De inspiratie voor dit verhaal kwam in me op toen ik op Facebook een foto voorbij zag komen van een klein meisje, opgebaard in een kist als een kleine prinsees. In die tijd, het Victoriaanse tijdperk (1837-1901) werden foto's Post Mortem gemaakt, waarbij het lijkt alsof de overledene nog in leven is. Zorgvuldig geposeerde portretten die een plaats krijgen in het rouwproces.
Sarah dept voorzichtig de hoogrode wangetjes van haar vierjarige dochtertje Victoria. Ze dompelt de doek opnieuw in het smoezelige water van een kom die naast het bed staat. Natte slierten haar plakken tegen het bezwete gezicht van het meisje. Ze rilt en spreekt onverstaanbare woorden.
Zacht buigt Sarah zich voorover en wrijft teder met ronddraaiende bewegingen over Victoria’s buik. Wat zou ze graag de pijn van haar kind overnemen. Maar ze staat machteloos. De tyfus heeft ook hun huis bereikt, zoals zovele in deze buurt, in het jaar 1851.
Nog maar kortgeleden speelde Victoria buiten met haar broertjes, Harry en John, en de kinderen uit de straat. De zon deed verwoede pogingen om door te dringen in sombere, donkere straten, waar mensen en ongedierte naast elkaar leefden. Victoria rende naar een lichte streep op straat, waar de krachteloze herfstzon de zanderige grond beroerde. Dromerig bleef ze staan, haar gezicht omhoog gericht om de opening in de wolken te ontdekken en te fantaseren hoe het moest zijn in dat licht.
Donkergrijze sluiers uit de fabrieksschoorstenen hangen als een deken van roet boven de huizen, in allerijl opgetrokken voor de fabrieksarbeiders. Huisvesten is een te groot woord, onderbrengen dekt de lading beter.
De muren zuigen de vochtige mist van de herfstochtenden op en de kieren bij de ramen bieden ruim baan aan de onstuimige westenwind. De kachel slokt de kolen op, maar geeft er weinig warmte voor terug. Daar waar dakpannen ontbreken, zuigen de gaten een deel van de warmte op en blazen het boven de nacht in. Het ongedierte gebruikt de gaten om naar binnen te komen.
’s Ochtends sleept Philip, Victoria’s vader, zich naar de fabriek, waar hij tot vroeg in de avond werkt. Anders dan vele anderen bezwijkt hij daarna niet voor de vernietigende lokroep van de drank. Na de dagelijkse stamppotmaaltijd ’s avonds, vertrekt hij weer om zijn werk als straatveger op te pakken in de wijken waar de rijken wonen. Daar waar zware gordijnen voor de ramen hangen en de warmte binnen blijft. Tijdens het vegen fantaseert Philip over wat zich afspeelt achter die gordijnen. Hij stelt zich voor dat stoelen met dikke kussens klaarstaan voor mannen die waarschijnlijk nog nooit een veger hebben vastgehouden en geen weet hebben van kou, van eelt of van rugpijn ten gevolge van lichamelijke inspanning. Net als de fabrieksbazen, die hun arbeiders met minachting aankijken en opjagen tot hogere productie.
Philip stelt zich achter de gordijnen ook een rijkelijk gedekte tafel voor waar alle gezinsleden een keuze maken van de gerechten, bereid door de kokkin. De rijke lady’s wagen zich waarschijnlijk alleen in de keuken om opdrachten uit te delen. Het zou hem niet verbazen als de weldoorvoede kinderen jengelen omdat hun lievelingsgerecht vandaag niet op het menu staat. Hij denkt aan zijn eigen kinderen. Tenger, met ingevallen wangen. Aan Sarah, die na de zware bevalling van Victoria nooit meer de oude is geworden. Ze klaagt niet, maar hij ziet aan haar kromgebogen houding dat ze veel pijn heeft. Dan knijpt zijn hart samen.
Laat op de avond valt hij uitgeput in een diepe slaap. Zo diep, dat zelfs dromen geen kans krijgen tot leven te komen.
Wat Sarah en Philip al vreesden, lijkt werkelijkheid te worden: Victoria zal komen te overlijden. Philips zuster heeft Harry en John opgehaald en mee naar huis genomen, zodat zij alle aandacht en zorg kunnen richten op hun dochtertje.
De fabriek kan wachten, de dood wacht niet. Beide ouders houden een handje vast en strelen dat met hun vingers. Victoria moet hun aanwezigheid voelen en zich gesterkt weten als ze overgaat naar gene zijde.
‘Oh, Philip, hoe zal het daar zijn? Heeft ze dan geen pijn meer?’ fluistert Sarah haar vragen, waarop Philip, net als zij, geen antwoord weet, alleen een overtuiging, een geloof.
Hij steunt zijn hoofd in zijn handen en snikt: ‘De ziel van ons kleine prinsesje gaat naar de hemel, naar het licht. Daar heeft ze geen pijn meer en zal ze gelukkig zijn.’
Halverwege de ochtend opent Victoria haar ogen, een glimlach trekt over haar gezicht. Na enkele oppervlakkige ademhalingen, sluit ze haar ogen en laat ze het leven. De zachte lach om de mond blijft hangen.
Beide ouders zoeken steun bij elkaar. Even later buigen ze zich over naar het kleine kind in het grote bed en nemen met tedere kussen afscheid.
Tranen druppen op de bleke wangen en Sarah veegt ze voorzichtig weg, waarna ze Philip vragend aankijkt.
Hij weet wat Sarah bedoelt. ‘Ja, ik zorg ervoor,’ zegt hij alleen maar waarna hij nog een laatste blik op het bed werpt. De jonge vader loopt als een oude man de kamer uit, maar niet voordat hij de klok stil heeft gezet.
Sarah haalt de diep in de kast weggestopte witte lakens tevoorschijn. Lakens, die ze bewaard heeft voor deze gebeurtenis, waarvan eenieder weet dat die op de loer ligt. Ze legt ze bij de kleine kist die Philip gemaakt heeft toen duidelijk werd dat Victoria deze aanval op haar lijf waarschijnlijk niet zou overleven. Haar dagelijkse kleding en schort heeft ze verwisseld voor een zwarte, lange rok van een stugge stof. Ze slaat de zwarte, wollen omslagdoek om haar bovenlijf.
Philip is nu ook gekleed in donkere kleding en draagt een rouwband om zijn bovenarm. Hij kijkt toe als Sarah het kistje bekleedt met de lakens en die kunstig plooit in de hoeken. Daarna pakt ze de witte jurk die ze klaar heeft gelegd en kleedt Victoria aan. De blonde krulletjes borstelt ze totdat ze glanzen.
‘Zal ik haar dragen?’ vraagt Philip met een bezorgde blik op het lijkbleke gezicht van zijn vrouw.
‘Nee,’ antwoordt ze resoluut. ‘Dit wil ik zelf doen.’ Behoedzaam tilt ze Victoria op en houdt haar gezichtje tegen haar eigen gezicht. Ze loopt de paar passen van het bed naar de kist en legt haar dochtertje tussen de lakens.
Even later komen kleine John en Harry binnen, aan de hand van hun tante. Ze schuifelen naar de kist en kijken naar hun kleine zusje, die daar opgebaard ligt.
‘Is Victoria naar de hemel?’ vraagt John met een trillende onderlip, terwijl Harry zijn hand vasthoudt.
Sarah knikt en aait beide jongens over hun hoofd.
‘Ja. Daar is ze niet ziek meer en heeft ze geen pijn,’ antwoordt ze zo overtuigend mogelijk. ‘Hebben jullie nog witte bloemetjes kunnen plukken?’
De jongens laten met enige trots de bloempjes zien en samen met hun moeder leggen ze die bij hun zusje in de kist. Sarah vlecht kunstig enkele bloemen tot een krans en legt die op het hoofd van Victoria. Voordat de lijkstijfheid optreedt, vouwt ze de vingers van de twee kleine handen in elkaar en legt ze op de schoot.
‘Zo meteen komt een mijnheer een foto maken,’ legt ze aan de jongens uit. ‘Wij gaan samen op de foto en ook kleine Victoria komt erbij op te staan. We gaan om het kistje zitten, alsof we naar haar kijken terwijl ze slaapt. Zo hebben we altijd een beeld van haar in ons midden.’
‘Waarom staat de klok stil?’ vraagt John.
Sarah weegt haar woorden zorgvuldig. ‘Dat is om Victoria de tijd te geven om rustig naar de hemel te reizen.’
Morgen zal ze hen proberen uit te leggen dat om dezelfde reden de spiegels in huis afgedekt worden, de gordijnen gesloten en de deuren omwikkeld met zwart crêpe.
©Vera Oor, 2025