TANDARTSBEZOEK

Met al mijn bij elkaar verzamelde moed en met bibberende knieën ben ik onderweg naar de tandarts, waarvoor ik als de dood ben. Ik weet niet beter, dan dat het spreekuur altijd uitloopt en stel me in op de volgende 20 minuten zitten in de wachtkamer, tussen andere helden en helden op sokken.
Eén persoon heeft het duidelijk moeilijk. Hij heeft al twee keer de gang naar het toilet gemaakt, gaat weer zitten, zucht hoorbaar, houdt zijn handpalm tegen zijn wang en kijkt naar zijn schoenneuzen.
En daar verschijnt de tandartsassistente in de deuropening. Hoe heeft in godsnaam iemand ooit een lied kunnen verzinnen met een zin ‘het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente’. Ik zie alleen haar witte jas en haar mond. Gaat zij mijn naam zeggen?
Pfff, een andere naam. De ongelukkige jongeman loopt als een mak schaap achter haar aan naar de slachtbank. Semi-nonchalant blader ik weer in een tijdschrift om de tijd te doden.
De deur van de behandelkamer!
“Bedankt”, hoor ik een mannenstem mompelen.
En ja hoor, ik kan er niet omheen, ze noemt mijn naam. Mijn tas en jas grabbel ik bij elkaar, loop de martelkamer binnen en neem plaats op de behandelstoel.
“Zo, we gaan eens even kijken”. De tandarts buigt zich voorover en als de hond in het experiment van Pavlov open ik vanzelf mijn mond. Waarom praat die man ook nog de hele tijd en stelt vragen waarop ik geen ander antwoord kan geven dan onverstaanbaar gebrabbel?
Tijdens de behandeling focus ik me zo goed als mogelijk op het beeldscherm boven me waarop een documentaire te zien is. Dat zien beperkt zich tot bewegende beelden, want zonder bril, die naast het bekertje spoelwater ligt, is de ondertiteling een vage witte streep.
“Dan zien we u over een halfjaar weer”, hoor ik hem duidelijk zeggen terwijl hij de stoel weer uit de ligstand laat komen. Ik zet mijn bril op, schiet de stoel uit en mijn jas in.
“Ja bedankt, fijne dag”, geef ik als antwoord en verdwijn door de deur die de assistente al voor me open houdt. Ze kijkt me vriendelijk aan en zegt me goedendag. Toch een beetje lente in die ogen?  
 
Mijn auto staat pal voor de deur van de praktijk. Opgelucht stap ik in, trek de riem aan, start en rijd weg. Ben ik iets vergeten? Ja, kijken!
Bats, een enorme knal en ik sta weer stil. Eruit, ik moet maken dat ik de auto uitkom, maar het portier gaat niet open. Ik kruip zo snel als ik kan over de versnellingspook heen en verlaat de auto aan de bijrijderskant waar zich inmiddels enkele getuigen verzameld hebben. Ik denk dat een van hen de politie heeft gebeld, die al snel ter plaatse is. De agent neemt mijn verklaring af. Echt aanwezig ben ik nog niet merk ik en alles loopt door elkaar heen. Met hulp van de politie vul ik een schadeformulier in en waarschijnlijk heeft de andere partij dat ook gedaan. Geen idee eerlijk gezegd, er gebeurt zoveel, dat ik meer dan de helft niet eens meekrijg.
Het bergingsbedrijf is door de politie gevraagd om mijn auto op te halen. Oh, gelukkig, die ken ik. Het bedrijf zit bij mij vrijwel aan de overkant van de straat.
Paul, zo heet de berger, loopt eens om de auto heen en komt naar me toe.
“Waar zijn de wielen?”, vraagt hij.
“De wielen?”, is mijn tegenvraag en ik kijk verwonderd naar de auto die inderdaad wielen mist. “Geen idee”, is mijn onnozele reactie.
Paul loopt wat rond en komt even later terug met een wiel. Hij heeft hem een aantal tuintjes verderop gevonden. Nog een ander wiel vindt hij op een onlogische plek. Dan is de botsing toch wel flink geweest, trek ik als voorlopige conclusie.
Paul gaat aan de slag met zijn werk en takelt het wrak op de oplader van het bergingsbedrijf. Ik mag plaatsnemen op de bijrijdersstoel en rijd mee. De tegenovergestelde richting op dan de richting naar mijn werk, waar ik naar toe zou zijn gereden na mijn tandartsbezoek. 


Verkorte versie geplaatst op Gelderlander Gastschrijvers 24-6-2023

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...