De sneeuwbol

 
Even ontsnappen aan deze wereld. Ik wil het even niet meer horen, ik wil het even niet meer zien.
Ik heb soms het gevoel dat ik overspoeld word door woeste golven van berichten over schietpartijen, explosies, agressie, oorlog, natuurrampen. Leed, dat niet voor te stellen is omdat ik het zelf gelukkig niet meegemaakt heb maar waarvan de beelden mijn netvlies vullen.
Is het struisvogelgedrag als ik me er voor af wil sluiten en heel even een tijdreis wil maken: onbezorgd, veilig in een kinderwereld waar het mogelijk is om te verdwijnen in een fantasiewereld. 

‘Nou kom op dan, stap achterop,’ hoor ik ineens een piepklein stemmetje.
Ik kijk verdwaasd om me heen en mijn oog blijft rusten op de sneeuwbol, die ik even geleden heb omgedraaid en waar nu de laatste witte vlokjes neerdwarrelen.
Zie ik het goed? Beweegt er nu iets in die sneeuwbol?
Ik hoor getik tegen glas. Nou moe, het is dat kerstmannetje die op de wand van de glazen bol tikt.
‘Kom maar, pak mijn hand,’ en er komt een wit gehandschoende hand door het glas naar buiten.
Nee dit kan niet, maar o wat zou het fijn zijn als dit werkelijkheid was. Ik geloof zo nu en dan echt in sprookjes.
Ik wijs naar het kerstmannetje.
‘Praat u nou tegen mij?’
‘Ja hoor, kom op,’ en hij pakt mijn vinger.
 
Plof, daar zit ik tussen een enorme stapel pakjes achter op de arreslee en ik voel dat we vliegen.
De bellen aan de slee en aan de teugels van de rendieren klingelen op de beweging van de wind. Onder me trekt een sneeuwlandschap voorbij en zo nu en dan zie ik een nieuwsgierig hondje naar boven kijken. Het valt me op dat er bijna geen auto’s rijden. De huizen staan verspreid door het landschap en uit de schoorstenen kringelt rook omhoog.
We naderen een dorp. Meerdere huizen staan rondom een kerk met een groot plein ervoor. De kerkklokken luiden en, ondanks dat het donker is, zie ik haarscherp de mensen lopen. Dik ingepakt met handschoenen en mutsen. Een enkeling draagt zelfs een bontjas.
Ze lopen de kerk binnen, die haar deuren uitnodigend open heeft staan en sfeervol verlicht is. De orgelmuziek verwelkomt de binnenkomers.

De nachtmis gaat beginnen en de kerkdeuren sluiten. Een diffuus gezang komt door de muren en glas-in-lood-ramen nog naar buiten: oude kerstliederen die door iedereen in de overvolle kerk worden meegezongen.
De arreslee glijdt verder door de sterrennacht boven de antennes van de huizen. De meeste huizen hebben de gordijnen stevig gesloten, maar zo nu en dan zijn de bewegende beelden van een kleine zwart-wit televisie te zien.
 
De kerk is uit en de kerkgangers lopen naar huis. We zweven nu boven mijn ouderlijk huis.
Er komt me een heerlijke geur van saucijzenbroodjes tegemoet. Saucijzenbroodjes om weer lekker warm te worden na de nachtmis in een onverwarmde kerk. Het lukt me niet om in de keuken te kijken, de ramen zijn helemaal beslagen.
Iets erboven kan ik nog net door een van de slaapkamerramen naar binnen kijken. Het eerste begin van ijsbloemen op de ruiten begint zichtbaar te worden.
Goh, mijn slaapkamer. Wat is hij klein, in mijn herinnering was hij groter. Wel herken ik het bed met daarover de AaBe-deken in een vierkant patroon. Op de rieten mat naast het bed, staat de stoel met mijn kerstkleren klaar voor de volgende dag.
Ademwolkjes stijgen op vanaf het kussen. Daar lig ik, tussen de stijve lakens en de bijna krakende deken van de kou. Ik kijk achterom of de arreslee nog steeds zichtbaar is. Ja, hij staat te wachten op het balkon.
 
Het sprookje duurt nog even voort en de arreslee glijdt tot voor het huis. Door een spleetje tussen de gordijnen in de erker kijk ik de huiskamer in.
Een mooie kerstboom met gekleurde lichtjes en rode en zilveren ballen. Onder de boom een gecreëerde grot, met figuurtjes uit het kerstverhaal. Een van de kerstlichtjes geeft de grot een sprookjesachtig aanzien. Mijn vader speelt kerstliedjes op de piano en mijn moeder neuriet mee.
Ik neem het tafereel in me op, adem de sfeer en geniet.

Na wat een eeuwigheid lijkt wenkt de witte handschoen me. Het kerstmannetje maakt me duidelijk dat het tijd is om te gaan en om weer achterop de slee te stappen. Hij trekt me de sneeuwbol in.
Plof, daar zit ik op mijn bank. De hondjes lijken niet eens gemerkt te hebben, dat ik weg ben geweest. Die liggen nog net zo te slapen als toen ik vertrok. De kaarsen zijn nog aan.
Op tafel staat de sneeuwbol met het kerstmannetje in zijn arreslee.
Volgens mij liggen in de koelkast nog saucijzenbroodjes.
 
 

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...