Er hangt een paardenhoofstel aan de muur


 De seniorenappartementen hebben een gezamenlijke huiskamer, die goed bezocht en gebruikt wordt. Niet alleen voor een bingo-avond maar ook voor themabijeenkomsten, muziekavonden en eens per maand de nostalgische avond. Deze laatste avond staat op nummer een bij de twintig bewoners, die een warme onderlinge band hebben gekregen in de jaren dat ze hier wonen.
Het thema voor de nostalgische avond stellen ze om beurten vast.
Soms wordt daarbij de inspiratie gehaald uit voorwerpen die de aanwezigen meenemen, zoals dat gebeurt bij het thema “Winterse herinneringen”.
 
Mevrouw van Gennep heeft nog haar eerste schaatsen “de botjes” die ze meeneemt.
Dit leidt tot gesprekken over valpartijen die menigeen op het ijs heeft meegemaakt, de foto’s van bevroren vijvers en koek-en-zopiekramen. Maar ook tot eerste liefdes die ontstaan zijn, zoals mevrouw van Gennep vertelt: ‘mijn “botjes” hadden in de vochtige schuur achter het huis gelegen en het ijzer vertoonde roestplekken. De leren riempjes om deze schaatsen onder de schoenen te binden, waren ingedroogd. Dit leidde tot een breuk in het riempje waarna ik mijn enkel verzwikte en niet bepaald charmant onderuit ging. Met wijd gespreide benen en een wapperende rok om me heen, gleed ik over het ijs in de richting van een groepje jongens.
De opmerkingen zijn niet van de lucht omdat ieder er wel een beeld bij weet te vormen hoe deze ijzige kennismaking verder verliep. Mijnheer Minstreel schetst een beeld dat bij menigeen de tranen over het gezicht laat lopen: ‘Je gleed door in de richting van een jongeman die ook onderuit was gegaan, eveneens met gespreide benen. Zijn broek scheurde open en u kreeg een inkijkje in datgene wat de meesten pas te zien krijgen in de huwelijksnacht.’
‘Hoe weet jij dat?’ vraagt ze.
‘Ik was een van de vrienden van degene die daar op het ijs lag, in afwachting van je komst,’ lacht mijnheer Minstreel, waarbij de tranen hem over de wangen lopen bij deze herinnering.   
 
Mijnheer de Jager zit met een schoenendoos op schoot. Hij heeft er lang over nagedacht of hij dit mee durfde nemen. Hij vreest dat het openen ervan opnieuw heftige emoties in hem losmaakt. De laatste keer dat hij het opende, leefde zijn vrouw nog, die hem begreep en samen met hem stil kon zijn, in gedachten bij kleine Jaap. Nu is hij alleen. Toch wil hij ook dit deel van zijn leven delen met zijn medebewoners, die hem zo vertrouwd zijn geworden. 
Hij kijkt de kring rond en met trillende handen haalt hij het deksel van de doos en haalt er twee rode kinderwanten uit. 
Hij slikt hoorbaar en, na een diepe ademteug, vertelt hij met haperende stem aan wie de wanten hebben toebehoord. ‘Deze wanten zijn van mijn broertje, dat op zesjarige leeftijd voor mijn ogen verdween in een wak.’
De hilarische stemming van zojuist maakt plaats voor stilte. Een stilte die niemand als eerste durft te doorbreken. Wat te zeggen tegen deze man die overmand is door verdriet. Mijnheer Klaus, die naast hem zit, legt een arm over zijn rug en klopt hem zachtjes op zijn schouder, een troostend gebaar.
Een aarzelende glimlach breekt door op het gezicht van mijnheer de Jager.
‘Ik wil vertellen waarom deze wanten zo belangrijk voor mij zijn. Ik heb me lange tijd enorm schuldig gevoeld. Ik zou op Japie letten, had ik mijn moeder beloofd en toen gleed hij letterlijk uit het leven. Zijn bleke gezicht heeft me altijd vervolgd in mijn dromen. Ik merk nu, in de jaren dat ik hier woon, dat ik me aan het voorbereiden ben op een weerzien met mijn broertje. Dat geeft me rust.’
Met een hartgrondige zucht, richt hij zich tot de andere bewoners: ‘Dank jullie wel dat ik dit met jullie mocht delen.’
De foto van Japie gaat de kring rond. De belangstelling en het medeleven van de anderen doet mijnheer de Jager zichtbaar goed.
 
Onder het genot van een drankje worden andere verhalen gedeeld. De nostalgische avonden duren altijd lang omdat er veel herkenning is en de ene herinnering een herinnering bij een ander uitlokt.
Ieder, op een na, heeft zijn of haar winterse herinnering gedeeld. De enige die dat nog niet heeft gedaan, is mijnheer Klaus. Hij woont hier nog niet zo lang en dit is pas de tweede avond dat hij zich aansluit. De anderen weten dat hij lang in het buitenland, in Spanje, gewoond heeft. 
‘Mijnheer Klaus, heeft u ook een winterse herinnering, of zijn er geen echte winters in Spanje?’ vraagt mevrouw Kous. Haar bijnaam is Kletskous en niet voor niks. Alles wat ze van anderen hoort, wordt binnen no time door haar rondgebazuind. Met plaatsvervangende schaamte richt mevrouw Karelse zich tot de man: ‘Het is geen verplichting hoor om uw herinnering te delen. Voel u vrij als u dat wilt, maar voel u alstublieft niet gedwongen.’
Mijnheer Klaus staat op en loopt naar de wand van de ruimte.
‘Dit,’ zegt hij terwijl hij wijst op een schilderij. ‘Dit schilderij vertegenwoordigt een groot deel van mijn winterse leven. Het raakt me dat ik dit hier zag hangen. Waar veel Nederlanders in de winter naar Spanje vertrekken, kwam ik juist naar Nederland.’
Hij vertelt over zijn adviezen aan winkeliers bij de inrichting van hun etalages; over zijn personeel dat wensen van kinderen verzamelde; over dezelfde liedjes die overal gezongen werden; over zijn getrainde medewerkers die afdaalden in schoorstenen om schoenen te vullen of die bonsden op ramen en snoepgoed strooiden.
‘Vijf en zes december waren mijn persoonlijke hoogtijdagen. Over besneeuwde daken -in de tijd dat winterse buien normaal waren- trippeltrappelde ik over de daken met mijn paard. Ik genoot van de liedjes over Kapoentje, over een maan die door bomen schijnt en Amerigo, mijn paard, kwam niks te kort door alle wortels en hooiplukken die in schoenen lagen.’
Tot zijn spijt heeft hij geconcludeerd dat Sinterklaastraditie meer en meer uitgekleed is en vervangen door neutrale winterse tafrelen in etalages. Winkeliers hebben zijn adviezen niet meer nodig. Vanaf eind zomer liggen er al pepernoten in de schappen. Zwarte schmink daarentegen is verdwenen uit het aanbod.
‘Ik miste de opgewonden kinderstemmen, de spanning. Bovendien verwachten kinderen grote cadeaus, zoals telefoons. De tijd van surprises lijkt tot een eind te komen. Toen ook mijn paard Amerigo enkele jaren geleden overleed, heb ik mijn mijter en mantel overgedragen aan een jongere Sinterklaas, die past bij de huidige generatie. Zijn paard Ozosnel loopt er af en toe voor spek en bonen bij. Sinterklaas swingt en zingt luidkeels mee. Dat had ik nooit meer gekund.
Dit schilderij, van een paardenhoofdstel, doet me denken aan Amerigo en mijn winterse avonturen in Nederland.’

©Vera Oor, 2025
 

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...