Drie paaskuikens


Ik reed vanmiddag in de stromende regen over de A15, even iets ophalen 20 kilometer verder. Wat een pokkenweer, na de verwendag van gisteren met alleen maar zon.  Vanmorgen heb ik nog in de tuin gewerkt. Snoeien. En snoeien betekent in de meest onhandige posities net dat ene takje wegknippen dat de groei van een struik belemmert met als resultaat: pijn in mijn rug.

De thermometer gaf ook aanmerkelijk minder aan dan gisteren en om enerzijds warm te worden en anderzijds mijn rugspieren even lekker warm te maken, zette ik de stoelverwarming in de auto aan en de muziek lekker hard. Rechts van de snelweg wordt gewerkt aan een enorm groot zonnepark. Over een flink oppervlak staan de driehoekige frames opgesteld, gedeeltelijk al voorzien van de zonnepanelen erbovenop.

Ineens moet ik in mezelf lachen om wat ik zie, half verscholen onder de zonnepanelen drie grote paaskuikens. Het zijn drie personen die werken aan het zonnepark die zich goed ingepakt hebben in een knalgeel regenpak. Met de capuchon ver over het hoofd heen getrokken kijken ze naar beneden. Het lijken wel pikkende kuikens, paaskuikens.

Mijn auto maakt verbinding met een zonnepaneel en ik kan hun gesprek horen.

“Verdomme, ik heb hier dat beugeltje laten vallen. Zoek eens mee.”

En gedrieën zoeken naar het beugeltje. Zonder resultaat zo te zien.

“Dat ding vinden we niet meer. En zometeen is onze pauze voorbij.”

“Ik heb honger en zou best wat warms lusten.”

Kuiken nummer drie gooit zijn kop omhoog en roept: “jongens, ik weet iets”.

Zijn collega-kuikens kijken hem onnozel aan en verklaren hem voor gek over zijn enthousiasme in die druipende regen.

“In een van die zonnepanelen ligt vast nog energie opgeslagen van alle zon gisteren.”

“Ja?”

“We halen die eraf, zetten hem onder het afdak van de andere panelen en halen een paar eieren weg onder die eend die daar een eindje verderop ligt te broeden”.

De andere twee hebben geen verdere uitleg nodig. Ze begrijpen meteen wat hun collega wil uitleggen, techneuten onder elkaar. Ze verdelen de taken.  De eerste gaat een zonnepaneel losschroeven en doorverbinden, de ander gaat eieren halen en de laatste staat op de uitkijk om in de gaten te houden of ze niet gesnapt worden door hun opzichter. Na enige moeite staat het zonnepaneel bakklaar en de eieren worden erboven gebroken. Een heerlijke lucht komt eraf, maar wat ze niet in de gaten hebben is de rookpluim die vanaf de gebakken eieren tussen de panelen opstijgt. Iets verderop zien hun collega’s die pluim en handelen gelijk. Ze pakken de blusmiddelen die bij zonnepanelen gebruikt mogen worden en rennen naar ‘de brand’ waar ze op afstand starten met blussen. Plotseling  schrikken ze van hun collega’s die in eens tevoorschijn komen met in hun handen de resten van een gebakken ei met blusmiddel.

Weer is uitleg niet nodig. Ook deze collega’s begrijpen meteen wat zich heeft afgespeeld onder het dak van zonnepanelen. Ze gaan allemaal eieren zoeken.


© Vera Oor, 2024

Je bent gewoon klotezat

 

Alcoholische dranken zijn aan mij niet besteed. Omdat ik het niet lekker vind, mis ik er ook niks aan, alhoewel anderen dat wel eens als onmogelijk beschouwen: ‘Zonder alcohol is er toch niks aan?’
Hoezo kan het alleen maar leuk zijn mét alcohol? Voor mij is een feestje meestal leuk tot áán de alcohol, en dan bedoel ik het promillage dat uitstijgt boven het zogenaamde “gezelligheidsdrinken”.

Op het moment dat ik om me heen de lodderige ogen zie, de dampen uit de monden ruik, de “leuke” opmerkingen moet aanhoren, dan is het voor mij einde feest en maak ik dat ik wegkom.
Slechts één keer heb ik me vergaloppeerd aan het gebruik ervan. Met drie collega’s een weekje Rhodos. Zij wilden naar een cocktailbar. Hun drankjes zagen er aantrekkelijk uit: speciale glazen, bijzondere kleuren, mooi versierd.
‘Laat mij eens één slokje proeven,’ vroeg ik aan de collega van het groene drankje. Ik nam een slokje, maar vond het niet lekker genoeg om nog een slok te nemen. Het blauwe drankje ook even geprobeerd. De derde cocktail, de kleur weet ik niet meer, bevestigde mijn vooronderstelling dat cocktails niet aan mij besteed waren. Ik beperkte me tot cola. We liepen terug naar ons appartement. Achteraf heb ik gehoord dat ze zich slap gelachen hebben om mij. Ik moest een beetje aan de kant gehouden worden, want in een rechte lijn lopen lukte niet meer en ik schijn ook aardig wat onzin uitgekraamd te hebben. Eenmaal terug in het appartement, wilde ik gelijk mijn bed in.
Maar, o help, wat draaide alles! Ik zei tegen mijn collega, dat het leek alsof ik op een schommelende boot zat. Begrip hoefde ik van haar niet te verwachten. Er kwam één droge opmerking: ‘Je bent gewoon klotezat! Morgen is het weg.’

Geplaatst in Gelderlander pagina Gastschrijvers
©Vera Oor, 2024


Koninklijke Burgers' Zoo

 

Officieel verscheen vrijdag 8 maart mijn eerste (
kinder)boek “Jimmie gaat naar de dierentuin, ga je mee?” en mocht het verkocht gaan worden.
Een memorabel moment natuurlijk, maar twee dagen eerder voelde voor mij als hét moment dat mijn boek de wijde wereld in ging met de overhandiging van het eerste exemplaar aan de dierentuin in Arnhem: Koninklijke Burgers’ Zoo, zoals ik hen beloofd had.

Met zijn vieren (partner en twee vrienden) liepen we dierentuin in, waarbij de knoopjes in mijn maag duidelijk voelbaar waren. Eerst even wat eten en een kort rondje gelopen, waarna ik hen alleen liet en naar de ingang van de dierentuin terugliep naar mijn afspraak met de journaliste van de Gelderlander. Twee dagen eerder had deze al een interview met mij gehad en dit bezoek aan de dierentuin zou de aanvulling daarop zijn.
Zelf had ik het nooit voor durven stellen, maar zij had  contact opgenomen met de dierentuin met het voorstel om het interview daar plaats te laten vinden en er een fotomoment aan te koppelen. 

Onder begeleiding van een stagiaire van Burgers’ Zoo liepen de journaliste, de inmiddels gearriveerde fotograaf en ik naar de Rimba, het gebied in de dierentuin waar de Maleise beren te zien zijn.Terwijl ik met mijn rug tegen het hek stond, vertelde de fotograaf hoe ik moest staan, hoe ik het boek moest vasthouden, hoe ik moest kijken. Ik kon dus niet zien hoe enthousiast de beren afkwamen op het voedsel dat hun aangeboden werd, zodat ze goed in beeld zouden zijn voor de fotograaf. Des temeer hoorde ik het geluid achter me: ik kreeg het gevoel alsof ik in de wildernis stond, met achter mij snuivende en krabbelende geluiden van beren, die ik dus wel hoorde maar niet zag.
Standje zus, standje zo en daarna mocht ik zelf ook nog even een blik op de beren werpen, voordat we terugliepen naar de hoofdingang voor het volgende onderdeel. Een voorstel dat vanuit de dierentuin was gekomen: een voorleesmoment voor enkele Zoo-kids rond de drie grote bronzen beelden bij de hoofdingang: giraffe, neushoorn en gorilla.
Het boekje had ik niet nodig, want ik kon het verhaal over hondje Jimmie bij de giraffen inmiddels wel dromen, maar wederom kreeg ik aanwijzingen van de fotograaf: boekje in de hand houden alsof je voorleest, steunen op de voorpoot van de neushoorn en hangen over zijn oor. Op de rug, bij de hoorn en bij het oor zaten de kinderen, die het allemaal wel interessant vonden. De kleinste, een peuter van een jaar of drie/vier? genoot overduidelijk met grote, blije ogen, gespannen luisterend naar het verhaaltje. Dat is uiteraard het belangrijkste, dat de verhalen kinderen aanspreken.

Als afsluiting heb ik mijn eerste boekexemplaar aangeboden aan het hoofd educatie van Burgers’ Zoo, die mijn boek al eerder had gezien . Zij had beoordeeld of hetgeen ik aan weetjes over de dieren vertelde ook overeenstemde met de waarheid.
De knoopjes in mijn maag waren inmiddels volledig verdwenen en ik keek terug op een middag met een gouden randje.

Muzieum

 

Muzieum in Nijmegen kan ik iedereen aanbevelen, die eens wil ervaren hoe het voelt om als blinde ergens te lopen.

Ze hebben een tocht met een VR-bril, waarbij je naar buiten gaat, de stad in. Deze heb ik niet gedaan, dus ik kan daar ook geen verslag van doen. Wij stonden met een groep van ongeveer acht collega’s te wachten op onze, blinde, gids. Die gaf iedereen een hand, noemde zijn naam, en wachtte op het horen van de naam van degene die hij de hand gaf.

Vervolgens kregen we ieder een blindenstok, met een balletje aan de onderkant dat over de grond rolt, zodat de stok niet opgetild hoefde te worden en je feeling met de grond hield. We hoefden niet geblinddoekt te worden verzekerde de gids ons. ‘Jullie lopen zometeen achter mij aan een donkere ruimte in. Ik zal jullie vertellen wat je zou moeten “zien”.’

 

Schuifelend liepen we een stikdonkere ruimte in, elkaar vasthoudend als een kudde olifanten die met hun slurf de staart van hun voorganger vasthouden. We kwamen in een huiskamer en de gids vertelde ons wat er allemaal stond en wat wij dus zouden moeten kunnen voelen. Ogen wijd open, dat heeft echter totaal geen zin, je ziet dus echt helemaal niets! Voorzichtig verkenden we de omgeving met tastende handen. Een kast? Een koelkast?

‘Wat is dit nu weer,’ roep ik. De gids reageert meteen. Ergens verderop hoor ik hem zeggen: ‘Vera, draai je eens om en voel aan de achterkant.’

Hoe is het mogelijk, dat hij op basis van mijn stem, die hij bij het voorstellen kort heeft gehoord, weet dat ik het ben? En hoe weet hij wáár in de ruimte ik dan exact sta?

We lopen de tuin in en worden gewaarschuwd toch vooral over het bruggetje over de vijver te lopen.  Bruggetje? Waar dan? O help, ik stap verkeerd, dadelijk lig ik nog in de vijver.

‘We zijn in een café aangekomen. Links is de bar, je kunt daar je drankje bestellen en afrekenen.’

‘Mag ik een cola,’ vraag ik en even later voel ik de hand van de barkeeper, die mij naar mijn blikje leidt. Ik moet er maar van uitgaan, dat het cola is, ik kan het niet zien. Eveneens zou ik niet kunnen zien of eventueel wisselgeld wel klopte. Gelukkig waren we vooraf gevraagd ieder een euro mee te nemen, dus wisselgeld was niet nodig.

Geleidelijk aan worden we voorbereid op het aankomende licht en dat is even wennen wanneer je uit het pikdonker komt. Zelfverzekerd loopt de gids langs ons en neemt de stokken weer in.


©Vera Oor, 2024

Snoepje

 

Hij vergat te krijsen, zo snel ging het.

Ik zal zo’n zes jaar zijn geweest. Mijn broertje was, en is nog steeds natuurlijk, een jaar jonger dan ik. Geen idee of er destijds al traphekjes bestonden. In ieder geval stond er boven aan de trap bij ons thuis geen.

Op een gegeven moment: kaboem, kaboem. Mijn broertje stuiterde de trap af. Het ging zo snel dat hij vergat te krijsen, wat hij inhaalde zodra hij beneden aangekomen was. Ik stond verstijfd bovenaan de trap te kijken en liep tree voor tree naar beneden om de schade aan mijn broertje op te nemen. Onderwijl kwam ook mijn moeder aangestoven. Haar handen afvegend aan het schort, lijkbleek, rende ze naar mijn broertje en bukte zich om te kijken hoe hij er aan toe was. Gelukkig kon ze al snel constateren dat er niks gebroken was en de schade dus mee viel. Mijn broertje herpakte zich en liep nasnikkend achter moeder aan naar de huiskamer.

“Hier, voor de schrik”.

We kregen allebei een snoepje. Niet alleen het slachtoffer, maar ik ook. Dat hebben we goed onthouden.

Mijn broertje, zin in een snoepje, ging boven aan de trap staan. Daar begon hij alvast met schreeuwen voordat hij zich vakkundig de trap af liet vallen. Omdat ik wist wat er ging gebeuren, kon ik vanaf het begin op volle sterkte meeblèren.

Het werkte. De situatie van de vorige keer herhaalde zich en weer kregen wij voor de schrik een snoepje.

Ik denk dat deze theatrale val, waarbij mijn broertje eindigde op de loper in de gang, nog een of twee keer met succes herhaald is. Totdat zelfs mijn moeder het gekrijs wel overdreven leek te vinden en wij eerder bij de snoeptrommel stonden dan dat zij naar de kamer kon lopen.


Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander
© Vera Oor, 2024

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...