Getuige van ongeval

De klap dreunt na in mijn oren als ik me realiseer dat het afkomstig moet zijn van de donkerblauwe auto die ik verderop zie staan en waarvan de neus om een boom gevouwen is. Mijn benen zetten zich in beweging voordat ik na kan denken wat te doen. De stilte, die volgt op de klap is onheilspellend, neemt bezit van me en hijgend loop ik naar de plek. Mijn angst wordt bewaarheid.
Op straat ligt een persoon in een onnatuurlijke houding, het gezicht bebloed.
Mijn hand beeft als ik mijn telefoon open en het nummer kies.
‘112, welke hulpdienst heeft u nodig: politie, brandweer of ambulance?’
‘Ik, ik…’ Ik slik en schreeuw dan: ‘Ambulance! Er ligt iemand bloedend op straat.’
‘Waar bent u?’ vraagt de centralist.
‘Weet ik niet. Ergens tussen Elst en Arnhem. Langs de Linge.’
‘Kunt u iets specifieker zijn? Heeft u een herkenningspunt?’
Ik kijk om me heen. Water, riet, struiken en een fietspad. Ik zie geen enkel herkenningspunt. Ik kijk naar de persoon die daar ligt. Die zal toch niet dood zijn? Het duurt te lang en de angst slaat me om het hart. Wat als hulp te laat komt? Mijn adem gaat schokkend en ik schreeuw: ‘Weet ik niet. Kom alsjeblieft. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik zie alleen een picknickbank.’
‘Blijft u aan de lijn. Ademt het slachtoffer?’
Ik zet voorzichtig een stap dichter naar de persoon, die op de buik ligt en nu een kreunend geluid maakt. Het gezicht is amper zichtbaar door het bloed, ik zie alleen de uiteinden van een snor.
‘Ja, hij ademt,’ roep ik opgelucht. ‘Het is een man.’
Zo goed als mogelijk beantwoord ik de andere vragen.
‘Blijft u bij hem en aan de lijn. De ambulance is onderweg. Die rijdt de weg langs de Linge helemaal af en zal u vinden. Ik help u totdat die er is.’
Ik volg de aanwijzingen van de centralist en haal opgelucht adem als ik in de verte een sirene hoor en iets daarna blauwe zwaailichten zie.
Een ambulancebroeder rent naar me toe. Hij gaat naast het slachtoffer zitten. Machteloos en lamgeslagen kijk ik weg. Hier ben ik overbodig.
Uit de ook gearriveerde politieauto stapt een agent op me af en verzoekt me om enkele vragen te beantwoorden over wat ik heb meegekregen van het ongeluk. Ook mijn persoonlijke gegevens noteert hij.
Na onderzoek door de ambulancemedewerkers haal ik opgelucht adem als ik hoor de man niet in levensgevaar is en dat ze hem meenemen naar het ziekenhuis. Ze schuiven de brancard in de ambulance en met zwaailicht en sirene rijden ze weg.
‘Hoe bent u hier?’ vraagt de agent.
‘Lopend,’ antwoord ik. Ik begin over mijn hele lijf te trillen.  
‘Ik breng u thuis,’ biedt de agent aan.

©Vera Oor, 2026

Naapen

 

Finn zit bij een grote heuvel, onbeweeglijk. Enkele familieleden houden hem continue in de gaten.
‘Wat heeft hij toch? Is hij ziek?’ vraagt een van hen zich hardop af.
De anderen halen hun schouders op en gaan over tot de orde van de dag. Ze nemen er uitgebreid de tijd voor elkaar te vlooien. De plukjes haar van de ander duwen ze uit elkaar en pulken er met twee vingers huidschilfers tussenuit, die ze vervolgens in hun bek stoppen.
Een ander ligt languit op zijn rug, zijn achterpoten wijd gespreid en de armen achter de kop gevouwen. Daar is het dan ook heerlijk weer voor. De zonnestralen vallen gefilterd door het dikke bladerdak op de bodem en bereiken de buik van de rustende aap. Af en toe beweegt hij loom zijn kop, trekt met zijn lange armen zijn voet naar zich toe en begint aan een uitgebreide inspectie van zijn voetzool.
De rest van de groep apen zit verspreid door het struikgewas en in de bomen, breken daar takjes en knabbelen het groen ervan af.
Het kleine grut verstoort de rust door overal tussendoor, op en af te springen. Behendig zoals alleen een aap dat kan.

Het jongste aapje, Lily, trekt zich terug uit de drukte van het spelen en rennen en loopt naar Finn.
Op korte afstand gaat ze zitten en kijkt, net als Finn, naar de heuvel van blad en tak. Seconden worden minuten en minuten worden een kwartier. Het kleine ding begint haar geduld te verliezen en loopt voorzichtig naar haar soortgenoot. Wat zie je, Finn?’ vraagt ze. ‘Ik zie alleen maar zand en grassprietjes. Ben je ziek?’
Finn kijkt naar het kleintje en wenkt Lily dichterbij. ‘Nee hoor, ik ben niet ziek. Kom eens dichterbij, dan zal ik je wat laten zien. Je weet wat termieten zijn, hè?’
‘Ja, die zijn lekker!’ knikt Lily bij haar eenvoudige antwoord.
‘Dit is het huis van de termieten,’ legt Finn uit. ‘Kijk maar goed. Je zult zien dat er termieten inkruipen.’
Nu ze erop gewezen is, ziet Lily ook de termieten die verdwijnen in de heuvel.
‘Kijk goed wat ik doe, dan mag je het straks ook eens proberen.’ Finn pakt een lange tak knabbelt de blaadjes eraf, en priemt de kale tak in de heuvel. Hij draait hem rond en trekt hem er langzaam weer uit.
Lily kijkt verwonderd als ze ziet hoe termieten zich vastgeklampt hebben aan het takje.
‘Bek open,’ zegt Finn en als ik zeg: ‘dicht’ moet je je lippen om het takje klemmen. Dan blijven de termieten in je bek hangen.’

Inmiddels zijn enkele groepsleden ook aangesloten. Zij volgen de uitleg van Finn en zien het succes wat hij met zijn uitvinding heeft bereikt. Dat willen ze ook wel. Verwoed prikken ze ook met takjes in de heuvel, maar zonder resultaat.
Finn kijkt geamuseerd toe. ‘Jullie zijn veel te wild. Dit vraagt precisie. Jullie moeten mij nabootsen, dan leer je het vanzelf. Het vraagt ook geduld, maar je ziet wat je ermee bereikt.’
‘Hm, nabootsen. Waarom zo’n duur woord?’ imiteert de grootste druktemaker hem.
‘Tja,’ antwoordt Finn, en haalt vervolgens rustig een takje met termieten tussen zin lippen door. ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: na-apen? Jullie zijn al apen.’

©Vera Oor, 2026

Het frisse lentegroen vormt een schril contrast

De vrouw bekijkt de emmers in de bloemenwinkel. ‘Heeft u nog anemonen?’ vraagt ze als ze aan de beurt is.
De verkoopster achter de balie schudt langzaam haar hoofd. ‘Nee, mevrouw Winters, helaas. Ze zijn niet meegekomen van de veiling vanochtend. Ik heb daar gezocht naar anemonen omdat ik u al verwachtte vandaag. Geen enkele kweker heeft ze aangeleverd op de veiling.’
Isha Winters omklemt de schouderriem van haar tas alsof ze daar houvast zoekt. Ze vermijdt de blik van Els, de verkoopster, en laat haar ogen dwalen over de met bloemen gevulde emmers. Uiteindelijk trekt ze het laatste bosje ranonkels omhoog en loopt terug naar de toonbank. Met vooruitgestrekte arm om te voorkomen dat de waterdruppels op haar lichtgekleurde suède schoenen vallen.
‘Doe deze dan maar. Ze lijken er tenminste een beetje op,’ zegt ze zachtjes. Terwijl Els het bosje in folie rolt, zoekt Aisha in haar tas naar de portemonnee.
Ze pint het verschuldigde bedrag en pakt het knisperende folie aan.
Els knikt haar vriendelijk toe. ‘Een… uh, uh, dag hoor.’
 
Iedereen in dit kleine dorp kende elkaar. Geheimen deden wanhopig hun best om verborgen te blijven, meestal zonder resultaat.
De reacties van haar dorpsgenoten kreeg Aisha niet mee. Ze moest haar wildebras goed in de gaten houden.
‘Ze doet het toch maar hoor, als alleenstaande moeder,’ zei een van de wachtenden in de rij bij de bakker. ‘Heel knap.’
In plaats van ter plekke dood neer te vallen door de venijnige blik die de domineesvrouw haar toewierp, werd de vrouw gesterkt en deed er nog een schepje bovenop: ‘Ze zou een perfecte onderwijzersvrouw zijn geweest. Zo lief als ze voor kinderen is.’
‘Kom Bobby, trap maar goed door,’ zei Aisha tegen haar vierjarige zoontje. ‘Dan kunnen we nog voor het eten de bolletjes in de tuin ingraven.
Het jochie spande de spieren in zijn kleine benen aan en maakte vaart op zijn driewieler. In het mandje achterop lagen zakjes met bloembollen. Hijgend reed hij als eerste het tuinpad op van het net buiten het dorp gelegen vrijstaande huis en stapte af om vervolgens triomfantelijk zijn moeder op te wachten als die het terrein opfietst. ‘Ik heb gewonnen.’
Aisha spreidde haar armen en ving het dreumesje op dat op haar af kwam rennen. Ze snoof de frisse herfstgeur op, die zich aan zijn blonde kuif gehecht had. ‘Je lijkt op je vader, Bobbie. Die wilde ook altijd de eerste zijn.’
Wat hadden sommige dorpsbewoners gesmuld van het verhaal van de ongetrouwde moeder. Na de dood van de domineeszoon, Alfred, rolde het lopend vuurtje door het dorp, dat Aisha zwanger was van hem. Waar zijn vader en moeder als gevolg van hun arrogante houding gemeden werden alsof ze een besmettelijke ziekte hadden, had Alfred van jongs af aan de harten van iedereen veroverd. De vrolijke, blonde jongen groeide uit tot een man, die menig meisje graag als echtgenoot zou hebben gezien. Maar Alfred had alleen oog voor Aisha.
Tijdens het jaarlijkse dorpsfeest veroverde hij de titel van beste sporter van het jaar. Aisha hield zich enigszins op afstand, maar hij overbrugde die meters met enkele stappen. ‘Waar blijft de beloning voor de winnaar?’ vroeg hij brutaal. Vanaf dat moment zagen ze elkaar regelmatig. Zonder dat zijn ouders dat wisten.
‘Als ik de baan van onderwijzer krijg, gaan we trouwen,’ verzekerde hij haar.
‘Maar je ouders dan?’ had Aisha bedeesd gevraagd. ‘Die willen dat niet. Ik ben katholiek.’
‘Ze zullen wel moeten,’ antwoordde Alfred met glanzende ogen, terwijl hij haar twijfels van dat moment wegnam, door haar mee te nemen in een hartstochtelijke omhelzing.
Alfred overleed niet veel later onverwacht aan een hartstilstand. In kleine, protestante, kring werd hij begraven.  
De dominee en zijn vrouw sloten zich volkomen af voor eenieder die het aandurfde een toespeling te maken op een relatie tussen hun zoon en Aisha Winters. Dat zij zwanger van hem zou zijn, was onmogelijk! Hun zoon zou nooit met een katholiek meisje omgang hebben.
 
Aan het eind van de dag fietst Aisha de landweg af. De ranonkels veilig opgeborgen in de fietstas. Het frisse lentegroen van de bomen aan weerszijden van de weg, filteren het bedeesde zonlicht op deze voorjaarsdag. In schril contrast met het gemoed van Aisha die dit alles niet ziet. Haar blik is gevestigd op het fietspad. Ondanks het droge weer blijven haar wangen nat.
Haar handen omklemmen de handvatten. Ze mindert snelheid door langzamer, en moeizamer, te trappen. Daar, daar is hij. Aisha focust haar blik op de plek enkele meters voor haar. Ze stapt af. Haar fiets hangt ze tegen het gaas van een weiland aan. Voorzichtig pakt ze de ranonkels.
Het is bijna windstil, de blaadjes bewegen lichtjes boven haar hoofd en de heldere stem van Bobby waait haar gedachten binnen:  ‘Ik heb gewonnen.’
De ranonkels schikt ze zorgvuldig in de ingegraven pot naast de boom. ‘Bobby, voor jou. Er waren geen anemonen,’ fluistert ze.
Het grafkaarsje in de lantaarn werpt een flikkerend lichtje op de tekst op het bordje dat erbij staat: ‘Bobby Winters.’
Zoals alle afgelopen jaren liggen er ook nu handgeschreven kaartjes van Bobby’s vrienden van toen, die allemaal deel uitmaakten van de deelnemende groep in de wielerwedstrijd. De groep die het vanaf dat moment zonder hun zeventienjarige aanvoerder moest doen als gevolg van het rijgedrag van een roekeloze automobilist.
Terwijl Aisha op haar hurken zit en de kaartjes bekijkt, voelt ze ineens een hand op haar schouder. Als ze zich geschrokken omdraait, ontmoet ze de vriendelijke ogen van Els, de bloemiste van vanochtend.
‘Ik heb bij een collega bloemist een bosje anemonen kunnen vinden. Alstublieft. Voor Bobby.’
Ze hurkt naast Aisha. Ze zwijgen allebei en zijn met hun gedachten bij de laatste rit van Bobby.
‘Ze lagen aan kop. Bobby zou hebben gewonnen,’ glimlacht Aisha voorzichtig naar Els.  
‘Hebben anemonen een bepaalde betekenis voor u? Omdat u ze elk jaar op deze dag haalt?’
Een moment is het stil.
Dan kijkt Aisha Els aan: ‘Ja, dit is de dag dat hij als vierjarig kind zijn zelf geplante bolletjes boven de grond had zien komen en de eerste, gekleurde, anemonen zich ontvouwden.’

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...