdere keren rond om te informeren wie er wat wil drinken en we krijgen zelfs plakjes worst en kaas gepresenteerd.
Maar o jee, daar komen de bingokaarten weer aan. Ik zeg nog: ‘Ik denk dat ik niet meespeel, want stel je voor dat ik weer bingo heb. Dan durf ik echt niet te roepen.’
‘Natuurlijk wel, gewoon meedoen,’ krijg ik als resoluut antwoord. Natuurlijk gaat zij er ook van uit dat die bingo’s nu ergens anders gaan vallen. Er zitten per slot van rekening bijna veertig personen in de bus.
Even twijfel ik of ik zal roepen. Toch maar: ‘Bingo.’
En nóg een keer. 
‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt,’ zegt ze als ze me de prijs overhandigt, maar wel met een grote glimlach. De stoel naast me herbergt inmiddels vier bingoprijzen. Gelukkig blijft het hierbij.
In Oostenrijk was alles nog fris en groen, maar nu valt het op dat in Duitsland zo nu en dan bomen al in hun herfstoutfit staan met hun de gele, rode en oranje boomkruinen die prachtig afsteken tussen het groen van de andere bomen en het blauw van de lucht. 
Het uitzicht wordt steeds vlakker. Waar ik op de heenweg nog dacht dat de bergen in Duitsland mooi waren, vind ik het nu maar heuvels vergeleken met Oostenrijk.
Wat ze dan in Duitsland weer wel meer hebben, zijn zonnepanelen. Opvallend weinig heb ik die gezien Oostenrijk. Dat moet ik toch eens opzoeken wat daar de reden van is. Er is toch zon genoeg, zoals ik de afgelopen dagen heb ondervonden.
Over zon gesproken: de temperatuur in de bus loopt flink op. Is dat het resultaat van de hoge temperaturen buiten? Het wordt warmer en warmer. Een van de twee broers op leeftijd, ligt bijna in katzwijm achter me en om me heen raken de gezichten meer en meer verhit. Zo zal ik er zelf ook wel uitzien, want mijn wangen gloeien.
Wat blijkt? Er moet een reset van de bus komen. Bij de eerstvolgende mogelijkheid rijdt de chauffeur een parkeerplaats op en zet de motor uit. Niet veel later start hij hem weer en vervolgen we de reis, nu met een heerlijk verkoelende airco boven onze hoofden. Wat een verademing, letterlijk en figuurlijk. 
 
Tegen vijf uur gaan we nog één keer gezamenlijk aan de maaltijd in een wegrestaurant. De bestellingen zijn vooraf doorgegeven en binnen no time nadat we gearriveerd zijn, staan de dampende borden met vooral schnitzels op tafel. Dat scheelt weer in wacht- en daarmee reistijd. 
Wat leuk om te horen dat degenen die deze reis eerder gemaakt hebben de groep zoals we die nu hebben als heel prettig ervaren hebben. Ook al ken ik dan alleen déze groep, ik kan me zonder meer bij hun mening aansluiten. Ik heb me er goed thuis gevoeld, ook al heb ik niet iedereen evenveel kunnen spreken. Het weer ons in alle opzichten goed gezind is geweest en dat de heen- en tot nu toe terugreis in korte tijd zijn afgelegd. Dat is blijkbaar weleens anders geweest, waardoor de reis zelfs zes uur langer duurde dan gehoopt. 
 
In tegenstelling tot de heenreis waar ik de zon op heb zien komen, zie ik hem nu verdwijnen in de duisternis. In het donker stap ik op een parkeerplaats weer over in mijn taxi. Maar niet na eerst van een aantal mensen waar ik het meeste contact mee heb gehad extra afscheid genomen te hebben
.

 

De erfenis van oom Gerard

In het overwoekerde park getuigen slechts enkele kleine, vervallen bouwwerken van de aanwezigheid van wat ooit een paradijs was voor kinderen: klimtoestellen, schommel, een wipwap en aan de rand van een waterpartij een klaterende waterval. Een kronkelend pad liep eronderdoor om daarna zijn weg te vervolgen naar een donkere grot waar alleen witte kledingstukken nog zichtbaar waren door uv-verlichting. Dat laatste weet Felix nu maar als jonge jongen liep hij met open mond door deze betoverde grot, waarin witte blouses, sokken of petjes zich voortbewogen zonder dat er een mens zichtbaar was.
Felix laat zijn rechterhand rusten op de zwarte aktentas die hij naast zich neer heeft gezet op een omgevallen boomstam. Dan lijkt het alsof het slot van de tas openklikt en er door een spleet nog meer flarden van herinneringen voorbij zweven: de zoete geur van een pannenkoek met stroop; het ontzag dat de trol met een knots op zijn rug hem inboezemde waardoor zijn altijd kwetterende mond stil bleef; de verlichte paddenstoelhoeden die hij met een vingertop aanraakte; de kronkelende bospaden met de afwisseling van ritselende bladeren en zacht, geluiddempend mos waar onverklaarbare geluiden tussen leken te zweven. Eeuwenoude bekende sprookjesfiguren, uitgebeeld in levensgrote beelden, stonden verspreid in het park om kinderen kennis te laten maken met de eeuwenoude verhalen die van generatie op generatie doorgegeven werden.  
 
Vergeten is de afspraak om vijf over drie op het notariskantoor, als Felix zijn jas over de tas heen legt en voorzichtig naar een boom toeloopt. Boven zijn hoofd herkent hij de uitstulping in de oksel van de eerste zijtak. De uitstulping die op ooghoogte zat toen hij een jaar of zeven was. Groeit een boom zo hard in vierendertig jaar? De uitstulping die nu klein lijkt in verhouding tot de boom, leek toen immens groot en met opengesperde ogen volgde hij de vinger van zijn oom, die erop klopte om zijn komst aan te kondigen bij de boombewoners.
Oom Gerard, die verhalen kon vertellen alsof ze deel uitmaakten van het leven op dat moment. Half verscholen achter zijn oom wachtte Felix de reactie af van de boom.
Oom Gerard wist een eekhoorn in zijn verbeelding te laten groeien tot de poortwachter naar een sprookjesland met nieuwe verhalen over de eeuwenoude sprookjesfiguren: Hans en Grietje en Klein Duimpje vonden de weg naar een land van reuzen waarin snoep en koek in reuzenhoeveelheden voor het grijpen lagen; Pinokkio begon een eigen timmerwerkplaats; de zeven dwergen brachten een vakantie door bij kabouter Spillebeen; geitjes vijlden hun horens vlijmscherp en joegen de wolven weg.
Oom Gerard nam hem vaker mee en zo leerde hij ook Repelsteeltje kennen, die in de verhalen van oom Gerard geen goud meer spon, maar een collectie schoenen ontwierp die gebaseerd was op de ontwerpen van de dansende rode schoentjes en van de glazen muiltjes van Assepoester.
Niet alleen hij, maar ook enkele vriendjes van hem hingen aan Gerards lippen en lieten zich meevoeren naar sprookjesland.
 
Felix wordt weggerukt uit zijn herinneringsreis als hij het giechelende geluid hoort van enkele jongens die hem van een afstand bestuderen. Hij realiseert zich wat voor een vreemd beeld hij moet bieden aan hen. Ze zullen twijfelen aan zijn verstandelijke vermogens, dat kan niet anders, want welke volwassen man fluistert naar een boom. Als hij ziet dat ze hun telefoons op hem richten om een opname te maken, stelt hij zichzelf voor. ‘Ik ben Felix Gijzen, ik ben in deze omgeving opgegroeid en toen ik net zo oud was als jullie, ging ik met mijn vrienden altijd dit park in. Hier leefden sprookjesfiguren.’
De elleboogstoot die een jongen uitdeelt aan degene naast hem en een ander die zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd brengt, ontgaan Felix niet.
‘Jullie denken zeker dat ik gek ben. Nee hoor, dat is niet zo. Straks moet ik naar de notaris omdat mijn oom is overleden en ik zijn erfgenaam ben.’
‘Een notaris in dit park zeker,’ sneert een van de jongens.
‘Die zit in het dorp, maar ik was te vroeg voor de afspraak dus ik ben hierheen gelopen om te kijken hoe het er nu bij ligt. Weten jullie dat dit ooit een sprookjespark is geweest?’ vraagt Felix. ‘Kennen jullie eigenlijk de oude sprookjes?’
‘Sprookjes zijn voor kleuters, wij zijn al zeven jaar oud,’ antwoordt een andere jongen gewichtig met zijn handen in zijn zij. ‘Dit is gewoon een park en het enige dat hier leuk is, is dat we kunnen crossen met onze fietsen.’
 
Felix kijkt op zijn horloge. Vijf minuten vóór drie!
‘Jongens, kom morgen weer hier, om een uur of twee, dan zal ik jullie meenemen naar sprookjesland,’ nodigt hij de kinderen uit voordat hij zijn tas pakt en met snelle pas naar het notariskantoor loopt.
 
De volgende middag loopt Felix naar het park. Zijn tred is zo licht, dat het lijkt alsof hij kleine springveren in zijn schoenzolen heeft. De aktentas heeft hij verruild voor een rugzak die van links naar rechts over zijn rug bungelt.
De brede lach verdwijnt als hij bij zijn armen vastgegrepen wordt zodra hij dichtbij de boom met de uitstulping is. Ineens vliegt hij, alleen niet als in een sprookje, maar tussen twee bomen van kerels die hem optillen alsof hij niet zwaarder is dan een pak suiker. Spartelend probeert Felix zich los te wringen, zonder succes.
‘Wat mot je hier met onze kinderen?’ buldert een van de mannen in zijn oor. Een ander kijkt hem aan alsof hij zich klaarmaakt voor de aanval op een valse hond.
Dezelfde jongens als die er gisteren waren staan naast de mannen en roepen. ‘Ja, dit is die man.’
‘Sjeng, Wikkie, zet hem op zijn eigen voeten,’ beveelt een derde man het tweetal dat Felix in hun handen heeft.
Felix stopt met zijn gespartel en als de mannen hem daarna op de grond zetten, draait hij zich om en bekijkt ze eens goed.
‘Sjeng? Wikkie? Zijn jullie het? Kennen jullie me nog? Ik ben Felix Gijzen. Ik heb met jullie hier gespeeld,’ roept Felix enthousiast als hij de ongebruikelijke namen hoort van twee van zijn jeugdvriendjes. Hij kijkt naar de derde man en roept: ‘En jij bent Paddie.’
Doodse stilte, die ineens verbroken wordt door een luide schreeuw van de langste man: ‘Felix? Fikkie noemden we je. Wat doe jij hier? En waarom vraag je onze kinderen om hierheen te komen?’
 
Als Felix weer wat op adem is gekomen, komt zijn enthousiaste blik van even daarvoor terug. ‘Weten jullie nog dat mijn oom Gerard op deze plek nieuwe sprookjes verzon en die aan ons vertelde? Dat er in dit park zo’n geweldige sprookjeswereld was gemaakt voor kinderen? Daar is helaas niks meer van terug te zien, maar de fantasie van mijn oom Gerard heb ik van hem geërfd en daar wilde ik de jongens in meenemen.’
Voordat een van de anderen de kans krijgt te reageren, gooit Felix, als een duveltje uit een doosje, een mededeling in de groep, waarna iedereen hem ongelovig aanstaart: ‘Ik heb gisteren de erfenis van oom Gerard geaccepteerd. Een bedrag om U tegen te zeggen en de opdracht om dit deels te besteden aan de herinrichting van dit park om het weer om te toveren tot een echt sprookjesland.’
Sprakeloos kijken zijn toehoorders hem aan, totdat een van hen bromt: ‘De gemeente werkt hier nooit aan mee, die heeft andere plannen.’
‘Klopt. Maar oom Gerard heeft voordat hij ziek werd al ellenlange gesprekken gevoerd met de wethouder en burgemeester. Hij heeft ze blijkbaar zover kunnen krijgen, dat op zijn kosten het verwaarloosde pannenkoekenrestaurant in ere kon worden hersteld en hij heeft de handtekening van de burgemeester gekregen op een contract waarin hij belooft het park nieuw leven in te blazen. Ook op zijn kosten uiteraard, want ik denk niet dat de gemeente daarvoor de beurs opentrekt.
‘Fikkie, dat heeft die oom Gerard van jou mooi geflikt. Ik wil je wel helpen,’ zegt Sjeng en geeft Felix een stevige klap op zijn schouders.
Felix kijkt hem lachend aan: ‘Doe je ogen dicht, haal diep adem door je neus en verbeeld je dat je achter een bruingebakken pannenkoek zit. De zoete geur van stroop snuif je op. Kom op, we gaan met zijn allen aan de pannenkoek. Ik trakteer. Of nou ja, eigenlijk trakteert oom Gerard.’

© Vera Oor, 2026

Mijn hand rust op de medailles op mijn jas

 

Ik zie enkele beelden van de herdenking van Market Garden en de dropping van parachutisten boven de Ginkelse heide.

De aanwezige veteranen zijn onder meer herkenbaar aan hun baretten en aan de medailles op hun jassen. 


Allen is aan te zien dat zij overduidelijk een respectabele leeftijd hebben bereikt. De enige veteraan die ook echt bij Market Garden betrokken was en daadwerkelijk op de Ginkelse Heide landde, is 101 jaar.

Als ik de gezichten van de veteranen bekijk, valt me op, dat ze staren. Ze staren naar de parachutisten die landen. Een enkeling sluit soms even de ogen.

Ik probeer me te verplaatsen in een van hen:



Ik staar naar wat er voor mijn ogen plaatsvindt, maar ik zie niet wat er op dit moment gebeurt.

Ik verdwijn 82 jaar terug in de tijd. Mijn zenuwen zijn tot het uiterste gespannen als ik vanuit de Dakota mijn sprong maak, mijn ogen gericht op de vlakte onder me. Boven me klinkt het  dreunende geluid van de vliegtuigen en rondom me vult de lucht zich met donkere en lichte parachuteschermen, zoals ik er zelf ook een boven me heb hangen.

Tussen de schermen door zie ik ver onder me een paarse gloed van heide omzoomd door groene bomen. Waar kom ik terecht? Wat kan ik verwachten? Op het moment dat ik verder daal, wordt het geluid van de vliegtuigmotoren aangevuld met geluiden van artillerievuur en de angst neemt bezit van me. Het is niet meer alleen wáár ik terecht kom, maar overleef ik dit?

Rechts van me zie ik een scherm afstevenen op een hoge bomenrij. Geweerschoten. Van wie?

Mijn adem versnelt, mijn linkerarm verkrampt en mijn andere arm kan ik amper meer voelen. De rand van de helm snijdt in mijn voorhoofd en veroorzaakt een stekende pijn.

Door mijn tranen heen kijk ik ineens in het verkrampte gezicht van een parachutist op gelijke hoogte. We weerspiegelen elkaars gevoelens. Ik durf het te bekennen: ik ben bang.

De moffen wachten ons op. Ze zijn met veel, veel meer dan verwacht, en tegen hun wapentuig gaan we niks beginnen met ons geweer.

Dan voel ik de grond onder me. Uit alle macht trek ik aan de lijnen om het scherm te laten inklappen. Ik koppel het los. Op het moment dat ik de meters stof bij elkaar wil graaien om het zo compact mogelijk mee te kunnen nemen, fluiten de kogels om me heen. Ik gooi me plat op de grond. De heide prikt in mijn mond, zand schuurt mijn keel. Om me heen zie ik anderen liggen. Een huiveringwekkende schreeuw dichtbij en als ik mijn hoofd die kant opdraai, zie ik de laatste stuiptrekkingen van een man. Bloed loopt in een straaltje langs zijn mond.

Henry? Het is Henry. Uit hetzelfde dorp als waar ik vandaan kom. Ga ik samen met hem hier dood? In een flits trekt mijn leven aan me voorbij.

 

Ik kom terug in het nu. De beelden van toen vervagen. Ik open mijn ogen wijd om zeker te weten, dat ik nu geen slagveld zie, maar een herdenking. Mijn hand laat ik rusten tegen de medailles die op mijn jas zijn gespeld.

De “Last Post” klinkt. Dan is het stil. Doodstil. 


©Vera Oor, 2026

 

Terug het bed in?

 

Het OV staakt. De enkeling die de berichtgeving heeft gemist om wat voor reden dan ook, staat verloren in de lege stationshal waar zijn teleurgestelde zucht als een echo terugkomt van de tegelvloeren en -wanden.
Ook Ricardo ploft neer op de lege bank op het perron, die normaalgesproken bezet is door mensen, tassen en huisdieren.
Hij ziet de mogelijkheid om als onderwijzer aan de slag te kunnen, gestrand voordat hij ook maar een woord heeft kunnen wisselen met een selectiecommissie.
Een verslaggever peilt de meningen van de gestrande reizigers die uiteenlopen van een laconiek “Jammer dan, dat wordt een dag zonder inkomsten”, tot een “Nou, dan ga ik terug mijn bed in”, maar ook de frustratie over het missen van de afspraak in het ziekenhuis: “Vier maanden wachttijd in het ziekenhuis om überhaupt een afspraak te krijgen en nu dit!”

De verslaggever, Teun, betuigt zijn sympathie door een bemoedigend klopje op het bovenbeen van de man. Dat had hij beter niet kunnen doen, want meteen blijkt waarvoor de man waarschijnlijk naar het ziekenhuis moest. Hij gilt het uit waardoor het treinpersoneel dat hier wél rondloopt in standje Actie komt en op hem afrent.
Zij missen het oplichten van zijn ogen voordat hij kermend op zijn been wijst en dramatische gebaren maakt en opschakelt in kreunvolume. Teun heeft het echter wel gezien en denkt er het zijne van, maar hij blijft op gepaste afstand om het vervolg te zien. Als de gealarmeerde ambulancebroeders een kleine tien minuten later het perron oplopen, is met de man geen zinnig woord meer te wisselen. Hij blijft krijsen en uiteindelijk besluiten de broeders hem op een brancard te tillen en mee te nemen.
Teun kijkt recht in het gezicht van de man en kan niet onder zijn vermoeden uit, dat hier een sterk staaltje acteerwerk is neergezet, dat nog eens versterkt wordt door de opgestoken duim die de man achter de rug van de ambulancebroeders opsteekt. Toch een afspraak geregeld met een arts. Teun grinnikt in zichzelf.
Dan valt Teuns oog op de groep kinderen die zich inmiddels om Ricardo heen heeft verzameld. Ricardo zit bovenop een prullenbak en voor hem op de bank zitten vijf kinderen, allemaal met papieren op schoot. Om beurten lezen ze een stukje voor. Hier wil Teun het zijn van weten. Hij pakt zijn filmcamera erbij en gaat in gesprek met Ricardo.
‘Ik heb lesmateriaal geschreven voor kinderen in groep acht om ze te stimuleren meer en met plezier te lezen. En kijk: het slaat aan,’ zegt Ricardo. ‘Dit had ik graag in een selectiegesprek willen laten zien, maar helaas, verkeken kans. Geen selectiegesprek vandaag.’
‘Mijn trein rijdt niet. Ik kan niet naar school vandaag, maar dit is veel leuker,’ roept een roodharige jongen en hij krijgt onmiddellijk bijval van zijn vriendjes.
 
Het regiojournaal besteedt ’s avonds uiteraard aandacht aan de grote treinstaking en daar is ook het filmpje van Teun te zien.
Later in de week loopt Teun opnieuw het perron op en ziet daar ineens Ricardo lopen, die met een big smile op hem afloopt en zegt: ‘Je raadt nooit wat ik vandaag heb.’
Voordat Teun een antwoord kan geven, krijgt hij de oplossing van het raadsel te horen: ‘Een selectiegesprek. Alleen omdat ze mij in beeld hebben gezien in jouw filmpje. Bedankt man.’
 

Fabel zet muizen als lafaards neer

 
Alle inwoners van Mousecity hebben de oproep in de brievenbus gehad. Methusalem heeft als oudste inwoner van het dorp de oproep gedaan om te verzamelen op het dorpsplein waar toegang uit alle hoeken en gaten mogelijk is. Om te voorkomen dat degenen die niet kunnen lezen deze oproep missen, is ook de dorpsomroeper op stap gegaan met een welluidende bel in zijn voorpoot en heeft mondeling overgebracht wat de bedoeling is: Het heikele punt dat iedereen bezighoudt en opgelost moet worden voordat er nog meer slachtoffers vallen.
Het is niet aan dovemuisoren gericht geweest. De opkomst is zo groot, dat het plein bekleed lijkt met een bolletjestapijt.
Methusalem beklimt het podium, daarbij zwaar leunend op zijn stok. Hij schraapt zijn keel en probeert met zijn breekbare stem boven het gepiep uit te komen. Als dat niet lukt, grijpt hij de bel van de dorpsomroeper en bereikt daarmee het gewenst effect: doodse stilte. 
‘Lieve muizenfamilies. Toen ik nog piepjong was, eeuwen geleden, was dit al een probleem waar de gehele populatie tegenaan liep: de bedreiging door katten. De Griekse dichter Aesopus heeft zelfs een fabel geschreven waar wij als lafaards neergezet worden, omdat geen enkele muis het aandurfde om een kat de bel aan te binden, zodat die zichzelf zou verraden als hij in de buurt kwam. Het wordt hoog tijd om die leugen de wereld uit te helpen.’
Het geluid van nageltjes op voorpootjes die de muizen tegen elkaar klappen bedwingt Methusalem met een enkel pootgebaar.
 
Opeens stapt een jong muisje naar voren en kijkt omhoog naar het podium. ‘Ik wil meehelpen,’ zegt hij en trekt zijn pootje terug uit de daaromheen geklemde poten van zijn moeder. ‘Niet doen, Mickey, je bent te jong,’ roept ze uit.
De kleine Mickey krijgt navolging van oudere soortgenoten die zich niet willen laten kennen door zo’n kleine opdonder.
Methusalem glundert en neemt gretig een slok van het water dat hem aangeboden wordt.
‘In de Muizenbode van volgende week zal ik jullie informeren hoe wij het aan gaan pakken. Let op! Laat deze muizenbode niet slingeren. De kat mag geen lucht krijgen van onze plannen.’
Hij kan rekenen op instemmend gepiep, waarna de dieren teruggaan naar hun schuilplaatsen.
 
Een week later slaat elke muis nieuwsgierig de Muizenbode open. Het plan van Methusalem is voor- én binnenpaginanieuws. Daarin maakt hij kenbaar dat de muizen die zich bij hem aangemeld hebben, een oplossing gefabriceerd hebben, die eigenlijk zo logisch is, dat je je afvraagt waarom nooit eerder een van hen op het idee is gekomen.
Met hulp van muizen die huizen in de opslag van een doe-het-zelf-winkel gaan ze een kattenval timmeren. Gebaseerd op het ontwerp van de alom gevreesde muizenval. Als lokaas zal de klein Mickey op een plank gaan zitten, op enige afstand van een gebogen tiewrap. Op het moment dat de kat zijn kop daardoorheen steekt om Mickey te grijpen, trekken de anderen uit muis en macht de tiewrap aan en omklemmen de hals en nek van de kat. Het gaat te ver om de technische details van het ontwerp uit te werken, maar dat is niet nodig. Iedereen begrijpt het toch wel. De enige vraag die rondgepiept wordt is deze: Wat gebeurt er nadien met de kat?
 
Semi-ontspannen zit Mickey op de plank, spelend met zijn eigen staart, maar zijn kraaloogjes houden de omgeving scherp in de gaten. Zijn snorharen trillen als gevolg van deze opperste concentratie.
Daar! Daar bij de ligusterhaag ziet hij de witte voetjes van de verder zwarte kater voorbijsluipen. De kater stopt abrupt als hij lucht krijgt van het lokaas en hij knijpt zijn ogen tot spleetjes. Een jonge muis nog! Niet te versmaden en makkelijk te pakken, denkt hij en sluipt naderbij.
Door zijn focus op Mickey ziet hij de plastic ring niet. Op het moment dat hij zijn bek openspert en Mickey tegen zijn scherpe tanden en roze tong aankijkt, klemt de tiewrap zich om zijn nek. De kleine muis springt achteruit en de anderen komen aangeraced.
Als laatste sleept Methusalem zich naar de kattenval. Empathisch als hij is, voelt hij de siddering die door het kattenlijf trekt en ruikt hij angstzweet. Wijdpoots gaat hij voor de hijgende kater staan.
‘Voel je nu wat wij voelen als we gepakt worden? Maakt niet uit of dat door een mens of een kat gebeurt. Het is allebei even angstaanjagend en menig familielid van mij heeft al een hartaanval van schrik gekregen voordat een muizenval de laatste beklemming uitoefende.
Ons muizenkerkhof puilt uit.’
De kater wil knikken, maar stopt daar meteen mee als daardoor het plastic nog dieper in zijn huid duwt. ‘Ik…, ik… begrijp het,’ brengt hij stamelend uit. ‘Van mij zullen jullie geen last meer hebben. Ik weet nu hoe dapper jullie zijn en hoe vindingrijk.’
Inmiddels zijn volledige muizenfamilies op “de vangst” afgekomen. Zijn dolgelukkige moeder omklemt Mickey tot hij naar adem hapt en daarmee voorkomt dat hij alsnog slachtoffer wordt van een wurggreep.
Methusalem neemt een wijs besluit en roept op tot respect. ‘Als katten en muizen samen kunnen gaan leven, worden we een voorbeeld voor de mensen. Ik weet zeker dat er hiermee een nieuwe fabel ontstaan is: “Als katten en muizen naast elkaar leven”. 

©Vera Oor, 2026

Zevenmijlslaarzen

Vijftien mussen hippen rond in het droge gras en hopen nog ergens een worm te vinden. Door de hitte van de afgelopen tijd is de grond kurkdroog en keihard geworden.
‘Dat kun je hier wel vergeten. Zelfs wormen die een krachttraining hebben gevolgd, komen hier nooit doorheen,’ piept de grootste en oudste mus. ‘Er is water nodig, heel veel water en niet alleen voor de bodem en de wormen.’
Met zijn snavel wijd open en zijn vleugels breed gespreid leunt hij tegen de schors van een grote eikenboom. Hij is volledig uitgeput en heeft de puf niet meer om omhoog te vliegen. Zelfs de brede kroon van de boom vertoont grote open gaten, waar die het blad heeft laten vallen en de zon priemt er onbarmhartig doorheen. De overige mussen hebben het ook zwaar en missen de energie om opgewekt te kwetteren. Ze trippelen tussen de verdorde bladeren en hopen dat er ergens nog een kleine kuil is, waar water in is blijven staan.
 
Ineens schrikken ze allemaal op door een dreunend geluid waardoor de grond begint te trillen en de bladeren gaan wervelen wat een lichte luchtverplaatsing veroorzaakt die bijna verkoelend aanvoelt.
‘Zie je wel. De aarde verdraagt het niet meer, nu hebben we ook nog een aardbeving. We gaan eraan, jongens,’ stoot de oude mus hijgend uit.
‘Dit is geen aardbeving, dit lijkt veel meer op zwaar onweer,’ zegt een ander, die luistert naar de naam Pinkie, terwijl hij kleine stofjes tussen zijn veren uitpikt. ‘Ik ga kijken of ik kan zien waar het bliksemt en dondert. Misschien krijgen we wel regen!’ roept hij hoopvol. Twee anderen volgen hem.
Ze hippen en fladderen naar de bosrand en staan ineens doodstil.
‘Hihi, kijk eens, die had het ook warm,’ lacht Pinkie en loopt op het gevaarte af. ‘Hij had zeker zweetvoeten en heeft zijn laarzen uitgetrokken om te luchten.’
Ze lopen dichter naar de slapende reus en houden hun snavels stevig gesloten. De zweetvoetenlucht is niet te harden. Bij de volgende ronkende snurk van de reus trilt de bodem opnieuw onder hun pootjes.
‘Maar waar zijn zijn zevenmijlslaarzen?’ vraagt Pinkie zich af terwijl hij zijn vleugel voor zijn snavel vouwt om niet bedwelmd te worden door de lucht.
 
Het antwoord laat niet lang op zich wachten als er enkele roze wolken hun kant op drijven. Zodra ze iets dichterbij komen, kunnen de musjes zien dat het pelikanen zijn, allemaal met een zware keelzak.
De pelikanen zetten de landing in en landen binnen het zichtveld van de mussen die ernaartoe fladderen. En daar staan… de zevenmijlslaarzen op een verhoging van gestapelde stenen. Een grote groep wasberen kijkt hoopvol omhoog naar de pelikanen en een steken hun duim omhoog. Om beurten landen de pelikanen op de schachten van de laarzen en laten de inhoud van hun keelzak stromen.
‘Ze vullen de laarzen met water!’ schreeuwt Pinkie nu opgewonden en snuift de geur van water op. Wat is dat lang geleden. Hij rent naar de wasberen toe, die hem graag vertellen waarom ze hier zijn.
‘Zo’n klein jochie, Duimpje heet hij, is ’s nachts de dierentuin ingeslopen en heeft ons uit ons verblijf bevrijd. Hij had onze hulp nodig, want alle dieren buiten de dierentuin komen water tekort en hij had een idee. Een grandioos idee kan ik wel zeggen,’ zegt een van de zwart-witte beren.
De andere mussen luisteren mee als de wasbeer zijn verhaal vervolgt. Intussen proberen ze waterdruppels op te vangen die opspatten als de wasbeer zich uitschudt.
‘Duimpje vertelde dat de reus zijn laarzen had uitgetrokken voordat hij ging slapen en, geholpen door een paar stinkdieren, had hij die een eind verderop gesleept. De stinkdieren waren zo gewend aan hun eigen doordringende geur dat ze de zweetvoetenlucht met gemak verdroegen. Dat jochie heeft ons toen gehaald om de laarzen van binnen een stevige wasbeurt te geven en daarna heeft hij de pelikanen in de dierentuin om hulp gevraagd.’
Een andere wasbeer komt erbij en vult het verhaal aan door te vertellen dat de laarzen na hun schoonmaakbeurt door de pelikanen gevuld zijn met water, dat ze aansleepten vanuit hun waterplas in de dierentuin. Een muis heeft een gat geknaagd in de neuspunt en Duimpje heeft daar een tapkraan ingedraaid. ‘Vraag me niet waar hij die vandaan haalde.’
‘En nu, wat is hiervan de bedoeling?’ vraagt Pinkie met trillende stem. Hij hoopt op een antwoord dat hij vervolgens ook krijgt.
‘Laat de bosdieren weten, dat hier dit watertappunt is waar ze naar toe kunnen komen. De pelikanen blijven aanvullen en Duimpje gaat, nadat hij de reus heeft verteld dat zijn laarzen een goed doel dienen, de kraan bedienen. Als we mazzel hebben, gaat de reus met zijn grote handen meehelpen water te scheppen en hiernaartoe te brengen.’
De musjes hangen met open snavel onder het tapkraantje en genieten met gesloten ogen van het kostbare vocht. Ze hebben nu voldoende kracht om terug te vliegen en de rest op te halen.
De achtergebleven mussen worden eropuit gestuurd om de bosdieren dit fijne nieuws te brengen en Pinkie ondersteunt de oude mus om naar de laarzen te sloffen.
De tranen lopen de seniormus over zijn veren als ook hij de smaak van water opzuigt. Het kleine beetje zweetzout dat zich nog vermengd heeft met het water, neemt hij voor lief. 

©Vera Oor, 2026

Twee verhalen van 99 woorden in de bundel Lezenswaardig

 




Lezenswaardig organiseerde een schrijfwedstrijd voor verhalen van exact 99 woorden voor hun verhalenbundel van 2026. Twee van mijn verhalen zijn uitgekozen om daarin te worden opgenomen.






Muurbloempje
De kamer ligt bezaaid met kledingstukken. Ze trekt nogmaals de groene blouse met witte lotusbloemen aan. Met haar ogen gesloten en haar armen om zich heengeslagen, beweegt ze haar lichaam lichtjes heen weer als een dansende rietstengel in de wind.
‘Een olifant die een kunstje doet in de piste van het circus,’ snauwt ze naar haar spiegelbeeld en barst in tranen uit. Het zwarte shirt, dat kleedt tenminste af.
Haar adem stokt als de blonde jongen haar kant uitloopt. Toch gekozen! 
‘Wil je met me dansen?
Het meisje in de groen-witte blouse naast haar neemt de uitgestoken hand aan. 

Leven
De hond duwt zijn neus tussen afgebroken planken en schuift ze voorzichtig opzij. Zijn scherpe, getrainde neus vangt een spoortje lichaamsgeur op.
Met zijn poot veegt hij  gruis aan de kant en daar…ligt ze, opgerold als in de baarmoeder. Ze leeft! Hij voelt haar adem. Hij kruipt terug en blaft luid. Alle verstarde hulpverleners komen in actie. Zweet en tranen vormen groeven tussen het gruis op hun wangen. Schuurpapierhanden met afgebrokkelde nagels graven mee met de hond.
Een van de mannen houdt zijn lippen strak op elkaar om te voorkomen dat hij in geschreeuw uitbarst. Zijn kind leeft.
 

Dag 1 Oostenrijk, 24 september

Het is 01.45 als ik bij een wildvreemde man in de auto stap om anderhalf uur later langs de autoweg in Duitsland gedropt te worden. De taxic...