De stortregen van de afgelopen tijd haalde een herinnering in me boven bij wat ik na afloop van een kletsnatte marktdag ooit zag, vanachter een raam waar ik mijn koffie dronk.
Vanuit de beschutting van een steegje sjokte een man de
straat over naar het inmiddels verlaten marktplein. Zijn grijze regenjas kwam
tot net boven de knie en was scheef dichtgeknoopt. De marktkooplui waren weer
vertrokken. Wat resteerde op de natte keitjes waren de stille getuigen van de
markt die wachtten op de veegmachine: platgetrapt fruit, natte peuken,
papiertjes, plastic zakken.
De man schuifelde verder. Zijn rechterschoen miste de veter,
het water kon vanaf zijn broekspijp zo de schoen in druppen. Hij liep enigszins
voorovergebogen en trok een boodschappentrolley met zich mee. Een wieltje ontbrak
waardoor hij het stuiterende wagentje meer meesleepte dan dat het achter hem
aanrolde. Moeizaam liep hij door.
Op de plek waar de viskraam had gestaan, puilde de
prullenbak uit met witte plastic bakjes en papieren servetjes, die
visliefhebbers daar achter hadden gelaten na het eten van hun gebakken visje of
haring. Eromheen hadden zich al wat vogels verzameld om restjes op te pikken.
De man liet de trolley los, veegde enkele natte plukken haar uit zijn gezicht naar achteren en viste iets uit de prullenmand. Hij haalde zijn vinger door een plastic bakje en likte die af. Voorzichtig doorzocht hij het andere afval en at zo nu en dan iets op, een restje vis? Hij boog zijn hoofd achterover om de laatste druppels uit een opgediept blikje te kunnen opvangen. Nog even zocht hij door, maar vond denk ik verder niks meer van zijn gading. Hij veegde zijn handen af aan zijn jas, pakte zijn trolley en sjokte verder. Naar de prullenmand naast de plek waar de snackwagen even daarvoor had gestaan.
Gepubliceerd op pagina Gastschrijvers Gelderlander