In het overwoekerde park
getuigen slechts enkele kleine, vervallen bouwwerken van de aanwezigheid van
wat ooit een paradijs was voor kinderen: klimtoestellen, schommel, een wipwap
en aan de rand van een waterpartij een klaterende waterval. Een kronkelend pad
liep eronderdoor om daarna zijn weg te vervolgen naar een donkere grot waar
alleen witte kledingstukken nog zichtbaar waren door uv-verlichting. Dat
laatste weet Felix nu maar als jonge jongen liep hij met open mond door deze
betoverde grot, waarin witte blouses, sokken of petjes zich voortbewogen zonder
dat er een mens zichtbaar was.
Felix laat zijn rechterhand rusten op de zwarte aktentas die hij naast zich neer heeft gezet op een omgevallen boomstam. Dan lijkt het alsof het slot van de tas openklikt en er door een spleet nog meer flarden van herinneringen voorbij zweven: de zoete geur van een pannenkoek met stroop; het ontzag dat de trol met een knots op zijn rug hem inboezemde waardoor zijn altijd kwetterende mond stil bleef; de verlichte paddenstoelhoeden die hij met een vingertop aanraakte; de kronkelende bospaden met de afwisseling van ritselende bladeren en zacht, geluiddempend mos waar onverklaarbare geluiden tussen leken te zweven. Eeuwenoude bekende sprookjesfiguren, uitgebeeld in levensgrote beelden, stonden verspreid in het park om kinderen kennis te laten maken met de eeuwenoude verhalen die van generatie op generatie doorgegeven werden.
Vergeten is de afspraak om vijf
over drie op het notariskantoor, als Felix zijn jas over de tas heen legt en
voorzichtig naar een boom toeloopt. Boven zijn hoofd herkent hij de uitstulping
in de oksel van de eerste zijtak. De uitstulping die op ooghoogte zat toen hij een
jaar of zeven was. Groeit een boom zo hard in vierendertig jaar? De uitstulping
die nu klein lijkt in verhouding tot de boom, leek toen immens groot en met opengesperde
ogen volgde hij de vinger van zijn oom, die erop klopte om zijn komst aan te
kondigen bij de boombewoners.
Oom Gerard, die verhalen kon vertellen alsof ze deel uitmaakten van het leven op dat moment. Half verscholen achter zijn oom wachtte Felix de reactie af van de boom.
Oom Gerard wist een eekhoorn in zijn verbeelding te laten groeien tot de poortwachter naar een sprookjesland met nieuwe verhalen over de eeuwenoude sprookjesfiguren: Hans en Grietje en Klein Duimpje vonden de weg naar een land van reuzen waarin snoep en koek in reuzenhoeveelheden voor het grijpen lagen; Pinokkio begon een eigen timmerwerkplaats; de zeven dwergen brachten een vakantie door bij kabouter Spillebeen; geitjes vijlden hun horens vlijmscherp en joegen de wolven weg.
Oom Gerard nam hem vaker mee en zo leerde hij ook Repelsteeltje kennen, die in de verhalen van oom Gerard geen goud meer spon, maar een collectie schoenen ontwierp die gebaseerd was op de ontwerpen van de dansende rode schoentjes en van de glazen muiltjes van Assepoester.
Niet alleen hij, maar ook enkele vriendjes van hem hingen aan Gerards lippen en lieten zich meevoeren naar sprookjesland.
Felix wordt weggerukt uit zijn
herinneringsreis als hij het giechelende geluid hoort van enkele jongens die
hem van een afstand bestuderen. Hij realiseert zich wat voor een vreemd beeld
hij moet bieden aan hen. Ze zullen twijfelen aan zijn verstandelijke vermogens,
dat kan niet anders, want welke volwassen man fluistert naar een boom. Als hij
ziet dat ze hun telefoons op hem richten om een opname te maken, stelt hij
zichzelf voor. ‘Ik ben Felix Gijzen, ik ben in deze omgeving opgegroeid en toen
ik net zo oud was als jullie, ging ik met mijn vrienden altijd dit park in. Hier
leefden sprookjesfiguren.’
De elleboogstoot die een jongen uitdeelt aan degene naast hem en een ander die zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd brengt, ontgaan Felix niet.
‘Jullie denken zeker dat ik gek ben. Nee hoor, dat is niet zo. Straks moet ik naar de notaris omdat mijn oom is overleden en ik zijn erfgenaam ben.’
‘Een notaris in dit park zeker,’ sneert een van de jongens.
‘Die zit in het dorp, maar ik was te vroeg voor de afspraak dus ik ben hierheen gelopen om te kijken hoe het er nu bij ligt. Weten jullie dat dit ooit een sprookjespark is geweest?’ vraagt Felix. ‘Kennen jullie eigenlijk de oude sprookjes?’
‘Sprookjes zijn voor kleuters, wij zijn al zeven jaar oud,’ antwoordt een andere jongen gewichtig met zijn handen in zijn zij. ‘Dit is gewoon een park en het enige dat hier leuk is, is dat we kunnen crossen met onze fietsen.’
Felix kijkt op zijn horloge.
Vijf minuten vóór drie!
‘Jongens, kom morgen weer hier, om een uur of twee, dan zal ik jullie meenemen naar sprookjesland,’ nodigt hij de kinderen uit voordat hij zijn tas pakt en met snelle pas naar het notariskantoor loopt.
De volgende middag loopt Felix
naar het park. Zijn tred is zo licht, dat het lijkt alsof hij kleine
springveren in zijn schoenzolen heeft. De aktentas heeft hij verruild voor een
rugzak die van links naar rechts over zijn rug bungelt.
De brede lach verdwijnt als hij bij zijn armen vastgegrepen wordt zodra hij dichtbij de boom met de uitstulping is. Ineens vliegt hij, alleen niet als in een sprookje, maar tussen twee bomen van kerels die hem optillen alsof hij niet zwaarder is dan een pak suiker. Spartelend probeert Felix zich los te wringen, zonder succes.
‘Wat mot je hier met onze kinderen?’ buldert een van de mannen in zijn oor. Een ander kijkt hem aan alsof hij zich klaarmaakt voor de aanval op een valse hond.
Dezelfde jongens als die er gisteren waren staan naast de mannen en roepen. ‘Ja, dit is die man.’
‘Sjeng, Wikkie, zet hem op zijn eigen voeten,’ beveelt een derde man het tweetal dat Felix in hun handen heeft.
Felix stopt met zijn gespartel en als de mannen hem daarna op de grond zetten, draait hij zich om en bekijkt ze eens goed.
‘Sjeng? Wikkie? Zijn jullie het? Kennen jullie me nog? Ik ben Felix Gijzen. Ik heb met jullie hier gespeeld,’ roept Felix enthousiast als hij de ongebruikelijke namen hoort van twee van zijn jeugdvriendjes. Hij kijkt naar de derde man en roept: ‘En jij bent Paddie.’
Doodse stilte, die ineens verbroken wordt door een luide schreeuw van de langste man: ‘Felix? Fikkie noemden we je. Wat doe jij hier? En waarom vraag je onze kinderen om hierheen te komen?’
Als Felix weer wat op adem is
gekomen, komt zijn enthousiaste blik van even daarvoor terug. ‘Weten jullie nog
dat mijn oom Gerard op deze plek nieuwe sprookjes verzon en die aan ons
vertelde? Dat er in dit park zo’n geweldige sprookjeswereld was gemaakt voor
kinderen? Daar is helaas niks meer van terug te zien, maar de fantasie van mijn
oom Gerard heb ik van hem geërfd en daar wilde ik de jongens in meenemen.’
Voordat een van de anderen de kans krijgt te reageren, gooit Felix, als een duveltje uit een doosje, een mededeling in de groep, waarna iedereen hem ongelovig aanstaart: ‘Ik heb gisteren de erfenis van oom Gerard geaccepteerd. Een bedrag om U tegen te zeggen en de opdracht om dit deels te besteden aan de herinrichting van dit park om het weer om te toveren tot een echt sprookjesland.’
Sprakeloos kijken zijn toehoorders hem aan, totdat een van hen bromt: ‘De gemeente werkt hier nooit aan mee, die heeft andere plannen.’
‘Klopt. Maar oom Gerard heeft voordat hij ziek werd al ellenlange gesprekken gevoerd met de wethouder en burgemeester. Hij heeft ze blijkbaar zover kunnen krijgen, dat op zijn kosten het verwaarloosde pannenkoekenrestaurant in ere kon worden hersteld en hij heeft de handtekening van de burgemeester gekregen op een contract waarin hij belooft het park nieuw leven in te blazen. Ook op zijn kosten uiteraard, want ik denk niet dat de gemeente daarvoor de beurs opentrekt.
‘Fikkie, dat heeft die oom Gerard van jou mooi geflikt. Ik wil je wel helpen,’ zegt Sjeng en geeft Felix een stevige klap op zijn schouders.
Felix kijkt hem lachend aan: ‘Doe je ogen dicht, haal diep adem door je neus en verbeeld je dat je achter een bruingebakken pannenkoek zit. De zoete geur van stroop snuif je op. Kom op, we gaan met zijn allen aan de pannenkoek. Ik trakteer. Of nou ja, eigenlijk trakteert oom Gerard.’
Felix laat zijn rechterhand rusten op de zwarte aktentas die hij naast zich neer heeft gezet op een omgevallen boomstam. Dan lijkt het alsof het slot van de tas openklikt en er door een spleet nog meer flarden van herinneringen voorbij zweven: de zoete geur van een pannenkoek met stroop; het ontzag dat de trol met een knots op zijn rug hem inboezemde waardoor zijn altijd kwetterende mond stil bleef; de verlichte paddenstoelhoeden die hij met een vingertop aanraakte; de kronkelende bospaden met de afwisseling van ritselende bladeren en zacht, geluiddempend mos waar onverklaarbare geluiden tussen leken te zweven. Eeuwenoude bekende sprookjesfiguren, uitgebeeld in levensgrote beelden, stonden verspreid in het park om kinderen kennis te laten maken met de eeuwenoude verhalen die van generatie op generatie doorgegeven werden.
Oom Gerard, die verhalen kon vertellen alsof ze deel uitmaakten van het leven op dat moment. Half verscholen achter zijn oom wachtte Felix de reactie af van de boom.
Oom Gerard wist een eekhoorn in zijn verbeelding te laten groeien tot de poortwachter naar een sprookjesland met nieuwe verhalen over de eeuwenoude sprookjesfiguren: Hans en Grietje en Klein Duimpje vonden de weg naar een land van reuzen waarin snoep en koek in reuzenhoeveelheden voor het grijpen lagen; Pinokkio begon een eigen timmerwerkplaats; de zeven dwergen brachten een vakantie door bij kabouter Spillebeen; geitjes vijlden hun horens vlijmscherp en joegen de wolven weg.
Oom Gerard nam hem vaker mee en zo leerde hij ook Repelsteeltje kennen, die in de verhalen van oom Gerard geen goud meer spon, maar een collectie schoenen ontwierp die gebaseerd was op de ontwerpen van de dansende rode schoentjes en van de glazen muiltjes van Assepoester.
Niet alleen hij, maar ook enkele vriendjes van hem hingen aan Gerards lippen en lieten zich meevoeren naar sprookjesland.
De elleboogstoot die een jongen uitdeelt aan degene naast hem en een ander die zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd brengt, ontgaan Felix niet.
‘Jullie denken zeker dat ik gek ben. Nee hoor, dat is niet zo. Straks moet ik naar de notaris omdat mijn oom is overleden en ik zijn erfgenaam ben.’
‘Een notaris in dit park zeker,’ sneert een van de jongens.
‘Die zit in het dorp, maar ik was te vroeg voor de afspraak dus ik ben hierheen gelopen om te kijken hoe het er nu bij ligt. Weten jullie dat dit ooit een sprookjespark is geweest?’ vraagt Felix. ‘Kennen jullie eigenlijk de oude sprookjes?’
‘Sprookjes zijn voor kleuters, wij zijn al zeven jaar oud,’ antwoordt een andere jongen gewichtig met zijn handen in zijn zij. ‘Dit is gewoon een park en het enige dat hier leuk is, is dat we kunnen crossen met onze fietsen.’
‘Jongens, kom morgen weer hier, om een uur of twee, dan zal ik jullie meenemen naar sprookjesland,’ nodigt hij de kinderen uit voordat hij zijn tas pakt en met snelle pas naar het notariskantoor loopt.
De brede lach verdwijnt als hij bij zijn armen vastgegrepen wordt zodra hij dichtbij de boom met de uitstulping is. Ineens vliegt hij, alleen niet als in een sprookje, maar tussen twee bomen van kerels die hem optillen alsof hij niet zwaarder is dan een pak suiker. Spartelend probeert Felix zich los te wringen, zonder succes.
‘Wat mot je hier met onze kinderen?’ buldert een van de mannen in zijn oor. Een ander kijkt hem aan alsof hij zich klaarmaakt voor de aanval op een valse hond.
Dezelfde jongens als die er gisteren waren staan naast de mannen en roepen. ‘Ja, dit is die man.’
‘Sjeng, Wikkie, zet hem op zijn eigen voeten,’ beveelt een derde man het tweetal dat Felix in hun handen heeft.
Felix stopt met zijn gespartel en als de mannen hem daarna op de grond zetten, draait hij zich om en bekijkt ze eens goed.
‘Sjeng? Wikkie? Zijn jullie het? Kennen jullie me nog? Ik ben Felix Gijzen. Ik heb met jullie hier gespeeld,’ roept Felix enthousiast als hij de ongebruikelijke namen hoort van twee van zijn jeugdvriendjes. Hij kijkt naar de derde man en roept: ‘En jij bent Paddie.’
Doodse stilte, die ineens verbroken wordt door een luide schreeuw van de langste man: ‘Felix? Fikkie noemden we je. Wat doe jij hier? En waarom vraag je onze kinderen om hierheen te komen?’
Voordat een van de anderen de kans krijgt te reageren, gooit Felix, als een duveltje uit een doosje, een mededeling in de groep, waarna iedereen hem ongelovig aanstaart: ‘Ik heb gisteren de erfenis van oom Gerard geaccepteerd. Een bedrag om U tegen te zeggen en de opdracht om dit deels te besteden aan de herinrichting van dit park om het weer om te toveren tot een echt sprookjesland.’
Sprakeloos kijken zijn toehoorders hem aan, totdat een van hen bromt: ‘De gemeente werkt hier nooit aan mee, die heeft andere plannen.’
‘Klopt. Maar oom Gerard heeft voordat hij ziek werd al ellenlange gesprekken gevoerd met de wethouder en burgemeester. Hij heeft ze blijkbaar zover kunnen krijgen, dat op zijn kosten het verwaarloosde pannenkoekenrestaurant in ere kon worden hersteld en hij heeft de handtekening van de burgemeester gekregen op een contract waarin hij belooft het park nieuw leven in te blazen. Ook op zijn kosten uiteraard, want ik denk niet dat de gemeente daarvoor de beurs opentrekt.
‘Fikkie, dat heeft die oom Gerard van jou mooi geflikt. Ik wil je wel helpen,’ zegt Sjeng en geeft Felix een stevige klap op zijn schouders.
Felix kijkt hem lachend aan: ‘Doe je ogen dicht, haal diep adem door je neus en verbeeld je dat je achter een bruingebakken pannenkoek zit. De zoete geur van stroop snuif je op. Kom op, we gaan met zijn allen aan de pannenkoek. Ik trakteer. Of nou ja, eigenlijk trakteert oom Gerard.’
© Vera Oor, 2026
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Laat hier je reactie achter.