Wanneer iemand
mij vraagt wat Brakkenstein is, omschrijf ik het als “een wijk in de stad
Nijmegen, maar het voelt als een dorp”. Het kan korter: stadsdorp! Stadsdorp
Brakkenstein! Dat dekt volledig de lading ben ik van mening (dank Tino Adolfs
voor het bedenken van deze naam!).
In de jaren ’60
was er, ten opzichte van nu, een veelvoud aan bedrijven, een enorm lange lijst.
Verkoop vanachter een schuifraam in een huiskamer tot thuisbezorging, van ‘op
de pof’ tot contant betalen.
Waar werkelijk iedereen kwam, en wat velen nog betreuren dat die er niet meer is: Drogisterij Jacobs. Achteraf gezien had het beter ‘Vroom & Dreesman stadsdorp Brakkenstein’ kunnen heten. Ze verkochten werkelijk alles, van speelgoed tot pannen, van papier tot make-up, van snoep tot postzegels, van paaseieren tot kerstversiering.
Mijn vader was
enkele dagen voor Kerstmis jarig en we mochten met mijn moeder een cadeautje
voor hem uitzoeken bij Jacobs.
En wat doen kinderen als ze een cadeautje mogen kopen? Precies: ze kopen wat ze zelf leuk of mooi vinden. Meerdere verjaardagen kreeg mijn vader een ‘fantastisch’ zilverkleurig knijpvogeltje met een zijdeachtige lange witte staart voor in de kerstboom, of een kunstig versierd winterhuisje dat aan de kerstbalverzameling toegevoegd kon worden.
“Oh, wat hebben jullie een mooi cadeau uitgezocht. Dat heb ik altijd willen hebben.”
De weken vóór Kerst, magisch!
Koud, soms sneeuw, maar thuis brandde de kolenkachel met roodgloeiende kooltjes achter de micaruitjes. De gordijnen ’s avonds dicht, de schuifdeuren naar de achterkamer gesloten en in de voorkamer stond: de kerstboom!
De geur van dennengroen en hars kwam ons tegemoet. Gezamenlijk hadden we de boom versierd en voorzien van de gekleurde lampjes, waarvan er een onder de boom zorgde voor een sprookjesachtige sfeer in het stalletje, dat mijn vader van grotpapier gecreëerd had.
Een voor een rolden we de beeldjes met zorg uit het papiertje waarin ze, soms vergezeld van ingedroogde dennennaalden, bijna een jaar lang hadden gewacht op de volgende Kerst.
Alle beeldjes die in het kerstverhaal thuishoren kregen een plaatsje in de stal of eromheen.
Het sprak tot mijn verbeelding: ik waande mezelf tussen de warme lijven van ezel en os, achter het kribje, met een lammetje in mijn armen.
Verderop stonden de drie koningen met hun kameel. De herders met hun schapen rond de grot.
Eén schaapje kreeg speciale aandacht: het had drie pootjes verloren in het verleden. Toch kreeg het elk jaar een plekje, leunend tegen zijn soortgenoten of tegen de herder.
Er kwam geen nieuwe voor in de plaats.
Zelfs drogisterij Jacobs kon
niet voorzien in een nieuw compleet schaapje met vier poten, dat paste bij de
rest.
Inmiddels, tientallen jaren
later, pak ik de schoenendoos met daarop nog het handschrift van mijn moeder
‘Kerststal’ . Ik rol dezelfde oude beeldjes uit het papier en zet ze in mijn
verlichte kerstomgeving, geen grot maar op een robuust stuk hout.
Het eenpotige schaapje ligt dicht bij de herder en haar soortgenoten in het groene mos.
En ik? Ik ben weer even betoverd en ruim 55 jaar terug in de tijd.
©Vera Oor, 2023
Waar werkelijk iedereen kwam, en wat velen nog betreuren dat die er niet meer is: Drogisterij Jacobs. Achteraf gezien had het beter ‘Vroom & Dreesman stadsdorp Brakkenstein’ kunnen heten. Ze verkochten werkelijk alles, van speelgoed tot pannen, van papier tot make-up, van snoep tot postzegels, van paaseieren tot kerstversiering.
En wat doen kinderen als ze een cadeautje mogen kopen? Precies: ze kopen wat ze zelf leuk of mooi vinden. Meerdere verjaardagen kreeg mijn vader een ‘fantastisch’ zilverkleurig knijpvogeltje met een zijdeachtige lange witte staart voor in de kerstboom, of een kunstig versierd winterhuisje dat aan de kerstbalverzameling toegevoegd kon worden.
“Oh, wat hebben jullie een mooi cadeau uitgezocht. Dat heb ik altijd willen hebben.”
Koud, soms sneeuw, maar thuis brandde de kolenkachel met roodgloeiende kooltjes achter de micaruitjes. De gordijnen ’s avonds dicht, de schuifdeuren naar de achterkamer gesloten en in de voorkamer stond: de kerstboom!
De geur van dennengroen en hars kwam ons tegemoet. Gezamenlijk hadden we de boom versierd en voorzien van de gekleurde lampjes, waarvan er een onder de boom zorgde voor een sprookjesachtige sfeer in het stalletje, dat mijn vader van grotpapier gecreëerd had.
Een voor een rolden we de beeldjes met zorg uit het papiertje waarin ze, soms vergezeld van ingedroogde dennennaalden, bijna een jaar lang hadden gewacht op de volgende Kerst.
Alle beeldjes die in het kerstverhaal thuishoren kregen een plaatsje in de stal of eromheen.
Het sprak tot mijn verbeelding: ik waande mezelf tussen de warme lijven van ezel en os, achter het kribje, met een lammetje in mijn armen.
Verderop stonden de drie koningen met hun kameel. De herders met hun schapen rond de grot.
Eén schaapje kreeg speciale aandacht: het had drie pootjes verloren in het verleden. Toch kreeg het elk jaar een plekje, leunend tegen zijn soortgenoten of tegen de herder.
Er kwam geen nieuwe voor in de plaats.
Het eenpotige schaapje ligt dicht bij de herder en haar soortgenoten in het groene mos.
En ik? Ik ben weer even betoverd en ruim 55 jaar terug in de tijd.
