Op het dorpsplein, dicht bij de kerk en bij de kinderopvang staat een prachtig, levensecht beeld van Sinterklaas. De kinderen van de opvang lopen deze dagen met open monden rond de sokkel en bekijken Sint eens goed. Ze voelen zo nu en dan aan zijn staf en aan zijn rode mantel.
Sinterklaas zit met zijn handen in zijn haar onder de mijter. Zijn schimmel is verkouden geworden. Die staat nu in de stal bij de paarden van een grote manege, zodat hij droog en warm staat, maar het ziet er niet naar uit dat hij vanavond op pad kan gaan.
De Sint zelf voelt zich ook niet helemaal topfit en ziet er tegenop om op zijn sokkel op het dorpsplein te staan. Het liefst zou hij af en toe even in een bed kruipen.
O, o, wat een toestand. Net nu ze ‘s avonds over de daken moeten lopen om samen met de pieten allemaal lekkers in de schoenen te stoppen.
Van die muizen krijgen ze een stevige maaltijd van paddenstoelen die ze geplukt hebben en van graankorrels die ze tussen het kippenvoer uitgezocht hebben.
‘Pastoor, wilt u eens gaan vragen bij herberg De Drie Koningen of er daar misschien een bed voor mij is, waar ik af en toe een beetje warm kan worden en kan uitzieken?’
‘Natuurlijk Sint,’ en weg is de pastoor, naar de herberg.
Even later komt hij terug en laat een opgeluchte Sinterklaas weten dat hij altijd welkom is in de herberg en dat er een bed voor hem klaar staat. Als hij drie keer met de staf op de deur klopt, zal de eigenaresse de deur openen en hem zijn bed laten zien. Sinterklaas verheugt zich al op een warm bed en zodra de kinderen van de kinderopvang naar binnen zijn, vertrekt hij naar de herberg.
Daarmee is één probleem opgelost. Maar hoe moet het nu verder zonder het paard?
Zodra de avond begint te vallen, klinkt er een zacht geruis in het dorp en dat geluid gaat naar het slaapkamerraam van de Sint. Hij wordt wakker van getik tegen de ramen en komt zijn bed uit. Hij voelt zich gelukkig een heel stuk beter. Heel langzaam schuifelt hij in zijn nachthemd naar het raam en opent het.
‘Sint, een van de paters heeft mij benaderd. Hij gelooft in de magie van het zwevende tapijt omdat hij lange tijd in het Oosten gewerkt heeft. We hebben een oplossing voor uw probleem gevonden.’
Nieuwsgierig informeert Sinterklaas naar wat die oplossing dan wel is.
‘U mag ’s nachts mijn tapijt lenen, u kunt daar op zitten en zelfs nog wat cadeautjes en snoepgoed op zetten. Zo kunt u toch boven de daken komen.’
‘Oh, mijnheer de fakir, dat zou een prachtige oplossing zijn, maar ik heb geen vliegbewijs voor een tapijt.’
‘Dat is niet zo moeilijk. Ik zal het u leren. Stap maar achterop.’
Sinterklaas slaat zijn mantel goed om zich heen, trekt zijn handschoenen aan en stapt uit het raam, bij de fakir achter op het tapijt. Hij klemt zijn armen goed om de fakir heen wanneer ze langzaam opstijgen voor de vliegles. Natuurlijk weet alleen Sinterklaas hoe die vliegles in zijn werk is gegaan, want anders zouden anderen het vliegend tapijt ook wel eens willen gebruiken.
Ondanks zijn hoge leeftijd leert hij snel en enthousiast vliegt hij naar de boerderij waar hij de Pieten bij de hooimijt wakker trommelt. Die denken dat ze verkeerde paddestoelen hebben gegeten en dingen zien die er niet zijn. Een zwevende Sinterklaas?
‘Pieten,’ zegt hij, ‘we gaan er een mooie avond van maken en gaan de schoentjes vullen. Ik verwacht dat het paard wel snel op zal knappen, maar tot die tijd kan ik in ieder geval met jullie mee op pad.’
En daar vliegt hij weg, statig zittend op het tapijt met zijn staf naast zich neergelegd. Hij houdt zijn mijter vast, zodat die niet afwaait. De pieten rennen achter hem aan met hun zakken vol pakjes.
