Achter Klaartje 335

 

Sjaak en Greetje leiden een spaarzaam leven. Allebei zijn ze opgegroeid op een boerderij, waar hard gewerkt werd om alle kindermonden te kunnen voeden. Ze hebben het een stuk beter, maar hun leven is nog enigszins vergelijkbaar met dat van hun ouders. s Ochtends altijd vroeg uit de veren om de koeien te melken, de slobber aan te maken voor de varkens en de biggetjes, de deurtjes van het kippenhok te openen en zorgen dat de kinderen hun ontbijt op tijd krijgen voordat ze op de fiets naar school gaan.

Ze kunnen leven van de opbrengst van de vlees- en melkverkoop. De opbrengst van de verkoop aan huis van eieren en melk is een extraatje en gaat niet ‘met de knollen de huishoudpot in’. Greetje bewaart dat extraatje  in een oude, grote theeketel die ze op de deel verstopt heeft. Ze gaat er van uit dat geen enkele inbreker het in zijn hoofd zal halen om achter de koeienkonten op zoek te gaan naar een buit. De theeketel wordt sporadisch omgekeerd om een extra aanschaf te kunnen doen, zoals een paar nieuwe kinderschoenen.

Vrijdag wil Greetje naar de weekmarkt om wol te kopen waarvan ze sokken wil breien voor de verjaardag van Sjaak. Veel tijd om te breien blijft er op de boerderij overigens niet over en als ze ’s avonds het breiwerk oppakt en bij de warme kachel zit, doezelt ze regelmatig weg, te moe om aan het breiwerk toe te komen.
Uit de huishoudpot heeft ze al geld klaargelegd om mee te nemen naar de markt, maar voor de zekerheid wil ze het aanvullen met wat geld uit de theeketel. Ze loopt de deel op en achter Klaartje 335 staat de ketel die ze oppakt. Ze haalt het deksel eraf en pakt er wat geld uit. Opmerkzaam als Greetje is, valt het haar op dat het deksel scheef staat, maar ze wijt dat aan een flinke trap naar achteren van Klaartje 335. Vreemd, denkt ze, de ketel is nooit heel zwaar om op te tillen, maar nu trekt ze hem wel heel erg makkelijk omhoog. Ze kijkt erin, en ziet tussen wat geld gelijk de bodem. Sjaak zal toch niet…? 

Resoluut loopt ze de stal in waar Sjaak bezig is de varkens te voederen.
“Sjaak, heb jij geld gehaald uit onze ketel?”
Sjaak weet gelijk welke ketel ze bedoelt, maar geeft aan daar geen greep in gedaan te hebben. Greetje begrijpt er helemaal niets van, zet de ketel terug en besluit later op de dag eens goed te zoeken in het stro. Dan moet ze wel eerst de overall, laarzen en handschoenen aantrekken, want dat is natuurlijk niet het schoonste werkje. Vast en zeker is de ketel een keer omgevallen. Die dag komt het er echter niet meer van om te zoeken.

Greetje kan die avond de slaap niet vatten en besluit naar beneden te lopen om een kommetje melk warm te maken. De keukendeur sluit aan op de deel en tijdens het opwarmen van de melk hoort ze vreemde geluiden daarvandaan komen. Het gas onder het pannetje draait ze uit en ze loopt de deel op. Ze opent voorzichtig de deur om de koeien niet te laten schrikken en probeert wat te zien in het donker. Rechts van haar hoort ze wat geritsel en geluiden in het stro, achter Klaartje 335. Ze draait de lichtschakelaar om en focust zich gelijk op de plek van het geluid.

Hè? Drie kleine figuurtjes schieten weg. Een vierde blijft als verstijfd zitten, ook als Greetje naar hem toe loopt. Ze bekijkt het eens goed en probeert te ontdekken wat het is. Nee, geen muis, maar het heeft wel dezelfde kleur. De kop lijkt een beetje op een hond, maar daarvoor is het diertje veel te klein. Ze is ervan overtuigd dat ze met een diertje te maken heeft. De hele houding lijkt toch wel verdraaid veel op een hond, maar dan een piepkleine. Ze grijpt achter zich een hooivork die tegen de muur hangt en wil die met een zwaai op het diertje neer laten komen.
Woehoewoehoe”, begint die in een keer te huilen en probeert het naderend onheil af te weren met zijn pootjes.
“Niet doen, alstublieft, laat me gaan.”
Wel verdraaid denkt Greetje, ben ik aan het dromen?
“Wat heb ik nou aan mijn broek hangen”, vraagt ze zich hardop af.
Ineens voelt ze iets trekken aan haar nachtpon en ze kijkt naar beneden. Nee toch, nóg een! Deze is iets groter.
Ook deze maakt een afwerende beweging en begint tegen Greetje te praten, nou ja praten, het lijkt meer keffen of blaffen.
“Wij zijn de geldwolfjes.”
“Geldwolfjes? Ik heb wel eens gehoord van weerwolven, maar dat is fantasie.”
“We wonen al heel lang in deze omgeving, maar bijna niemand heeft nog een spaarpot ergens staan. Al het geld staat op een bankrekening. En toen hebben we deze ketel gevonden.”
“Ja, en wat betekent dat? Wat moeten jullie met mijn geld?”
Het geldwolfje buigt zijn kopje naar beneden en legt uit wat ze doen.
“Elke avond gaan we hier naar toe om weer wat muntjes te verzamelen. Eerlijk hoor, we pakken alleen de muntjes, het papiergeld zit er nog in.”
“Ik weet nog steeds niet wat je met dat geld moet.”
 “Muntjes kunnen we ruilen, papiergeld niet. We ruilen met de ekster, die daarvoor wormpjes en kleine krekeltjes naar ons toe brengt, dat is ons eten.”
“Met hoeveel zijn jullie?”
“Met zijn vijven, mijn vrouwtje en ik en onze drie kindjes.”

Greetje zakt wat door de knieën om hem beter te kunnen bekijken. Kleine traantjes biggelen langs de wang van het mannetjesgeldwolfje. Och, Greetje krijgt een beetje medelijden met hem. Inmiddels is het kleinere geldwolfje iets dichterbij gekomen. Wat een schatje, denkt Greetje.
“Ik weet wel een oplossing, maar dan moet je me beloven geen muntjes meer uit mijn ketel te halen.”
Het geldwolfje kijkt hoopvol omhoog en spitst zijn oortjes.
“Ik heb een rol aluminiumfolie liggen. Dat zal ik hier neerleggen. Jullie kunnen daar dan stukjes afscheuren en mooie glimmende bolletjes van maken. Dat kun je gebruiken om te ruilen met de ekster.”
Achter de poot van Dora 21 ziet Greetje in een keer drie koppies tevoorschijn komen. Aha, de rest van de familie. In een flits rennen ze weer weg. Alleen het kleine geldwolfje is er nog. Greetje vangt een vlieg uit de lucht en geeft hem dat. Razendsnel pakt hij het aan en stopt de vlieg in zijn bekkie. Voorafgegaan door rollende muntjes, komen de andere geldwolfjes terug naar Greetje.
“Dit hebben we nog niet geruild met de ekster. Hier heeft u het terug.” 
En weer verdwijnen de geldwolfjes uit het zicht, maar nu komen ze niet meer terug.  Greetje haalt het folie en legt het naast de ketel. Ze doet het licht uit, maakt de melk warm, drinkt de mok leeg en gaat terug naar bed.

“Waar was je?”, vraagt Sjaak slaapdronken.
“Ik heb even gekeken of alles goed was met de koeien en heb wat warme melk gedronken.”
Greetje kruipt tegen Sjaak aan en valt in slaap, een glimlach om haar mond. De geldwolfjes krijgt ze niet meer te zien, maar de rol folie wordt langzamerhand kleiner en de ketel raakt beetje bij beetje weer gevuld na verkoop van melk en eieren.

Fancy fair

 

In een oude tweedehands rode Ford Taunus zaten we met ons drietjes op de achterbank wanneer we een dagje erop uit gingen. Veelal was dat een bezoekje aan familieleden of bekenden ergens in het land. De tijd onderweg doodden we met het verzinnen van woorden aan de hand van kentekens van auto’s die ons tegemoet kwamen, een wedstrijdje wie als eerste een woord kon verzinnen, waarbij mijn moeder het enige jurylid was.

Zo nu en dan kregen we een gekleurd Rang-snoepje toegestopt. Nu nog steeds bijt ik op snoepjes waardoor ze binnen een mum van tijd op zijn, dus ook mijn rangetje was binnen no time weg. Mijn moeder presteerde het om na een flink aantal gereden kilometers nog een flinterdun restje van het zuurtje op haar tong te laten zien en sabbelde vrolijk verder.

De Ford heeft ons wel gebracht naar waar we moesten zijn, maar als destijds een autokeuring verplicht was geweest was hij er ongetwijfeld niet doorheen gekomen. Op het laatst was een van de portieren met touw vastgebonden om te voorkomen dat we die zouden verliezen. 
Schokbrekers zullen er vast geweest zijn, maar werkten waarschijnlijk ook minimaal waardoor we aardig op en neer hobbelden op de achterbank.

We reden over de Waalbrug Nijmegen binnen en aan de kade stonden de kermisattracties aanlokkelijk te flikkeren en de herrie die we hoorden overstemde zelfs het geluid van de auto die nu niet bepaald geruisloos reed. Ondanks alle geluiden bleven wij muisstil met gespitste oren achterin zitten op het moment dat de conversatie voor in de auto overging in zacht gesmiespel. 
Mijn vader dacht ook slim te zijn om daarbij in het Engels te fluisteren: “Shall we go to the fancy fair?”
De geheimzinnigheid in hun gesprek en de opwindende aanblik van een kermis leidde voor ons tot maar één conclusie: “Jaaa, wij willen naar de kermis!”

Heerlijk in de botsautootjes, in de draaimolen, een suikerspin eten, het spookhuis. Op een of andere manier heeft het reuzenrad op kermissen altijd een aantrekkingskracht op mij gehad. Dat leek me zo mooi, hoog overal boven zweven en rondkijken, maar ik durfde het domweg nooit. Altijd heb ik gedacht “zal ik?” maar ik was veel te bang om er kotsmisselijk uit te komen en de hoogte te eng te vinden. Tot gisteren! Op de landgoedfair in Beesd stond een iets kleinere uitvoering van een reuzenrad.

“Zal ik?”
Kinderen stapten vrolijk in dat ding, en ook volwassenen namen plaats in een van de stoeltjes. Er stond vrijwel geen rij en, met mijn muntje in de aanslag, sloot ik aan. In het stoeltje, stang ervoor om onverhoopte wanhoopspogingen te voorkomen, en daar ging ik. 
Na enkele beginnende bibbers, vond ik het alleen nog maar mooi en helemáál niet eng. Heel even, op het allerhoogste punt, waar ik het stoeltje vóór me naar beneden zag verdwijnen en ik alleen daar boven in de lucht hing, was het spannend. 
Ik kan me niet voorstellen  dat mensen dit opzoeken in de Baron in de Efteling, wetend dat op dat punt de vrije val start. Never nooit niet!
Nu nog een keer naar het reuzenrad op de fancy  fair in Nijmegen met een blik over de Waal en Nijmegen. Dat ga ik nog een keer proberen.

Joehoe, dames!

11 juni: we zijn een flink eind onderweg en volgen de juiste fietsroute, maar onze navigatie denkt er op een gegeven moment anders over.

Ga over 100 meter linksaf, ga daarna rechtsaf. Oké, wat je wil. U bent ‘out of route’ geeft het schermpje aan, vergezeld van dezelfde gesproken instructie. Ja hallo, jij stuurde ons deze kant op!
We fietsen een eindje terug en proberen het opnieuw. Hij stuurt ons precies dezelfde kant op als daarnet. Stomme navigatie!
Ons vertrouwen in de navigator is weg en we toveren de geplande route tevoorschijn op de telefoon, waarin we onze huidige locatie proberen te zoeken. Het valt niet mee om uit te vinden waar we precies de fout in gaan. 

O, wacht, daar komt een vrouw haar huis uit en wil in de auto stappen.
“Mogen we u iets vragen?”
“Ja natuurlijk”.
We leggen uit waar we heen willen en hoe we verkeerd gestuurd worden. Ze bestudeert het kaartje en geeft  precies aan hoe we dan wel moeten rijden: “hier rechts, dan een stukje over de dijk, schuin oversteken en een zanderig fietspad volgen”.
“Hartstikke bedankt”.
We gaan de eerste weg rechts, maar dat ziet er niet uit zoals zij het beschreef.
“Joehoe dames, hierheen”, horen we boven ons vanuit het zwarte autootje.
O, ze heeft dus de tweede rechts bedoeld. We draaien om en gaan de weg op waar het zwarte autootje ons opwacht om te kijken of we nu goed rijden, waarna de vrouw doorrijdt. We fietsen door tot het eind van de dijk en wat staat daar te wachten: ja precies! Een arm hangt uit het openstaande raam en gebaart ons waar we nu heen moeten, breed lachend.
Nou, wie wil gaan fietsen: ga richting Herwen en zoek een zwart autootje met een vriendelijke kastanjebruine krullenbol.


Geplaatst Gelderlander Gastschrijvers 15-7-2023

Wachtmeester Kauw

 
Jarenlang hebben we een tamme kauw gehad. Hij vloog buiten rond en had zo zijn plekjes waar hij ging zitten. Een van de favoriete plaatsen was op een van de baleinen van de parasol op. Het nadeel was, dat de tafel eronder niet echt bruikbaar was. Het diertje moest natuurlijk ook poepen en met een kauwentoilet hadden we geen rekening gehouden bij de verbouwing.
“Elk nadeel heb zijn voordeel”, zei een wijs man ooit: het plezier wat we aan de kauw beleefden won het van de overlast.

Mijnheer wist precies wanneer wij ’s ochtends opstonden want even later werd dan zijn voederbak gevuld. Ik denk dat het een enigszins autistische kauw is geweest, want hij gaf ons niet de gelegenheid eens lekker uit te slapen. Hij hield zich vast aan een strak schema. De tijd van wakker worden was voor hem in het weekend dezelfde als doordeweeks. Als hij nog niks tegenkwam in zijn voerbak vond hij het tijd om voor wekker te gaan spelen. Hij balanceerde op de vensterbank voor het slaapkamerraam. Vervolgens gaf mijnheer een ware roffel ten gehore door met zijn snavel op het raam te tikken.
De gordijnen waren altijd wel een stukje open en naar buiten kijkend, keek ik recht in zijn twee opvallend lichte oogjes en hoorde zijn kenmerkende geluid: “ka, ka, ka”. Inmiddels zijn we denk ik zo’n 35 jaar verder, maar ik kan het geluid van een kauw altijd onderscheiden van de geluiden van andere kraaiachtigen. 

Waar hij ook zat, als ik een van mijn armen gestrekt zijwaarts bracht en daarbij de kauw riep, dan kwam hij aangevlogen. Het was me niet altijd duidelijk waar hij vandaan kwam, maar meestal was hij er vrij snel. Met een duik landde hij vervolgens op de onderarm en liet zich heerlijk achter zijn kopje kroelen. 
De straat tegenover ons huis werd afgezet. Daarmee moest parkeeroverlast voorkomen worden van toeschouwers voor het Vierdaagse-legioen wat passeerde. Mijn partner, getooid met politiepet en fluitje, stond bij de ingang van de straat om het kaf van het koren te scheiden en te checken of iemand daadwerkelijk aanwonende was en wél door mocht rijden.

Op een gegeven kwamen er enkele fietsers aan. Ook zij werden tegen gehouden door de zijwaarts gestrekte arm van oom agent. Ze stapten af, voelden een luchtverplaatsing boven zich, doken in elkaar en zagen iets zwarts voorbijkomen. Met een perfecte landing kwam de kauw assisteren. Hij landde op de arm en trippelde door tot aan de schouder om van daar af de geschrokken fietsers aan te kijken. Die mensen hebben vast gedacht dat ze in een opname van ‘The birds’ van Hitchcock terecht waren gekomen.
Ik heb, jammer genoeg, dit alles niet zelf gezien maar kreeg het later beeldend verteld. Wat jammer dat bodycams nog niet gedragen werden door agenten. Dat had ongetwijfeld een spectaculair beeld opgeleverd voor een uitzending van ‘De verborgen camera’.


Ingekorte versie geplaatst op pagina Gelderlander Gastschrijvers, 12-8-2023

Kraambezoek uit IJsland


Robbie ligt op zijn zij tegen enkele rotsblokken aan te genieten van de zon. Zijn grote ronde bruine ogen knipperen zo nu en dan en hij draait zich nog eens een keer goed om zodat ook zijn andere zijde wordt verwarmd en zijn velletje opdroogt tot grijsbruin fluweel. Hij is na een blessure enige tijd opgenomen geweest in het zeehondencentrum en enige weken geleden teruggezet in zijn natuurlijke leefgebied. 

Robbie geniet volop en met zijn flippers beweegt hij zich hobbelend voort langs de kustlijn om deze wat te verkennen en andere bewoners te ontmoeten. Hij knippert nog een keer en tuurt in de lucht naar het stipje wat naderbij komt.
“Hier spreekt uw gezagvoerder, de landing wordt ingezet.” 
Het stipje wordt iets groter, de zwarte neus is te zien, de witte onderzijde van de vleugels is goed te zien en het rode landingsgestel wordt uitgeklapt. Een veilige landing.
“Goedemorgen mijnheer, mijn naam is Tringa en ik kom vanuit IJsland om mijn familie te bezoeken. Mijn vrouw volgt nog. Zij pakt de volgende vlucht.”
Robbie stelt zich ook voor en vraagt of hij Tringa ergens mee kan helpen. Tringa vertelt dat in een ver verleden zijn familie zich heeft opgesplitst en dat een tak van de stamboom zich in IJsland heeft gevestigd. De andere tak is in Nederland gebleven. Hij heeft een kaartje gekregen van zijn neef Arthur, een geboortekaartje. Arthur en zijn vrouw Astrid hebben een vierling gekregen en Tringa wil nu op kraambezoek.
“Ik weet wat een opgave dat is om vier van die kleintjes op te voeden. Wij hebben het ook meegemaakt maar inmiddels zijn de kinderen allemaal uitgevlogen. 
Genoeg gepraat, ik kom later nog wel eens bij je langs voor een uitgebreider babbeltje. Kun je me helpen om het adres te vinden? Het is Meerpaalstraat nummer 14”.

Dat weet Robbie wel, hij is er wel eens langs gehobbeld tijdens zijn verkenningstochten. Een bijzonder huis. Het ligt op een kleine verhoging in duinpan 3, een kleine 700 meter naar links. Het dak bestaat uit gras en dat dak steekt maar een klein beetje boven de grond uit. Het huis zelf bevindt zich in een soort kuil in de verhoging. Eromheen is een immense tuin begroeid met helmgras en meerdere grassen en kruiden. 
Bij regen ontstaat er een vijver van zandgrond. Bij het slaapkamerraam staat lavendel in bloei. De paarsblauwe bloemetjes steken prachtig af tegen het groene dak.

Hij heeft Arthur of Astrid ook wel eens gezien, maar hij weet eigenlijk nooit wie van de twee het is. Ze lijken veel op elkaar en lopen altijd in rode hoge lieslaarzen. 
Het is Robbie opgevallen dat ze wel altijd wat vreemd lopen: bij elke stap tillen ze een van de laarzen heel hoog op en maken vervolgens een stap. Daarna gaat de andere laars omhoog voor de volgende stap. Afgezien van de rode laarzen zijn ze nogal onopvallend. Een vaalbruine jas met grijszwarte stippen hier en daar en aan de onderkant een witte rand. De capuchon is zwart en bedekt hun gedeeltelijk rode neus. Af en toe bukken ze zich snel en pakken iets van de grond, stoppen het in hun jaszak en na enige tijd verdwijnen ze weer naar binnen.
 
Tringa weet genoeg, bedankt Robbie en gaat op weg. Pletsjpletsj is het geluid dat zijn voeten maken in het natte strandzand langs de vloedlijn. Robbie kijkt hem na en merkt op dat Tringa dezelfde bijzondere manier van lopen heeft als Arthur en Astrid. Zouden ze hun looptraining gevolgd hebben bij John Cleese?
Dankzij de duidelijke uitleg van Robbie heeft Tringa al snel het huis van zijn neef gevonden en tikt aan de deur.
“Neef Tringa, wat een eer om je te ontmoeten. We waren helemaal verrast door het telegram wat je hebt gestuurd om je komst aan te kondigen. Kom snel binnen.”
Ook Astrid komt naar de deur en merkt op dat de neven echt veel op elkaar lijken. Ze zijn ongeveer even groot, hebben eenzelfde kenmerkende neus en lange benen. De benen van Tringa zijn onbedekt, maar zijn ook knalrood. 
Gedrieën lopen ze naar de kraamkamer waar de drie jongetjes en een meisje liggen. Prachtig. Ze lijken echt op hun ouders verzekert Tringa aan Arthur en Astrid. Hun beentjes zijn licht oranje, maar dat kan door de lichtinval door een kier in het dak komen. Ze kijken nog even vertederd naar het tafereeltje. 
Och ja, het kraamcadeautje. Tringa vergeet het bijna te geven. Voor alle vier een pakketje met een keur aan kleine lekkernijen en voor allemaal een dekbedje, gemaakt van donsveertjes van de IJslandse papegaaiduiker. De lange knokige beentjes van het viertal passen er met gemak onder. Het zijn dan ook extra lange dekbedjes.

Ze gaan in de woonkamer zitten, en onder het genot van een drankje verorberen ze ook een assortiment aan visjes. Astrid heeft ze met zorg uitgezocht en gefrituurd. Wetenswaardigheden over verre familieleden worden uitgewisseld en ze praten elkaar bij over hun gezinnen en leefomgeving. Maar Tringa komt niet alleen voor de kraamvisite. Hij heeft in zijn telegram laten weten ook graag een woning te willen bezichtigen die hij in de winterperiode enkele maanden wil huren. 
Arthur heeft al vooronderzoek gedaan en weet dat het in duinpan nummer 1 is, dicht bij het strand. Een drukke duinpan waar veel gezinnen overwinteren, naast de bewoners die er al wonen. Samen lopen ze op hun typische manier in de richting van het strand. 
In de verte ziet Tringa Robbie liggen en zwaait. Robbie heeft het gezien, heft zijn flipper en zwaait terug.

Het is inderdaad een drukte van jewelste in duinpan nummer 1
Zojuist is besloten om met de hele buurt een strandwandeling te gaan maken en aan de vloedlijn wat te eten. Arthur stelt Tringa voor aan enkele buurtbewoners en zij sluiten zich aan bij de stoet richting strand. 
Daar aangekomen rent iedereen op hoge poten rond en pakt zo nu en dan een kreeftje of slakje van de grond om met smaak op te eten. Dit gaat gepaard met de nodige opwinding en door elkaar praten van klein en groot. 
Robbie kijkt enigszins verstoord op van zijn rustige ligplaats en Tringa besluit naar hem toe te lopen.
“Heb je last van ons?”, vraagt hij.
“Elke dag hetzelfde”, laat Robbie weten. “De hele meute komt hier op hoge poten naar toe, alsof ze op stelten lopen en dan dat geschreeuw tjululuutjululuutjululuu. Ik word er wel eens tureluurs van.”
Tringa schiet in de lach, de tranen lopen hem langs de rood-zwarte snavel en hij slaat zich op de knokige knieën, terwijl hij op en neer trappelt met zijn tenen in het natte zand.
“Robbie, wij zíjn Tureluurs en aan onze hoge poten danken we de kwalificatie van steltloper”.


Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...