Gejaagd
loop ik de stationshal binnen, ik klap mijn paraplu in en baan me een weg
tussen de mensenmassa door. De aansluiting met de trein is haalbaar, maar dan
moet ik wel flink door kunnen stappen en dat is nogal eens een uitdaging op dit
drukke station.
Zo snel als wel mogelijk is, loop ik naar de roltrap die me naar perron 4 op -1 brengt. Ja, gehaald. Ik ben op tijd zie ik op mijn horloge dat 12.51 aangeeft. Het helder verlichte blauwe bord met reisinformatie geeft aan: 12.52 Sprinter Nijmegen Centraal + 20 minuten. Gatverdarrie, dit betekent dat ik te laat zal zijn voor mijn afspraak. Een andere verbinding is er niet, in ieder geval niet zodanig dat ik de tijd in kan halen.
Zo snel als wel mogelijk is, loop ik naar de roltrap die me naar perron 4 op -1 brengt. Ja, gehaald. Ik ben op tijd zie ik op mijn horloge dat 12.51 aangeeft. Het helder verlichte blauwe bord met reisinformatie geeft aan: 12.52 Sprinter Nijmegen Centraal + 20 minuten. Gatverdarrie, dit betekent dat ik te laat zal zijn voor mijn afspraak. Een andere verbinding is er niet, in ieder geval niet zodanig dat ik de tijd in kan halen.
Ergens
onder uit de tas vis ik mijn telefoon op en app degene met wie ik een
lunchafspraak heb om te laten weten dat ik later zal zijn. Bah, dit past zó
niet bij mij. Ik ben altijd op tijd en als dat een keer niet zo is, is het
buiten mijn eigen invloedssfeer om, zoals nu.
Zoals altijd onder enige stress, dringt zich een behoefte aan zoetigheid aan me op. Boven ben ik wel langs een broodjeszaak gelopen, maar een broodje met dikke hagelslag hoef ik hier niet te verwachten. Nee, geen bezoek aan de broodjeszaak dus.
Verlekkerd loop ik langs de uitstalling met zoetigheid in de supermarkt to go.
KitKat: ‘Have a break, have a KitKat’ dient ergens vanuit mijn geheugen een reclameslogan zich aan. ‘Milky Way is favoriet, het bederft je eetlust niet’.
Voor de verplicht ingelaste break en om te voorkomen dat ik straks bij de lunch minder trek heb, wat me onwaarschijnlijk lijkt, koop ik van beide soorten een reep.
Ik voel er
weinig voor om op het tochtige perron te wachten. Op een van de bankjes in de
stationshal zit slechts een persoon, dus ik hoef niet stijf rechtop en
ingeklemd te zitten tussen onbekenden in kletsnatte kleding. Ik ontdoe de KitKat
voor de helft van zijn verpakking en neem de eerste hap. Het scheelt maar
weinig of ik verslik me als ik in een keer een oorverdovend lawaai hoor.
Och ja, die stationspiano. Zeker weer zo iemand die denkt dat hij Wibi Soerjadi is, maar alleen de vlooienmars kan spelen. Ik zucht eens diep en kijk verstoord die kant op. Wat een vreemd figuur zit er achter die piano. Een houten klaas die hoekige bewegingen maakt tijdens het spelen van: de vlooienmars! Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn ergernis en ik loop ernaartoe om die snuiter eens wat beter te bekijken.
Is Pinoccio tot leven gekomen en zit hij hier nu aan de piano? Houten onderdelen, verbonden door scharnieren ter hoogte van enkel en knie, vormen de benen. Die hangen bungelend en slungelig boven de pedalen die hij met de voeten niet aan kan raken, laat staan intrappen. De handen en vingers zijn ook al van die scharnierende klosjes en daarmee timmert hij driftig op de toetsen. Ik dénk wel hij, of is het een zij? Gekleed in een knalrood jasje, een mutsje met een groene veer en een rokje.
Ik geloof in sprookjes en wil hier toch echt meer van weten.
‘Hallo,
ben jij Pinoccio?’ roep ik, wanneer ik naast de pianokruk sta en probeer boven
het geluid uit te komen.
‘Nee hoor dat ben ik niet,’ krijg ik als antwoord zonder oogcontact te krijgen.
De neus wordt niet langer. Dat betekent dat hij, of zij, niet liegt. Bij Pinoccio groeit de neus immers als hij liegt.
‘Je lijkt anders wel heel veel op hem zeg,’ begin ik mijn volgende gespreksopening.
‘Kan kloppen. Ik ben zijn nichtje Piani, ook uit Italië. Gepetto heeft mij gemaakt.’
De neus groeit niet.
Dus toch een zij! Ze praat verder, nog steeds zonder mij aan te kijken en met haar ogen gefixeerd op de toetsen: ‘Ik geef les in pianospelen op de muziekschool.’ De neus groeit.
‘Ik treed ook regelmatig op.’ De neus groeit niet.
‘En ik… hier, ik zal je krijgen zwarte pestkop! Dit keer ontsnap je de vlooiendans niet!’
Dan zie ik waarom de klosjeshanden zo ongecontroleerd heen en weer vliegen. Een vlooitje springt van toets naar toets, maakt een lange neus naar Piani en steekt een roze minitongetje uit dat afsteekt tegen zijn zwarte lijfje.
‘Pak me dan, ik ben lekker toch sneller,’ klinkt een irritant scherp stemmetje, afkomstig van de vlo, die een volgende hink-stap-sprong maakt van witte naar zwarte toets.
Piani timmert gefrustreerd nog harder op de toetsen en begint te huilen. Lange strepen beits lopen uit over haar rode jasje. Met haar houten schoentjes schopt ze boos tegen de pianokast aan.
‘Kan ik je ergens mee helpen?’ vraag ik benepen. Inmiddels begin ik me aardig ongemakkelijk te voelen met de situatie. Andere reizigers vormen een kleine kring om ons heen.
Piani maakt zich klaar om een volgende rammelbeurt weg te geven, terwijl het irritante zwarte gevalletje op en neer springt.
‘Sst, kan het wat zachter, pianissimo, alsjeblieft? ’ vraag ik met enige stemverheffing om boven de herrie uit te komen.
‘Wil jij
het circus hieronder uit de doos pakken?’ krijg ik een tegenvraag, terwijl
onderwijl een aantal toetsen weer mishandeld worden.
‘De watte?’ vraag ik.
Ik kijk in de doos onder de pianokruk en zie een fraai gekleurde blikken mini circustent staan. Voorzichtig til ik het speelgoed, want dat is het volgens mij, uit de doos. Ik laat het van schrik zowat weer uit mijn handen als ik geluidjes hoor, hoorbaar boven de punt van de tent. Ik loer naar binnen door een van de doorzichtige stukken in het dak. Het lijkt wel een kijkdoos, maar dan een die leeft!
Inmiddels kijk ik nergens meer van op en mijn ergernis over de vertraagde trein is weggevaagd. Mijn blik is gevangen door het blikken circus waarin ik nu een trampoline zie met daarop springende vlooitjes. Een zwarte kat dirigeert de acrobaatjes met een lange zweep in de hand en een toeter aan zijn bek.
‘Dames en heren, de voorstelling is afgelopen. Graag uw applaus.’
Alle vlooitjes buigen diep voor het publiek en springen uit beeld.
‘Aan de kant. Ik heb hem,’ tettert Piani in mijn oor, terwijl ze me een stomp in mijn zij geeft.
Mijn rode knisperende KitKatpapiertje dat ik op de piano had laten vallen, heeft zij gebruikt om de ontsnapte vlo te vangen. Voorzichtig opent ze de luifel van de tent en schuift de vlo naar binnen en geeft hem onderwijl een fikse tik op zijn billen. De vlo springt weg en krijgt de schijnwerpers op zich gericht. Hij staat notabene midden op de trampoline, in zijn eentje. Een groot applaus van het publiek valt hem ten deel, die denken dat het een toegift is.
Piani springt van de kruk en kijkt me kort aan. ‘Dank u mevrouw voor de hulp. Nu moet ik rennen naar perron 4 want daar vertrekt mijn trein naar Nijmegen over enkele minuten. Ik heb daar vanavond een optreden.’
Met slingerende benen en onder de arm de doos met het vlooiencircus maakt zij zich uit de voeten. Het klip-klap-geluid van de houten voetjes verdwijnt geleidelijk aan.
De lunchafspraak zal nog iets later worden, want deze trein ga ik echt niet meer halen.
Gelukkig heb ik nog een Milky Way.
Zoals altijd onder enige stress, dringt zich een behoefte aan zoetigheid aan me op. Boven ben ik wel langs een broodjeszaak gelopen, maar een broodje met dikke hagelslag hoef ik hier niet te verwachten. Nee, geen bezoek aan de broodjeszaak dus.
Verlekkerd loop ik langs de uitstalling met zoetigheid in de supermarkt to go.
KitKat: ‘Have a break, have a KitKat’ dient ergens vanuit mijn geheugen een reclameslogan zich aan. ‘Milky Way is favoriet, het bederft je eetlust niet’.
Voor de verplicht ingelaste break en om te voorkomen dat ik straks bij de lunch minder trek heb, wat me onwaarschijnlijk lijkt, koop ik van beide soorten een reep.
Och ja, die stationspiano. Zeker weer zo iemand die denkt dat hij Wibi Soerjadi is, maar alleen de vlooienmars kan spelen. Ik zucht eens diep en kijk verstoord die kant op. Wat een vreemd figuur zit er achter die piano. Een houten klaas die hoekige bewegingen maakt tijdens het spelen van: de vlooienmars! Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn ergernis en ik loop ernaartoe om die snuiter eens wat beter te bekijken.
Is Pinoccio tot leven gekomen en zit hij hier nu aan de piano? Houten onderdelen, verbonden door scharnieren ter hoogte van enkel en knie, vormen de benen. Die hangen bungelend en slungelig boven de pedalen die hij met de voeten niet aan kan raken, laat staan intrappen. De handen en vingers zijn ook al van die scharnierende klosjes en daarmee timmert hij driftig op de toetsen. Ik dénk wel hij, of is het een zij? Gekleed in een knalrood jasje, een mutsje met een groene veer en een rokje.
Ik geloof in sprookjes en wil hier toch echt meer van weten.
‘Nee hoor dat ben ik niet,’ krijg ik als antwoord zonder oogcontact te krijgen.
De neus wordt niet langer. Dat betekent dat hij, of zij, niet liegt. Bij Pinoccio groeit de neus immers als hij liegt.
‘Je lijkt anders wel heel veel op hem zeg,’ begin ik mijn volgende gespreksopening.
‘Kan kloppen. Ik ben zijn nichtje Piani, ook uit Italië. Gepetto heeft mij gemaakt.’
De neus groeit niet.
Dus toch een zij! Ze praat verder, nog steeds zonder mij aan te kijken en met haar ogen gefixeerd op de toetsen: ‘Ik geef les in pianospelen op de muziekschool.’ De neus groeit.
‘Ik treed ook regelmatig op.’ De neus groeit niet.
‘En ik… hier, ik zal je krijgen zwarte pestkop! Dit keer ontsnap je de vlooiendans niet!’
Dan zie ik waarom de klosjeshanden zo ongecontroleerd heen en weer vliegen. Een vlooitje springt van toets naar toets, maakt een lange neus naar Piani en steekt een roze minitongetje uit dat afsteekt tegen zijn zwarte lijfje.
‘Pak me dan, ik ben lekker toch sneller,’ klinkt een irritant scherp stemmetje, afkomstig van de vlo, die een volgende hink-stap-sprong maakt van witte naar zwarte toets.
Piani timmert gefrustreerd nog harder op de toetsen en begint te huilen. Lange strepen beits lopen uit over haar rode jasje. Met haar houten schoentjes schopt ze boos tegen de pianokast aan.
‘Kan ik je ergens mee helpen?’ vraag ik benepen. Inmiddels begin ik me aardig ongemakkelijk te voelen met de situatie. Andere reizigers vormen een kleine kring om ons heen.
Piani maakt zich klaar om een volgende rammelbeurt weg te geven, terwijl het irritante zwarte gevalletje op en neer springt.
‘Sst, kan het wat zachter, pianissimo, alsjeblieft? ’ vraag ik met enige stemverheffing om boven de herrie uit te komen.
‘De watte?’ vraag ik.
Ik kijk in de doos onder de pianokruk en zie een fraai gekleurde blikken mini circustent staan. Voorzichtig til ik het speelgoed, want dat is het volgens mij, uit de doos. Ik laat het van schrik zowat weer uit mijn handen als ik geluidjes hoor, hoorbaar boven de punt van de tent. Ik loer naar binnen door een van de doorzichtige stukken in het dak. Het lijkt wel een kijkdoos, maar dan een die leeft!
Inmiddels kijk ik nergens meer van op en mijn ergernis over de vertraagde trein is weggevaagd. Mijn blik is gevangen door het blikken circus waarin ik nu een trampoline zie met daarop springende vlooitjes. Een zwarte kat dirigeert de acrobaatjes met een lange zweep in de hand en een toeter aan zijn bek.
‘Dames en heren, de voorstelling is afgelopen. Graag uw applaus.’
Alle vlooitjes buigen diep voor het publiek en springen uit beeld.
‘Aan de kant. Ik heb hem,’ tettert Piani in mijn oor, terwijl ze me een stomp in mijn zij geeft.
Mijn rode knisperende KitKatpapiertje dat ik op de piano had laten vallen, heeft zij gebruikt om de ontsnapte vlo te vangen. Voorzichtig opent ze de luifel van de tent en schuift de vlo naar binnen en geeft hem onderwijl een fikse tik op zijn billen. De vlo springt weg en krijgt de schijnwerpers op zich gericht. Hij staat notabene midden op de trampoline, in zijn eentje. Een groot applaus van het publiek valt hem ten deel, die denken dat het een toegift is.
Piani springt van de kruk en kijkt me kort aan. ‘Dank u mevrouw voor de hulp. Nu moet ik rennen naar perron 4 want daar vertrekt mijn trein naar Nijmegen over enkele minuten. Ik heb daar vanavond een optreden.’
Met slingerende benen en onder de arm de doos met het vlooiencircus maakt zij zich uit de voeten. Het klip-klap-geluid van de houten voetjes verdwijnt geleidelijk aan.
De lunchafspraak zal nog iets later worden, want deze trein ga ik echt niet meer halen.
Gelukkig heb ik nog een Milky Way.
©2023 Vera Oor