Pip, deel 11: Bijna vijf maanden

Bij thuiskomst van de puppytraining kreeg ik de vraag: ‘Wat voor punt krijgt Pip vandaag van jou?’
‘Een acht,’ antwoordde ik.
Tegenover me bleef de verbazing niet uit. ‘Een acht? Hoe kan dat dan?’
‘Voor het eerst liet ze de konijnenkeutels voor wat die waren en richtte haar aandacht op de training.’
 

Ik ben nogal eens in de tuin te vinden en zeker nu, met het herfstseizoen in aantocht, vraagt die wat extra aandacht. Pip springt vrolijk mee en wil overal bij “helpen”. Een stuk onkruid dat ik uit de grond trek, trekt zij weer uit mijn handen en gaat ermee aan de haal. Bij het snoeien laag bij de grond moet ik goed opletten dat er niet ineens een staartje, pootje of neus in de buurt is.
Gatver, wat een stank hier. En ja hoor, mevrouw heeft lekker naast me zitten schijten. Jammer, dát ruimt ze dan weer niet zelf op. Ze snuffelt er wel even aan waardoor het lijkt alsof zij net zo verrast is door de stank als ik.
Pauze.
Het tuingereedschap leg ik weg en de oranje tuinhandschoen hang ik over een paaltje, buiten bereik van hondentandjes. De pleuris breekt uit.
Waar ze net nog in die handschoen probeerde te bijten, toen ik hem aanhad, is het nu een dreigend oranje gevaar. Ze keft en springt op veilige afstand van het paaltje alsof ze me wil waarschuwen dat er onheil in de lucht hangt.
Uiteindelijk kalmeert ze enigszins en sprint naar binnen. Daar reageert ze zich af op de wiebelplank. Het artistieke talent in haar komt bovendrijven en ze danst als een volleerd acrobaat op deze onstabiele ondergrond.
 
Gevaar! De lampen zijn aan en buiten is het donker. Echter, als je voor de ramen heen en weer loopt, zie je je eigen spiegelbeeld. Ik weet het, Pip nog niet. Ze waarschuwt me dat er een andere hond buiten loopt, die ze met haar geblaf weg probeert te jagen. Zolang Pip echter in de buurt van het raam loopt, blijft de andere hond er ook. Ze snapt er helemaal niks van. Gaat zij naar links, de andere hond ook. Loopt ze naar rechts, de andere hond ook. Na drie avonden is ze er nog niet helemaal aan gewend.
 
Wat nu weer? Een peutertje op bezoek die, als Pip op haar achterpoten staat, net zo groot is.
Angstvallig volg ik of Pips enthousiasme niet tot uiting komt door te happen in de vingertjes van de kleine jongen. Ze vinden elkaar leuk, dat is duidelijk. Toch zal ik de overenthousiaste Pip iets af moeten remmen, dus ga jij maar heel even buiten spelen, samen met Dorus.
Het minimensje trekt zich aan de sponning omhoog en kan staande naar buiten kan kijken. Ploep, op ooghoogte staat ineens aan de andere kant Pip ook. Het enthousiasme aan weerszijden van de deur stijgt. Ze hebben een nieuw spelletje ontdekt. Buiten roffelt Pip met haar pootjes tegen het raam om de high-fivende handjes aan de andere kant te volgen. Jammer dan voor mij, want even daarvoor heb ik de ramen gezeemd en alle hijg- en moddervlekken verwijderd.
 
Hoe graag zou Pip niet kunnen teleporteren. Hoopvol springt ze naast me op de bank als ik aan de koffie zit. Logisch, als ik koffie neem, krijgen zij en de andere twee een koekje. Dit keer echter ligt er een stuk gebak op een bordje. Hoe graag zou zij daar niet een hap van nemen. De ogen puilen uit en voorzichtig komt haar neusje dichterbij en dichterbij. ‘Nee, Pip.’
Poging twee. Nog een keer: ‘Nee, Pip.’
Ik zou er bijna medelijden mee krijgen als ze tergend langzaam haar koppie een klein stukje draait en ik een wit randje om haar ogen zie: smekende oogjes. Ze probeert het nog een keer. Uiteindelijk kiest ze ervoor om keurig naast mij te blijven zitten, de ogen strak gericht op het gebakje en elke beweging van het vorkje naar mijn mond en terug volgend.
 
De herfst brengt de eerste koude avonden en een van die avonden gaat de houtkachel aan.
Alsof haar instinct zegt: op afstand blijven! Haar koppie draait ze in actieve luisterstand om het knetteren van de houtblokken te analyseren.
 
‘Ze heeft iets. Pak het af, want dat is geen blaadje,’ roep ik als Pip langs me heen de kamer inschiet.
Gewillig laat ze het los en ruilt het voor een koekje, waarna ik met een muizenstaart in mijn handen sta waaraan een verstijfd muizenlichaampje bungelt. Naar de kliko ermee. Grappig hoe Pips instinct zegt, dat dit een prooi is. Als ze even later weer naar buiten mag, spurt ze naar de border. Geen muis te zien, maar waarschijnlijk heeft die er wel gelopen want Pip duwt als een stevige bulldozer of een truffelzoekend varken de bladerhopen opzij en omhoog om het spoor te kunnen volgen. 

©Vera Oor, 2025

Opgebaard bij een geposeerde foto

De inspiratie voor dit verhaal kwam in me op toen ik op Facebook een foto voorbij zag komen van een klein meisje, opgebaard in een kist als een kleine prinsees. In die tijd, het Victoriaanse tijdperk (1837-1901) werden foto's Post Mortem gemaakt, waarbij het lijkt alsof de overledene nog in leven is. Zorgvuldig geposeerde portretten die een plaats krijgen in het rouwproces.

Sarah dept voorzichtig de hoogrode wangetjes van haar vierjarige dochtertje Victoria. Ze dompelt de doek opnieuw in het smoezelige water van een kom die naast het bed staat. Natte slierten haar plakken tegen het bezwete gezicht van het meisje. Ze rilt en spreekt onverstaanbare woorden.
Zacht buigt Sarah zich voorover en wrijft teder met ronddraaiende bewegingen over Victoria’s buik. Wat zou ze graag de pijn van haar kind overnemen. Maar ze staat machteloos. De tyfus heeft ook hun huis bereikt, zoals zovele in deze buurt, in het jaar 1851.
 
Nog maar kortgeleden speelde Victoria buiten met haar broertjes, Harry en John, en de kinderen uit de straat. De zon deed verwoede pogingen om door te dringen in sombere, donkere straten, waar mensen en ongedierte naast elkaar leefden. Victoria rende naar een lichte streep op straat, waar de krachteloze herfstzon de zanderige grond beroerde. Dromerig bleef ze staan, haar gezicht omhoog gericht om de opening in de wolken te ontdekken en te fantaseren hoe het moest zijn in dat licht.
 
Donkergrijze sluiers uit de fabrieksschoorstenen hangen als een deken van roet boven de huizen, in allerijl opgetrokken voor de fabrieksarbeiders. Huisvesten is een te groot woord, onderbrengen dekt de lading beter.
De muren zuigen de vochtige mist van de herfstochtenden op en de kieren bij de ramen bieden ruim baan aan de onstuimige westenwind. De kachel slokt de kolen op, maar geeft er weinig warmte voor terug. Daar waar dakpannen ontbreken, zuigen de gaten een deel van de warmte op en blazen het boven de nacht in. Het ongedierte gebruikt de gaten om naar binnen te komen.
’s Ochtends sleept Philip, Victoria’s vader, zich naar de fabriek, waar hij tot vroeg in de avond werkt. Anders dan vele anderen bezwijkt hij daarna niet voor de vernietigende lokroep van de drank. Na de dagelijkse stamppotmaaltijd ’s avonds, vertrekt hij weer om zijn werk als straatveger op te pakken in de wijken waar de rijken wonen. Daar waar zware gordijnen voor de ramen hangen en de warmte binnen blijft. Tijdens het vegen fantaseert Philip over wat zich afspeelt achter die gordijnen. Hij stelt zich voor dat stoelen met dikke kussens klaarstaan voor mannen die waarschijnlijk nog nooit een veger hebben vastgehouden en geen weet hebben van kou, van eelt of van rugpijn ten gevolge van lichamelijke inspanning. Net als de fabrieksbazen, die hun arbeiders met minachting aankijken en opjagen tot hogere productie.
Philip stelt zich achter de gordijnen ook een rijkelijk gedekte tafel voor waar alle gezinsleden een keuze maken van de gerechten, bereid door de kokkin. De rijke lady’s wagen zich waarschijnlijk alleen in de keuken om opdrachten uit te delen. Het zou hem niet verbazen als de weldoorvoede kinderen jengelen omdat hun lievelingsgerecht vandaag niet op het menu staat. Hij denkt aan zijn eigen kinderen. Tenger, met ingevallen wangen. Aan Sarah, die na de zware bevalling van Victoria nooit meer de oude is geworden. Ze klaagt niet, maar hij ziet aan haar kromgebogen houding dat ze veel pijn heeft. Dan knijpt zijn hart samen.  
Laat op de avond valt hij uitgeput in een diepe slaap. Zo diep, dat zelfs dromen geen kans krijgen tot leven te komen.
 
Wat Sarah en Philip al vreesden, lijkt werkelijkheid te worden: Victoria zal komen te overlijden.  Philips zuster heeft Harry en John opgehaald en mee naar huis genomen, zodat zij alle aandacht en zorg kunnen richten op hun dochtertje.
De fabriek kan wachten, de dood wacht niet. Beide ouders houden een handje vast en strelen dat met hun vingers. Victoria moet hun aanwezigheid voelen en zich gesterkt weten als ze overgaat naar gene zijde.
‘Oh, Philip, hoe zal het daar zijn? Heeft ze dan geen pijn meer?’ fluistert Sarah haar vragen, waarop Philip, net als zij, geen antwoord weet, alleen een overtuiging, een geloof.
Hij steunt zijn hoofd in zijn handen en snikt: ‘De ziel van ons kleine prinsesje gaat naar de hemel, naar het licht. Daar heeft ze geen pijn meer en zal ze gelukkig zijn.’
Halverwege de ochtend opent Victoria haar ogen, een glimlach trekt over haar gezicht. Na enkele oppervlakkige ademhalingen, sluit ze haar ogen en laat ze het leven. De zachte lach om de mond blijft hangen.
Beide ouders zoeken steun bij elkaar. Even later buigen ze zich over naar het kleine kind in het grote bed en nemen met tedere kussen afscheid.
Tranen druppen op de bleke wangen en Sarah veegt ze voorzichtig weg, waarna ze Philip vragend aankijkt.
Hij weet wat Sarah bedoelt. ‘Ja, ik zorg ervoor,’ zegt hij alleen maar waarna hij nog een laatste blik op het bed werpt. De jonge vader loopt als een oude man de kamer uit, maar niet voordat hij de klok stil heeft gezet.
 
Sarah haalt de diep in de kast weggestopte witte lakens tevoorschijn. Lakens, die ze bewaard heeft voor deze gebeurtenis, waarvan eenieder weet dat die op de loer ligt. Ze legt ze bij de kleine kist die Philip gemaakt heeft toen duidelijk werd dat Victoria deze aanval op haar lijf waarschijnlijk niet zou overleven. Haar dagelijkse kleding en schort heeft ze verwisseld voor een zwarte, lange rok van een stugge stof. Ze slaat de zwarte, wollen omslagdoek om haar bovenlijf.
Philip is nu ook gekleed in donkere kleding en draagt een rouwband om zijn bovenarm. Hij kijkt toe als Sarah het kistje bekleedt met de lakens en die kunstig plooit in de hoeken. Daarna pakt ze de witte jurk die ze klaar heeft gelegd en kleedt Victoria aan. De blonde krulletjes borstelt ze totdat ze glanzen.
‘Zal ik haar dragen?’ vraagt Philip met een bezorgde blik op het lijkbleke gezicht van zijn vrouw.
‘Nee,’ antwoordt ze resoluut. ‘Dit wil ik zelf doen.’ Behoedzaam tilt ze Victoria op en houdt haar gezichtje tegen haar eigen gezicht.  Ze loopt de paar passen van het bed naar de kist en legt haar dochtertje tussen de lakens.
Even later komen kleine John en Harry binnen, aan de hand van hun tante. Ze schuifelen naar de kist en kijken naar hun kleine zusje, die daar opgebaard ligt.
‘Is Victoria naar de hemel?’ vraagt John met een trillende onderlip, terwijl Harry zijn hand vasthoudt.
Sarah knikt en aait beide jongens over hun hoofd.
‘Ja. Daar is ze niet ziek meer en heeft ze geen pijn,’ antwoordt ze zo overtuigend mogelijk. ‘Hebben jullie nog witte bloemetjes kunnen plukken?’
De jongens laten met enige trots de bloempjes zien en samen met hun moeder leggen ze die bij hun zusje in de kist. Sarah vlecht kunstig enkele bloemen tot een krans en legt die op het hoofd van Victoria. Voordat de lijkstijfheid optreedt, vouwt ze de vingers van de twee kleine handen in elkaar en legt ze op de schoot.
‘Zo meteen komt een mijnheer een foto maken,’ legt ze aan de jongens uit. ‘Wij gaan samen op de foto en ook kleine Victoria komt erbij op te staan. We gaan om het kistje zitten, alsof we naar haar kijken terwijl ze slaapt. Zo hebben we altijd een beeld van haar in ons midden.’
‘Waarom staat de klok stil?’ vraagt John.
Sarah weegt haar woorden zorgvuldig. ‘Dat is om Victoria de tijd te geven om rustig naar de hemel te reizen.’
Morgen zal ze hen proberen uit te leggen dat om dezelfde reden de spiegels in huis afgedekt worden, de gordijnen gesloten en de deuren omwikkeld met zwart crêpe. 

©Vera Oor, 2025

Pip deel 10, de drie musketiers

Pip heeft inmiddels al vele bijnamen. Afhankelijk van haar gedrag (en van mijn stemming) varieert dat: warmtekonijn, schootzitter, terrorist, klein monster, haarbal, varkentje, marmot en nog veel meer.

Nu is er een aan toegevoegd: musketier.
Dorus, Toon, en Pip liggen naast elkaar en bezetten de hele bank: de drie musketiers. Met enig aandringen kan ik er een aan de kant schuiven zodat ik ook kan zitten. Als Pip in een rustige mood is, kruipt ze meteen op schoot. Is dat niet het geval, dan dienen Dorus en Toon als hindernis, wat me doet denken aan het bokspringen op het schoolplein waarbij ik over de gebogen ruggen van de rij andere kinderen heen moest springen.
 
De eikels vallen volop van de boom naast de oprit. Er valt niet tegen te vegen en bovendien vallen de meeste tussen het groen. Gelukkig heeft Pip haar aandacht verlegd naar andere dingen, want het was lastig om ervoor te zorgen dat ze de eikels niet opat. Ze houdt zich nu bezig met walnoten rapen. Dit is beter onder controle te houden. Elk exemplaar dat ze vindt, wil ze binnen veilig opbergen. Helaas voor haar kan ik meteen aan haar openstaande bekje zien dat er iets inzit. Ik bied haar in de deuropening een hondensnoepje aan in ruil voor de noot. Ze trapt er keer op keer in en lijkt meteen te vergeten dat ze iets bij zich had.
Ze mag dan weliswaar die noot vergeten, maar etenstijden vergeet ze nooit. Zeker een kwartier voordat het tijd is, opent ze de aanval op alles wat ze tegenkomt. Ik moet uitkijken niet als vloerkleed te eindigen, wanneer ze voor mijn voeten als een stuiterbal op en neer springt. Zodra de bijkeukendeur opengaat, trekt ze een sprintje en wacht naast haar etensbak. Twee hongerige, bruine oogjes doen vermoeden dat ze hongerlijdt. De weegschaal bevestigt mijn overtuiging dat dat absoluut niet het geval is.
 
Of het nu de storm was die voorspeld werd of dat ze na afloop van de puppytraining het laatste restje energie nog wilde laten zien? Ik hing uitgeteld op de bank en daar kwam mevrouw aangestormd. Rondje kamer, rondje bij Dorus en Toon klieren, maar nog niet moe genoeg. Ze rende achter iets aan en verdween onder de bank.
Even later een heel zielig, zacht piepje. Ze zat vastgeklemd en lag letterlijk gevloerd. Als een kikker met uitgespreide achterpoten en de voorpoten strak voor zich uitgestrekt. Er zat niets anders op dan de bank aan een kant optillen, zodat een blije, tot rust gekomen Pip eronderuit kon kruipen.
 
De dag dat storm Amy overraasde. ’s Ochtends stak Pip haar neus buiten de deur en waar ze normaal gesproken niet kan wachten om naar buiten te gaan, bleef ze nu zitten op de deurmat. Ze keek me aan en ik keek op eenzelfde manier terug. ‘Ook ik moet naar buiten Pip, dus we gaan samen de stortregen in,’ zei ik tegen haar. Pip dacht er anders over en bleef stoïcijns zitten.  
Hup, onder de arm en enkele meters buiten de deur meegenomen en aangezien er alleen maar plassen water stonden, dumpte ik haar met vier pootjes in een daarvan. De koudwatervrees verdween en ze rende enthousiast het gras op. Bij elke sprong hoorde ik het zompige geluid van kletsnat gras op een drassige bodem.
Deze dag van de storm was het dierendag. Nu is het hier elke dag dierendag vind ik, dus ik doe daar niet aan mee.
Zou Pip toch gevoeld hebben dat het een bijzondere dag was of was het de invloed van de storm? Het leek wel of ze had besloten dat het vandaag mensendag moest zijn en ze haar beste pootje voor wilde gaan zetten. Ze trakteerde me op een bijzonder rustig gedrag dat de hele dag aanhield totdat…ik met haar ging wandelen en ze even verderop een kleine egel zag lopen. Gelukkig zat ze aan de lijn en kon zich niet op volle kracht vooruit op de egel storten. Jammer dan voor haar, dat ging niet door. Zeker mijn verder zo rustig verlopen dag laten verstoren door een hond die krijst als gevolg van egelstekels in haar neus.
Ik heb dat ooit eerder meegemaakt met een andere hond, die in alle vroegte de hele buurt het bed uitjoeg met het geluid van een sirene.
Overigens, de maandelijkse sirene op de eerste maandag van de maand, ging niet aan haar voorbij. Ze liep buiten, maar kwam naar binnen rennen alsof ze dekking moest zoeken.
 
Ik denk dat ik haar na de puppycursus aanmeld voor vioolles. Mijn bakken met net aangeschafte viooltjes stonden buiten klaar om overgezet te worden in de daarvoor bedoelde plantenbakken. Je mag zelf raden wat er gebeurde met enkele violen. 

 ©Vera Oor, 2025

Dam- en schaakstukkenopstand

 


Het houten kistje rammelt aan alle kanten. Een van de twee iele scharniertjes heeft de geest al gegeven, de ander doet alle moeite om het deksel op zijn plaats te houden. Onbegonnen werk vandaag, want de stenen oefenen te veel kracht uit. Binnenin is weliswaar een schot aangebracht om de dam- en schaakstenen gescheiden te houden, maar ook dat schot lukt het niet om zich staande te houden.
Ineens vliegt het deksel open en springen er houten, zwarte en witte stukken uit. Het witte paard zet de achtervolging in op zeven damstenen die zich op hun zijkant duwen zodat ze snelheid kunnen maken als ze wegrollen. Een horde pionnen rent naar de rand van de tafel en vormt een barricade om de damstenen te stoppen. Het lukt. Ze omsingelen de damstenen, stapelen ze op en slepen ze naar de toren. De poort onderaan de toren zwaait open en klapt meteen weer dicht als de damstenen een fikse duw in hun rug hebben gekregen om te belanden in de kerker.

Inmiddels hebben zich opnieuw dam- en schaakstukken verzameld en vormen een dichte drom zwart en wit. Alle beschikbare pionnen rukken uit en omsluiten de opstandelingen. Het is vechten tegen de bierkaai, want de damstenen zijn in de meerderheid. Bovendien nemen alle damstenen deel aan de opstand, terwijl niet alle schaakstukken zich op het strijdtoneel bevinden.
Het houten bord in het midden van de tafel staat als een huis en laat zich niet klein krijgen. Enkele van de donkere en lichte vlakken in het bord, zijn in beslag genomen door schaakstukken. De koningen en hun dames staan fier tegenover elkaar, geflankeerd door hun lopers.

De zwarte en witte koning naderen elkaar op korte afstand. Niet genoeg om de ander schaakmat te zetten, maar voldoende om overleg te voeren, waarna ze om beurten het woord nemen. ‘Nu is het genoeg. Hier moet een einde aan komen. Ik wil iedereen, die niet in een toren is beland, hier op het bord verzameld zien. Zónder gevecht en geschreeuw. Lopers, maan de massa om hierheen te komen.’
De vier lopers rennen zich de benen onder de kont uit om iedereen te bereiken en met de nodige overtuigingskracht begeven de stukken zich richting houten schaakbord. De enkeling die onvoldoende gekalmeerd is wordt ingeklemd tussen twee pionnen die hem de mond snoeren.
De koningen hebben voldoende gezag om ook de damstenen te bereiken. De dames staan verder naar achteren en slaan ontzet hun hand voor de mond. ‘De wereld is gek geworden. Iedereen wil alleen maar meer en meer,’ zegt de witte dame. De zwarte dame knikt bevestigend en zegt: ‘Er is voldoende plaats beschikbaar, zelfs op ons schaakbord. Maar waarom onze onderdanen dan toch afgunstig zijn op de damstenen, is me onduidelijk.’
De lopers begeven zich onopvallend tussen het publiek en delen waar nodig waarschuwingen uit.

De witte koning spreekt de stilgevallen stukken toe. ‘Om een of andere onduidelijke reden, lijkt het bord van de damstenen gebied te zijn dat iedereen wil bezitten. Het klopt: het dambord heeft meer vakken, maar heeft ook meer damstukken om zich daarover te bewegen. Het schaakbord heeft voldoende vakken voor háár bewoners. Ook in de opbergdoos hebben we ieder onze plek. Het is nu eenmaal zo, dat schaakstukken wat grilliger van vorm zijn waardoor ze niet als damstenen opgestapeld kunnen worden. Dat vraagt meer ruimte.’
De zwarte koning neemt nu het woord: ‘Het bord dat op een bepaald moment op tafel ligt, bepaalt of de schaak- of de damstukken ingezet gaan worden. Daar hebben wij geen invloed op, dat is een keuze van de spelers. We hebben wel invloed op de ruimte in ons kistje. Mijn collega-koning en ik hebben besloten dat we het tussenschot tussen onze ruimtes verwijderen en dat we de beschikbare ruimte samen gebruiken. Samenwerking is daarbij het uitgangspunt. Het kan voor een damstuk handig zijn om eens op de rug van het paard te gaan zitten om je blik te verruimen. Maar ook is het fijn, als de damsteen steun biedt aan een pion, die graag even achterover wil leunen.’

©Vera Oor, 2025

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...