Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer in. 
Dit is hét moment van de dag om buiten te zijn. 
De honden zijn dezelfde mening toegedaan en lopen voor me uit naar buiten voor hun ochtendplasjes. Hun routine laat zich niet doorbreken en ze wachten bij hun bakjes op de brokken.
Alsof ze nooit te eten krijgen, kijken zes bruine ogen me bedelend aan.
Intussen gooi ik alle ramen die open kunnen open en maak beschuit met zomerkoninkjes klaar. 
Hier zit ik nu prinsesheerlijk voor het huis. De honden liggen loom aan mijn voeten en spitsen zo nu en dan hun oren, net als ik. 

Vanuit een hoge positie roekoekoet een houtduif; een winterkoninkje fluit alsof het zijn laatste dag is; in het gras dat nog nat is van het besproeien gisteravond hippen een lijster en een mannetjesmerel rond, op zoek naar wormen; onder de beschutting van een dichte struik komt een roodborstje tevoorschijn en neemt ook een voetenbad in het gras.
Een tweede merel landt op het groene dek en doet aan rek- en strekoefeningen voor zijn nek. Met korte rukjes trekt hij de worm uit de grond en peuzelt die op. 
Op de achtergrond laat de haan met luide kukelekuus horen dat ook hij wakker is. 
Twee meeuwen vliegen over en zijn waarschijnlijk onderweg naar de zaterdagmarkt in de hoop een visje te kunnen bemachtigen. 
Dat is nou jammer, dat er een irritante vlieg bij me zit en kriebelend over mijn arm loopt. 
Ik sla hem weg en op hetzelfde moment valt mijn oog op de waterschotel voor vogels die in de border staat. Waterdruppeltjes spetteren flonkerend omhoog. Dat is zo mooi om te zien, die 
fladderende vleugels van vogels die een bad nemen. Vogels? Ik zie geen enkele vogel, maar wel opspattend water. Kleine rode bloemblaadjes liggen naast de schotel, op een rijtje alsof ze daar 
neergelegd zijn. Van welke struik komen die blaadjes? Er staat er geen met rode bloemetjes in de buurt. Ik wil er het mijne van weten en sluip op blote voeten door het natte gras ernaartoe.
Ineens houd ik stil. Naast het gespetter hoor ik zacht gezang, alsof het een achtergrondkoortje is voor de zang van de winterkoning en in het water zie ik meerdere geelroze bolletjes liggen, elk met een witte pluis eraan vast. 

Dan valt mijn mond open van verbazing, de geelroze bolletjes drijven naar elkaar en vanuit de schaal klinkt in koor: ‘Niet kijken, wij zijn nog niet aangekleed.’
Hè? Ben ik toch te vroeg uit bed gestapt en ben ik weer in slaap gevallen? Maar niets is minder waar. 
Ik bekijk de rode bloemblaadjes nog eens en zie dan wat het echt zijn: zes kaboutermutsen op een rijtje.
Ach natuurlijk. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, trek ik voor mezelf de conclusie dat zij niet gewend zijn dat ik zo vroeg op ben als ze hun ochtendbad nemen. Geef ze eens ongelijk. Ik merk 
dat ze zich bijzonder ongemakkelijk voelen onder mijn blikken en draai me van hen weg. Als ik iets voel aan mijn enkel, kijk ik naar beneden en zie daar een ventje staan met een blad van de 
vrouwenmantelplant beschermend om zich heen geslagen en een rode muts op zijn hoofd. Zijn drijfnatte witte baard drupt nog na. 

‘Je hebt ons gezien, dat was niet de bedoeling. Wij willen ongezien ons tuinwerk blijven doen, maar we moeten uiteraard wel alle stof, pluisjes en zaadjes van ons afwassen.’
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat ik in gesprek ben met een kabouter vraag ik: ‘Wat waren die bolletjes in het water? Als de kale kruinen van paters?’
Een hoogrode blos verschijnt op de wangen van de kleine man. ‘Het zijn inderdaad kale kruinen. Van ons! Die zijn nooit zichtbaar omdat ze bedekt zitten onder de muts. Maar vertel het alsjeblieft niet 
verder.’
In de tijd dat ik met hem in gesprek was, hebben de anderen zich blijkbaar razendsnel aangekleed en zijn verdwenen. Ik krijg geen kans nog een volgende vraag te stellen, want met een rotgang komt een 
van de honden op me afstormen en neemt ook de laatste kabouter de spatten.
Een sirene verder weg verstoort dit ochtendmoment en zelfs de krantenman is blijkbaar vroeg opgestaan en komt over het grind aanscheuren. Hij ziet me en steekt even zijn hand op. 
Met een tweede kop thee nestel ik me opnieuw in de tuinstoel en zie de zon tevoorschijn komen tussen de boomkruinen. De dag wordt wakker en de nacht is gaan slapen.

 ©Vera Oor, 2026

Dit nummer is niet in gebruik

 


Het adresboek lag naast de bekende grijze telefoon met kringelsnoer. Alle namen, adressen en telefoonnummers op alfabet. Af en toe moest ik het bijwerken, meestal omdat iemand verhuisde en een nieuw adres kreeg. Bij verhuizing naar een andere stad betekende dat automatisch ook een ander netnummer en daarmee een ander telefoonnummer. Dan zette ik resoluut een streep door de oude gegevens en veranderde die. Nu staan al mijn contacten digitaal.
Ook daar moet ik af en toe iets aanpassen, maar de meeste mobiele nummers blijven gelukkig hetzelfde.
Toch moet ik steeds vaker bijwerken vanwege een ándere reden: een definitieve laatste verhuizing. Hoe ouder ik word, hoe meer mensen om me heen wegvallen en lijnen worden verbroken.
Ik bel een nummer dat in mijn geheugen staat gegrift.  
“Het nummer dat u gebeld heeft is niet in gebruik”, zegt de onpersoonlijke stem.
Achter deze woorden schuilt een hele wereld.
Natuurlijk kan iemand het telefooncontract hebben opgezegd, maar vaak betekent het iets anders: dat het contract is beëindigd na een overlijden.
“Ja, logisch, dat een nummer dan wordt opgeheven”, zul je misschien zeggen.
“Hartstikke logisch”, antwoord ik dan. Maar toch.
Ik zocht op hoe lang het duurt voordat een telefoonnummer opnieuw wordt uitgegeven.
Dan kom ik termen tegen die in relatie tot overlijden kil en bijna cynisch klinken: “wettelijke afkoelingstermijn”, “van zeer kort tot eeuwig”, en zelfs “als de verouderingstijd voorbij is”.
Toch laat ik sommige namen in mijn Contacten staan. Ik weet dat er nooit meer een oproep van dat nummer zal komen of ik het nummer zelf zal bellen, maar het voelt alsof ik een verbinding vasthoud.
Inmiddels weet ik dat ik niet de enige ben die dat doet.
Wat zou ik graag op ‘Wijzig’ drukken en gewoon een extra telefoonnummer toevoegen.
Heeft iemand voor mij het telefoonnummer van de hemel?

 ©Vera Oor, 2026

Auto wil niet meer uit

 

Nadat ik me Nuenen uitgeworsteld had, waarbij Google Maps opnieuw geen rekening hield met afsluiting van wegen door de van Goghloop, reed ik in korte tijd naar Helmond. De B&B had ik zo gevonden en ook een parkeerplek. Een hartelijke ontvangst door de gastvrouw, waarbij ik nog even aan tafel aanschoof en we gezellig in gesprek kwamen.

Ze adviseerde me om de auto toch even op een andere plaats te zetten en dat ging ik doen. Een klein blokje om rijden en een nieuwe parkeerplek was zo gevonden. Auto uitzetten en terug naar mijn gastvrouw.

Shit, auto wil met geen mogelijkheid meer uit.

Startknop aan, weer uit. Keer op keer. Geen resultaat. Nou, dan eens kijken wat de auto doet als ik met de sleutel wegloop. Normaalgesproken sluit hij zichzelf dan af. Nu niet dus! De auto begon te praten door een repeterende toeter te laten horen. Terug in de auto.

Na een kwartier proberen heb ik uiteindelijk de Pechhulp gebeld. Keurige afhandeling. De adviezen op afstand leverden echter ook geen resultaat. Mijn bolide bleef actief.

‘Ik stuur de ANWB naar u toe.’

Nu weet ik dat dat weleens even kan duren, dus ik heb maar even op het gevoel ingespeeld door te zeggen, dat ik best wel bang was zo in mijn eentje in de auto in een heel rustige straat en de schemer in aantocht.

‘Ze zetten er haast achter.’

Inmiddels de gastvrouw gewaarschuwd dat ik nog niet terugkwam naar de B&B omdat ik de auto niet alleen achter kon laten.

Hoe lief, ze kwam naar de locatie lopen en dacht mee over mogelijkheden, maar die had ik allemaal geprobeerd zonder resultaat, en ook nu werkte dat niet.

‘Oh, en ik moet ook hoognodig naar de wc.’

‘Dan blijf ik wel even in de auto,’ zei ze.

Ik rende met haar huissleutel terug en bracht een bezoek aan de kleinste kamer. Geluid bij de voordeur. Nee hè, daar loopt de gastvrouw naar binnen. Op mijn vragende blik antwoordde ze: ‘Hij doet het weer.’

Hoe? Dat zullen we nooit weten, want ze heeft nogmaals de stappen doorlopen die ik ook al meerdere keren had geprobeerd, maar gelukkig: de motor was inderdaad uitgeschakeld en de auto kon afgesloten worden.

Pechhulp afgebeld. ‘Hij doet het weer, maar vraag me niet hoe!’

De gastenkamer was vier trappen omhoog in haar riante woning en daar werd ik verrast op een gigagrote kamer met alles wat ik maar kon wensen, waaronder zelfs een zak chips en iets te drinken.

Vannacht werd ik nog wel gepest door vervelende dromen, die veroorzaakt werden door alle opwinding van die avond. Ik had liever gedroomd over de eekhoorn, de meeting, de gasten en alle dieren.

Vanochtend liep ik naar de geparkeerde auto. Hij stond er nog en … hij startte ook nog.

Huus toe.


©Vera Oor, 2026

                           

Mijn naam is Oor

 

Als iemand ‘Veertje’ roept, kijk ik op. Hetzelfde geldt voor ‘Oortje!’. De meester op de lagere school noemde me al zo, soms vergezeld van een speels rukje aan mijn oorschelp.
Maar als ik ‘Oor!’ hoor, is het oppassen geblazen. Iemand wil dat ik nú kom, of er staat me een denkbeeldige oorvijg te wachten.
Moet ik mijn naam noemen en kennen mensen mij niet dan kan ik een vragende blik of stem verwachten waarin degene tegenover me checkt of hij het goed gehoord heeft. Niet zelden komen vragen als: ‘Van Oor, van Oort, met een t of d?’
Vergelijkbaar met de reactie die mensen met de naam Jansen vaak krijgen: ‘Met een of twee essen?’
Ik ben ze meestal voor en spel meteen mijn achternaam, O-O-R, maar zelfs dan komen verbasteringen. Pas als ik zeg: ‘Nee, zo’n ding aan de zijkant van je hoofd,’ valt het kwartje. ‘Oh, Oor!’
De oorarts keek me lachend aan toen hij mijn naam hoorde. Natuurlijk legde hij meteen de link met zijn beroep en gaf aan nog nooit eerder een Oor tegenover zich gehad te hebben.

Heel anders reageerde vijftig jaar geleden de dame van het inpandige postkantoortje bij een drogist in de wijk. Zij had die dag haar dag niet, al leek het alsof ze die eigenlijk nooit had.
Om een of andere reden had ze mijn naam nodig. Het was meer een commando dan een vraag: ‘Wat is je naam.’
‘Oor.’
‘Je naam,’ klonk het snibbige antwoord, vergezeld van een geïrriteerde blik, waarbij ze haar ogen opsloeg alsof ze om steun van boven vroeg.
‘Oor.’
Meesmuilend keek ze me aan en verborg haar ergernis niet. ‘Ja, en ík heet Neus!’
Ik was niet brutaal genoeg om haar van een passend antwoord te voorzien. Nu zou ik haar ongetwijfeld van repliek hebben gediend
.

©Vera Oor, 2026

Jongens, wat is dat lekker!

 

Zet mij in de Efteling en ik ben weer kind. Niet de attracties waar ik met een rotgang de hoogte en vervolgens de diepte in geslingerd word maar de, naar mijn mening, mooie dingen zoals het Sprookjesbos, Pagode, Droomvlucht.
Als ik ga (toch zeker een keer per jaar) kijk ik altijd wanneer de kalender een rustige dag voorspelt. Dat klopt meestal. Gisteren was de omschrijving ‘Normaal’ maar ik weet dat het dan toch flink druk kan zijn. Het viel alleszins mee, zowel de drukte als het weer: stralende zon bij een temperatuur rond de vijfentwintig graden en een windje.
Het enige ronddraaiende ding waar ik wél in wil, is de Piranha. In een ronde boot word je voortgestuwd in een traject met waterval, wilde golven en waterregens sproeiende figuren in de rotsachtige wanden. Dat we kletsnat werden, maakte me niet uit. In de zon droog je zo weer op.
Enige tijd later gingen we weer het water op, maar nu in de gondels die een vaart van twintig minuten maken langs en tussen veel groen, snaterende eenden en ganzen die naast de boot peddelen in de hoop op een stukje brood.

Wat nooit ontbreekt is de pannenkoek, waar ik wel medelijden had met de jongen die ons bediende. ‘Warm hè,’ zei hij. Dat was hem aan te zien. De blonde lokken plakten rond zijn hoofd en zijn bril besloeg een beetje. ‘Gelukkig zit mijn terrasdienst er bijna op en mag ik weer binnen bedienen, daar is airco.’
Maar jongens, wat was het lang geleden dat ik die weer eens gesnoept heb: een suikerspin!
In een kleine houten keet draaide met een verhit gezicht een vrolijke meid de roze lekkernij om een stokje heen. Groter en groter werd de spin tot zelfs die bijna van zijn stokje ging.
‘Ik betaal gewoon hoor, maar ik hoef niet zo’n megagrote. Ik zeg wel stop als hij naar mijn mening groot genoeg is. Moet je hier nu de hele dag staan?’ vroeg ik aan het meisje waarbij kleine kleverige ragdunne draadjes in haar haren plakten.
Lachend antwoordde ze: ‘Ja, maar dat vind ik niet erg hoor. Eind van de dag lijk ik zelf wel een suikerspin. Morgen heb ik vrij en overmorgen sta ik weer ergens anders met ander werk.’
Terwijl ik plukjes roze plakdraden van mijn spin trok en zo goed als mogelijk netjes probeerde naar binnen te werken, liepen we verder.
Uiteraard ontbreekt ook de “Paddenstoelfoto” niet. Mijn collectie “Vera-op-de-Eftelingpaddenstoel” is weer uitgebreid na gisteren.

©Vera Oor, 2026

Opwinding op het marktplein

Nou, wat ik gisteren meegemaakt heb!
Voordat ik mijn wekelijkse boodschappen bij de supermarkt haal, duik ik eerst de markt op. Eens kijken hoe de aardbeien erbij liggen.
De markt is voor mij één grote uitdaging wat betreft aanbod van allerhande lekkers. Zal ik een visje meenemen? De verleiding is groot, maar ik weersta hem. Een appelflap dan? Nee, niet doen. De traditie van altijd in het weekend een gebakje of vlaai in huis halen, doorbreek ik niet. Dan is het hek van de dam. Gebrande suikerpinda’s, chocoladerozijnen en olijven. Als ik daaraan toegeef, maken mijn kaken vanavond weer overuren. Zal ik dan een ijsje? Nee, Oor!

Ik ging voor de aardbeien, dus richting groente- en fruitkraam. Dan ineens grote opwinding. Mensen springen opzij, beginnen te rennen, roepen door elkaar. De marktkoopman schreeuwt: ‘Pak ze, ze gaan ervandoor.’
Hij trekt een sprintje, gevolgd door zijn collega. Het is druk op het marktplein, dus ik kan moeilijk zien achter wie ze nu precies achteraangaan. Ze zigzaggen tussen de mensen en de marktkramen door en langs de aangrenzende winkels.
‘Daar! Daar gaan er twee,’ wijst een vrouw in de richting van het restaurantterras. Ik volg haar vinger en dan zie ik het: duidelijk herkenbaar met een roodgele jas rennen de verdachten tussen de terrasgordijnen door. Het kost ze weinig moeite met hun slanke, afgeplatte figuur. Dit in tegenstelling tot de marktkoopman die zo te zien minder goed dan ik de verleidingen van het aanbod bij de kramen kan weerstaan. Hijgend geeft hij een ruk aan de bij elkaar gebonden gordijnen. De daders rennen door.

Nu ik weet hoe ze eruitzien, valt mijn oog op nog zo’n zelfde type, ook in roodgele jas. Deze probeert aan zijn achtervolger te ontsnappen door onder de kaaskraam door te rollen.
De verkoopster erachter begint uit alle macht te stampen. ‘Ik heb er een,’ schreeuwt ze en trapt door tot de spetters in het rond vliegen.
Ze zal de dief, of wat hij dan ook gedaan mag hebben, toch niet zo erg in elkaar gestampt hebben dat we het slachtoffer bij elkaar moeten vegen?
De groente- en fruitkoopman neemt nog een snoekduik op het terras en komt even later met een hoogrood gezicht van de inspanning overeind. In elke hand een roodgeel exemplaar.
‘Mm,’ snuift een van de vrouwen die zojuist nog hysterisch stonden te gillen. ‘Moet je ook maar geen wilde perziken in je assortiment opnemen. Je kunt wel nagaan dat je die niet in een papieren zak kunt stoppen.’
Achter de kaaskraam heeft de verkoopster haar slachtoffer bij elkaar geveegd en in de afvalbak gedumpt.
Eenmaal thuis kom ik tot de conclusie dat ik de aardbeien vergeten ben! 

©Vera Oor, 2026

Mooi van lelijkigheid

 ‘Kun jij het niet nemen? ‘Ze wil hem niet meer.’
Nu was ik helemaal niet van plan er nog een bij te nemen, maar ik maakte toch een afspraak om even te gaan kijken.
Ach, daar zat hij. Op een kleine binnenplaats van stoeptegels zat het scharminkeltje.
De eigenaresse vertelde me dat ze hem van haar kinderen had gekregen, maar dat ze helemaal geen hond meer wilde. En áls dat wel zo zou zijn, werd het een grote en niet zo’n klein beestje. 
Het diertje was overduidelijk niet welkom en ik voorzag een uiterst sombere toekomst voor hem.

‘Oké, ik neem hem mee. Maar ik moet wel proberen hoe het gaat met mijn twee andere honden. Dus hij komt even op proef.’
Het magere dier ging zonder problemen mee in de auto. De kennismaking met de andere twee liep verrassend goed en ik besloot na twee dagen dat hij mocht blijven. Max, dat was zijn naam, duwde ik eerst in bad. Hij stonk een uur in de wind naar sigarettenrook. Zijn mandje dat ik had meegekregen rook niet minder fris, dat heb ik weggeknikkerd.
Hij was pas een half jaar oud en nu al zo’n verleden achter zich. Was hij lief? Ja. Was hij mooi? Absoluut niet. Hij was mooi van lelijkigheid zeiden we altijd. Had hij vervelende eigenschappen? Ja, twee. De eerste die ik hem afgeleerd kreeg was dat hij niet mee naar buiten wilde als het regende. Ja, verscholen tegen mijn benen onder de paraplu.
De tweede was irritanter. Hij wilde denk ik zijn uiterlijk en afmeting compenseren door zich op een andere manier te laten gelden. Hij klemde zich met zijn poten stevig vast om benen en begon te rijen. Nou, daar was ik niet van gediend en het werd eerder erger dan minder. Ik kon geen andere oplossing bedenken dan castreren.
 
Getooid met een plastic kap om zijn kop ging hij van de dierenarts mee terug naar huis. De kap moest voorkomen dat hij aan de wond ging vreten. Het bleek niet nodig, hij kon prima uit de poten zonder kap en al al na enkele uren liep hij door de kamer alsof er niets gebeurd was.
 
Een vriendin van ons, die helemaal weg was van Max, kwam een dag later op bezoek. Max rende samen met de andere twee naar de deur om te kijken wie er aan de deur stond.
‘Och, Max, wat hebben ze met jou gedaan? Wat ben je zielig!’ zei de vriendin en ging op haar hurken zitten.
Max zag deze extra aandacht wel zitten en veranderde op slag in een zielig schepsel die haar aankeek alsof hij de hele dag in elkaar geslagen werd. Zijn ogen in standje droevig en de oren plat langs zijn kop. Hij presteerde het zelfs een licht kreuntje te produceren. Hij liet zich al haar aandacht lekker aanleunen en week niet van haar zijde. Zijn vacht werd statisch van alle aaien, die hij kreeg.
Einde bezoek. Max kreeg nog een knuffel en ze vertrokken.
Op slag veranderde het zielige exemplaar weer in een hond waar niets mee aan de hand was. Max heeft zijn veertien levensjaren bij ons gewoond.

©Vera Oor, 2026

‘Verkoopt u ze nog steeds?’ vraag ik.
Na een bevestigend antwoord stappen we in de auto.

‘Ik kom er zo aan,’ hoor ik als we opzij van het huis naar achteren lopen. Ik hoor de man wel, maar geen kip te zien. Dat is wel anders als ik het niet over mensen heb. Het gekakel van kippen is niet te missen. Een kleine vogeltuin strekt zich voor me uit. Rijen hokken, rennen en waterpartijtjes voor een groot aanbod van kippensoorten, maar ook pauwen, eenden, siervogels, kanaries. Op ons gemak bewonderen we het gevederde aanbod. Bij elke stap die we verderlopen voegt zich wel weer een geluid toe, kleine haantjes lopen kris-kras vrij rond tussen de met schors bedekte paden en zetten de vaart erin als we dichterbij komen.
De eigenaar komt eraan. Een buitenmens, dat is wel duidelijk met zijn verweerde, bruine gezicht. Een echte liefhebber weet ik nog van ons vorige bezoek.

‘We willen een groot soort kip en een haan.’
Al snel is duidelijk dat de vogel die we op het oog hadden, niet de soort is die mee naar huis gaat. ‘Nee, dat zijn echte legkippen, die leven hooguit een/twee jaar,’ haalt de man ons uit deze droom.
Hm, dat is niet de bedoeling. Dat we eieren kunnen rapen, is leuk, maar we zijn geen eierboerderijtje. Het is gewoon leuk om kippen te bekijken in hun dagelijks gedrag.
Alle andere rassen lopen we langs en over elk ras weet hij wel wat te vertellen. Oké, het worden twee zwarte en een witte kip. De man duikt de hokken in en pakt ze bij de kladden. Deurtje van de bench open, die we meegenomen hebben. Kippen erin, deurtje dicht. Nu nog een haan.
‘Dat is een mooie,’ zeg ik bij een van de hokken.
De man haalt me uit de droom: ‘Die is teruggebracht. Hij viel aan.’
Een andere haan gaat erbij in de bench. Dat ding weegt met inhoud nu toch zo’n 12-15 kilo.
 
Op huis aan en de kippenren in met het hele spul. Water en voer staat al klaar. De vier kleine kipjes die we hebben lopen vrij rond in de wei en komen nieuwsgierig kijken wat ze nu boven het hoofd hangt. Eentje trekt de stoute schoenen aan en besluit een van de nieuwkomers even te laten weten wie de baas is. Er passen er wel vier van zijn gewicht in de grote nieuwkomer, maar daar trekt hij zich geen moer van aan. Hij wint ook nog.
Niet veel later lopen ze gezamenlijk rond te scharrelen, houden nog wel wat afstand maar vallen niet meer aan.
Bedtijd.
De kleintjes weten de weg en zitten al lang en breed op stok, maar de nieuwen begrijpen niet dat ze een trappetje op moeten lopen om binnen op stok te kunnen gaan. Ze zitten op een kluitje bij elkaar in de ren. Gelukkig woon ik niet alleen en hoef ik niet rond te kruipen om de een na de ander op te pakken en op het trapje omhoog te duwen.
Ze kijken even onwennig rond, maar vinden waarschijnlijk dat ze vandaag wel genoeg beleefd hebben en gaan slapen, wel op afstand van de andere bewoners.
 
Vanochtend zijn de kleine kippen al buiten en ik maak het hek open om ze de wei in te laten. De nieuwkomers zitten nog binnen. Verrek, er ligt zelfs al een XL ei. Zo te zien, heeft er nog een een ei geproduceerd, maar was zo slim om dat boven de opening van het trapje uit te poepen.
Onderin ligt de flubberige inhoud.
De haan laat zich horen, nu het licht binnendringt.
Het hele spulletje helpen we met een duwtje om opnieuw de trap te nemen, nu naar buiten.
Dag twee gaat voor hen van start.

 

 

 

 

Moederdag

Voor het achtste jaar op rij, rijd ik in de richting van mijn ouderlijk huis. Weliswaar in de richting, maar niet als eindbestemming. Mijn moeder verwelkomt me met een zonnige blik. Een tevreden blik die altijd blijft op de foto die op haar graf staat. Een foto, jaren geleden genomen in mijn tuin waar ze zit en omzoomd wordt door bloeiende hortensia’s.
Het bloeiende plantje dat ik heb meegenomen om erbij te zetten in de plantenbak, kan weer mee terug naar huis. Alle planten die erin staan, doen het nog goed en staan volop in de bloei. De geraniums, begonia’s en een ander plantje met geeloranje bloemetjes. Het kan ook niet anders. Mijn moeder was gek van bloeiende planten en verzorgde die met liefde. De kaars die ik heb meegenomen, gaat niet mee terug. Die steek ik aan en zet hem in de lantaarn op het graf.

Mother, how are you today? Goh, wat zou ik dat graag weten, hoe het met haar is, maar het antwoord zal ik wel nooit krijgen.
Het lied van Maywood “Mother, how are you today. Here is a note from you daughter” kan ik niet horen zonder een paar keer flink te slikken en terug te denken aan het moment dat ze die plaat aanschafte. Het nummer was regelmatig te horen op de radio en keer op keer zei ze hoe mooi ze dat vond. Ik zei: ‘Dan koop je die plaat toch?'
Ze keek me aan alsof ik had verteld, dat Kerstmis dit jaar in mei gevierd zou worden. Iets voor zichzelf kopen? Zomaar, zonder reden? En dan nog wel een plaat. We hadden een pick-up in huis dus dat hoefde het probleem niet te zijn en in de wijk was zelfs een radiozaak die ook lp’s verkocht. Niet veel later stond ik met haar in de winkel en liepen we terug naar huis met de kleurrijke hoes met de gezichten van de twee zusjes Maywood erop. Bijna eerbiedig legde ze het zwarte vinyl op de draaitafel en ging op het puntje van de bank zitten. Zomaar, zonder dat het tijd was voor een kop koffie of thee. Zomaar om naar iets te luisteren dat echt van haar was. Zomaar. Met een grote glimlach op haar gezicht zette ze het nummer opnieuw op, en nog een keer.

Voordat ik weer in de auto naar huis stap, kijk ik nog een keer naar de foto. De tweede regel in het lied is: Here is a note from your daughter.
Mother, here is a wish from your daughter: I wish you a wonderful day. Whereever that me be.

©Vera Oor, 2026

 

De giraf staat paf

 

De giraf kijkt verbaasd om zich heen. Waar komt het geluid vandaan? De dierentuin is nog niet open en de verzorgers zijn bij de leeuwen bezig. Opnieuw hoort hij een stem zeggen: ‘Dag giraf.’
Hij kijkt eens goed rond en dan ziet hij een man staan, die hem met pretogen aankijkt. Een nieuwe verzorger? Deze kent hij in ieder geval niet. Maar dan nog. 
Het is veel te vroeg voor de ochtendronde. Het is pas kwart over zeven.
Dan spert de giraf zijn ogen wijd open als hij ziet wat de man in zijn hand heeft en dat omhooghoudt. Een suikerklontje! Dat is lang geleden. Ze zijn hier helemaal overgeschakeld op gezond eten voor de dieren en lekkernijen als een suikerklontje zijn er niet meer bij.
‘Dag giraf,’ zegt de man weer.
‘Dikkertje?’ fluistert de giraf. ‘Dikkertje Dap, ben jij het echt?’
Grinnikend antwoord de man: ‘Nou, laat dat tje maar achterwege. Zoals je ziet ben ik dikker en ouder, maar je hebt het goed. Ik ben jouw vroegere vriendje.’
De giraf buigt zijn nek naar beneden en geeft Dikker een lange lik met zijn paarse tong. En nog een keer.
‘Hoho, ik ben al gewassen,’ proest de man, veegt zijn gezicht droog en steekt een been omhoog terwijl hij zich vasthoudt aan de giraffennek. ‘Kijk eens, speciaal gekocht zodat je zeker weet dat ik het ben, rode laarzen.’
‘Dikkertje, ik bedoel Dikker, ik sta paf. Dat is zo lang geleden!’
Dikker klemt zijn armen om de giraffennek en geeft hem een lange knuffel.
Even blijven ze zo staan, genietend van dit weerzien.
‘Hoe gaat het met je?’ vraagt de giraf als Dikker zijn nek loslaat.
Dikker stapt op een steen en klimt het hek op. Nu hoeft de giraf zijn nek niet zo ver te buigen en hij hoeft zijn eigen nek niet in een krampachtige houding te wringen om de giraf in de ogen te kunnen kijken.
‘Ja, dat is een lang verhaal. Weet je nog dat ik begon met het leren van cijfers, van de letters van het alfabet en met tekenen? De cijfers vond ik maar niks, maar met letters heb ik leren spelen. Ik schrijf tegenwoordig en nu wil ik een kinderboek maken waarin ik vertel over giraffen en de tekeningen daarbij wil ik zelf maken. Wie kan mij natuurlijk het beste vertellen hoe het is om giraf te zijn? Jij, giraf.’
De giraf krijgt tranen in zijn grote, bruine ogen en een enkele traan drupt langs zijn lange wimpers naar beneden. Hij slikt een paar keer voordat hij antwoord kan geven. ‘Kerel, ik sta paf! Wat geweldig dat je daarvoor weer naar me toekomt. Ik heb veel te vertellen, dus dat zal niet allemaal in een keer lukken. Kom je dan vaker langs?’
Dikker knikt. ‘Natuurlijk, ik kom weer, zoals vroeger, elke dag om kwart over zeven hiernaartoe. Later kan niet want dan word je volledig in beslag genomen door bezoekers. En… elke dag neem ik…’
‘Een klontje voor me mee?’  Bij dat vooruitzicht begint de giraf spontaan een rondedans te maken.
‘Giraf, ik heb nog een vraag,’ zegt Dikker.
‘Die hoef je niet eens te stellen. Ik weet nu al wat je wilt vragen,’ knipoogt de giraf. ‘Jij wilt weer een keer langs mijn nek naar beneden glijden.’
Dikker zegt verder niks. Zijn ogen beginnen te stralen bij het vooruitzicht.
‘Maar,’ overpeinst de giraf hardop. ‘Je kunt niet meer vanaf mijn kop naar beneden glijden. Daar is mijn nek te dun en jij te dik voor. Sorry dat ik het zeg.’
Dikker buigt zijn hoofd en probeert zijn voeten te zien onder zijn overhangende buik. Dat lukt niet. De giraf heeft gelijk, denkt hij, dat is te gevaarlijk. Ik ben te zwaar. Stel je voor dat de giraf zijn nek breekt.
Die ziet de teleurstelling op het gezicht van Dikker en onderbreekt zijn gedachten: ‘Ik weet wel een oplossing hoor.’
Hoopvol kijkt Dikker hem aan en luistert naar het voorstel van de giraf.
‘Als jij nu op het hoogste punt van het hek gaat zitten, dan ga ik daarvoor op mijn knieën zodat het onderste deel van mijn nek dichtbij je is. Je kunt je handen om mijn nek slaan en op de overgang tussen nek en rug gaan zitten. Daarna strek ik mijn voorpoten een beetje zodat mijn buik en hoofd omhoogkomen en mijn kont naar beneden gaat. Dan glijd je toch een beetje naar beneden. Maar je moet wel opschieten hoor, Dikker, want anders zien de verzorgers je zometeen of, erger nog, de bezoekers. Stel je voor, dan willen alle kinderen van mijn nek naar beneden glijden. En dat mag er maar één: Dikker Dap!’

© Vera Oor, 2026

Het jaar van Marcianus

                        

Veni, vidi, vici. Ik kwam, zag en overwon. Maar hoezo in de verleden tijd?
Beter is: Veni, Video, Vinco: Ik kwam, zie en overwin.
De kunstenaar heeft mijn uiterlijk geschapen. Wat hij niet kon doen is mijn ziel vormgeven. Dat is door anderen gedaan. Alles van de oorspronkelijke helm is op mij overgegaan. Daar hebben hogere machten de hand in gehad.

Toen de dappere strijder Marcianus het leven liet, nam ik zijn laatste adem in me op, evenals zijn angst, zijn moed, zijn kracht, zijn overwinnaarsmentaliteit. Wat niemand weet, is dat Marcianus een groot geheim met zich meedroeg, waardoor het nodig was dat juist zijn gezicht extra bescherming kreeg. Zijn zweet trok in mijn poriën.
Wat zijn geheim was, weet ik, maar zult u nooit van mij horen. Mijn lippen zijn verzegeld en verguld.
 
Veni: ik kwam enkele jaren geleden per schip de Waal afzakken. Na de beschutting van de werkplaats van de kunstenaar, was ik vanaf dat moment overgeleverd aan de weergoden, aangespoord door oppergod Jupiter. Vanuit mijn standplaats op het stadseiland Veur Lent overzie ik de skyline van de Keizer Karel Stad, Nijmegen.
Wat me van het hart moet is dat ik me afvraag wat de reden is, dat de stad een naam heeft gekregen en ik slechts genoemd word: Het Masker of Het gezicht van Nijmegen.
Ik verdien een naam. Ik ben een trekpleister geworden. En zo begon mijn tweede leven.
 
Video: ik zie alles door de ogen van de bezoekers die in mij kruipen en dat is de moeite waard. Waar de een met lodderige blik de wereld aanschouwt, staat een ander -geïnteresseerd in geschiedenis- op scherp. De eerste loert, maar ziet niets. De tweede kijkt en ziet alles tussen verleden en heden. Alles wat zij zien, zie ik. Alles wat zij aan emoties voelen, voel ik ook. Ze brengen hun eigen verhalen mee. Ik weet waar het beste bier te halen is, maar ook waar verhalen zijn ontstaan. Aan de overzijde zie ik een aluminium en een bronzen beeld, door kunstenaarshanden geschapen. Ik heb geleerd wat de kaaisjouwers meemaakten, hoe zwaar hun leven was. Ik weet nu dat de Aquanaut troostend zijn arm om de naar de maan huilende Waterwolf legt, als verbeelding van Nijmegen, dat het water in de Waal omarmt.
Een omarming niet alleen aan de overkant, maar ook in mij. Omarmingen, liefdesverklaringen, ontboezemingen. Ik ben een veilige plek daarvoor en natuurlijk geldt ook hier: mijn lippen zijn verzegeld.
 
Vinco: ik overwin.
 Op de scheiding van jaren kan ik een grote rol gaan vervullen. Door het vuurwerkverbod staat de Waal niet meer in vlammen, de vonkenregens dalen niet meer neer over Nijmegen, maar stel je eens voor: in mijn binnenste wordt een grootse lasershow voorbereid. Daarin zal vanuit mijn ogen een warme, omarmende gloed over de Waal en Nijmegen glijden. Een stille lichtshow, geen geknal, geen geschreeuw, maar een alles overwinnend spektakel. Mijn lippen blijven verzegeld. Om 24.00 uur wordt mijn grootste droom werkelijkheid: 2027 wordt verwelkomd als het jaar van Marcianus.

©Vera Oor, 2026

Voorgedragen tijdens de Nimweegse Ferhaole Aofond in Nijmegen, 21 april 2026

Nee, geen luipaard

 
Het voltallige bestuur heeft zich verzameld op de grote weide in het midden van het park. In de loop van de tijd is deze groep flink uitgebreid met een aantal leden. Zuiver bekeken komt het erop neer dat elke bewoner ook bestuurslid is geworden. Dat zijn er welgeteld dertien. Er staan maar twee punten op de agenda: beperking van de toestroom van nieuwe bewoners en openstelling van het park voor bezoekers.

De grootte van het perceel is een heikel punt. Huidige bewoners verdragen elkaar maar zijn zeker niet allemaal bevriend met elkaar.
De voorzitter opent de vergadering en stelt de openstelling aan de orde. ‘Wanneer wij het park open willen stellen, zullen we een aantal rigoureuze veiligheidsmaatregelen moeten nemen om onze levens niet in gevaar te brengen. Het mag niet zo zijn, dat een van ons gevangen wordt en meegenomen naar een onbekende bestemming.’
‘Hoe zie je dat dan voor je?’ vraagt een van de allereerste bewoners.
‘We moeten het daarbij doen voorkomen, dat we alles onder controle hebben, dat wij de bezoekers niet aan zullen vallen, dat we zelfvoorzienend zijn. We zullen moeten gaan bouwen, zodat elk van ons, in ieder geval moet het voor de buitenwereld zo lijken, een eigen, afgeschermd verblijf heeft.’
Er stijgen verontwaardigde geluiden op uit het gezelschap. Ieder is gesteld op de ruimte en wil onder geen beding opgesloten worden.

‘Koppen dicht nu, allemaal,’ commandeert de voorzitter. ‘We hebben geen keuze dus laten we vooral kijken naar geschikte plekken om verblijven te bouwen, we moeten op zoek naar slimme lui die kunnen helpen met het maken van bouwtekeningen.’
Geleidelijk aan verstomt het protest en realiseert iedereen zich dat ze alleen vooruitkomen als ze gezamenlijk de schouders eronder zetten en aan gaan pakken.
‘Wie kan al dat werk gaan verzetten?’ verzucht de chinchilla, die zorgvuldig haar zachte zwarte vacht poetst. Ze ziet zichzelf niet als een van de werklui en dat geldt wel voor meer bewoners.
‘Voordat ik het vergeet: we hebben een aanvraag gekregen voor het toelaten van een nieuwe bewoner: een luipaard,’ onderbreekt de voorzitter de protesten.
‘Ammenooitniet, een luipaard. Hoe kom je erbij. We hebben een werkpaard nodig!’ knort het varken. Hij wordt al snel gesteund door de giraf.
‘En wie kan alles bedenken? Dan hebben we een slimmerik nodig,’ merkt de schildpad op. ‘Ik ben er te langzaam voor.’
Na het nodige geharrewar en het brainstormen in kleine groepen komt het gezelschap tot de conclusie, dat ze toch echt meer bewoners moeten toelaten, zoals een chimpansee. Die is slim genoeg om plannen te maken, een olifant is nodig voor het zware werk van verplaatsen van de omgewoelde grond van het varken, zodat er funderingen kunnen worden aangelegd. Een kudde buffels is nodig om nieuwsgierige bemoeials op afstand te houden. De giraf heeft hulp nodig van zijn familieleden om op hoogte te kunnen werken.
 
Gaandeweg de dag en na verscheidene brainstormrondes liggen er wonderwel voorstellen op tafel waar iedereen zich in kan vinden. De slang zal zorgen voor het aanleggen van leidingen, de schildpad stelt zijn schild beschikbaar als transportmiddel, het hert kan zijn gewei gebruiken om boomwortels los te woelen. De kangoeroebuidel is ideaal voor het vervoeren van kostbare bouwmaterialen. De zebra zorgt voor veilige oversteekplaatsen zodat de bouwvakkers elkaar niet voor de voeten lopen. De pony kan het werk van een werkpaard doen. Hij stelt daarbij wel de voorwaarde dat er alsnog op zoek wordt gegaan naar werkpaarden die hem ondersteunen. Zeepaardjes en kreeften moeten de watervoorzieningen gaan inspecteren, waar hagedissen de muren moeten controleren op bouwfoutjes.
De kalkoen strekt zijn kop en klokt: ‘Ik zorg voor de bewaking. Als er gevaar dreigt, zal ik alarm slaan.’
‘En zij dan?’ wijst de hond naar de chinchilla. Die duikt in elkaar. Ze had gehoopt de dans te ontspringen, maar bedenkt zelf al snel een oplossing: ‘Wie van jullie koude poten krijgt, mag die warmen aan mijn zachte vel.’
‘Wat wordt de rol van het luie paard?’
De chinchilla weet de oplossing: ‘Als iemand te moe is, mag die lekker tegen het luipaard aanliggen.’

© Vera Oor, 2026

Vroege ochtendwandeling

Gisteren ging om 5.15 uur de wekker.  Weliswaar is dat volgens zomertijd 6.15 uur, het voelt als 5.15.
Honden hebben geen benul van de tijd, want zodra ze me horen, staan de koppies mijn kant op gericht met een duidelijke vraag in de ogen: Waar blijft het eten? Dus volgens routine eerst de honden eruit en eten en daarna kom ik nog aan de beurt.

Mijn ontbijt heeft denk ik amper de maag bereikt, of ik moet al vertrekken. 
Ik heb me opgegeven voor een vroege ochtendwandeling in de dierentuin in Arnhem onder begeleiding van een gids.
Een flinke opkomst vind ik. 36 personen verdeeld over drie groepen en daarmee gaan we de Bush in. Voor de niet-kenners van deze dierentuin: dat is het overdekte gedeelte waarin een tropisch regenwoud is gerealiseerd met veel verschillende dieren en planten.
Het eerste dat opvalt als ik hier op dit tijdstip binnenloop is het overweldigende aanbod van vogelgefluit waarbij er één altijd bovenuit komt: de schreeuwpiha, een onopvallende vogel, met een opvallende scherpe schreeuw.. Het is nog voor de openingstijd van de dierentuin, dus dieren laten zich zien en horen.

De gids leidt ons over mij bekende paadjes, maar neemt ook minder voor de hand liggende afslagen waarbij het bij een watertje goed opletten is dat mijn voeten niet wegslippen. We steken het over door gebruik te maken van glibberige stenen, die moeten dienen als stapstenen. Het lukt me, al voel ik me zo nu en dan alsof ik in een winkel iets moet hebben uit het onderste schap en het me alleen lukt overeind te komen, als ik mijn handen gebruik om me omhoog te duwen.
Hoog in het gebouw hangen enkele vleerhonden te bungelen met hun vleugels als een dekentje om zich heen gevouwen.
Vogels in opvallende kleuren lopen, vliegen en fladderen voorbij. Gemberplanten groeien hier in vele varianten met verschillende bloeiwijzen. Er is dus niet één soort gemberplant.
Tegen het eind van de rondwandeling gaat ineens de waterval “aan”. De dierentuin is inmiddels geopend en het klaterende water overstemt gedeeltelijk het gepraat van de bezoekers. Pas nu valt het verschil op met de stilte tijdens de rondleiding die alleen begeleid werd door vogelgeluiden.

Het restaurant is nu ook geopend en allereerst pak ik op mijn gemak een kop koffie om vervolgens nog een kort rondje langs enkele dieren in het park te lopen. De stokstaartjes, mijn favorieten, hangen met een aantal lui op hun rug onderuit tegen een in de zon opgewarmde steen. Ze knijpen hun glanzende oogjes dicht als ze tegen de zon inkijken en lijken veel op een groep zonnebadende badgasten.
In het olifantenbuitenverblijf staan twee olifanten met hun poten in de optrekkende nevel. Een beeld dat ik ken van koeien.
Er liggen enorme rotsblokken en van een afstand lijken ook die de vorm te hebben van een olifant. Goed zoeken naar de dikhuiden dus.
Ik loop terug naar de parkeerplaats die vanochtend vroeg vrijwel verlaten was op het aantal auto’s van de deelnemers van de rondleiding na. Dat is nu wel anders. De grote parkeerplek is afgeladen vol en voor de kassa staat een rij.
De zon scheen nog toen ik thuiskwam en als eerste heb ik daar de stokstaartjes nagedaan.

 

.
 

Johanna op de kermis

 

‘Johanna!’
Nog voordat Johanna haar moeder ziet, weet ze dat het onvermijdelijke gaat gebeuren.
Ze vertraagt haar pas als ze naar de waslijn loopt, waar ze zich kwetsbaar weet als een reekalf in het open veld.

‘Waar zijn jouw maandelijkse doekjes?’
Zo vaak als Johanna zich voorbereid heeft op deze vraag, toch overvalt het haar.
‘Die… die had ik niet nodig,’ antwoordt ze en richt haar blik naar de grond.
De waarheid baant zich een weg naar buiten, zodra Johanna haar mond opent.  
‘Al drie maanden niet. Andere maanden smeerde ik bietensap in het doekje en legde dat bij het wasgoed. Deze maand ben ik het vergeten.’
Haar struise moeder wankelt een moment en zijgt neer op een van de houten stoeltjes. De wasknijpermand valt uit haar hand.
Als in een toneelstuk trekt de toekomst in scènes aan haar voorbij: de woede van haar man, het oordeel van de kerkgemeenschap, het verdere leven van haar dochter.’
‘Weet je het zeker, drie maanden? Te laat om weg te halen.’
‘Het gebeurde op de kermis,’ zegt Johanna mat. ‘Ik was duizelig toen ik uit de carrousel kwam. Een jongen ving me op en gaf me wat te drinken. ‘Hier is het te druk,’ zei hij en nam me mee naar een plek achter de kermiswagens. En daar…’
Met gierende uithalen vertelt Johanna wat er gebeurde.
De jongen veranderde in een woeste stier.
Hij gooide haar tegen de grond, trok haar rok omhoog en haar kousen en broekje naar beneden. Met een hand over haar mond verhinderde hij dat ze kon schreeuwen om hulp.
De kaaklijn van moeder verhardt zich. Ze buigt zich hijgend naar Johanna over die in elkaar duikt om de uitgestrekte arm te ontwijken.
‘Wie was het?’
‘Ik ken hem niet. Een van de jongens van de kermis.’
‘Ook dat nog. Een bastaard in de familie.’

©Vera Oor, 2026

Gebroken hartjes

 ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vraagt Pim aan Kwiebus, die kermend op de grond ligt. ‘Je bent toch niet van de ladder gevallen, hoop ik.’
Kwiebus kreunt en beweegt voorzichtig zijn hoofd. ‘Jawel.’
Pim gaat naast hem zitten en onderzoekt zijn maatje op botbreuken of ander zichtbaar letsel. Het lijkt mee te vallen en behoedzaam ondersteunt hij Kwiebus als die probeert rechtop te gaan zitten.
‘Rustig aan. Blijf eerst even tegen mij aanleunen en daarna proberen we wel of je kunt staan.’

Inmiddels zijn hulptroepen gearriveerd, die overal vandaan lijken te komen.
Dat is niet verwonderlijk want het is hoogseizoen voor de tuinkabouters, die hun handen vol hebben aan het ondersteunen van te zware takken aan een plant; aan het in kruiwagens aanslepen van extra tuinaarde; aan het afspraken maken met de mollen over de gangen die ze mogen graven en waarbij ze de bloembollen die gepoot zijn, moeten omzeilen.
De taakverdeling onder hen is al jaren hetzelfde en dat betekent dat Kwiebus zich bezighoudt met het verzorgen van zieke planten om te proberen die er weer bovenop te helpen.

Maar wat is er nu misgegaan tijdens dat werk, vraagt Pim zich af en hij kijkt nog eens naar de metershoge touwladder die vanuit de boomtop langs de takken bungelt. ‘Ben je helemaal naar boven geklommen?’ vraagt hij. ‘En waarom? Zitten daar zieke takken of rottende stompjes waar een tak afgezaagd is?’
Kwiebus houdt zijn handen voor zijn oren bij alle vragen die op hem afgevuurd worden. Pas als het vragenvuur uitdooft, haalt hij zijn handen weg, neemt een diepe ademteug en begin te vertellen over zijn avontuur.
 
Inderdaad was hij de hoge touwladder ingeklommen omdat hij de bessen van de maretak die helemaal bovenin bungelt nodig had. Het mandje dat hij op zijn rug bevestigd had, was bijna gevuld toen hij zijn evenwicht verloor en met bizarre capriolen naar beneden viel. Onderweg greep hij zo nu en dan een sport van de touwladder, maar de kracht van het vallen was zo groot, dat die weer uit zijn handen getrokken werd. Om hem heen liggen nu de witte bessen van de maretak verspreid en zijn mandje ligt ondersteboven.
‘Wat moet je in vredesnaam met al die bessen dan? Hier beneden groeien toch ook bessen aan verschillende struiken?’ informeert Pim verder. Hij kan er maar niet bij dat Kwiebus zo onvoorzichtig is geweest. Kabouters staan bekend om hun evenwichtige en bedachtzame aard, dus zo’n gedurfde actie past niet bij hen. Er moet iets bijzonders zijn, wat maakt dat zijn maatje deze actie in gang heeft gezet.

Kwiebus legt uit dat alle andere bessen niet de eigenschappen hebben van de bessen van de maretak. ‘Weten jullie dat die bessen ook wel vogellijm worden genoemd? En ik had een sterke lijm nodig.’
‘Waarvoor dan?’
‘Een van de planten die ik vorig jaar gepoot heb, groeit enorm hard en de bloemetjes hebben stuk voor stuk extra zorg nodig.’
Langzaam begint er bij Pim iets te dagen. ‘Bedoel je die plant die ze “gebroken hartje” noemen?’
Hij herinnert zich dat Kwiebus de tranen in zijn ogen had staan, toen hij vorig jaar aankondigde deze plant te willen poten, omdat hij daar plannen mee had. Verder had hij er niet op doorgevraagd. Elke tuinkabouter heeft zijn eigen zorgen.
‘Ja, maar die plant heeft nu zoveel bloemetjes en ik had me voorgenomen al die gebroken hartjes te lijmen. De sterke lijm van de maretakbessen zou me daarbij kunnen helpen. En stel je eens voor dat ik die gelijmde hartjes uit kan delen aan iedereen die lijdt aan een gebroken hart? Dat zou toch geweldig zijn?’

Pim krabt zich even door zijn witte baard, wisselt enkele blikken met de tuinkabouters om hem heen en zegt vervolgens: ‘Kwiebus, wat een nobel streven. Wie zal zeggen, dat dit niet de oplossing om liefdesverdriet te helen. Het is de moeite van het proberen waard, maar wij gaan je daarbij helpen. Niemand van ons gaat nog van die acrobatische toeren uithalen met een touwladder, daarvoor roep ik de hulp in van onze vrienden, de merels. Zij kunnen de bessen ophalen en naar je toevliegen, zodat jij weer een hartje kunt lijmen.
Alleen al de gedachte aan de uitwerking van gerepareerde hartjes stemt optimistisch en ieder kent wel iemand die zo’n hartje kan gebruiken. Niet alleen voor een gebroken hart, maar ook als hart onder de riem als iemand het eens zwaar heeft door ziekte of verdriet.

© Vera Oor, 2026

Zure melk


Anna vermijdt zorgvuldig de blikken van de man op het krukje tegenover haar. Zonder hem aan te kijken kan ze hem in gedachten uittekenen met zijn zwarte fluwelen baret op de lange, donkere lokken. De sprankeling in zijn ogen die ze bij hun kennismaking zag, had een uitwerking op haar die ze niet kende. Het kriebelde in haar buik, haar handen trilden en het bloed voelde ze naar haar wangen stijgen als optrekkende koorts.
Na de eerste kennismaking was de afspraak snel een feit om de gewaardeerde schilder de mogelijkheid te geven haar te schilderen tijdens haar werk in de keuken.
Zelf had ze hierin niets te zeggen gehad. De heer des huizes waar ze in dienst is, heeft dit beslist. De schilder , Johannes, is een goede vriend van haar baas. Met name huiselijke taferelen hebben zijn belangstelling om op het doek vast te leggen en met de belofte dat zijn aanwezigheid het werk van de keukenmeid niet zou verstoren, was voor de heer des huizes doorslaggevend om hier toestemming voor te geven.
 
Op verzoek van Johannes heeft ze over de rode onderrok een blauwe bovenrok aangetrokken. Van het gele hes heeft ze de mouwen opgestroopt, om te voorkomen dat de boorden over de tafel heenglijden en het brood ervan af schuiven.
Elke miniscule beweging die hij maakt vanachter zijn schildersezel komt bij haar vergroot binnen. Het schuren van zijn schoenen over de ruwe vloer draait als een wervelwind in haar oren. Al haar zintuigen staan op scherp. Zelfs de lichtkruidige geur die om hem heen hangt, prikkelt haar neus.
 
De ingrediënten voor de broodpap staan klaar. Het bier in een afgesloten kan, zodat de alcohol niet verdampt en een van de twee broden heeft Anna al in stukken gebroken. Nu komt het erop aan om de melk beetje bij beetje vanuit de bruine, aardewerken kruik in een schaal te gieten. Het is belangrijk dat de hoeveelheid melk precies voldoende is om de pap de juiste dikte te geven.
Haar lippen perst ze strak op elkaar in haar concentratie om de melk zorgvuldig over te gieten.
Anna kijkt ineens bevreemd naar het dunne straaltje melk, dat niet vloeit zoals anders, maar waar nu kloddertjes in lijken te zitten.  
‘De melk is zuur,’ roept ze. ‘Hoe kan dat nou? Ik heb vanmorgen verse melk gekregen.’
Een vuurrode blos trekt naar haar wangen. Wat moet Johannes wel denken: een keukenmeid die zelfs geen broodpap kan maken.
Anna zet de kan op het blauwe tafelkleed en veegt met haar onderarm over haar voorhoofd. De zorgvuldig gesteven zijkanten van haar kapje duwt ze daarbij in een vreemde stand alsof het vleugels zijn opzij van haar hoofd. Ze kijkt de schilder verschrikt aan.
‘Zo blijven staan,  Op het schilderij kun je straks niet zien, dat de melk zuur was,’ zegt Johannes met een knipoog naar Anna, die meteen haar ogen weer neerslaat.
Hij kent de uitwerking van zijn verschijning op jonge vrouwen en Anna vormt daarop geen uitzondering. Toch voelt het dit keer anders voor hem. Niet alleen Anna heeft last van trillende vingers, hetzelfde overkomt hem en het kost hem moeite de streken verf op de juiste manier te zetten.
 
De temperatuur in het vertrek loopt op. Dat is niet alleen te wijten aan de twee personen die in vuur en vlam lijken te geraken, maar de warme wind die door het beschadigde raam naar binnen waait, brengt een ongekende hitte met zich mee.
Kloppen de voorspellingen die een of andere handelsreiziger had gedaan? Namelijk dat de zuidenwind warm zand vanuit de woestijn in verre zuidelijke landen helemaal naar Nederland zou blazen?
Geleidelijk aan wordt niet alleen de vloer, maar alles wat er in de ruimte staat, bedekt met een dunne laag zand. De primaire kleuren die zo duidelijk zichtbaar waren in de kleding en het tafelkleed zien er allemaal uit als droog zand, zoals de duinen langs de zee.
De nog vochtige verf op het doek wordt eveneens bedekt onder een dunne laag zand, waardoor alle inspanningen van Johannes om de primaire kleuren mooi neer te zetten, tevergeefs zijn geweest.
 
Hij gooit zijn kwasten aan de kant, schuift de ezel opzij en stapt op Anna af. Aan zijn werkstuk valt geen eer meer te behalen, maar des temeer aan het veroveren van deze bedekte schoonheid.
Op het moment dat hun monden elkaar vinden, krijgen de lippen hun oorspronkelijke kleur.

Het schilderij “het melkmeisje”. Van Johannes Vermeer heeft me geïnspireerd tot dit verhaal

Een nieuw begin. Terug naar huis?

 

De chauffeur van de truck stapt uit en trekt het zeil van de trailer open. ‘Zo, we zijn er. Wie er in Nijmegen uit moet, kan nu uitstappen.’
Paul staat op, hij pakt zijn gehavende koffer bij het handvat en springt de trailer uit. De uitgestoken hand van de chauffeur heeft hij niet nodig.
‘Ik zou toch bij het station uitstappen?’ vraagt hij verbaasd nadat hij de omgeving op zich in laat werken.
‘Dichterbij kan ik niet komen. Rondom het station en verder stad inwaarts ligt het nog bezaaid met puin. Ik wens je een goede thuiskomst toe. Terug bij allen die je lief zijn…hoop ik.’
De chauffeur knoopt het zeil dicht en stapt in om verder te rijden. Op weg naar het volgende haltepunt. Paul zoekt naar herkenningspunten en kijkt alle windrichtingen op. Waar is de Stevenstoren? Waar is het station?
De kramp schiet door zijn been. Hij wankelt. De driedaagse, onafgebroken reis in de truck eist zijn tol.
De handen die zijn arm omklemmen, zijn krachtig maar niet vriendelijk. ‘Weer terug, jongeman? Vanuit Duitsland?’
Paul knikt. De neerbuigende blik, de neerhangende mondhoeken en taxerende ogen van de man ontgaan hem niet en veroorzaken een steek in zijn borst. 
‘Hm, Je ziet er nog goed uit voor iemand die “te werk is gesteld”.’
Paul slikt zijn reactie weg. Hij heeft geen energie voor discussies. Hij wil alleen weten waar hij is, waar hij heen moet. ‘Wat is er met het station gebeurd?’ vraagt hij, zijn stem schor.
‘Bombardement,’ zegt de man kortaf. ‘Net als de Stevenstoren en een groot deel van het centrum.
De greep om zijn arm verslapt. De man loopt weg zonder nog één keer om te kijken. 

Paul loopt de richting op waarvan hij denkt dat het de goede kant op is naar huis. Af en toe hapt hij naar adem als een grijze stofwolk zijn kant opwaait. De weeïge geur van dieselmotoren bezorgt hem een misselijkmakend gevoel.
Groepen mannen zijn bezig om puin en stinkend afval te verwijderen en op open wagens te laden. Een van deze wagens passeert hem, de ratelende wielen begeleid door trappelende paardenhoeven op de keien. Op andere plekken staan mannen kromgebogen over stapels stenen om die schoon te bikken. De harde slag van ijzer op steen teistert Pauls oren. De gruwelijke werkelijkheid dringt tot hem door.
 Dit beeld overtreft alles wat Paul zich in zijn gedachten en dromen had voorgesteld sinds de eerste berichten doorsijpelden dat Nijmegen zwaar getroffen was door een bombardement. ‘Durch deine Freunden, die Kaugummifresser!’ had een van de opzichters in de ijzerfabriek spottend opgemerkt.
De post die hij — onregelmatig en steeds schaarser — uit Nederland ontving, stelde hem tot dan toe gerust: zijn familie leefde nog. Maar dat veranderde toen Nijmegen later in het jaar frontstad werd. Vanaf dat moment bleef het stil. Geen brieven meer. Geen enkel teken van thuis.
De vraag die zich steeds bij hem opdrong: Is er nog wel een thuis om naar terug te keren? Wanneer komt er een einde aan deze rotoorlog?
 
Paul versnelt zijn pas en komt in een stadsdeel dat ontsnapt lijkt aan het bombardement. Geen compleet weggeslagen, maar wel beschadigde huizen. Hoe dichter hij bij de straat van zijn ouderlijk huis komt, hoe meer gehavende panden hij ziet. Ontbrekende dakpannen, dichtgetimmerde kozijnen. Het heeft meer weg van de krotwoningen in de Benedenstad dan de straten met degelijke woningen vanwaaruit hij enkele jaren geleden vertrokken is.
Hij loopt de hoek van de straat om, waar hij datzelfde aantal jaren geleden de andere kant opliep, toen met onbekende bestemming. De oproep voor de Arbeitseinsatz was niet vrijblijvend, hij móest zich melden. Onderduiken vond hij geen optie, dat zou te veel risico’s voor zijn familie met zich meebrengen.
Met trage passen, maar met torenhoge hartslag loopt hij door tot hij aankomt bij zijn ouderlijk huis. Hij trekt wit weg bij het zien van de gedeeltelijk dichtgetimmerde kozijnen. Leven ze nog? De bel naast het witmetalen bordje met het blauwe huisnummer: een moment aarzelt hij en houdt zijn vinger stil, voordat hij de bel indrukt.
Het duurt lang. Te lang. Geen geluid. Zijn maag trekt samen en hij voelt het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Dan opeens: geluid achter de voordeur, die op een kier geopend wordt.
Met een zwaai opent de deur zich verder en Paul voelt armen om zijn hals. De stem van zijn moeder klinkt bevrijdend in zijn oren: ‘Paul, je bent thuis!’
Zijn tranen vermengen zich met die van zijn moeder en even later met die van zijn zusjes. In een flits schiet het door hem heen dat ze groot geworden zijn, kleine dames. Ze zullen nu vijftien en zeventien jaar zijn?
 
Twee dagen later dwaalt Paul door de straten in de zo bekende wijk waar hij opgegroeid is. De woorden van zijn vader echoën nog na: dat mensen twijfelen aan de onvrijwilligheid van de Arbeitseinsatz. Dat sommigen hem zullen zien als iemand die vrijwillig is gegaan. Een collaborateur.
Zonder zich ervan bewust te zijn, bevindt hij zich in de straat waar hij heen wilde.
Het is stil. Te stil. De huizen lijken ongeschonden, maar de gesloten gordijnen geven hem een ongemakkelijk gevoel. Ineens voelt hij een warme hand in de zijne. Zijn zusje Yvonne. Ze trekt hem aan zijn jas iets achteruit.
‘Paul, wacht.’
Hij verstijft bij de intensiteit waarmee deze twee woorden uitgesproken worden en voelt iets naderbij komen waar hij nog geen naam aan kan geven, een onheilspellend voorgevoel.
Paul draait zich om en kijkt in de betraande ogen van zijn zusje Yvonne. Hij fluistert: ‘Waarom, wat is er? Is er iets gebeurd?’
‘Je wilt naar Beppie. Je was verliefd op haar he?’ Het is een constatering, geen vraag. Paul opent zijn mond om antwoord te geven, maar er ontsnapt geen woord. De dofheid in Yvonnes ogen slaat op hem over, hij hapt naar adem, pakt haar bij de schouders en schudt haar heen en weer. ‘Vertel me de waarheid.’
Yvonne fluistert: Beppie stond bij het slaapkamerraam. Op straat waren kinderen aan het spelen met iets. Een granaat bleek later. Die ging af. Door de luchtdruk sprong het raam in stukken. Beppie is geraakt door een granaatscherf. In haar hoofd.’
‘Is ze…,’ stamelt Paul terwijl hij in de ogen van Yvonne het antwoord al ziet.

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...