Het is 01.45 als ik bij een wildvreemde man in de auto stap om anderhalf uur later langs de autoweg in Duitsland gedropt te worden. De taxichauffeur zet netjes de koffer naast me neer en vertrekt.
Bij het schaarse licht van het tankstation stap ik over in de touringcar. Een groot deel van de al aanwezige reizigers heeft er inmiddels een rit vanaf het hoge noorden opzitten en enkelen kijken me met slaperige ogen aan.
Ik installeer me op een vrije plek, blaas het nekkussen op en nadat de lichten in de bus uitgaan, volg ik het voorbeeld van de anderen. Geleidelijk aan opent de wereld zich een beetje en rijst het ochtendgloren boven uitgestrekte velden in Duitsland.
Pas tijdens de tussenstops zie ik van mijn medereizigers meer dan alleen hun hoofden. Wit, grijs, kalend, krullend, mannen, vrouwen en van verschillende leeftijden, alleenreizend, met partner of met familie of vrienden. Met mijn zesenzestigjarige leeftijd zit ik denk in de middenmoot.
Je betaalt een euro voor het gebruik van de toiletten bij Duitse tankstations, maar dan krijg je ook wat: verbaasd kijk ik naar de golvende toiletbrillen, die tijdens hun rondgang ontsmet worden. Tja, ik zal nog wel meer onbekende dingen gaan zien als onervaren reiziger.
Gaandeweg de rit klinkt het geluid van voor mij onbekende Nederlandse en Duitse smartlappen en van Tiroler muziek. Het volume is bescheiden maar een van de muzieknummers herken ik: “Och, was ik maar bij moeder thuisgebleven.” Dat zal toch geen voorteken zijn?
De reviews voor dit reisbureau waren heel goed en omdat zij als enige een vijfdaagse reis aanboden met een dagexcursie naar iets wat ik al heel lang wil zien, was mijn keuze snel gemaakt. Vijf dagen vind ik lang genoeg.
Wat me opvalt, is dat het merendeel van de aanwezigen een trouwe klant is van deze organisatie, die reizen naar Tirol organiseert. Ze kennen elkaar en weten wat deze reis te bieden heeft. Dat zegt toch wel wat, besluit ik.
Och jee, een bingo. Dat is lang geleden dat ik dat gedaan heb, maar het geeft wel afleiding tijdens de lange zit. Ja hoor, natuurlijk heb ik weer eens niet goed opgelet bij de uitleg en heb ik een valse bingo. Voor “straf” moet ik deze reis een keer dansen met de reisleider of de chauffeur. Ik hoop voor mezelf en niet in de laatste plaats voor een van die twee, dat dat misschien wel vergeten wordt, want dansen is aan mij nooit besteed geweest. De danslessen die ik gevolgd heb waren vooral een uitdaging voor mijn danspartner omdat ik me niet liet leiden.
Bingo! Nu is hij wel goed.
‘Alweer?’ hoor ik even later als ik weer bingo heb. De tweede prijs komt naast me te liggen op de stoel. Zo maak ik natuurlijk geen vrienden.
Op het bord langs de weg zie ik Nürnberg staan. Even schiet ik zo’n vijftig jaar terug in de tijd waarin de schoolreis naar Wenen ging en we overnachtten in Nürnberg in een indrukwekkend oud gebouw dat meer weghad van een burcht op een berg. Snel zoek ik op Google of die nog bestaat. En ja hoor, precies zoals ik me herinner.
Een van de klasgenoten speelde gitaar en een ander zong, toen we op de eeuwenoude muren zaten. Enkele nummers van de Beatles, waaronder “Help”. Waarom herinner ik me nu juist dat nummer? Toch niet weer een voorteken?
De grens met Oostenrijk passeren we zonder controles en geleidelijk aan beginnen de bergen te worden zoals bergen horen te zijn: hoog en met op grote hoogtes verleidelijk groene weiden en nog hoger besneeuwde bergtoppen.
Waar de heldere dag ons de hele dag omringd heeft, maakt die plaats voor een fikse regenbui. Gelukkig zijn de voorspellingen voor de komende dagen stukken beter.
Om te vieren dat we in Oostenrijk zijn, krijgen we een miniglaasje met iets alcoholisch aangeboden. Brr! Ik word aangespoord om het vooral te proberen en in één teug het glas te legen. Daar gaat mijn slokdarm, het spul brandt als de hel en ik krijg het een partijtje warm. Warm? Nee, heet! De eerste en laatste keer, dat is een ding dat zeker is.
‘Wat stoer!’ zeiden vrienden en bekenden tegen mij toen ik zei dat ik deze reis ging maken, ‘om alleen te gaan.’
Die logica ontgaat me volledig. Ik zou het pas stoer vinden als ik alleen op stap zou gaan met een rugzak, stevige wandelschoenen en met onbekende bestemming.
Na de lange rit komen we aan in Mayrhofen en moet ik mezelf als een meccanowerkstuk eerst even opbouwen en in de benen komen.
The hills are alive with the sound of music. Ben ik ff blij dat ik nadat ik uit de bus ben gestapt, niet voor de taak sta om voor zeven kinderen te zorgen zoals Maria in The sound of music.
Zo heb ik me een hotel in Oostenrijk voorgesteld: wit gepleisterd met houten balkons en hanggeraniums. Hier check ik in voor de komende vier nachten. Begeleid door het rollende geluid van de wieltjes onder mijn koffer, stap ik nieuwsgierig mijn kamer in. Helemaal goed. Eerst heel even het bed uitproberen en de koffer uitpakken. Hagelwitte handdoeken met de ingeweven naam van het hotel hangen uitnodigend klaar en ik spring nog snel onder de douche voordat het diner geserveerd wordt. Er is een tafelindeling gemaakt en de dialecten vliegen me aan mijn tafel om de oren: Twents, Drents en Limburgs. Zo leer ik vijf van mijn reisgenoten beter kennen en ik twijfel er niet aan dat dat klikt.
De zeer gastvrije eigenaar van dit grote hotel dat al sinds halverwege de zeventiende eeuw in handen van dezelfde familie is, bedient ons in zijn lederhosen. Zijn vrouw draagt een dirndl. Bijzonder om te zien, maar eigenlijk vind ik het ook helemaal bij dit hotel horen, alsof ik op bezoek ben bij Heidi en Peter.
Iedereen heeft de pap wel zo’n beetje op en verdwijnt na het eten naar de kamer. Ik plof om 20.30 in bed en vertrek om te dromen van de bergen die ik niet meer kon zien toen ik de gordijnen dichttrok. Slechts enkele lichtjes onder een donkere, natte hemel.
Ik installeer me op een vrije plek, blaas het nekkussen op en nadat de lichten in de bus uitgaan, volg ik het voorbeeld van de anderen. Geleidelijk aan opent de wereld zich een beetje en rijst het ochtendgloren boven uitgestrekte velden in Duitsland.
Pas tijdens de tussenstops zie ik van mijn medereizigers meer dan alleen hun hoofden. Wit, grijs, kalend, krullend, mannen, vrouwen en van verschillende leeftijden, alleenreizend, met partner of met familie of vrienden. Met mijn zesenzestigjarige leeftijd zit ik denk in de middenmoot.
Je betaalt een euro voor het gebruik van de toiletten bij Duitse tankstations, maar dan krijg je ook wat: verbaasd kijk ik naar de golvende toiletbrillen, die tijdens hun rondgang ontsmet worden. Tja, ik zal nog wel meer onbekende dingen gaan zien als onervaren reiziger.
Gaandeweg de rit klinkt het geluid van voor mij onbekende Nederlandse en Duitse smartlappen en van Tiroler muziek. Het volume is bescheiden maar een van de muzieknummers herken ik: “Och, was ik maar bij moeder thuisgebleven.” Dat zal toch geen voorteken zijn?
De reviews voor dit reisbureau waren heel goed en omdat zij als enige een vijfdaagse reis aanboden met een dagexcursie naar iets wat ik al heel lang wil zien, was mijn keuze snel gemaakt. Vijf dagen vind ik lang genoeg.
Wat me opvalt, is dat het merendeel van de aanwezigen een trouwe klant is van deze organisatie, die reizen naar Tirol organiseert. Ze kennen elkaar en weten wat deze reis te bieden heeft. Dat zegt toch wel wat, besluit ik.
Och jee, een bingo. Dat is lang geleden dat ik dat gedaan heb, maar het geeft wel afleiding tijdens de lange zit. Ja hoor, natuurlijk heb ik weer eens niet goed opgelet bij de uitleg en heb ik een valse bingo. Voor “straf” moet ik deze reis een keer dansen met de reisleider of de chauffeur. Ik hoop voor mezelf en niet in de laatste plaats voor een van die twee, dat dat misschien wel vergeten wordt, want dansen is aan mij nooit besteed geweest. De danslessen die ik gevolgd heb waren vooral een uitdaging voor mijn danspartner omdat ik me niet liet leiden.
Bingo! Nu is hij wel goed.
‘Alweer?’ hoor ik even later als ik weer bingo heb. De tweede prijs komt naast me te liggen op de stoel. Zo maak ik natuurlijk geen vrienden.
Op het bord langs de weg zie ik Nürnberg staan. Even schiet ik zo’n vijftig jaar terug in de tijd waarin de schoolreis naar Wenen ging en we overnachtten in Nürnberg in een indrukwekkend oud gebouw dat meer weghad van een burcht op een berg. Snel zoek ik op Google of die nog bestaat. En ja hoor, precies zoals ik me herinner.
Een van de klasgenoten speelde gitaar en een ander zong, toen we op de eeuwenoude muren zaten. Enkele nummers van de Beatles, waaronder “Help”. Waarom herinner ik me nu juist dat nummer? Toch niet weer een voorteken?
De grens met Oostenrijk passeren we zonder controles en geleidelijk aan beginnen de bergen te worden zoals bergen horen te zijn: hoog en met op grote hoogtes verleidelijk groene weiden en nog hoger besneeuwde bergtoppen.
Waar de heldere dag ons de hele dag omringd heeft, maakt die plaats voor een fikse regenbui. Gelukkig zijn de voorspellingen voor de komende dagen stukken beter.
Om te vieren dat we in Oostenrijk zijn, krijgen we een miniglaasje met iets alcoholisch aangeboden. Brr! Ik word aangespoord om het vooral te proberen en in één teug het glas te legen. Daar gaat mijn slokdarm, het spul brandt als de hel en ik krijg het een partijtje warm. Warm? Nee, heet! De eerste en laatste keer, dat is een ding dat zeker is.
‘Wat stoer!’ zeiden vrienden en bekenden tegen mij toen ik zei dat ik deze reis ging maken, ‘om alleen te gaan.’
Die logica ontgaat me volledig. Ik zou het pas stoer vinden als ik alleen op stap zou gaan met een rugzak, stevige wandelschoenen en met onbekende bestemming.
Na de lange rit komen we aan in Mayrhofen en moet ik mezelf als een meccanowerkstuk eerst even opbouwen en in de benen komen.
The hills are alive with the sound of music. Ben ik ff blij dat ik nadat ik uit de bus ben gestapt, niet voor de taak sta om voor zeven kinderen te zorgen zoals Maria in The sound of music.
Zo heb ik me een hotel in Oostenrijk voorgesteld: wit gepleisterd met houten balkons en hanggeraniums. Hier check ik in voor de komende vier nachten. Begeleid door het rollende geluid van de wieltjes onder mijn koffer, stap ik nieuwsgierig mijn kamer in. Helemaal goed. Eerst heel even het bed uitproberen en de koffer uitpakken. Hagelwitte handdoeken met de ingeweven naam van het hotel hangen uitnodigend klaar en ik spring nog snel onder de douche voordat het diner geserveerd wordt. Er is een tafelindeling gemaakt en de dialecten vliegen me aan mijn tafel om de oren: Twents, Drents en Limburgs. Zo leer ik vijf van mijn reisgenoten beter kennen en ik twijfel er niet aan dat dat klikt.
De zeer gastvrije eigenaar van dit grote hotel dat al sinds halverwege de zeventiende eeuw in handen van dezelfde familie is, bedient ons in zijn lederhosen. Zijn vrouw draagt een dirndl. Bijzonder om te zien, maar eigenlijk vind ik het ook helemaal bij dit hotel horen, alsof ik op bezoek ben bij Heidi en Peter.
Iedereen heeft de pap wel zo’n beetje op en verdwijnt na het eten naar de kamer. Ik plof om 20.30 in bed en vertrek om te dromen van de bergen die ik niet meer kon zien toen ik de gordijnen dichttrok. Slechts enkele lichtjes onder een donkere, natte hemel.