De Kerstvoorstelling



Ik had meegedaan aan een schrijfwedstrijd: een magisch kerstverhaal, met een link naar Den Bosch. 
Georganiseerd door KerststallenDenBosch.nl
Samen met 49 anderen is mijn verhaal uitgekozen en geplaatst in de bundel "Een Bossche Kerst".
Dit is mijn verhaal daarin:

‘Kom op, Gerritje, we moeten nu echt weg anders zijn we te laat,’ roept Christien naar haar zeven jaar oude dochtertje.
‘Ik moet mijn kroon nog hebben, die ligt nog bij oma in de kamer,’ roept Gerritje terwijl ze weer naar binnen rent. Even later sleept ze een plastic tas mee naar buiten, naar de auto.  
Ze zwaait nog even naar haar oma, die achter het kamerraam staat te zwaaien. 

Oma Gerdie kijkt de auto na als die de straat uitrijdt en zingt zachtjes: ‘Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje.’ 
‘Nou, laat dat lieve vandaag maar weg,’ mompelt Herman, haar man, vanachter zijn krant. ‘Jeetje, wat was dat kind druk vandaag.’ 
Gerdie glimlacht maar een keer en vergoelijkt zijn opmerking: ‘Ach, Gerritje is gewoon zenuwachtig. Vergeet niet dat ze voor de eerste keer meedoet aan zo’n toneelvoorstelling. Ze was misschien niet heel erg lief vandaag, maar in ieder geval zoet.’ 
Ze denkt even terug aan het glunderende snuutje van haar kleindochter toen ze de eerste zelfgebakken kerstkransjes voorzichtig van het bakblik afpakte. Licht goudbruin met amandelschaafsel en een beetje kandijsuiker. De zoete geur was te verleidelijk voor Gerritje om er niet enkele in haar mond te stoppen toen ze enigszins afgekoeld waren. 

Zo! neemt Gerdie zich voor en stalt de dozen met kerstballen op tafel uit. De donkergroene naalden van de kerstboom roepen, zo lijkt het, om versierd te worden en de geur van de hars drijft Gerdie’s neus binnen.
Elke bal rolt ze zorgvuldig uit het vloeipapiertje voordat die een plaatsje krijgt aan een van de takken. Met een van de versiersels blijft ze enige tijd in haar handen staan. Het zilverkleurige vogeltje 
met de zijde-achtige staart houdt ze zorgvuldig vast bij de knijper waarmee het vastgezet kan worden aan een tak. 
Herman ziet de traan die langs haar wang glijdt. Hij staat op uit zijn stoel en gaat naast haar staan. Ook op hem mist het vogeltje zijn uitwerking niet: ‘Erna’s vogeltje. Ze was zo trots dat ze dit voor mijn verjaardag had mogen kopen. Ik zie haar nog staan terwijl ze de staart aaide.’
Hun beider gedachten gaan terug in de tijd. Erna, hun dochtertje dat op zevenjarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van een longontsteking. Erna, die eigenlijk zoveel lijkt op Gerritje: haar rode haren, de onuitputtelijke energie en de onbevangenheid van een kind. Als Erna lachte, klonk dat zo aanstekelijk dat iedereen wel met haar mee ging lachen, of ze nu wilden of niet. 
Erna zou dat jaar als kerstengel mogen spelen in een optreden dat de kinderen hadden voorbereid voor hun ouders. Wie had kunnen denken, dat ze daadwerkelijk een engel zou zijn op het moment dat het spel werd opgevoerd. Herman en Gerdie hebben de uitvoering niet bijgewoond, een uitvoering zonder Erna zou te confronterend zijn. 

Als Gerritje eind van de dag nog even met haar moeder naar opa en oma gaat, straalt ze helemaal. De repetitie is goed verlopen en ze drukt haar opa en oma op het hart om morgen op tijd in de St. Jan te zijn. Om 15.00 uur begint de toneelvoorstelling en de familie van de toneelspelers mag vooraan in de banken zitten. 

En daar zitten ze nu in de derde bank. Herman en Gerdie hebben goed zicht op het toneel. De betoverende sfeer van Kerst zindert tussen de kerkbanken door als de organist enkele kerstliedjes speelt. Een enkeling neuriet mee, een ander zingt ingetogen de tekst van de herdertjes die ’s nachts in het veld lagen. Kerststukken met rode linten, zilveren ballen en glanzende lichtjes staan op het altaar en zorgen voor een mystiek lichtschijnsel. Over het middenpad is de rode loper uitgerold. 
Dan maakt het toneelgezelschap zijn opwachting. Geconcentreerd lopen de kinderen over de loper achter elkaar naar voren. Jozef en Maria lopen als eerste het toneel op en knielen neer bij het houten kribje. Dan volgen de herders met schapen, die gemaakt zijn van een opgevulde vachten. 
De spelers en speelsters vertolken hun rol met overtuiging en zo nu en dan werpen ze een steelse blik op de toehoorders in de kerkbanken. Maria staat ineens op en roept: ‘Hoi mama,’ waarna ze snel aan haar mouw getrokken wordt door Jozef, die met een vinger over zijn lippen duidelijk maakt, dat het nog niet hun beurt is om iets te zeggen. 
Ze knielt weer bij de kribbe en slaat haar ogen neer, nadat ze nog even opzij naar de kerkbanken heeft gekeken. 
Als de herders allemaal een bezoek hebben gebracht aan het jonge gezin, mogen de drie koningen hun opwachting maken. De eerste koning verstapt zich en valt languit neer aan de voeten van Maria, die hem weer overeind trekt en haastig het cadeau uit zijn handen trekt. 
‘Dank u wel, Balthasar, voor deze mirre,’ zegt Jozef zijn geleerde tekst. ‘Caspar, bedankt voor de wierook,’ neemt Maria het volgende cadeau in ontvangst. 
Gerritje, in haar koningsmantel, kijkt vastberaden naar het kribje en stapt als Melchior naar voren. Het cadeau stevig in beide handen geklemd.  Ze zet een stap richting het kindje Jezus, maar struikelt over een slapend lammetje. Het pakje vliegt door de lucht en landt in het kribje. Slagroom spat op, gevolgd door een golfje chocolade.
Een moment van oorverdovende stilte. 
‘Ik..ik..ik wilde kindje Jezus iets echt uit Den Bosch geven en daarom heb ik Bossche Bollen ingepakt,’ stottert Gerritje. 
Nu laat ook kindje Jezus van zich horen, het kleinste kind van de klas had deze rol toebedeeld gekregen. Met een gezicht vol slagroom en chocoladevegen door het haar staat ze op uit haar kribbe en loopt naar Melchior-Gerritje toe. ‘Je moet mij goud geven!’ 
Binnen een mum van tijd wrijven alle toneelspelers met hun vinger langs het besmeurde kind en nemen een lik slagroom.
Ineens valt het oog van Herman en Gerdie op een engel die iets verder van het toneel af staat: een engel met rode haren, die overduidelijk de slappe lach krijgt. 
Het publiek houdt haar lachen niet meer tegen en barst uit in onbedaarlijke, gierende lachen.


Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...