De wereld van engelen

 

De witte wereld om me heen is op geen enkele manier te vergelijken met die ik ken wanneer een dik pak sneeuw ligt.
Deze wereld is diffuus, oneindig en van een soort wit dat het houdt tussen de kleur van een wit blad papier en een kerstboom met “warm light” lampjes; deze wereld is op geen enkele manier tastbaar, zoals rook die tussen je vingers doorglipt.
Verwonderd kijk ik naar mijn voeten die staan, edoch kan ik geen ondergrond ontdekken. Ik zie geen objecten. De wijdvertakte besneeuwde boom die ik denk te herkennen, bestaat alleen in mijn verbeelding. Zodra ik erheen wil lopen is het weg. Lopen voelt niet zoals lopen. Ik beweeg zonder dat ik daar moeite voor moet doen. Ik lijk te zweven zoals Harry Potter dat doet op zijn bezemsteel.
Over hoe lang ik hier al ben? Geen idee. Evenmin heb ik een idee hoe ik hier terecht ben gekomen.
Ik voel een aangename lucht om me heen die zowel verkoelend als verwarmend is, het lijkt een bad met water op lichaamstemperatuur waarin ik dobber.
Een geur die vast nog nooit is uitgevonden, want dan had ik de verstuiver ervan aangeschaft. Zacht, warm, helder, met een zweem van bloemengeur die me doet denken aan een ochtend in de zomer, een kruidenbouquet dat samengesteld moet zijn uit de fijnste soorten.
De omgeving voelt onaards.
Een lichte ruis glooit door deze atmosfeer en geleidelijk aan onderscheid ik figuren. Maar wie of wat zijn het?
Mijn adamsappel gaat op slot en blokkeert mijn stembanden. Met open mond vol onuitgesproken woorden sta ik temidden van deze wezens.
 
Ik word opgenomen in de groep alsof ik er altijd ben geweest. Ben ik dood? Ik bijt mezelf eens hard op de lip. De helderrode bloeddruppel die valt, lijkt een dieprode kerstbal in een kerstboom vol engelenhaar. Dood ben ik dus niet.
De gedachte die nu bij me opkomt, duw ik weg. Dat is flauwekul. Natuurlijk zijn dit geen engelen om me heen. Engelen bestaan niet, ook al is er dan een liedje gemaakt over een engelbewaarder.
Opeens hoor ik een zachte stem naast me: ‘Jawel hoor, we bestaan wel degelijk. Hoe langer je hier verblijft, hoe meer je ons zult onderscheiden van deze omgeving. Ik ben de eerste, die je ziet. Ik ben jouw engelbewaarder.’
De tule-achtige vleugels kan ik nu onderscheiden. Geleidelijk aan zie ik meer van de witte verschijning.
‘Herinner je je het weer?’ vraagt mijn engelbewaarder. ‘Ik vlieg even met je terug in de tijd.’
 
Ik zit vastgeklemd in een wit omhulsel dat een enorme druk op me uitoefent. Mijn borstkas wordt een kort moment ingedrukt, om even later weer wat ruimte te krijgen om in te ademen. Ik voel niks. Mijn benen liggen in een vreemde stand, maar ik voel ze niet. Om me heen hoor ik opgewonden stemmen, een blauw licht flitst langs me heen. Dan dringt het tot me door. De tegenligger, mijn krachtige remmen en de donkere boom waar ik met hoge snelheid op af reed. De klap en daarna niks meer.
 
‘Ja, he? Je herinnert het je weer,’ haalt mijn engelbewaarder me terug in de witte omgeving.
‘Ja, mijn airbag heeft me gered, denk ik. Maar waarom ben ik hier? Ik voel niet aan alsof ik dood ben,’ antwoord ik hem, terwijl ik mezelf stevig in de arm knijp.
‘Dat was geen airbag. Dat was ik, die je omklemde en beschermde en zodoende voorkwam dat je verpletterd werd tussen de boom en het blik van de auto.’
‘Maar waar ben ik nu dan? Ik ben niet dood, ben ook niet in de hemel, maar daar lijkt het hier verdacht veel op met al die engelen om me heen.’
De engel legt me uit, dat zo nu en dan een ongelovige naar “boven” wordt gehaald om kennis te maken met deze serene sfeer waarin ik me nu bevind.
‘Met hoeveel zijn jullie nu dan om me heen?’ vraag ik omdat ik alleen “mijn” engelbewaarder zie.
‘Dit is niet alleen de omgeving van engelbewaarders, maar van alle engelen. Natuurlijk zie jij geen andere engelbewaarders, die horen bij andere mensen. De engelen die jij zometeen steeds meer ziet, zijn de engelen die deze periode afdalen naar de aarde om deel uit te maken van de donkere dagen voor Kerst.
Zij nemen hun plaats in waar ze al jaren terugkomen: engelenhaar versiert kerstbomen. De aartsengel Gabriel zweeft in de kerststal in de nok van de stal, nadat hij verschenen is aan de herders om de geboorte van het Kerstkind aan te kondigen.
‘Ga jij dan met mij mee terug naar de aarde?’ wil ik weten, want inmiddels ben ik er wel van overtuigd dat ik hier slechts tijdelijk ben.
‘Ik begeleid je terug. Denk aan deze troostrijke wereld als je de boom optuigt en het stalletje inricht.’

©Vera Oor, 2025

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...