Vandaag is de ontmoeting met Rob, de schaapsherder. Aan de
rand van de Veluwe graast op dit moment zijn kudde, bestaande uit 45 schapen.
Haar ouders hebben Alice afgezet bij het houten gebouwtje aan de rand van het
bos. Het is prachtig weer maar ze heeft toch de groene rubberen laarzen
aangetrokken. Ze gaat een heel eind mee de hei op en onderweg kan
het best drassig zijn. Alice stapt op de man af, die het gebouwtje uit
komt lopen.
“Bent u Rob?”
“Jazeker, is het antwoord. Jij bent vast Alice.”
Ze kijkt omhoog naar de boom van een vent, en legt haar kleine handje in de zijne. De border collie van Rob maakt ook even kennis met het meisje, besnuffelt haar kort en loopt dan naar de kudde. Rob pakt een grote stok en geeft een iets kleiner exemplaar aan het meisje.
Ze voelt zich nu een echte herders-assistent en stapt dapper achter hem aan. Elke stap van Rob zijn er drie van haar, maar ze kan hem nog bijhouden. Als hij wat gehijg naast hem hoort, realiseert Rob zich het verschil in beenlengte tussen hen: Klein Duimpje en de Reus, en hij past gelijk zijn stappen aan. Het kind geniet met volle teugen van de schapen, de hond, de natuur en kletst honderduit. Ze vertelt over haar eigen hondje, en haar konijntje Bunny dat net zo wit is als de schapen.
Het is maar een klein konijntje, vertelt ze. Hij is heel lief en mag af en toe ook in de huiskamer rondhuppelen. Ze moet dan wel goed opletten, anders knabbelt hij misschien aan de elektriciteitsdraden.
“Nu moet je even goed opletten, Alice. De schapen lopen te ver uit elkaar.”
De collie rent van links naar rechts om de schapen heen, tot ze weer bij elkaar gedreven zijn en lekker tussen de heide gaan grazen. De hond doet zijn werk goed en Rob hoeft amper mee te werken.
“Bent u Rob?”
“Jazeker, is het antwoord. Jij bent vast Alice.”
Ze kijkt omhoog naar de boom van een vent, en legt haar kleine handje in de zijne. De border collie van Rob maakt ook even kennis met het meisje, besnuffelt haar kort en loopt dan naar de kudde. Rob pakt een grote stok en geeft een iets kleiner exemplaar aan het meisje.
Ze voelt zich nu een echte herders-assistent en stapt dapper achter hem aan. Elke stap van Rob zijn er drie van haar, maar ze kan hem nog bijhouden. Als hij wat gehijg naast hem hoort, realiseert Rob zich het verschil in beenlengte tussen hen: Klein Duimpje en de Reus, en hij past gelijk zijn stappen aan. Het kind geniet met volle teugen van de schapen, de hond, de natuur en kletst honderduit. Ze vertelt over haar eigen hondje, en haar konijntje Bunny dat net zo wit is als de schapen.
Het is maar een klein konijntje, vertelt ze. Hij is heel lief en mag af en toe ook in de huiskamer rondhuppelen. Ze moet dan wel goed opletten, anders knabbelt hij misschien aan de elektriciteitsdraden.
“Nu moet je even goed opletten, Alice. De schapen lopen te ver uit elkaar.”
De collie rent van links naar rechts om de schapen heen, tot ze weer bij elkaar gedreven zijn en lekker tussen de heide gaan grazen. De hond doet zijn werk goed en Rob hoeft amper mee te werken.
De
man en het meisje gaan op een boomstam zitten en pakken hun lunchpakketjes uit.
“Wil je ook wat warme thee?”, vraagt Rob.
“Nee dank u”, zegt ze beleefd. “Ik heb een pakje melk bij me.”
Als ze hun boterhammen hebben gegeten, ziet Rob het witte snuutje van Alice en vraagt haar of ze ziek is. Alice antwoordt dat ze alleen maar een beetje moe is. Normaal gesproken loopt ze niet van die lange stukken.
“Ga maar even lekker slapen. Ik let wel op”, zegt Rob.
Alice trekt haar laarzen uit, zet ze onder een boom neer en gaat liggen in het gras. Ze vecht nog even tegen de slaap maar dommelt langzaam weg.
Een geluid dringt bij haar binnen en door haar wimpers kijkt ze de kant op waar het geluid vandaan lijkt te komen. Staat Bunny daar nu? Er staat toch echt een wit konijn. Ze bedenkt zich nog net op tijd en roept hem niet, want dan zou hij kunnen schrikken en weglopen. Maar nee, het is Bunny niet. Dit is een groot wit konijn met een geruit jasje aan. Hij staat tussen de klaprozen haar kant op te kijken en houdt de poot vast van een klein muisje. Alice spitst haar oren om het gesprek tussen muis en konijn op te vangen.
“Volgens mij is ze het, dezelfde haren en ogen”, zegt het muisje, “je hoorde toch dat die man haar Alice noemde.”
“Maar ze is al zo lang weg, dan zou ze toch groter moeten zijn?”, antwoordt het konijn vertwijfeld.
“Ben je vergeten dat ze het flesje ‘drink mij’ heeft meegenomen. Bij elke slok wordt ze weer klein.”
Alice wil wat zeggen, maar bedenkt zich en houdt haar lippen stijf op elkaar om het gesprek verder te volgen. Het konijn kijkt op zijn zakhorloge en zegt tegen het muisje dat het veel te laat is.
“Hoezo te laat? Je horloge begint elke 12 uur weer van voren af aan dus weet je nooit of het te laat is.”
Het konijn lijkt de muis niet te begrijpen.
“We hebben al zo vaak gekeken en ze is nog nooit terug geweest. We zijn gewoon te laat”, zegt hij.
“Bovendien liep ze altijd op roze laarzen en hier staan groene. Dus het moet een ander kind zijn.”
Het konijn laat zijn oren hangen, kijkt nog een keer op zijn horloge en zucht diep.
“Dan hebben we weer voor niks die roze laarsjes voor haar meegenomen. We vinden haar nooit terug. Die laarsjes moeten we mee naar huis nemen en weggooien.”
“”Nee,” besluit het muisje.
“We laten de laarsjes hier gewoon staan en we geven het op. Ze komt niet meer terug in Wonderland. Ik denk dat wij het gedroomd hebben, dat er ooit een Alice bij ons is geweest. Het was wel een mooie droom. We hebben leuke avonturen met haar beleefd.”
“Mmmmaaar, mijn oma heeft wel eens over jullie verteld”, zegt Alice heel zachtjes.
De muis en het konijn horen het niet meer, ze zijn het konijnenhol iets verderop ingelopen en naar beneden gegleden.
“Alice, wakker worden”, hoort ze roepen terwijl iets nats over haar wang glijdt.
Ze komt snel overeind, duwt de neus van de hond aan de kant en begint opgewonden te praten.
“Heeft u het konijn en de muis ook gezien”, vraagt ze aan Rob
“Konijn en muis? Nee! Ik heb alleen maar schapen gezien. Ik denk dat je gedroomd hebt”.
Alice kijkt nog eens rond of ze hun nog ziet en komt uiteindelijk tot de conclusie dat Rob wel gelijk zal hebben en dat ze het inderdaad gedroomd heeft. Het konijn leek trouwens wel heel veel op het konijn in het verhaal dat haar oma vaak verteld heeft. Haar oma, die ook Alice heette, vertelde dat ze ooit een keer in een Wonderland was geweest en daar allerlei vreemde dieren had ontmoet. Dat had oma goed verzonnen want het leek net echt als ze het vertelde.
“Oke, gaan we verder lopen?”, vraagt Alice aan Rob.
Op zijn bevestigend antwoord loopt ze weg om haar laarzen onder de boom te pakken.
Naast haar groene laarsjes staat een paar roze laarsjes.
“Wil je ook wat warme thee?”, vraagt Rob.
“Nee dank u”, zegt ze beleefd. “Ik heb een pakje melk bij me.”
Als ze hun boterhammen hebben gegeten, ziet Rob het witte snuutje van Alice en vraagt haar of ze ziek is. Alice antwoordt dat ze alleen maar een beetje moe is. Normaal gesproken loopt ze niet van die lange stukken.
“Ga maar even lekker slapen. Ik let wel op”, zegt Rob.
Alice trekt haar laarzen uit, zet ze onder een boom neer en gaat liggen in het gras. Ze vecht nog even tegen de slaap maar dommelt langzaam weg.
Een geluid dringt bij haar binnen en door haar wimpers kijkt ze de kant op waar het geluid vandaan lijkt te komen. Staat Bunny daar nu? Er staat toch echt een wit konijn. Ze bedenkt zich nog net op tijd en roept hem niet, want dan zou hij kunnen schrikken en weglopen. Maar nee, het is Bunny niet. Dit is een groot wit konijn met een geruit jasje aan. Hij staat tussen de klaprozen haar kant op te kijken en houdt de poot vast van een klein muisje. Alice spitst haar oren om het gesprek tussen muis en konijn op te vangen.
“Volgens mij is ze het, dezelfde haren en ogen”, zegt het muisje, “je hoorde toch dat die man haar Alice noemde.”
“Maar ze is al zo lang weg, dan zou ze toch groter moeten zijn?”, antwoordt het konijn vertwijfeld.
“Ben je vergeten dat ze het flesje ‘drink mij’ heeft meegenomen. Bij elke slok wordt ze weer klein.”
Alice wil wat zeggen, maar bedenkt zich en houdt haar lippen stijf op elkaar om het gesprek verder te volgen. Het konijn kijkt op zijn zakhorloge en zegt tegen het muisje dat het veel te laat is.
“Hoezo te laat? Je horloge begint elke 12 uur weer van voren af aan dus weet je nooit of het te laat is.”
Het konijn lijkt de muis niet te begrijpen.
“We hebben al zo vaak gekeken en ze is nog nooit terug geweest. We zijn gewoon te laat”, zegt hij.
“Bovendien liep ze altijd op roze laarzen en hier staan groene. Dus het moet een ander kind zijn.”
Het konijn laat zijn oren hangen, kijkt nog een keer op zijn horloge en zucht diep.
“Dan hebben we weer voor niks die roze laarsjes voor haar meegenomen. We vinden haar nooit terug. Die laarsjes moeten we mee naar huis nemen en weggooien.”
“”Nee,” besluit het muisje.
“We laten de laarsjes hier gewoon staan en we geven het op. Ze komt niet meer terug in Wonderland. Ik denk dat wij het gedroomd hebben, dat er ooit een Alice bij ons is geweest. Het was wel een mooie droom. We hebben leuke avonturen met haar beleefd.”
“Mmmmaaar, mijn oma heeft wel eens over jullie verteld”, zegt Alice heel zachtjes.
De muis en het konijn horen het niet meer, ze zijn het konijnenhol iets verderop ingelopen en naar beneden gegleden.
“Alice, wakker worden”, hoort ze roepen terwijl iets nats over haar wang glijdt.
Ze komt snel overeind, duwt de neus van de hond aan de kant en begint opgewonden te praten.
“Heeft u het konijn en de muis ook gezien”, vraagt ze aan Rob
“Konijn en muis? Nee! Ik heb alleen maar schapen gezien. Ik denk dat je gedroomd hebt”.
Alice kijkt nog eens rond of ze hun nog ziet en komt uiteindelijk tot de conclusie dat Rob wel gelijk zal hebben en dat ze het inderdaad gedroomd heeft. Het konijn leek trouwens wel heel veel op het konijn in het verhaal dat haar oma vaak verteld heeft. Haar oma, die ook Alice heette, vertelde dat ze ooit een keer in een Wonderland was geweest en daar allerlei vreemde dieren had ontmoet. Dat had oma goed verzonnen want het leek net echt als ze het vertelde.
“Oke, gaan we verder lopen?”, vraagt Alice aan Rob.
Op zijn bevestigend antwoord loopt ze weg om haar laarzen onder de boom te pakken.
Naast haar groene laarsjes staat een paar roze laarsjes.