‘Joh!,’ roept Tom opgewonden, maar slaat meteen verschrikt zijn hand voor zijn mond. Zo blijft hij voor het raam staan en staart naar de overkant van de straat. De straatlantaarn geeft een beetje licht, net voldoende om in de verse sneeuw sporen te ontdekken. Het zijn geen sporen van autobanden, maar wat zijn die vier afdrukken in de witte ondergrond dan wel?
Achter de huizen schijnt de volle maan. De donkere, kale takken van de hoge boom in de tuin van mijnheer Jansen, aan de overkant, hebben een bijzondere vorm. Er is veel aan gesnoeid en de paar takken die er nog over zijn, lijken op Wajangpoppen tegen het ronde licht van de maan.
Tom kijkt om naar het schap boven zijn bed. Daar staan twee Wajangpoppen die hij van zijn oom heeft gekregen. Ome Karel was op vakantie geweest in Indonesië en onder de indruk geraakt van het schimmenspel van de poppen. Tegen een wit laken met daarachter een felle lamp liet hij aan Tom zien hoe de Wajangpoppen tot leven leken te komen.
Plotseling ziet hij tussen de takken door een ander silhouet. Hij wrijft het restantje slaap uit zijn ogen en staart gebiologeerd naar de maan. Daar loopt een paard en op zijn rug zit Sinterklaas. Hij herkent hem aan de mijter en de wapperende mantel. Ineens weet hij ook waar die sporen in de sneeuw van waren: van het paard.
Maar dan! Het lijkt of er vuurwerk vanaf de maan naar beneden springt. Honderden kleine, glimmende en gekleurde dingen vallen omlaag als vallende sterren. Zelfs als Sinterklaas allang voorbij de maan gereden is, ziet Tom nog de glimmertjes in de lucht.
Als hij de volgende ochtend aan het ontbijt vertelt over wat hij ’s nachts gezien heeft, kijkt zijn vader hem lachend aan: ‘Jongen, je hebt gedroomd. Je bent zo opgewonden over de komst van Sinterklaas, dat je hem overal denkt te zien.’
‘Maar die glimmende dingen dan?’ vraagt Tom ongeduldig. ‘Ik heb ze écht gezien.’
’s Middags is de intocht van Sinterklaas en Tom staat met zijn vriendje Jim vooraan. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en kijkt naar de Sint op zijn paard. De vorm klopt. Het is echt Sinterklaas die hij vannacht gezien heeft. Als de goedheiligman zijn tocht afrondt, spreekt hij de groep kinderen op het plein toe vanaf het bordes van het gemeentehuis: ‘Vanavond, lieve kinderen, mogen jullie de schoen zetten.’
Als Tom ’s avonds zijn schoen gezet heeft, in bad is geweest en zijn tanden heeft gepoetst, stopt zijn moeder hem in bed.
‘Droom maar weer fijn van Sinterklaas,’ zegt ze. ‘Misschien ligt er morgen iets lekkers in je schoen.’
Tom draait en draait, maar het lukt hem niet om in slaap te vallen. Hij sluipt opnieuw naar het raam en kijkt naar buiten. De maan en de takken zijn er nog, maar geen Sint te zien.
Dan, tot zijn stomme verbazing, ziet hij op straat iets waarvoor hij ook nu weer zijn ogen goed uitwrijft. Het zijn dezelfde glimmende dingen als die gisteravond vanaf de maan naar beneden vielen. Hij weet het zeker en hij droomt niet. Dit keer rollen, huppelen en springen ze over de straat.
Tom sluipt zijn kamer uit, trekt zijn laarzen aan en graait zijn jas van de kapstok. Als hij op zijn tenen gaat staan, lukt het hem op bij de sleutel van de voordeur te komen. Hij trekt de deur open. Ondanks de dikke jas en das rilt hij een moment van de kou, die hem tegemoetkomt.
Opeens hoort hij tussen de struiken een ritselend geluid en hij houdt zijn adem in. Is dat de kat van de buren?
‘Poekie, psst!’ fluistert Tom. Er komt geen kat aan, maar ineens houdt wel het ritselen op. Tom trekt zijn capuchon over zijn hoofd, blijft doodstil staan en wacht op wat komen gaat.
Een knisperend groen en een geel iets lopen aan hem voorbij. Ineens weet Tom wat het zijn: een snoepkikker en een snoepmuis in een gekleurd zilverpapiertje: zijn lievelingslekkernij in de Sinterklaastijd. Maar deze twee lopen en springen. Droom ik nu toch? vraagt Tom hardop alsof hij zichzelf wil bewijzen dat hij wakker is. De kikker en muis verstijven pal voor de deur als ze zijn stem horen. Ze kijken met hun glinsterende oogjes naar Tom, die naar voren springt. ‘Wat doen jullie? Snoepkikkers en muizen kunnen niet bewegen.’
Een moment is het stil en dan kwaakt de kikker en piept de muis. Toch kan Tom alles verstaan wat ze zeggen. De kikker begint: ‘Wij moeten zelf zorgen dat we in de schoenen van de kinderen komen te liggen. Heel veel Pieten hebben kougevat op die boot en de paar die er nog over zijn, kunnen niet alle huizen af.’
De muis knikt bevestigend. Zijn snorharen trillen. ‘Gelukkig kent Sinterklaas een tovenaar die alle muizen en kikkers heeft betoverd. Totdat de maan ondergaat, kunnen wij ons bewegen. Daarna veranderen we weer in suikersnoep met een chocoladelaagje. Gisternacht hebben we geoefend. We vlogen met Sinterklaas op de rug van het paard en lieten ons van grote hoogte vallen in de straten.’
‘Dus jullie waren de vallende glimdingen die ik heb gezien,’ vraagt Tom, klappertandend van de kou.
‘Ja, dat waren wij, maar vannacht moeten we echt binnen zien te komen in de huizen,’ reageert muis op zijn vraag.
Tom moet dit antwoord even verwerken. Sinterklaas, een tovenaar en bewegende muizen en kikkers. Hij voelt aan zijn haren. Die zijn kletsnat van de smeltende sneeuw waardoor hij weet dat hij niet in zijn bed ligt en echt buiten staat. Het is dus geen droom.
De kikker en muis kijken hem verwachtingsvol aan. ‘Mijn oortjes bevriezen bijna. Ga je ons helpen?’ vraagt de muis.
‘Waarmee?’ wil Tom weten.
‘Door de deur voor ons open te maken natuurlijk,’ valt de kikker zijn maatje bij. ‘Dan zijn we tenminste binnen en hoeven we niet allerhande toeren uit te halen. We hebben daarna tijd over om eens wat te spelen, voordat we in jouw mond verdwijnen morgenvroeg.’
‘Hoe zouden jullie dan naar binnen gegaan zijn als ik er niet was?’ informeert Tim nieuwsgierig.
De kikker kijkt hem vorsend aan, hij wordt niet voor niks kikvors genoemd. ‘Dan zou ik een aanloop over het tuinpad hebben genomen om met een megahoge sprong door de brievenbus te springen.’
‘En dan,’ vult de muis giechelend aan,’ zou ik een handstand tegen de deur hebben gedaan en mijn staart naar boven hebben gericht. De kikker had me aan mijn staart naar binnen kunnen hengelen.’
‘Oké, ik help jullie,’ knikt Tom en hij opent de deur voor de twee snoepdieren die nu even geen snoepdier zijn. ‘Maar wel stil zijn hè, anders worden mijn ouders wakker.’
De kikker en muis kijken hem verwachtingsvol aan. ‘Mijn oortjes bevriezen bijna. Ga je ons helpen?’ vraagt de muis.
‘Waarmee?’ wil Tom weten.
‘Door de deur voor ons open te maken natuurlijk,’ valt de kikker zijn maatje bij. ‘Dan zijn we tenminste binnen en hoeven we niet allerhande toeren uit te halen. We hebben daarna tijd over om eens wat te spelen, voordat we in jouw mond verdwijnen morgenvroeg.’
‘Hoe zouden jullie dan naar binnen gegaan zijn als ik er niet was?’ informeert Tim nieuwsgierig.
De kikker kijkt hem vorsend aan, hij wordt niet voor niks kikvors genoemd. ‘Dan zou ik een aanloop over het tuinpad hebben genomen om met een megahoge sprong door de brievenbus te springen.’
‘En dan,’ vult de muis giechelend aan,’ zou ik een handstand tegen de deur hebben gedaan en mijn staart naar boven hebben gericht. De kikker had me aan mijn staart naar binnen kunnen hengelen.’
‘Oké, ik help jullie,’ knikt Tom en hij opent de deur voor de twee snoepdieren die nu even geen snoepdier zijn. ‘Maar wel stil zijn hè, anders worden mijn ouders wakker.’
Ze volgen hem naar de kamer, naar de schoenen die klaar staan. De wortel die Tom erin gelegd heeft voor het paard van de Sint, gooien ze eruit en ze maken van het hooi een kuiltje in de neuzen van de schoenen. Een schoen voor de kikker en de andere voor de muis, die tevreden piept: ‘Zo! Daar kunnen we straks wachten tot de ochtend, maar nu gaan we eerst lol maken. Ik doe mijn zilverpapiertje af, anders beschadigt het misschien. Straks trek ik het wel weer aan.’
De kikker volgt zijn voorbeeld. Ze willen tikkertje spelen en Tom moet dan meedoen. Het is moeilijk om heel zachtjes aan te doen als je tikkertje speelt, maar toch lukt het de drie. De kikker en de muis vinden Tom natuurlijk elke keer heel snel. Door zijn grootte valt hij veel meer op. Maar zij zijn klein en nu amper te zien door hun chocoladelaagje, dus Tom speurt er heel wat af in de kamer. Hij kijkt zelfs onder de bank en onder de kast. Het is stoffig daar en hij bedwingt een opkomende niesbui door zijn pyamajas voor zijn neus te duwen.
Dan ineens roept de kikker: ‘Oeps, de maan zakt steeds verder weg. Aankleden muis!’
Razendsnel trekken ze hun gekleurde zilverpapieren kleding aan en duiken ieder in een schoen.
‘s Ochtends staat zijn moeder naast Tom: ‘Wakker worden. Wat doe jij nu hier?’
Tom kijkt met slaperige ogen zijn moeder aan. Hij ligt naast zijn schoenen in de kamer. ‘Ik heb tikkertje gespeeld met de muis en de kikker. Daarna ben ik denk ik in slaap gevallen.’
Zijn moeder kijkt hem bevreemd aan. ‘Met wie? Ik zie geen muis en ook geen kikker, je hebt zeker gedroomd. Waar komt dat stofweb in je haren vandaan? En heb jij dat gedaan, de wortel uit de schoen gehaald? Zo te zien is Sinterklaas vannacht niet geweest, anders had hij dat vast meegenomen voor het paard.’
Tom graait in zijn schoenen. In zijn handen heeft hij tot zijn moeders verbazing plukken hooi, uit de ene schoen komt een snoepkikker tevoorschijn en uit de andere een snoepmuis.
‘Hoe wist jij dat die erin lagen?’
Tom haalt zijn schouders op. Hij besluit het geheim van vannacht niet te vertellen. ‘Misschien heb ik dat gedroomd,’ zegt hij op het moment dat zijn vader de kamer inloopt.
‘Heb je alweer van Sinterklaas gedroomd?’ vraagt die. Het antwoord komt dit keer niet van Tom, maar van zijn moeder: ‘Nee, hij heeft nu van muizen en kikkers gedroomd.’
De kikker volgt zijn voorbeeld. Ze willen tikkertje spelen en Tom moet dan meedoen. Het is moeilijk om heel zachtjes aan te doen als je tikkertje speelt, maar toch lukt het de drie. De kikker en de muis vinden Tom natuurlijk elke keer heel snel. Door zijn grootte valt hij veel meer op. Maar zij zijn klein en nu amper te zien door hun chocoladelaagje, dus Tom speurt er heel wat af in de kamer. Hij kijkt zelfs onder de bank en onder de kast. Het is stoffig daar en hij bedwingt een opkomende niesbui door zijn pyamajas voor zijn neus te duwen.
Dan ineens roept de kikker: ‘Oeps, de maan zakt steeds verder weg. Aankleden muis!’
Razendsnel trekken ze hun gekleurde zilverpapieren kleding aan en duiken ieder in een schoen.
‘s Ochtends staat zijn moeder naast Tom: ‘Wakker worden. Wat doe jij nu hier?’
Tom kijkt met slaperige ogen zijn moeder aan. Hij ligt naast zijn schoenen in de kamer. ‘Ik heb tikkertje gespeeld met de muis en de kikker. Daarna ben ik denk ik in slaap gevallen.’
Zijn moeder kijkt hem bevreemd aan. ‘Met wie? Ik zie geen muis en ook geen kikker, je hebt zeker gedroomd. Waar komt dat stofweb in je haren vandaan? En heb jij dat gedaan, de wortel uit de schoen gehaald? Zo te zien is Sinterklaas vannacht niet geweest, anders had hij dat vast meegenomen voor het paard.’
Tom graait in zijn schoenen. In zijn handen heeft hij tot zijn moeders verbazing plukken hooi, uit de ene schoen komt een snoepkikker tevoorschijn en uit de andere een snoepmuis.
‘Hoe wist jij dat die erin lagen?’
Tom haalt zijn schouders op. Hij besluit het geheim van vannacht niet te vertellen. ‘Misschien heb ik dat gedroomd,’ zegt hij op het moment dat zijn vader de kamer inloopt.
‘Heb je alweer van Sinterklaas gedroomd?’ vraagt die. Het antwoord komt dit keer niet van Tom, maar van zijn moeder: ‘Nee, hij heeft nu van muizen en kikkers gedroomd.’
©Vera Oor, 2025